Blog

Kinderstemmen aan het stadhouderlijk hof: De kinderbrieven van de Oranje-Nassau dynastie

Een droom van vrijwel ieder kind: met een zwaard in de handen of een tiara op het hoofd door de gangen van een kasteel dwalen, om na een lange, avontuurlijke dag in slaap te vallen in een donzig hemelbed. Voor de prinsjes en prinsesjes van Oranje-Nassau was dit een werkelijkheid. Deze jonge vorsten en vorstinnen groeiden op in deftige paleizen, van het statige Huis ten Bosch in Den Haag tot het weelderige Paleis Het Loo op de Veluwe. 

Dankzij hun bewaard gebleven correspondentie met familieleden ligt hun kindertijd vereeuwigd in het archief van de Koninklijke Verzamelingen. Hun brieven staan vol met observaties en bevindingen, over het weer bijvoorbeeld, wat ze op school hadden geleerd, of over de gezondheid van familie. Verjaardagen, feestdagen en bedankjes werden natuurlijk nooit overgeslagen. Het aantal bewaard gebleven brieven is bescheiden, maar ze bieden bijzondere inzichten in het alledaagse leven van de jonge Oranje-Nassaus in de vroegmoderne tijd.

Zo krijgen we bijvoorbeeld de stem te horen van de vierjarige prins Willem V (1748-1806) aan zijn grootmoeder Maria Louise van Hessen-Kassel (1688-1765), of die van prinses Carolina (1743-1787) uit haar vroege jeugd. Ook bieden de brieven inzicht in de emotionele relatie tussen kind en moeder of grootmoeder, want, zo getuigen de briefjes, schrijven deden de kinderen vaak juist aan een vrouwelijk familielid. De familiebrief werd vooral met vrouwen geassocieerd. Het dagelijkse toezicht op het briefonderwijs lag daarom vaak bij de moeder, ook al kregen kinderen daarnaast les van een mannelijke tutor.[1]

In hun kinderbrieven komen allerlei onderwerpen aan bod. Een jonge Johan Willem Friso (1687-1711) schrijft bijvoorbeeld aan zijn moeder Henriette Amalia (1666-1726) dat hij die dag twee keer de kerk heeft bezocht en dat er diezelfde avond een heftige regenbui was gevallen. Johans kleinzoon, Willem V, hield zijn moeder op de hoogte over zijn verkoudheid: ‘Je suis un peu enrhumé, et incommodé d’un torticolis.’[2] Zijn brief sluit hij af met een zwierige handtekening: 

Fragment uit: Willem V aan Anna van Hannover, 6 november 1758, Koninklijke Verzamelingen, Den Haag, A30-430a_146.

Brieven schrijven vormde een belangrijk onderdeel in de opvoeding van vorstelijke kinderen. Kinderen leerden daarom al op jonge leeftijd de conventies van het briefschrijven: netjes schrijven, passende onderwerpen kiezen en, bovenal, het beheersen van de Franse taal.[3] Op het stadhouderlijk hof kregen kinderen vaak een persoonlijke tutor aangewezen, die hen naast intellectuele kennis ook in karakterdeugden onderwees.[4] Ter voorbereiding op een politieke en militaire carrière hoopten opvoeders op deze manier hun kinderen tot geschikte staatshoofden te vormen. Ouders en onderwijzers zagen daar streng op toe en wezen de jonge briefschrijvers op hun fouten en slordigheden.[5]

Tegelijkertijd moeten we voorzichtig zijn met het idee de stem van het kind te kunnen horen in deze brieven. Vaak schreven kinderen volgens door volwassenen opgelegde conventies of werden ze rechtstreeks begeleid of gecorrigeerd, en dan rest nog de vraag hoe waarheidsgetrouw dit beeld is.[6] De brieven zijn dus niet alleen inhoudelijk van belang; ook de praktijk van het briefschrijven zelf is interessant om te bestuderen. 

Kinderen in de geschiedschrijving

De belangstelling voor de kindertijd is echter niet altijd vanzelfsprekend geweest. Zo betoogde Philippe Ariès dat in de middeleeuwen kinderen als mini-volwassene werden beschouwd.[7] Hoewel dit beeld door historici later genuanceerd is, vormde het idee van Ariès een speerpunt binnen de historiografie van de kindertijd. Pas in de achttiende eeuw veranderde de manier waarop men dacht over opvoeding. Met zijn boek Emile, ou De l’éducation (1762) betoogde Jean-Jacques Rousseau namelijk dat de kindertijd een afgebakende fase is en dat ouders een grote verantwoordelijkheid dragen in de opvoeding.[8] De nadruk kwam dus te liggen op het creëren van een pedagogische ruimte waarin het kind zich kan ontwikkelen tot een moreel en zelfstandig wezen. Deze idealen golden natuurlijk alleen voor gegoede kinderen en vergrootten zo de kloof tussen arme en rijke milieus.[9] Inmiddels wordt het idee van een rechtstreekse lijn tussen het verzwegen kind van vroeger en het geëmancipeerde kind van nu door historici bevraagd. Zo spreekt Ludmilla Jordanova liever over een cultuurgebonden ‘kind-zijn’, en benadrukt Laura Tisdall dat kinderen van alle tijden te maken hebben gehad met sociale conventies, en dat daar tegenwoordig nog altijd sprake van is.[10]

Wat hier volgt is een verkenning van een selectie brieven uit de jeugd van Hendrik Casimir II (1657-1696), prins Willem V en prinses Carolina, gericht aan moeders en grootmoeders. Per kind staan een paar brieven centraal en wordt een kort portret geschetst van zijn of haar relatie met de geadresseerde stadhoudersvrouw. Vervolgens bestuderen we die brieven in samenhang met de briefconventies van die tijd. Hoe leerden kinderen een brief schrijven, en wat zegt dat over de briefcultuur aan het stadhouderlijk hof? En in hoeverre speelden de verwachtingen rond gender daarbij een rol?

De kinderbrieven van Hendrik Casimir II

Een eerste uitstap maken we naar de kinderbrieven van Hendrik Casimir II van Nassau-Dietz, zoon van Willem Frederik van Nassau-Dietz (1613-1664) en Albertine Agnes van Nassau (1634-1696). In zijn brieven aan zijn moeder komt van alles langs. Hij vertelt over zijn reis naar Groningen, doet verslag van een concert waar hij bladmuziek van opstuurt, ‘… y faire des concers des musiques, et que cete hymne que je prens la liberté d’envoyer à Votre Altesse,’[11] en informeert haar over de gezondheid van gemeenschappelijke vrienden en kennissen.

Dat Hendrik zijn moeder zo op de hoogte hield had een belangrijke reden. Na de dood van haar echtgenoot Willem Frederik in 1664 werd Albertine namelijk aangewezen als regentes voor haar zoon, wat zou duren tot 1677, het jaar dat Hendrik twintig werd en als volwassene werd erkend. Haar voogdijschap zou dertien turbulente jaren beslaan. Niet alleen kreeg zij te maken met het Rampjaar 1672, toen de Republiek van verschillende kanten werd aangevallen, ook de voortzetting van de dynastie verkeerde in onzekerheid door de zwakke gezondheid van haar zoon Hendrik. Wat evenmin meehielp was zijn eigenzinnige karakter. Zo laat Michael Green zien dat Hendrik zich tegenover zijn tutor soms ongehoorzaam opstelde, gedrag waarop Albertine hem in haar brieven streng aansprak.[12] 

Abraham van den Tempel, Portret van Albertine Agnes met haar drie kinderen, 1668. Fries Museum, Leeuwarden, via Wikimedia Commons. Links Amalia, die een takje oranjebloesem naar voren steekt om te benadrukken dat haar moeder een Oranje is. Naast haar Hendrik Casimir II, hier elf jaar oud, dan Albertine Agnes zelf, en rechts de peuter Sophia, die op het moment van schilderen al was overleden.

Over zowel de opvoeding als het onderwijs van haar zoon hield Albertine stevig de controle in eigen hand. Zo schrijft Lidewij Nissen dat ondanks de betrokkenheid van de Provinciale Staten en overige familieleden, Albertine er niettemin in slaagde de regie over Hendrik naar zich toe te trekken.[13] Een andere voogd, neef Johan Maurits van Nassau-Siegen, wilde bijvoorbeeld dat Hendrik in dienst trad in het leger om hem als toekomstige stadhouder militaire ervaring mee te geven. Maar door de invloed van Albertine kregen zaken als geschiedenis, hoffelijke etiquette en, bovenal, brieven schrijven, voorrang in het onderwijs van haar zoon.[14] Hoe ver dat toezicht ging, laat een brief zien die zij hem op 14/24 oktober 1666 schreef:[15]

Mon tres cher fils, j’ay esté bien aise de voir par votre derniere lettre votre bonne disposition; mais je m’estois attendu que vous m’escririez en meilleur françois que vous n’avez fait, n’y ayant presque pas un mot qui n’ait besoin d’estre corrigé, c’est pourquoy je vous renvoye la dite lettre, affin que vous puissiez remarquer les fautes que vous avez faites et vous en garder une autre fois, me promettant en outre qu’en mon absence vous vous applicquerez avec tant d’attachement aux etudes qu’a mon retour j’aye sujet de me louer et d’estre satisfaite de vos progres pour vous tesmoigner que je suis, mon tres cher filz, votre bien bonne mère Albertine

Lauteren, ce 14/24 8br 1666

Vertaling:

Mijn allerliefste zoon, het deed mij genoegen uit uw laatste brief op te maken dat u het goed maakt. Maar ik had verwacht dat u mij in beter Frans zou schrijven dan u gedaan hebt, aangezien er bijna geen woord in staat dat geen verbetering behoeft. Daarom stuur ik u uw eigen brief terug, opdat u de fouten die u hebt laten staan zelf kunt opmerken en ze een volgende keer kunt vermijden. Belooft u mij bovendien dat u zich tijdens mijn afwezigheid met zoveel toewijding op uw studie zult toeleggen, dat ik bij mijn terugkeer reden heb tevreden te zijn over uw vorderingen. Waarmee ik u toon dat ik ben, mijn allerliefste zoon, uw zeer goede moeder, Albertine. Lauteren, 14/24 oktober 1666.

