Nieuwjaarswensen van stadhouder Willem IV

Portretminiatuur van stadhouder Willem IV, ca. 1735 (Koninklijke Verzamelingen, Den Haag) via: https://bit.ly/32VmVEj

Op oudejaarsdag 1722 schrijft Willem IV zijn moeder Maria Louise van Hessen-Kassel een mooie brief ter gelegenheid van de jaarwisseling. De jonge stadhouder was net elf jaar oud, maar dat weerhield hem er niet van om zijn moeder in een keurig handschrift een brief te schrijven met de beste wensen voor het komende jaar, zo schreef hij liefhebbend: 

’Je prie Dieu le Tout Puissant qui veuille combler Votre Altesse Sérénissime de ses plus précieuse bénidictions et qu’elle aye toutes sortes de prospérité pendant cette année’.

Stadhouder Willem IV schreef zijn moeder gedurende zijn leven talloze brieven, waarvan er in totaal 1241 bewaard zijn gebleven. De meeste brieven die bewaard zijn gebleven dateren tussen 1728 en 1734. Willem IV schreef vaak over zijn gezondheid. Als kind had hij namelijk een ongelukkige val gemaakt, waar hij een vergroeide rug aan over had gehouden. Zijn gezondheid was daarom iets waar zijn moeder zich vaak zorgen over maakte. In de correspondentie tussen Willem IV en zijn moeder schreef Willem IV daarnaast ook over het aanstaande huwelijk met Anna van Hannover. Maria Louise van Hessen-Kassel schreef op haar beurt over haar eigen gezondheid en haar bezigheden aan het Friese hof in Leeuwarden.

Transcriptie:
Madame ma très chère et honorée mère,

J’espère que Votre Altesse Sérénissime voudra bien permettre que je prenne la liberté 
de lui offrir cette lettre. Et de lui témoigner mon impaciense de féliciter Votre Altesse Sérénissime du renouvellement de l’année. je prie Dieu le Tout Puissant qui veuille combler V.A.S. de ses plus précieuse bénidictions et qu’elle aye toutes sortes de prospérité pendant cette année, de mon côté je ferai tout mon possible pour mériter ses bonnes grâces et demeure avec très profond respects 

Madame, de Votre Altesse Sérénissime, le très humble et très obéissant serviteur et fils,

G.C.H.F. P. d’Orange

Leeuwarden, ce 31me dec.ber 1722

Brief uit het Tuchthuis

“G. van Giessen, Het Tucht- of Spinhuis aan de Prinsegracht, 1725, Collectie Haags Gemeentearchief,” Haags Gemeentearchief, geraadpleegd op 9 september 2020, https://bit.ly/3m4jbrA

Op 9 december 1755 ontving Anna van Hannover een verzoek van de negen kinderen van de zestigjarige Anna Catharina Werdin. Ze vroegen in het zogenaamde ‘request’ Anna gratie te verlenen aan hun doodzieke moeder die zat opgesloten in het tuchthuis van Den Haag. Dit was mogelijk het Tucht- of Spinhuis aan de Prinsegracht te zien op bovenstaande prent uit 1735. Dit was het eerste tuchthuis van Den Haag.

De afzender van de brief, Rozina Werdin, die namens de negen kinderen de brief schreef aan Anna van Hannover, vertelde dat hun moeder haar misdaden had begaan vanwege de armoede waarin zij en haar kinderen leefden. Ze wilde ‘slechts’ instaat zijn om haar drie nog minderjarige kinderen te voeden. De zestigjarige Anna Catharina Werdin werd in april 1755 verbannen naar het tuchthuis voor vier jaar en zat al negen maanden opgesloten op het moment dat één van haar dochters de brief schreef. Rozina richtte zich tot Anna nadat de baljuw en de schepenen haar verzoek hadden afgewezen. In de brief stelde ze dat haar moeder ziek was en waarschijnlijk in het tuchthuis zou komen te overlijden. Ze deed een beroep op de ‘menselijkheid’ van Anna en vroeg haar het mogelijk te maken om haar moeder met haar kinderen te herenigen. Ook schreef Rozina dat drie van haar kinderen in het leger als soldaat en tamboer gediend hadden. De kinderen zouden “gedreven door een kinderlijken liefdendrift voor haere moeder, die met zorge hen onder ’t her gedragen gequeekt en gevoet heeft” Anna willen vragen hun moeder uit het tuchthuis te ontslaan. 

Anna van Hannover wees het verzoek dezelfde dag nog, op 9 december 1755, af. 

Transcriptie:
“Aen Haere Koninklijke Mevrouwe de Princesse Gouvernante.