Albertine Agnes van Nassau aan Hendrik Casimir II, 14/24 oktober 1666, Koninklijke Verzamelingen, Den Haag, A26-004_002.

Ze schreef hem niet van huis uit. Een maand eerder was haar jongste zuster Maria in Kleef getrouwd met de paltsgraaf van Simmern-Kaiserslautern, en Albertine dateert deze brief in Lauteren, het huidige Kaiserslautern. De brief ging naar Leeuwarden, ruim vierhonderd kilometer verderop. Ook op die afstand liet zij zijn Frans niet lopen.

Hendriks antwoord is niet gedateerd, maar hij neemt haar woorden zo nauw over dat het vrijwel zeker om deze brief gaat:

Hendrik Casimir II aan Albertine Agnes van Nassau, 1663-1669, Koninklijke Verzamelingen, Den Haag, A25a-001_002.

Madame ma tres Chere Mama,

Je suis au desespoire de ce que mon écriture n’a pas satisfait Votre Altesse: je tacheray de luy donnes une autre fois plus de contentement, non seulement en cela, mais aussi en tout ce que je luy adresseray dans son absence, laquelle je treuve rude au dernier point, puisque Votre Altesse est l’aimable objet a qui j’ay voué toutes mes affections, a qui je fais gloire de plaire, et à qui je desire d’être avec tous les Respects et toutes les soumissons imaginables.

Madame ma Tres chere Mama
De votre Altesse
Le tres humble et tres obeissant fils, et serviteur
Henri Casamir De Nassau.[16]

Vertaling:

Mijn liefste moeder

Ik ben ten einde raad, omdat mijn schrijven Uwe Hoogheid niet tevreden heeft gesteld. Ik zal proberen u een volgende keer meer tevredenheid te geven, niet alleen hierin, maar ook in alles wat ik u tijdens uw afwezigheid zal schrijven. Die afwezigheid valt mij uiterst zwaar, want Uwe Hoogheid is het beminnelijkste wezen aan wie ik al mijn genegenheid heb gewijd, aan wie ik het een eer vind te behagen, en jegens wie ik alle denkbare eerbied en onderdanigheid wil betonen.

Mijn liefste Moeder, Uwe Hoogheid
Uw zeer nederige en gehoorzame zoon en dienaar
Henri Casamir van Nassau.[17]

Zijn brief is ongedateerd, een punt waar Albertine hem ook meermaals streng op wees.[18] Maar de echo’s zijn moeilijk toevallig te noemen. Zij schrijft dat hij zich ‘une autre fois’ voor zulke fouten moet hoeden en dat hij zich ‘en mon absence’ op zijn studie moet toeleggen; hij belooft haar ‘une autre fois plus de contentement’, en zegt dat ook te zullen doen in alles wat hij haar ‘dans son absence’ schrijft. Klopt die toeschrijving, dan schreef Hendrik dit briefje eind 1666, negen jaar oud. Dat hij haar eigen formuleringen teruggeeft, zegt bovendien iets over hoe het briefonderwijs werkte: de les kwam aan, tot in de woordkeus toe. Ook in de inhoud van Hendriks brieven zag Albertine ruimte voor verbetering, en met de lengte van zijn brieven was ze ook niet tevreden.[19] Ondanks hun onenigheden bleven moeder en zoon elkaar ook na haar regentschap schrijven toen Hendrik stadhouder werd, waarbij hun laatst bewaard gebleven briefwisseling in 1688 plaatsvond. 

De kinderbrieven van Willem V

Portret van Willem V als kind, pastelkrijttekening van Pieter Frederik de la Croix uit 1755

Pieter Frederik de la Croix, Portret van Willem V, prins van Oranje-Nassau, als kind, 1755. Pastelkrijt, Rijksmuseum, Amsterdam, RP-T-00-1829. Willem is hier zeven jaar oud, tussen zijn eerste briefje en de brief van 1760 in.

Een tweede uitstap brengt ons bij de kinderbrieven van Willem V, zoon van Willem IV (1711-1751) en Anna van Hannover (1709-1759). Hij zou de laatste erfstadhouder van de Republiek worden. Zijn eerste bewaard gebleven brief schreef hij op vierjarige leeftijd aan zijn grootmoeder Maria Louise van Hessen-Kassel. Het was het begin van een briefwisseling die tot haar dood zou duren. Zelf een ijverige correspondent, onderhield Maria Louise met tal van familieleden nauw contact, en ook met haar kinderen en kleinkinderen wisselde ze brieven uit, waar Ineke Huysman al eerder over heeft geschreven in haar blogpost Brieven aan grootmama. Maar het was vooral Willem V met wie Maria Louise een bijzondere band had. Vanwege de vroege dood van zijn vader Willem IV in 1751 en daarna de dood van zijn moeder Anna van Hannover acht jaar later, werd Maria Louise nog op 70-jarige leeftijd regentes voor Willem V. Toen Willem zijn eerste brief aan zijn grootmoeder schreef, was zijn vader net een jaar dood, en het zou nog jaren duren voordat Maria Louise regentes voor hem werd:

Willem V aan Maria Louise van Hessen-Kassel, 9 januari 1753, Koninklijke Verzamelingen, Den Haag, A28-14_001.

Grot mama, ick daenkie vor dat ghi min ennen brief heft gescreven hept. 
Prins van Orange
Willem C D’Orange[20]

Al op vierjarige leeftijd leerde Willem V, zij het in zwierige hanenpoten, te schrijven aan zijn grootmoeder. Hij bedankt haar keurig voor haar brief en signeert deze met zijn prinselijke titel. Beleefdheid was immers een belangrijke component in een brief, vooral aan een ouder familielid.[21] Een paar jaar later schreef een twaalfjarige Willem V weer aan Maria Louise: 

Je vous ecris cette lettre pour m’informer de santé de votre Altesse. J’ai fait mecredi le tour de Westland, ensuite j’ai diné à Honschotedijk ou ma sœur m’avoit invité. Ma sœur à diné hier chez moi. Le Sinode Hollandais s’est tenu cette semaine a la Hague: je compte qu’il continura le semaine prochaine. J’irai aujourd’hui à Leiden voir des experiences de physique chez le professeur Musschenbroek.

Je suis avec respect.
Madame ma très chere Grand-Mere
Votre très humble et très obéissant serviteur et petit fils
Maison de Bois
Ce 12 Juillet 1760
Prince d’Orange.[22]

Vertaling:

Ik schrijf u om te informeren naar de gezondheid van Uwe Hoogheid. Woensdag heb ik Westland bezocht en daarna gegeten in [Paleis] Honselersdijk, waar mijn zus mij had uitgenodigd. Mijn zus heeft gisteren bij mij thuis gegeten. Deze week vond de Hollandse Synode plaats in Den Haag; ik verwacht dat deze volgende week wordt voortgezet. Vandaag ga ik naar Leiden om enkele natuurkundige experimenten bij professor Musschenbroek bij te wonen.

Met respect,
Mijn liefste grootmoeder
Uw meest nederige en gehoorzame dienaar en kleinzoon
Huis ten Bosch 
12 juli 1760.[23]

De brief is formeel en welgemanierd: hij informeert beleefd naar haar gezondheid, vertelt wat hij de laatste tijd heeft gedaan, en meldt dat hij die dag naar Leiden gaat voor een natuurkundeles bij de befaamde professor Musschenbroek, in wiens laboratorium de Leidse fles werd ontdekt. Toch moeten we voorzichtig zijn met de conclusie dat de twaalfjarige Willem de briefconventies onder de knie had. Het inventarisnummer waaruit deze brief komt, wordt in het archief omschreven als ‘concepten van brieven opgesteld door derden voor Willem V om te zenden naar zijn grootmoeder Maria Louise, met, ten dele, afschriften door de prins gemaakt’.[24]

Ze stuurden elkaar niet alleen brieven. Om Willems verzamelzucht te verzadigen, stuurde Maria Louise regelmatig verzamelobjecten zoals munten en fossielen, waar Ineke Huysman eerder over schreef in haar blogpost Grootmoeders gift: munten voor Willem V.

De kinderbrieven van prinses Carolina

Toegeschreven aan Gaetano Manini (ca. 1730-1780/90), Portretminiatuur van Carolina. Koninklijke Verzamelingen, Den Haag, inv.nr. MI-024. Carolina op jonge leeftijd.