Geven met verschulde eerbied, zeer onderdanig te kennen de Negen kinderen van Anna Catharina Werdin, welke Anna Catharina Werdin althans volgens vonnisse van Heeren Scheepenen van s’Gravenhage is geconfineert of gebannen in het Tugthuis alhier. Dat dezelve haere moeder een vrou van zestig jaeren zijnde, uit hoogen noot en armoede, aparent to voeding van haere Drie nog minderjarige kinderen, zich met zaeken tegens de Burgerlijke Samenleving in het logeeren van vrouluijden, gemelleert heeft, dog zoo, dat noit Buuren overlast van haere Huishouding gehad hebben, en zij noit bij weeten van de supplten eenige jonge vrouluijden vervoert heeft, op ordre van Heeren Bailliu en Scheepenen dezer Stede, in de Maend April dezes Jaers geapprehendeert in ’t Tuchthuis gebragt en sekerlijk op consessie voor den tijdt van vier jaeren aldaer gebannen is. Dat derzelver moeder althans krank en van droefheit over haer Drie Jonge kinderen zeer hertsmertende aengedaen is, zekerlijk aldaer na allen oogenschijn, sterven zal; ten zij, menschelijker wijze daer inne voorzien, en zij weder bij haere kinderen gelaten werd. Dat ook boven die, drie van de supplten in den militairen dienst onder de guardes uwer koninklijke hoogheit, als soldaeten en tamboer dienen welke het niet alleen chagrinant valt, maer ook, somtijdts tot verwijt strekt dat haere moeder in het Tuchthuis gebannen zit, en dat bovendien met drie minderjarige kinderen al verre over de Zeven maenden belast is, nadien die buiten staet zijn om haer brood te winnen.

Om alle welke redenen, en vooral om de krankheit, en vreeze dat hunlieder moeder tot nog meerder schande voor hen in het gemelde Tuchthuis sterven zal, supplten gedreven door een kinderlijken liefdendrift voor haere moeder, die met zorge hen onder ’t her gedragen gequeekt en gevoet heeft, volgens hunnen plicht zich keeren tot uwe Koninklijke Hoogheit (als zijnde nog laestelijk op den 2den dezer maend december, door heeren Scheepenen voorn ’t op hun verzoek afgeslagen) Ootmoedig verzoekende dat het uwe Koninklijke Hoogheit alleen uit gracie en mededogen voor de negen supplten en haere kinderen die twaelf in getaele en dus 21 personen uitmaeken; behage door derzelver goede recommandatie aen heeren Bailliu en Scheepenen dezer stede ’s Gravenhage, der supplten gemelde kranke moeder te doen ontslaen ten einde zij in de armen haerer kinderen sterve moge. 

’T Welk doende Rozina Werdin

Gepresenteert 9 dec 1755 en afgeslagen”

Door Tessa Stalenburg, 14 september 2020.

#OnThisDay in 1748..

Hollandsche Historische Courant, 10 september 1748 (Koninklijke Verzamelingen, Den Haag, A28-442)

Op deze dag, 10 september 2020, is het 272 jaar geleden dat er in de krant berichten stonden met het nieuws uit allerlei omstreken: ziekte uitbraken in Amerika, droogte en schaarste in Groot-Brittannië en opstanden in Italië! C.E. van Sanden, werkzaam op de griffie van de Staten-Generaal, stuurde Maria Louise van Hessen-Kassel wekelijkse (en soms wel dagelijkse!) brieven met nieuws uit binnen- en buitenland en van het hof in Den Haag, samen met een uitgave van de Hollandsche Historische Courant van die week. Op die manier hoorde ze van Van Sanden wat er in de Republiek speelde, en via de krant vernam ze wat er in het buitenland gebeurde. Zo kon de douairière, ondanks dat ze in Leeuwarden verbleef, toch nog een oogje in het zeil houden.

De onderstaande brief gaat in het bijzonder over het welzijn van haar zoon stadhouder Willem IV. De Amsterdamse bevolking protesteerde omdat ze het niet eens was met het beleid van de regering. Van Sanden maakte zich druk over de mogelijk ‘quadaerdige geesten te Amsterdam’, die de prins ’s nachts niet met rust lieten. Waar de Amsterdammers precies zo boos over waren, wordt helaas niet genoemd. Verder informeert hij Maria Louise over de reacties op een aantal wijzigingen in Oost-Indië. Een aantal zeelieden was het niet eens met de huishouding van de admiraliteiten en de reformatie van het magistraat. Als laatste krijgt Maria Louise informatie over plunderingen in Haarlem, maar volgens Van Sanden had dit ‘geen relatie van ongenoegen tegens de regering’.