Net als haar broer Willem V onderhield prinses Carolina van Oranje-Nassau een frequente briefwisseling met haar grootmoeder. Toen haar vader Willem IV in 1747 erfstadhouder van alle gewesten werd, verhuisde Carolina met haar familie naar Den Haag. Datzelfde jaar werd zij tot erfprinses uitgeroepen, een rol die zij een jaar later weer verloor door de geboorte van Willem V. Van jongs af aan vrolijkte Carolina het hof op met haar muzikale geest en prachtige zangstem, en met haar oor voor talent nodigde ze in 1765 de jonge Mozarts uit naar Den Haag om voor het hof op te treden.[25] Dat ze als kind al creatief van aard was, valt ook te zien in haar brieven aan haar grootmoeder Maria Louise:

Prinses Carolina aan Maria Louise van Hessen-Kassel, ongedateerd, na maart 1748, Koninklijke Verzamelingen, Den Haag, A28-015_020.

Seer Lieve Grootmama,

Ik hoope dat Grootmama nog gezond zijt en bedanke U voor de presenten, ze zijn mij zeer aangenaam; Recommandere vorders mij in Uwe aandenkinge: mijn klein broertje is zeer gezond, en groeit wel. Hiermede blijve met veel liefde,

Princesse d’Orange.[26]

De gekrulde initialen, het sierlijke handschrift, de beleefde toon. In tegenstelling tot het ietwat onzorgvuldige handschrift van haar broertje, maakte Carolina er een waardig kunstwerkje van. Aan meisjes werden bij het briefschrijven andere eisen gesteld dan aan jongens. Hoe die genderverwachtingen eruitzagen, laten de etiquetteboekjes van die tijd zien.[27]

De boekjes schreven meer voor dan een verzorgd handschrift. Meisjes uit gegoede kringen, zoals Carolina, hoorden zich bescheiden en dankbaar op te stellen.[28] Ouders hoopten hun dochters zo te vormen tot vrouwen die zich later naar hun stand zouden gedragen: welgemanierd, en altijd eerbiedig tegenover wie boven hen stond. Mogelijk speelden deze idealen ook een rol in Carolina’s opvoeding; veel van haar brieven bestaan uit beleefde bedankjes voor haar grootmoeders presentjes. Zo bedankte het negenjarige meisje beleefd voor de gebakjes die ze in de post ontving: ‘… je vous remercie des petit gateaû que vous m’avez envoyez,’[29] en ook hier sluit ze af met een sierlijke, conventionele handtekening: 

Fragment uit: Prinses Carolina aan Maria Louise van Hessen-Kassel, 20 september 1752, Koninklijke Verzamelingen, Den Haag, A28-015_016.

Soms stuurde ze zelf een presentje op naar haar grootmoeder. Op 4 december 1751 gaat er thee naar Leeuwarden, met een briefje erbij van de achtjarige Carolina:

Ma très chère Grand Maman,

Je prens la liberté de vous envoyer du thé, j’espère qu’il seras de votre gout, est qu’il vous fera souvenir de moi, qui vous aime toujours sincèrements. Ma très chère maman vous fait ces compliments; elle ce porte, Dieu merci, en merveille, et mon frère aussi, il ne vous oublie pas.

Je suis, ma tres chere Grandmaman, votre tres obeisante petite fille
C.P. D’Orange Nassau
La Haye 4 Xber 1751.[30]

Vertaling:

Mijn lieve grootmoeder,

Ik neem de vrijheid u wat thee te sturen. Ik hoop dat die naar uw smaak zal zijn en u aan mij zal doen denken; ik houd altijd oprecht van u. Mijn allerliefste mama doet u de groeten; met haar gaat het, God zij dank, uitstekend, en met mijn broer ook. Hij vergeet u niet.

Ik ben, mijn allerliefste grootmoeder, uw zeer gehoorzame kleindochter
C.P. d’Orange Nassau.[31]

De brief is van zes weken na de dood van Willem IV. Carolina bericht haar grootmoeder, die dus net haar zoon had verloren, dat het met mama uitstekend gaat. Niet uit onverschilligheid: zo hoorde een brief eruit te zien. Wat er in die weken werkelijk speelde, paste niet in het formulier.

Dat deze conventies zo strikt werden gehanteerd, lezen we tot slot terug in een andere brief van de twaalfjarige Carolina. Zo verontschuldigt ze zich voor haar gekrabbelde handschrift, ze had het in haast opgesteld: ‘Excusé ce griffonage c’est en grande hâte.’[32] Waarschijnlijk wist Carolina dat haar grootmoeder veel waarde hechtte aan een goede brief en zag ze zich daarom genoodzaakt te verontschuldigen.

Dat gender daarbij meespeelde, laten de brieven zelf zien. Hendrik hoort van zijn moeder dat bijna elk woord gecorrigeerd moest worden, en wat zij van hem verlangde was een brief die deugde als oefening voor het bestuur dat hem wachtte. Carolina wordt geprezen om haar sierlijke hand en haar bescheiden toon, precies wat de etiquetteboekjes van een meisje van haar stand vroegen. Voor allebei was de brief een oefening in de rol die voor hen klaarlag. Maar het waren verschillende rollen.

De brieven laten zien hoe vroeg deze kinderen deel gingen uitmaken van de briefcultuur van het stadhouderlijk hof. Hun stem horen we daarin niet rechtstreeks: wat we lezen is een kind dat schrijft zoals het hoort, onder het oog van een moeder, een grootmoeder of een tutor. Juist dat maakt deze briefjes bruikbaar. Ze laten zien hoe een kind aan het hof werd gevormd, en wat er van een prins of prinses werd verwacht.

Lucienne Langedijk-Lynch, 18 augustus 2026


Noten

[1] Lidewij Nissen, ‘Powerful Partners. The Female Consorts of the Nassau Stadtholders in the Seventeenth-Century Dutch Republic’, PhD diss. (Radboud Universiteit, 2025): 163.

[2] Fragment uit: Willem V aan Anna van Hannover, 6 november 1758, KV Den Haag, A30-430a_146.

[3] Michael Green, Lars Cyril Nørgaard en Mette Birkedal Bruun, ‘En privé & en public: The Epistolary Preparation of the Dutch Stadtholders’, Journal of Early Modern History 24 (2020): 262.

[4] Green, ‘En privé & en public’, 255.

[5] Ibidem, 262.

[6] Feike Dietz en Ramona Negrón, ‘Kinderen in de achttiende eeuw: Dromen, beelden en sporen’, Jaarboek de Achttiende Eeuw 57 (2025): 9.

[7] Philippe Ariès, Centuries of Childhood (New York 1962), 126, in: Dietz, ‘Kinderen in de achttiende eeuw’, 11.

[8] Dietz, ‘Kinderen in de achttiende eeuw’, 13.

[9] Ibidem.

[10] Ibidem, 12.

[11] Hendrik Casimir II aan Albertine Agnes van Nassau, 1663-1669, KV Den Haag, A25a-001_003, https://resources.huygens.knaw.nl/media/stadhoudersvrouwen/albertineagnes/A25a-001_003.PDF.

[12] Michael Green, ‘The Orange-Nassau family at the educational crossroads of the stadtholder’s position (1584–1711)’, Dutch Crossing 43 nr. 2 (2019): 116.

[13] Nissen, ‘Powerful Partners’, 152.

[14] Ibidem, 151-52.

[15] Albertine Agnes van Oranje Nassau aan Hendrik Casimir II von Nassau-Dietz, 14/24 oktober 1666, KV Den Haag, inv. A26-004, https://resources.huygens.knaw.nl/media/stadhoudersvrouwen/albertineagnes/A26-004_002.PDF.

[16] Hendrik Casimir II aan Albertine Agnes van Nassau, 1663-1669, KV Den Haag, A25a-001_002, https://resources.huygens.knaw.nl/media/stadhoudersvrouwen/albertineagnes/A25a-001_002.PDF.

[17] Vrije vertaling van het boven geciteerde fragment.

[18] Nissen, ‘Powerful Partners’, 164.

[19] Ibidem.

[20] Willem V aan Maria Louise van Hessen-Kassel, 9 januari 1753, KV Den Haag, A28-14_001, https://resources.huygens.knaw.nl/media/stadhoudersvrouwen/mlvanhessenkassel/A28-14_001.pdf.

[21] Willemijn Ruberg, Conventional Correspondence: Epistolary Culture of the Dutch Elite, 1770-1850 (Brill, 2011), 126.

[22] NL-HaKV, Koninklijke Verzamelingen, Den Haag, A31 Willem V Batavus, Prins van Oranje-Nassau (1748-1806), inv.nr. A31-465, https://www.koninklijkeverzamelingen.nl/archievenoverzicht-online/file/110043655.

[23] Vrije vertaling van het boven geciteerde fragment.

[24] NL-HaKV, Koninklijke Verzamelingen, Den Haag, A31 Willem V Batavus, Prins van Oranje-Nassau (1748-1806), inv.nr. A31-465: ‘Concepten van brieven opgesteld door derden voor Willem V om te zenden naar zijn grootmoeder Maria Louise, 1759-1763. Met, ten dele, afschriften door de prins gemaakt’.

[25] Veronica van Amerongen, ‘Dames in majeur: Vrouwelijk muziekmecenaat in de Republiek der Nederlanden’, PhD diss. (Universiteit Utrecht, 2021): 191.

[26] Prinses Carolina aan Maria Louise van Hessen-Kassel, ongedateerd, na maart 1748, KV Den Haag, A28-015_020, https://resources.huygens.knaw.nl/media/stadhoudersvrouwen/mlvanhessenkassel/A28-015_020.pdf.

[27] Ruberg, Conventional Correspondence, 153.

[28] Ibidem, 154.

[29] Fragment uit: Prinses Carolina aan Maria Louise van Hessen-Kassel, 20 september 1752, KV Den Haag, A28-015_016, https://resources.huygens.knaw.nl/media/stadhoudersvrouwen/mlvanhessenkassel/A28-015_016.pdf.

[30] Prinses Carolina aan Maria Louise van Hessen-Kassel, 4 december 1751, KV Den Haag, A28-015_017, https://resources.huygens.knaw.nl/media/stadhoudersvrouwen/mlvanhessenkassel/A28-015_017.pdf.

[31] Vrije vertaling van het boven geciteerde fragment.

[32] Fragment uit: Prinses Carolina aan Maria Louise van Hessen-Kassel, 10 september 1755, KV Den Haag, A28-015_014, https://resources.huygens.knaw.nl/media/stadhoudersvrouwen/mlvanhessenkassel/A28-015_014.pdf.

Literatuur

Ariès, Philippe, Centuries of Childhood: A Social History of Family Life, New York, 1962. Oorspronkelijk verschenen als L’Enfant et la vie familiale sous l’Ancien Régime. Parijs, 1960.

Dietz, Feike en Ramona Negrón, ‘Kinderen in de achttiende eeuw: Dromen, beelden en sporen’, Jaarboek de Achttiende Eeuw 57 (2025): 7-26.

Green, Michael, ‘The Orange-Nassau family at the educational crossroads of the stadtholder’s position (1584–1711)’, Dutch Crossing 43 nr. 2 (2019): 99-126.

Green, Michaël, Lars Cyril Nørgaard en Mette Birkedal Bruun, ‘En privé & en public: The Epistolary Preparation of the Dutch Stadtholders’, Journal of Early Modern History 24 (2020): 253-279.

Nissen, Lidewij, ‘Powerful Partners. The Female Consorts of the Nassau Stadtholders in the Seventeenth-Century Dutch Republic’, PhD diss. Radboud Universiteit, 2025.

Ruberg, Willemijn, Conventional Correspondence: Epistolary Culture of the Dutch Elite, 1770-1850, Brill, 2011.

Van Amerongen, Veronica, ‘Dames in majeur: Vrouwelijk muziekmecenaat in de Republiek der Nederlanden’, PhD diss. Universiteit Utrecht, 2021.

Brieven

Hendrik Casimir II aan Albertine Agnes van Nassau, 1663-1669, KV Den Haag, A25a-001_002.

Hendrik Casimir II aan Albertine Agnes van Nassau, 1663-1669, KV Den Haag, A25a-001_003.

Albertine Agnes van Oranje Nassau aan Hendrik Casimir II von Nassau-Dietz, 14/24 oktober 1666, KV Den Haag, inv. A26-004.

Willem V aan Maria Louise van Hessen-Kassel, 9 januari 1753, KV Den Haag, A28-14_001.

Prinses Carolina aan Maria Louise van Hessen-Kassel, 10 september 1755, KV Den Haag, A28-015_014.

Prinses Carolina aan Maria Louise van Hessen-Kassel, 20 september 1752, KV Den Haag, A28-015_016.

Prinses Carolina aan Maria Louise van Hessen-Kassel, 4 december 1751, KV Den Haag, A28-015_017.

Prinses Carolina aan Maria Louise van Hessen-Kassel, ongedateerd, na maart 1748, KV Den Haag, A28-015_020.

Willem V aan Anna van Hannover, 6 november 1758, KV Den Haag, A30-430a_146.

NL-HaKV, Koninklijke Verzamelingen, Den Haag, A31 Willem V Batavus, Prins van Oranje-Nassau (1748-1806), inv.nr. A31-465.

Vijftien pruimen, forelpastei en water bij de wijn

Op een avond in september 17511 at stadhouder Willem IV van Oranje-Nassau vijftien gedroogde pruimen met daarbij brood en een flinke hoeveelheid saus. Dat was geen uitspatting maar een poging om van zijn verstopping af te komen. In de brieven aan zijn vrouw Anna van Hannover schreef hij openhartig over zulke lichamelijke ongemakken en over de middelen die hem verlichting brachten. Wanneer hij last had van zware buikkrampen en diarree, hielpen kleine slokjes warme chocolade hem soms door de ergste pijn heen.

Tussen berichten over benoemingen, geldzaken, oorlogsdreiging en politieke tegenstanders vertelden Anna en Willem elkaar in hun brieven wat zij hadden gegeten en gedronken. Ze klaagden over mislukte diners, bespraken goede wijnen en medische diëten en stuurden elkaar etenswaren.2

Eten onderweg en aan het hof

Toen Willem voor een kuur in Aken verbleef, schreef hij3 Anna enthousiast dat hij uitstekend had gegeten: vlagzalm en forel. Omdat zij daarvan zelf niet kon meegenieten, stuurde hij4 haar een plaatselijke forelpastei.

Niet iedere maaltijd was een succes. Tijdens een gespannen politiek verblijf in Amsterdam klaagde Willem5 dat men hem zeer slecht klaargemaakte gerechten had voorgezet. Mogelijk ergerde dat hem des te meer omdat hij zich in de stad toch al weinig welkom voelde. Op reis koos hij vaak voor betrekkelijk lichte gerechten, zoals kiphachee met vermicellisoep6, lamsragout en hazenpastei7. Tegelijk maakte hij van zijn reizen gebruik om voorraden in te slaan. In Frankfurt liet hij twee dozijn Westfaalse hammen en gedroogde rundertongen kopen. Die waren daar volgens hem beter en goedkoper dan elders.8

Het eten aan het hof van Willem en Anna was rijker dan Anna in haar jeugd gewend was geweest. Haar vader, koning George II, stond bekend om de soberheid van zijn tafel. Hij liet weinig verschillende gerechten serveren, waaronder rosbief van matige kwaliteit, en wilde dat het eten zonder kruiden en uitgebreide sauzen werd opgediend.9

Het belangrijkste diner van de dag werd aan het hof doorgaans al rond twee uur ’s middags geserveerd. Het avondeten was veel eenvoudiger. Omdat er ’s avonds tijd moest overblijven voor kaartspelen en ander vermaak, bestond dit meestal uit een lichte maaltijd in buffetvorm. De aanwezigen konden daarvan ergens tussen negen uur ’s avonds en twee uur ’s nachts eten.10

Bij de dagelijkse maaltijden werd vooral donker roggebrood en volkorenbrood van het Duitse type geserveerd. Het duurdere witte Franse brood bleef voor bijzondere gelegenheden bewaard. Gevogelte en varkensvlees namen een belangrijke plaats in op het menu, met onder meer kalkoen, kip, spek en worst. Ook aan wild werd veel geld uitgegeven. Rundvlees lijkt in deze jaren veel minder vaak te zijn geserveerd dan in de zeventiende eeuw, toen het juist een van de populairste vleessoorten was. Dat hield waarschijnlijk verband met de zware uitbraken van runderpest die Holland en Friesland vanaf het midden van de jaren 1740 troffen en een groot deel van de veestapel vernietigden.11

Stilleven met vruchten en vaatwerk op een Smyrna kleed,  toegeschreven aan Simon Luttichuys, ca. 1650-1680, Rijksmuseum.

Het Friese hofmenu was rijk aan dierlijke vetten. Zuivel werd veel gebruikt. Kaas en room verschenen geregeld op tafel en de kippen op de landgoederen werden met karnemelk vetgemest. Melk zelf werd zelden als drank geserveerd en vooral bij het koken gebruikt. Ook groenten, zeevis en krabben vormden aanzienlijke posten in de hofrekeningen. Aan fruit werd zoveel uitgegeven dat citroenen in de boekhouding een eigen vermelding kregen.12

Vanaf 1735 stond de hofkeuken onder leiding van de Franse meesterkok Vincent La Chapelle, die als ‘chef d’office’ en ‘chef de cuisine’ aan het hof van Willem IV werd aangesteld. Zijn vijfdelige Le Cuisinier moderne, opgedragen aan de prins, combineerde Franse haute cuisine met Engelse, Nederlandse en ‘Friese’ gerechten. Op de verjaardag van Willems moeder Maria Louise bereidde ‘Mr Vincent’ volgens Willem een voortreffelijke maaltijd, afgesloten met een schitterend dessert.