 Hieronder de brief die hij schreef:

Vijftig nieuwe brieven uit 1646 van Constantijn Huygens aan Amalia van Solms

Constantijn Huygens aan Amalia van Solms, Assenede, 24 juli 1646:

Zijne Hoogheid [stadhouder Frederik Hendrik], teruggekomen van het uitstapje [een bezoek aan het Franse leger], voelde zich een beetje vermoeid, na enkele uren te paard te zijn geweest. Daardoor heeft hij vannacht niet goed geslapen en is hij om 4 uur opgestaan om in een stoel te gaan zitten, waarom begrijp ik niet. Om 7 uur is hij weer terug op bed gaan liggen en heeft twee à drie uur zo diep geslapen dat alle trompetten van de Franse troepen die gezamenlijk onder zijn raam hebben staan blazen, hem niet hebben kunnen wekken. Na dit slaapje voelde hij zich totaal niet verfrist.

Dit vrij vertaalde fragment is afkomstig uit één van de vijftig teruggevonden brieven van Constantijn Huygens aan Amalia van Solms die zijn toegevoegd aan de online database met de correspondentie van Constantijn Huygens. De verloren gewaande brieven zijn afkomstig uit het Landeshauptarchiv in Dessau en vrijwel allemaal geschreven in 1646. Ze zijn een belangrijke aanwinst voor de digitale brievencollectie van Constantijn Huygens, in het bijzonder voor zijn correspondentie met Amalia van Solms, de echtgenote van stadhouder Frederik Hendrik. In zijn functie van secretaris van de stadhouder hield Constantijn Amalia vanuit het leger, dat ieder jaar van april tot en met oktober op veldtocht was, vrijwel dagelijks op de hoogte van de militaire vorderingen, maar ook van de gezondheid van haar echtgenoot. In totaal zijn er tussen Huygens en Amalia 1.018 brieven gewisseld. Hij schreef er 834 aan haar en zij schreef 184 brieven aan hem. Op de genoemde vijftig brieven na, bevindt deze briefwisseling zich vrijwel geheel bij Koninklijke Verzamelingen onder signatuur KHA, A14a-XIII-18C-1. Dat deze correspondentie zo compleet is, is te danken aan de afspraak die Constantijn met een van Amalia’s hofdames had gemaakt dat zij al zijn brieven aan Amalia voor hem zou bewaren.

Correspondentie Constantijn Huygens met Amalia von Solms: lichtblauw zijn de brieven áán haar; donkerblauw de brieven van haar

Edities

De belangrijkste gedrukte editie van Huygens’ brieven is op dit moment nog steeds die van J.A. Worp, uitgegeven in de periode 1911-1916 in de Rijks Geschiedkundige Publicatiën, de serie bronnenpublicaties van het Huygens ING. In de algemene inleiding bij deel I stelde Worp dat de volledige uitgave van de correspondentie van Constantijn Huygens 25 tot 30 delen zou vergen. Dat zou natuurlijk veel te veel worden en daarom beperkte hij de omvang tot zes delen, want niet alles was volgens Worp even belangrijk. Die werkwijze is echter niet meer van deze tijd. De huidige onderzoeker wil over het volledige materiaal kunnen beschikken en niet afhankelijk zijn van de selectie en parafrases van een 19e-eeuwse historicus. En dat kan: het Huygens ING heeft een database ingericht met per brief enkele kerngegevens.

Hieraan zijn de bewerkingen van Worp gekoppeld en het geheel is op het web gepubliceerd en doorzoekbaar. Aan de brieven is extra materiaal toegevoegd, zoals de digitale afbeelding van de originele brief, maar ook verwijzingen naar andere edities dan die van Worp, en dikwijls een transcriptie of vertaling.

En zo worden ook nieuwe, niet door Worp uitgegeven brieven worden aan de database toegevoegd. Daar zijn deze vijftig brieven van Constantijn Huygens aan Amalia van Solms een voorbeeld van. De brieven bevinden zich in het Landeshauptarchiv Sachsen-Anhalt, Abteilung Dessau, A7b, nr. 109 A met als opschrift: ‘Relation de la Campagne 1646’ (Eindelijk weer samen. Inventaris van de archieven van stadhouder Willem II en Amalia van Solms en enige verwanten, samengesteld door J.N. Fernhout (Den Haag) 86). Het was bekend dat de brieven uit 1646 van Huygens aan Amalia ontbraken, maar tot voor kort wist men niet dat ze zich in Dessau bevonden. Ze zijn daar waarschijnlijk ooit terechtgekomen door een beslissing van stadhouder Willem II. Die was tamelijk ongelukkig met de Vrede van Munster, die een einde had gemaakt aan de Tachtigjarige Oorlog. Liever had hij samen met de Fransen de strijd tegen de Spanjaarden willen voortzetten. Kort na het overlijden van zijn vader Frederik Hendrik (maart 1647) besloot hij een aantal documenten uit het archief van zijn vader naar zijn eigen administratie over te brengen om zo goed mogelijk op de hoogte te zijn van zijn vaders contacten met Frankrijk. Zo liet hij 270 folio’s met ingekomen stukken over de voorbereiding van de veldtochten tegen Spanje uit zijn vaders archief lichten (Fernhout, 22 en 98).