Fruit, garnalen en gebak

Anna had een voorliefde voor fruit. Die smaak ging terug tot haar jeugd aan het Engelse hof. Bij het gezamenlijke ontbijt van de koninklijke familie stond fruit met zure room op tafel, waarbij warme chocolademelk werd gedronken. Ze hield ook van zoetigheid en gebak. Tijdens haar verblijf in het Engelse kuuroord Tunbridge Wells maakte zij ’s morgens eerst een wandeling. Daarna volgde een laat ontbijt met plumcake en bier. Bij haar huwelijksbanket in 1734 werd vlaai geserveerd, een Nederlandse specialiteit die door de bedienden van Willem was bereid. 13

Handgeschreven naschrift van Anna van Hannover met haar handtekening Anne, onder de ondertekening van Willem IV
Naschrift van Anna van Hannover onder een brief van Willem IV aan zijn moeder Maria Louise, met dank voor het kievitsei (‘un oeuf de vanneau’). Koninklijke Verzamelingen, Den Haag, A28-008.

De verhouding tussen Maria Louise van Hessen-Kassel en haar schoondochter was geregeld gespannen. Om die wat te verbeteren, stuurde Maria Louise fruit uit haar eigen tuinen, maar ook verse garnalen, kruiden en salades naar Anna in het Stadhouderlijk Hof in Leeuwarden. Zelf woonde zij inmiddels even verderop in dezelfde straat. Toch vroeg Anna aan Willem, die op dat moment in Duitsland verbleef, om zijn moeder voor de kruiden en salades te bedanken. Dat zij haar echtgenoot als tussenpersoon inschakelde voor een geschenk dat van nauwelijks honderd meter verderop kwam, zegt veel over de onderlinge verhoudingen.14 Toen Maria Louise rond Pasen een kievitsei stuurde, bedankte Anna haar bij hoge uitzondering wel zelf, al deed zij dat slechts met enkele regels onderaan een brief die Willem15 toch al aan zijn moeder schreef.

Wijn, koffie en chocolade

Prent van een modieus geklede dame en heer die chocolade drinken
De Smaak (chocoladedrank), Jacob Gole, 1695–1724. Rijksmuseum.

Koffie, thee en chocolade waren vertrouwde dranken aan het hof. Chocolade werd bij het ontbijt geschonken, maar gold ook als versterkend middel en medicijn. Voor Willem was warme chocoladedrank tijdens perioden van ziekte soms een van de weinige dingen die hij kon verdragen. Tijdens een stormachtige boottocht over de Zeeuwse wateren werd Willem op de Roompot vlak voordat ze het Veerse Gat bereikten ‘vreselijk heen en weer geschud’. Toch schreef hij16 Anna dat hij zich ‘als een dapper man’ staande had gehouden. Dat was volgens hem des te opmerkelijker omdat hij koffie, twee grote sneden brood met boter en een stuk koek had gegeten. Vooral die koek had zijn maag bijna doen omkeren, maar daadwerkelijk zeeziek werd hij niet.

Wijn kreeg in hun brieven minstens zoveel aandacht. Anna wachtte17 vol verlangen op Tokajer, een kostbare Hongaarse wijn uit de streek Tokaj, die vooral bekendstond om zijn zoete varianten. Willem schreef enthousiast18 over uitstekende Madeira die hij te drinken had gekregen. Bij een diner ontving hij de restanten van een mand met veertig jaar oude Hongaarse wijn. Hij beloofde de19 flessen zorgvuldig te bewaren om Anna er later op te trakteren.

Toen Willem in Dieren verbleef, stelde hij20 Anna gerust dat zij niet bang hoefde te zijn dat hij te veel dronk. Hij kon zich moeilijk onttrekken aan het drinken met de burgemeesters die hij daar ontmoette: men moest nu eenmaal ‘meehuilen met de wolven’. Wel deed hij veel plaatselijk fonteinwater bij zijn Pontac, een Bordeauxwijn. Volgens Willem ontstond zo een heerlijk drankje dat veel mensen voor echte Bourgogne aanzagen.

Niet iedereen in hun omgeving hield zich even goed in. Anna berichtte eens dat Charles Bentinck, de jongere broer van haar politieke adviseur Willem Bentinck, zich beroerd voelde nadat hij de avond ervoor te veel vin d’Hermitage had gedronken, een krachtige wijn uit het Rhônedal.21 Diezelfde Charles hield ook22 van punch, een mengdrank van alcohol, water, suiker en meestal citrusvruchten. Tijdens een verblijf op Het Loo liet hij een flinke hoeveelheid punch maken en trok hij vervolgens met een gezelschap het bos in.

De kinderen aan tafel

Gegraveerd portret van de kinderen Willem V en Carolina van Oranje-Nassau
Portret van Willem V en Carolina, Pieter Tanjé, 1751. Rijksmuseum.

Ook bij de opvoeding van de kinderen speelde eten een rol. Dat Anna nadrukkelijk aandacht besteedde aan de eetlust van de jonge Willem V, doet vermoeden dat die eerder reden tot zorg had gegeven. ‘Het kleine jongetje is vrolijk en eet iedere dag zijn worteltjes’, meldde zij23 tevreden aan Willem.

Toen zijn vijfjarige zus Carolina na de geboorte van haar broertje de mazelen kreeg, mocht zij niet bij haar moeder of de baby komen. Vader Willem nam haar daarom bij zich op zijn kamer, omdat hij bang was dat zij zich eenzaam of jaloers zou voelen. Ook Lady Portland, de moeder van Willem Bentinck en Anna’s vroegere gouvernante, hield rekening met Carolina’s gevoelens. Zij stuurde haar via haar zoon een porseleinen kinderserviesje. Bentinck meldde dat Carolina het geschenk dankbaar aannam en hem vervolgens dwong een deel van haar avondeten op te eten.24

De eerste aardappels

Ets van een aardappelplant met twee aardappelen, naar Philippe de Sivry
Aardappelplant, anonieme ets naar de tekening die Philippe de Sivry in 1588 aan Clusius stuurde. Rijksmuseum.

Anna en Willem behoorden waarschijnlijk tot de eerste aardappeleters aan het Nederlandse hof. De hovenier van Maria Louise, de botanicus Johann Hermann Knoop, begon in 1742 aardappelen te verbouwen. Hij had het gewas leren kennen via de botanicus David Meese.25 Volgens een andere bron had jonkheer Vegelin van Claerbergen de plant al enkele jaren eerder naar Friesland gebracht. Mede door tussenkomst van de dichter en politicus Willem van Haren zouden de aardappelen uiteindelijk op de tafel van Maria Louise zijn beland.26

In december 1742 kwamen Willem en Anna naar Leeuwarden, waar Anna de geboorte van haar kind wilde afwachten. Maria Louise had voor haar gasten een verrassing voorbereid. Tijdens het diner werd met enig ceremonieel een grote schotel binnengedragen.27 Volgens de overlevering aten Anna, Willem en Maria Louise die avond voor het eerst gezamenlijk aardappelen. Wat toen nog als een bijzonderheid werd gezien zou later bijna vanzelfsprekend op het Nederlandse bord belanden.

Ineke Huysman, 19 juli 2026


  1. Willem IV aan Anna van Hannover, 25 september 1751, KV, A30-VIa-3. ↩︎
  2. De hier besproken briefwisseling tussen Anna van Hannover en Willem IV wordt bewaard bij Koninklijke Verzamelingen, Den Haag, inventarisnummers A29 en A30 en is online te raadplegen via Early Modern Letters Online (EMLO). ↩︎
  3. Willem IV aan Anna van Hannover, 4 september 1751, KV, A30-VIa-3. ↩︎
  4. Willem IV aan Anna van Hannover, 29 september 1751, KV, A30-VIa-3. ↩︎
  5. Willem IV aan Anna van Hannover, 2 september 1748, KV, A30-VIa-2. ↩︎
  6. Willem IV aan Anna van Hannover, 18 juni 1751, KV, A30-VIa-3. ↩︎
  7. Willem IV aan Anna van Hannover, 1 februari 1742, KV, A30-VIa-1. ↩︎
  8. Veronica Baker-Smith, A Life of Anne of Hanover (1995) 78. ↩︎
  9. Ibidem, 12. ↩︎
  10. Ibidem, 17. ↩︎
  11. Ibidem, 147-150. ↩︎
  12. Ibidem, 52, 150. ↩︎
  13. Ibidem, 20, 27, 47. ↩︎
  14. Ibidem, 63. ↩︎
  15. Willem IV aan Maria Louise van Hessen-Kassel, met naschrift van Anna van Hannover, KV, A28-008. ↩︎
  16. Willem IV aan Anna van Hannover, 21 mei 1751, KV, A30-VIa-3. ↩︎
  17. Anna van Hannover aan Willem IV, 4 september – 5 oktober 1751, KV, A29-171. ↩︎
  18. Willem IV aan Anna van Hannover, 8 februari 1742, KV, A30-VIa-1. ↩︎
  19. Willem IV aan Anna van Hannover, 21 september 1751, KV, A30-VIa-3. ↩︎
  20. Willem IV aan Anna van Hannover, 4 mei 1735, KV, A30-VIa-1. ↩︎
  21. Baker-Smith, A Life of Anne of Hanover, 112. ↩︎
  22. Anna van Hannover aan Willem IV, 7 juli 1745, KV, A29-171. ↩︎
  23. Anna van Hannover aan Willem IV, 4 september – 5 oktober 1751, KV, A29-171. ↩︎
  24. Baker-Smith, A Life of Anne of Hanover, 108. ↩︎
  25. C. Wagenaar, ‘Johann Hermann Knoop en de kunst van de geschiedenis’, Bulletin KNOB 2016, nr. 3 (2016): 132-146. ↩︎
  26. M. de Nes, Marijke Meu. Maria Louise van Hessen-Cassel, Kroon-Serie No. 11 (Hoorn: Uitgevers-Maatschappij “West-Friesland”, z.j. ) 133-134. ↩︎
  27. Ibidem. ↩︎

Opluchting aan het hof: de geboorte van Willem V

Douwe Sirtema van Grovestins (1710-1778). Het originele portret is verloren gegaan bij het bombardement op het Bezuidenhout (Den Haag) in 1945, Wikimedia Commons.

Douwe Sirtema van Grovestins was een Friese jonker, kamerheer en vertrouweling aan het hof van Willem IV en Anna van Hannover. Vanuit die positie hield hij Marie Louise van Hessen-Kassel, de moeder van Willem IV, uitvoerig op de hoogte van wat er rond het stadhouderlijk echtpaar gebeurde. Zijn brieven gaan over hofzaken en politiek, over gezondheid, bevallingen, kinderen, emoties en de dagelijkse gang van zaken aan het hof. Er zijn 256 brieven van hem aan Marie Louise bewaard gebleven bij Koninklijke Verzamelingen in Den Haag. Deze brieven worden momenteel gedigitaliseerd en komen binnenkort online.

Fragment brief van Douwe Sirtema van Grovestins aan Marie-Louise van Hessen-Kassel, 9 maart 1748, Koninklijke Verzamelingen, A28-106.

Ook over de geboorte van haar kleinzoon Willem V op 8 maart 1748 schreef Grovestins al de volgende dag uitvoerig vanuit Den Haag aan Marie-Louise. Hij had de bevalling van dichtbij meegemaakt: hij bevond zich in de kamer naast de kraamkamer. Daardoor kon hij haar heel precies vertellen hoe de nacht was verlopen. Grovestins schreef, vrij vertaald uit het Frans, onder andere het volgende:

Mevrouw,

Gisteren had ik het zo buitengewoon druk dat ik nauwelijks tijd had om het adres op de brief van Zijne Hoogheid [Willem IV] aan Uwe Hoogheid te schrijven. Ik twijfel er niet aan dat u ervan overtuigd bent dat ik tot in het diepst van mijn ziel verheugd ben, en dat ik Uwe Hoogheid van harte gelukwens met deze gelukkige gebeurtenis. Moge de hemel het kind bewaren en zegenen, nu het zo goed begonnen is.

Donderdagavond om half 10 deed Hare Koninklijke Hoogheid [prinses Anna] mij de eer mij te zeggen ‘ick meende dat strack kraaken soude, maer nu geloof ik dat het nog wat duuren zal’ [oorspronkelijk Nederlands citaat, waarmee waarschijnlijk bedoeld wordt: ik dacht dat mijn vliezen spoedig zouden breken, maar nu geloof ik dat het nog wel even zal duren]. Aan haar houding merkte ik dat de zaak niet lang meer uitgesteld zou worden. Ik liet de nachtwacht van de bedienden verdubbelen en hield mij gereed om bij de eerste tekenen naar het hof te gaan. Omstreeks twee uur [’s nachts] begon Hare Hoogheid enkele weeën te voelen, maar nog niet sterk genoeg om de vroedvrouw te laten komen. Tegen drie uur merkte men echter dat het ernst was. Men liet de vroedvrouw halen en alles stond binnen een ogenblik klaar. Ik begaf mij op datzelfde moment naar het hof.

De vroedvrouw constateerde dat het kind eraan kwam, maar dat er als eerste een voetje zichtbaar was. Dat bezorgde Zijne Hoogheid [Willem IV] vreselijke ongerustheid, en hem hield ik in de kamer ernaast gezelschap. Ik verzekerde de Prins dat het niets te betekenen had, en dat als er nog twee of drie weeën kwamen, het kind er zou zijn. Ik had het geluk een goede profeet te zijn: bij de tweede wee werd Hare Koninklijke Hoogheid gelukkig verlost van een mooie en flinke prins. Professor Winter [de hofarts] kwam uit de kamer om het de Prins te vertellen. Oordeel zelf, Mevrouw, over onze onuitsprekelijke vreugde: tranen van ontroering en opluchting vloeiden, en de eerste woorden van de Prins waren om God te danken voor de voorspoedige verlossing en de zegen.

Hare Koninklijke Hoogheid werd naar bed gebracht en maakte het zo goed als maar kon. De jonge prins opende zijn grote ogen en liet een stem horen die even krachtig was als die van prinses Carolina toen zij geboren werd. Hare Koninklijke Hoogheid heeft daarna meteen drie uur geslapen en de afgelopen nacht volmaakt goed doorgebracht. Ook de melk is op gang gekomen. De jonge prins heeft een goed gezicht, maakt het uitstekend, en lijkt op prinses Carolina en op de Prins. […]

Dat het kind ‘met de voet kwam’, zoals Grovestins schreef, wees op een gevaarlijke afwijkende ligging. Bij een gewone bevalling kwam het hoofd eerst. Hier gebeurde dat niet: één voet of beide voeten kwamen als eerste tevoorschijn. Zo’n voetligging maakte de bevalling riskanter omdat het kind moeilijker geboren kon worden en er meer gevaar was voor verstikking of beschadiging. Dat Grovestins in de kamer ernaast Willem IV probeerde gerust te stellen, laat zien hoe gespannen de situatie aan het hof was. Er waren al eerder twee kinderen dood geboren en in 1746 was het dochtertje Anna kort na de geboorte gestorven. De geboorte van een gezonde zoon was daardoor ook een dynastieke kwestie. De erfopvolging stond op het spel.

Willem IV aan Marie-Louise van Hessen-Kassel, 8 maart 1748, Koninklijke Verzamelingen, A28-10.

Ook Willem IV schreef zijn moeder direct na de geboorte. De dag erna verontschuldigde hij zich bij Marie Louise voor de haast en verwarring van zijn eerste brief die hij de vorige ochtend tussen vier en vijf uur had geschreven. Hij was zo ontroerd geweest, schreef hij, dat hij nauwelijks zijn hand stil kon houden. Zijn brief sluit mooi aan bij het verslag van Grovestins.

Borstvoeding

Ook daarna bleef Grovestins Marie Louise uitvoerig informeren over de toestand van moeder en kind. Op 12 maart schreef hij dat Anna’s melk goed op gang was gekomen en zelfs zo overvloedig was dat de jonge prins niet alles kon drinken. Daarom werd er tijdelijk een ander kind gehaald om de borsten leeg te drinken. Uit zijn brief blijkt dus dat Anna zelf voedde, al was er meteen praktische hulp nodig. Dat detail wordt bevestigd door Willem IV zelf. In zijn brief van 9 maart schreef hij dat Anna de baby aan de borst zou leggen zodra hij wakker werd. In een naschrift kon hij al melden dat ‘het kleine manneke’ [‘le petit bonhomme’] inmiddels aan de borst lag, al was hij nog wat onhandig.

Naschrift van brief van Willem IV aan Marie-Louise van Hessen-Kassel, 9 maart 1748, Koninklijke Verzamelingen, A28-10.

Dat Anna zelf de borst gaf en dat het kind dicht bij haar sliep, is veelzeggend. Aan vorstelijke hoven werd de voeding van pasgeborenen vaak aan minnen of voedsters overgelaten. Deze brief [vrij vertaald uit het Frans met Nederlandse citaten] van Grovestins aan Marie-Louise laat zien dat haar schoondochter in de eerste dagen na de geboorte ook lichamelijk nauw betrokken was bij de zorg voor haar zoon:

Mevrouw,

God zij dank gaat alles bij voortduring naar wens.

In de nacht van zaterdag op zondag heeft Hare Koninklijke Hoogheid redelijk goed geslapen, al was het niet aan één stuk door. Zondagochtend heeft ze nog bijna drie uur gerust. De melk kwam zo overvloedig op gang dat de jonge prins niet alles kon drinken, en Hare Koninklijke Hoogheid was genoodzaakt een ander kind te laten halen ‘om de borsten door te drinken’ [oorspronkelijk Nederlands citaat], wat voorlopig nog steeds gebeurt. De Erfprins begint inmiddels zó goed te drinken dat er weldra geen tweede zuigeling meer nodig zal zijn. Het is een mooi kind, sterk en stevig, met een gezond uiterlijk, mooi van gezicht, een goed gevormd lichaam, en zijn stem is zo krachtig alsof hij al één maand oud is. Uwe Hoogheid hoeft zich slechts voor te stellen hoe Prinses Carolina kort na haar geboorte was.

In de nacht van zondag op maandag werd Hare Koninklijke Hoogheid vaak door het kind gewekt, maar de afgelopen nacht hebben ze beiden drie uur achter elkaar geslapen zonder wakker te worden. Uwe Hoogheid zal wel begrijpen dat na zo’n slaap de gezondheid volmaakt is en dat er aan onze tevredenheid niets ontbreekt.