Willem II, Prins van Oranje, door Jean I Petitot, naar schilderij van Gerard van Honthorst, Koninklijke Verzamelingen, Den Haag

Vermoedelijk om dezelfde reden zijn ook de vijftig brieven van Constantijn aan Amalia uit het jaar 1646 in het archief van Willem II ondergebracht. Na diens dood in 1650 is dit deel van het archief bij zijn moeder Amalia terechtgekomen. Toen Amalia op haar beurt in 1675 overleed, werd haar oudste nog levende dochter Albertine Agnes, weduwe van de Friese stadhouder Willem Frederik, executeur-testamentair. Na haar dood is het archief van Willem II, evenals een deel van dat van Amalia en veel Friese stukken in Duitsland, beland bij de enige nog levende zuster Henriette Catharina, de weduwe van de vorst van Anhalt-Dessau. De documenten, maar ook schilderijen en sieraden, stonden daar bekend als Nassauische Erbschaft (Fernhout, 42). Deze verzameling is niet compleet. Het verhaal wil dat Henriette Catharina veel persoonlijke stukken met zich mee heeft genomen in haar graf. De kerk waar zij begraven lag, is in de Tweede Wereldoorlog plat gebombardeerd, dus die stukken moeten als voorgoed verloren worden beschouwd.

De archieven van Willem II en Amalia van Solms zijn aldus verspreid geraakt over het Landseshauptarchiv in Dessau en het Koninklijk Huisarchief in Den Haag. Dankzij een initiatief van beide archieven zijn ze virtueel weer bij elkaar gebracht door middel van de eerder genoemde inventaris, samengesteld door J.N. Fernhout, die in 2011 door het Koninklijk Huisarchief is gepubliceerd. Het Koninklijk Huisarchief beschikt over microfilms en scans en heeft deze, met bereidwillige medewerking van het archief te Dessau, aan het Huygens ING beschikbaar gesteld. Vervolgens zijn de vijftig relevante brieven uit het digitale materiaal gelicht, bewerkt, van metadata voorzien, getranscribeerd en aan de digitale brievencollectie van Constantijn Huygens gekoppeld.

Inhoud

Deze brieven van Constantijn aan Amalia uit 1646 zijn voor de geschiedschrijving een waardevolle toevoeging. Zo was 1646 het laatste jaar waarin stadhouder Frederik Hendrik nog actief was en met het leger op veldtocht ging. Van half juni tot half september van dat jaar verbleef hij met het leger in Oost-Vlaanderen en in de maand oktober was hij gelegerd voor Venlo, dat hij tevergeefs probeerde in te nemen. In zijn brieven doet Constantijn Amalia uitgebreid verslag over de verstandhouding en de ontmoetingen met de geallieerde Fransen, waarin kopstukken zoals legerleiders Condé, Grammont en Orléans figureren. Verder schrijft hij in detail over de verplaatsingen van het leger, de schermutselingen met de vijand en de activiteiten van de vloot bij Duinkerken. Maar ook de verveling die vaak toeslaat terwijl men wacht op instructie, is onderwerp van schrijven. Zo bericht hij over Willem II die, tot ergernis van zijn vader, regelmatig bij de Fransen te vinden is, waarbij er flink wordt gedronken en gekaart om de tijd te doden. Ook de voorbereidingen op de Vrede van Munster zijn in volle gang en er komt er vaak afvaardiging naar het leger om Frederik Hendrik van de onderhandelingen op de hoogte brengen.

Beleg van Venlo in 1646 door Lambert de Hondt de Oudere, Wikimedia Commons

Frederik Hendrik zou op 14 maart 1647 overlijden. Het jaar daarvoor, in 1646, was hij reeds zwak en ziekelijk, vaak mentaal instabiel en lastig in de omgang. Ook hierover doet Constantijn op gepaste maar ook ontroerende wijze verslag. Vaak beschrijft hij tot in detail wat zijn werkgever wel en niet wil eten, hoe hij heeft geslapen, en of en hoe lang hij op zijn paard heeft gezeten. Maar ook Constantijns persoonlijke beslommeringen, waaronder zijn soms moeilijke verstandhouding met Amalia van Solms, komen aan de orde.

De vijftig brieven maken deel uit van een nog steeds groeiende digitale collectie die op dit moment uit 9.188 brieven bestaat. 

Ineke Huysman, 4 september 2020.