Prinses Carolina houdt al heel veel van haar broertje. Ze zegt nu dat ze prins George van Engeland wil trouwen, omdat ze dat zonder haar nieuwe broertje niet had kunnen doen, dat lieve prinsesje! Toen ze hoorde dat Hare Koninklijke Hoogheid was bevallen, was haar eerste vraag: ‘hoe vaart mijn lieve mama?’ [oorspronkelijk Nederlands citaat].

Zijne Hoogheid [Willem IV] is opnieuw verkouden; ik ben er niet verbaasd over gezien al zijn vermoeienissen, zij het dat de officiële gelukwensen worden uitgesteld tot na de doop. De vreugde is hier algemeen en onbeschrijfelijk, en de voorbereidingen voor de doop zijn zeer omvangrijk, hoewel het tijdstip nog niet is vastgesteld. Ik laat het Uwe Hoogheid weten zodra het bepaald is, want er moet nog zoveel geregeld worden. […]

Het spijt mij zeer dat men in Friesland in deze dagen het erfstadhouderschap in de vrouwelijke lijn niet heeft afgekondigd, en dat het juist de oude vrienden van de Prins zijn die het hebben uitgesteld. Het jonge prinsje zal Erfprins worden genoemd; de namen die hij zal dragen zullen Uwe Hoogheid bekend worden gemaakt […]

Dat Carolina, net pas vijf jaar oud, prins George van Engeland als toekomstige echtgenoot noemde, was waarschijnlijk geen toevallige opmerking. In 1747 was het stadhouderschap in Holland ook in vrouwelijke lijn erfelijk verklaard. Daardoor was Carolina korte tijd erfprinses: als enige levende kind van Willem IV en Anna van Hannover kon zij haar vader opvolgen. Met de geboorte van haar broer Willem V in maart 1748 veranderde dat. Carolina hoefde niet langer als eerste opvolger te gelden en werd opnieuw makkelijker denkbaar als huwelijkskandidaat binnen de Europese vorstelijke politiek, bijvoorbeeld richting Engeland. Dat huwelijk kwam er niet. Carolina trouwde in 1760 met Karel Christiaan van Nassau-Weilburg.

Anna van Hannover en haar kinderen Willem V en Carolina van Oranje-Nassau, door Christian Friedrich Fritzsch, ca. 1751-1759, Rijksmuseum.

De geboorte van Willem V loste veel dynastieke spanning op, maar de erfopvolging was daarmee nog niet in alle gewesten juridisch geregeld. Ook daaraan refereerde Grovestins in zijn brief. Zijn klacht over Friesland verwijst naar het feit dat Holland het erfstadhouderschap in november 1747 in mannelijke én vrouwelijke lijn erfelijk had verklaard, terwijl de Friese Landdag dat besluit voor de vrouwelijke lijn bleef uitstellen. Juist in het thuisgewest van Willem IV lag dat gevoelig. Pas in juni 1748, onder druk van de Friese onrust, besloten de Staten van Friesland de erfelijkheid ook in vrouwelijke lijn toe te staan.

Geen opregte Prins? Maria Louise, Henriëtte Amalia en het gerucht rond de geboorte van Willem IV

In het late najaar van 1711 deed er aan het Friese hof een gevaarlijk gerucht de ronde. De pasgeboren prins van Oranje, Willem Karel Hendrik Friso, de latere stadhouder Willem IV, zou niet het echte kind van Maria Louise van Hessen-Kassel zijn. De naam die in dit verband steeds terugkomt, is die van Henriëtte Amalia van Anhalt-Dessau: Maria Louises schoonmoeder, grootmoeder van het kind, en op dat moment een vrouw wier positie aan het hof onder druk stond. Haar zoon Johan Willem Friso was kort daarvoor, op 14 juli 1711, verdronken bij het Hollands Diep. Toen het kind op 1 september werd geboren, was Friso dus al bijna zeven weken dood. Dat maakte die beschuldiging extra beladen. Het ging om de eer van Maria Louise en om de vraag of de postuum geboren prins wel echt de rechtmatige erfgenaam was.1

Het dossier dat hierover in Tresoar in Leeuwarden wordt bewaard, laat zien hoe snel een roddel kon veranderen in een politieke kwestie. Het bestaat uit verklaringen, brieven en notities in het Nederlands, Frans en Duits. Ook de brieven van Carl, landgraaf van Hessen-Kassel, aan zijn dochter Maria Louise, die bij de Koninklijke Verzamelingen in Den Haag worden bewaard, spelen een belangrijke rol. Ze laten zien hoe hij de schade probeerde te beperken.

De kwestie speelde op een moment waarop de verhoudingen aan het Friese hof al onder druk stonden. Henriëtte Amalia van Anhalt-Dessau had niet alleen haar enige zoon verloren, maar ook de centrale positie die ze jarenlang rond hem had ingenomen. In een brief aan raadpensionaris Anthonie Heinsius van 27 juli 1711 presenteert ze zich als een diep getroffen moeder die steun zoekt voor zichzelf en haar familie. Tegelijk was zijn dood voor haar een politieke breuk. Met Johan Willem Friso verdween het middelpunt van haar invloed. De toekomst van het huis Nassau-Dietz verschoof naar een ongeboren kind en naar Maria Louise, de jonge weduwe met wie Henriëtte Amalia toch al een gespannen verhouding had.

Carl van Hessen-Kassel, 1696, door Jacob Gole, Rijksmuseum.

Ook Carl van Hessen-Kassel reageerde meteen. Op 4 september 1711 schrijft hij vanuit Oranienstein aan Maria Louise dat hij zich voor de belangen van zijn jonge kleinzoon zal inzetten. Grootmoeder Henriëtte Amalia was toen zelf ook nog in Oranienstein. Ook haar felicitatiebrief van 21 september 1711 aan Maria Louise schreef ze daar. Henriëtte Amalia was dus niet direct na de geboorte in Leeuwarden. Sinds het meerderjarig worden van Johan Willem Friso had ze haar Friese regentschap moeten neerleggen. In 1709 was ze met haar ongehuwde dochters naar Oranienstein in Dietz vertrokken. Daar bleef ze wel een vorstelijke rol spelen. Na de dood van haar zoon kwam ze later in het najaar opnieuw naar Leeuwarden, vermoedelijk om invloed te houden op de voogdij en het regentschap over haar kleinzoon. Tussen 21 september en 27 oktober 1711 moet ze daar zijn aangekomen. In Carls brief van 27 oktober vraagt hij namelijk aan Maria Louise hoe de oude vorstin zich tegenover haar gedraagt en of zij al heeft gezegd wanneer ze weer zal vertrekken.

Een ondergeschoven kind

In die weken ontstond een gerucht over een verwisseling in de kraamkamer. Het kwam aan de orde toen Henriëtte Amalia haar kleinzoon in de kinderkamer bezocht. Daar waren onder anderen vroedvrouw Janneke Bogaert, de min Wytske Ladenius en Christina Maria Jager, weduwe Womraed, de baker, aanwezig. Volgens hun latere verklaringen had Henriëtte Amalia gezegd dat er mensen waren die beweerden dat het kind ‘geen opregte Prins’ was. Die formulering is veelzeggend. Het ging om de suggestie dat er een kind was ondergeschoven. De inzet was groot, want als Maria Louise geen levende zoon had gekregen maar een dood kind of een dochter, kwam de positie van deze tak van Nassau-Dietz direct onder druk te staan. Het ging om het stadhouderschap in Friesland en Groningen en om de betwiste Oranje-erfenis.

Lijstje van aanwezigen bij de geboorte en bij het gesprek, Tresoar Leeuwarden, 323 Familie Van Eysinga-Vegelin van Claerbergen, 3958.

Vroedvrouw Janneke Bogaert verklaarde later allereerst dat Maria Louise daadwerkelijk van dit kind was bevallen. Zij had zelf de bevalling begeleid. En ook verklaarde ze dat, terwijl ze bezig was met de verzorging van de jonge prins, Henriëtte Amalia de kamer was binnengekomen en de insinuatie ter sprake had gebracht. Janneke reageerde direct dat het leugens waren. Daarna werd ze, volgens haar eigen verklaring, nog feller: ‘Ja waragtig Uwe Hoogheit, ’t is onse Vorstin haer eijgen kindt.’

Getuigen in de kinderkamer

Ook Christina Maria Jager, weduwe Womraed, speelde een belangrijke rol. Zij was als baker verbonden aan de directe verzorging rond moeder en kind. Tijdens het bewuste gesprek hoorde ze Henriëtte Amalia zeggen dat er mensen waren die beweerden dat het kind geen echte prins was, en hoe de vroedvrouw daar fel tegenin ging. Jager had zich ook zelf in het gesprek gemengd. Volgens haar moesten de mensen die zoiets hadden beweerd ‘gewis Catholijken’ zijn geweest.

Die verklaringen beschermden Maria Louise en ook de vrouwen die bij de geboorte en verzorging betrokken waren. Als er werkelijk een kind was ondergeschoven, zouden juist de vroedvrouw, de min en de baker verdacht zijn geweest. Zij hadden toegang tot de prinses, tot de baby en tot de ruimte waarin de geboorte en verzorging plaatsvonden. Hun felle reactie was dus ook zelfverdediging.

Henriëtte van Anhalt-Dessau, ca. 1691-1696, door Lancelot Volders, Koninklijke Verzamelingen, Den Haag.

Carl van Hessen-Kassel maakte zich in november zorgen over de toegang van Henriëtte Amalia tot Maria Louise en de kinderen. Het ging toen nog niet expliciet over het gerucht, maar wel over haar bemoeienis met de jonge prins en haar voortdurende aanwezigheid in Maria Louises vertrekken. Op 23 november schreef hij dat hij vond dat Henriëtte Amalia niet meer moest worden toegelaten.

Een dossier tegen de roddel

Half december dook het gerucht expliciet op in Carls brieven. Op 14 december schreef hij aan Maria Louise over de ongegronde en smakeloze praatjes rond haar zoontje. Ook hij wist dat er werd gezegd dat katholieken het verhaal hadden verspreid, dezelfde verklaring die later in de verklaringen terugkomt. Carl geloofde dat niet en schreef dat hij het eerder voor een verzinsel van de oude vorstin zelf hield. Daarmee lag de verdenking al vóór de officiële verhoren bij Henriëtte Amalia.

In de dagen na de escalatie schreef Gustav George von Halcke twee brieven over de zaak. Hij was regeringspresident en geheimraad in Kassel, en een hoge functionaris in directe dienst van Carl. Hij rapporteerde over Maria Louise, de situatie aan het hof en de Oranje-erfenis. Uit zijn brieven blijkt dat hij ook met Henriëtte Amalia had gesproken. Zij was inmiddels ter verantwoording geroepen.

Henriëtte Amalia probeerde haar rol te verkleinen. Ze ontkende dat zij met de vroedvrouw over het gerucht had gesproken. Volgens haar had zij het er alleen met gouvernante Madame de Meijsebourg over gehad. De ophef zou zijn ontstaan door wat de gouvernante ervan had gemaakt. Daarom werd het belangrijk om vast te leggen wie er bij het gesprek in de kinderkamer aanwezig waren. Christina Maria Jager verklaarde onder ede dat zij Meijsebourg toen niet in de kamer had gezien. Dat maakt niet duidelijk waar het gerucht vandaan kwam, maar het verzwakte wel Henriëtte Amalia’s poging om de ophef naar de gouvernante te verschuiven.

Maria Louise van Hessen-Kassel, ca. 1710-1714, door Lancelot Volders, Koninklijke Verzamelingen, Den Haag.

Op het eerste gezicht blijft het vreemd dat Henriëtte Amalia zo’n gerucht ter sprake bracht. De pasgeboren prins was immers ook haar kleinzoon. Zijn legitimiteit was dus ook in haar belang. Er waren in deze lijn geen andere mannelijke opvolgers meer. Juist daarom was Willem Karel Hendrik Friso zo belangrijk. Haar opmerking stond niet los van de machtsstrijd die al gaande was. Henriëtte Amalia was naar Leeuwarden gekomen om invloed te houden, maar merkte dat haar positie verzwakt was. Maria Louise kreeg steun van haar vader. Carl bemoeide zich actief met de belangen van zijn kleinzoon. De aanwezigheid van Henriëtte Amalia werd steeds meer als probleem gezien. Misschien speelde haar frustratie daar ook in mee. De stukken bewijzen niet dat zij het gerucht zelf had verzonnen. Carl dacht daar in december 1711 wel aan. Voor hem was zij een mogelijke bron van de insinuatie en een gevaar voor de rust rond zijn dochter.

Bewijs dat geheim moest blijven

De zaak werd vervolgens formeel gemaakt. Op 29 december 1711 legde vroedvrouw Janneke Bogaert haar beëdigde verklaring af. Op 7 januari 1712 volgden de verklaringen van Wytske Ladenius en Christina Maria Jager. Hessel Vegelin van Claerbergen, gedeputeerde van Friesland, liet de stukken opstellen. De vrouwen legden vast wat zij hadden gehoord en gezien, en wie er wel en niet aanwezig waren geweest.

Laatste pagina brief Carl van Hessen-Kassel van 18 januari 1712 aan Hessel Vegelin van Claerbergen, Tresoar Leeuwarden, 323 Familie Van Eysinga-Vegelin van Claerbergen, 3958.

Op 18 januari 1712 schreef Carl vanuit Kassel aan Vegelin dat de bewijsstukken geheim moesten blijven. Volgens hem was het gerucht gebaseerd op duidelijke leugens. Maar nieuwe ruchtbaarheid zou de zaak alleen maar groter maken. De reputatie van Maria Louise moest worden beschermd. Carl verbond de kwestie direct met het welzijn van zijn dochter. De ophef had haar verdriet en onrust gebracht, kort na de bevalling en kort na de dood van haar man. Ook haar gezondheid was zwak. Op 20 januari schreef hij opnieuw aan Maria Louise. Hij had via Von Halcke meer gehoord over de onbezonnen en onware verhalen die haar schoonmoeder had veroorzaakt. Hij waarschuwde zijn dochter om zich deze zaken niet zo aan te trekken dat het haar gezondheid zou schaden. Hij stelde voor haar zus Wilhelmine naar Leeuwarden te laten komen om haar wat afleiding te bezorgen.

Terug naar Oranienstein

Carl richtte zich intussen steeds duidelijker op Henriëtte Amalia’s vertrek. Hij zag haar als de hoofdoorzaak van de slechte toestand van zijn dochter. Maria Louise moest voorlopig afstand houden. Gesprekken met Henriëtte Amalia moesten worden vermeden. Haar aanwezigheid in Leeuwarden moest zo snel mogelijk eindigen. Kort daarna vertrok Henriëtte Amalia uit Leeuwarden. De bronnen noemen geen exacte vertrekdatum, maar duidelijk is wel dat zij naar Oranienstein terugkeerde, haar paleis in Dietz. In een brief aan Heinsius van 6 augustus 1713 kijkt ze zelf bitter op deze periode terug. Zij zag zich niet als aanstichtster van onrust, maar als slachtoffer van Carl van Hessen-Kassel. Volgens haar had hij haar rechten, inkomsten en regentschap aangetast. Die brief laat goed zien dat het conflict ging over een gerucht, voogdij, regentschap, bezit en macht.

Het is niet zeker dat Henriëtte Amalia het gerucht zelf verzon. Wel staat vast dat zij de beschuldiging in de kinderkamer ter sprake bracht. Daarna wees ze naar gouvernante Meijsebourg als bron, misschien omdat ze schrok van de gevolgen van haar eigen woorden. Die verdediging werd door de getuigenissen ernstig verzwakt. Carl zag Henriëtte Amalia al vóór de officiële verklaringen als de waarschijnlijke bron van de onrust. Hij probeerde het gerucht stil te houden, Henriëtte Amalia uit Leeuwarden weg te krijgen en Maria Louise te beschermen.

Uiteindelijk draait dit dossier om de vraag wie het verhaal over de geboorte mocht bepalen. Carl probeerde de schade te beperken. Von Halcke liet verklaringen verzamelen. De vrouwen rond het kraambed legden vast wat er was gezegd, wie er aanwezig waren geweest en wat zij zelf hadden gezien. Juist daardoor werd een gevaarlijk hofgerucht omgezet in bewijs. Niet om het breed bekend te maken, maar om het te kunnen bewaren, gebruiken en zo nodig tegen Henriëtte Amalia in te zetten.


  1. Zie bijvoorbeeld: Fred Jagtenberg, Willem IV (2018), 83-86. ↩︎

300 jaar na Henriëtte Amalia van Anhalt-Dessau

Op 18 april 2026, driehonderd jaar na het overlijden van Henriëtte Amalia van Anhalt-Dessau (1666–1726), organiseerde de Stichting Nassau en Friesland, onder voorzitterschap van Bearn Bilker, een symposium over haar leven en betekenis. Dat gebeurde in de Oranjezaal van het stadhuis van Leeuwarden, recht tegenover het Stadhouderlijk Hof. Een voor de hand liggende plaats voor iemand die hier zo lang aanwezig was maar in de geschiedschrijving opvallend weinig aandacht heeft gekregen.

Henriëtte Amalia was een Duitse prinses uit het huis Anhalt-Dessau en via haar moeder een kleindochter van Amalia van Solms. In 1683 trouwde ze met haar volle neef Hendrik Casimir II van Nassau-Dietz. Na zijn vroege dood in 1696 nam ze als regentes het bestuur op zich voor haar minderjarige zoon Johan Willem Friso.

Hanno Brand schetste het leven van Henriëtte Amalia en de context waarin zij opereerde. Hij liet zien hoe de strijd rond de Oranje-erfenis na de dood van Willem III haar handelen bepaalde en hoe belangrijk het voor haar was om actief op te treden om de positie van de dynastie veilig te stellen. Ze onderhield contacten, benutte haar netwerk en reageerde op ontwikkelingen die zich snel opvolgden, steeds met de toekomst van haar zoon Johan Willem Friso als inzet. Toen hij meerderjarig werd, kwam haar regentschap ten einde en nam haar politieke rol af, waarna ze zich uiteindelijk terugtrok naar Dietz, waar ze een hof voerde dat haar status onderstreepte maar ook leidde tot aanzienlijke schulden.

In de bijdrage van Ineke Huysman stond de correspondentie van Henriëtte Amalia centraal. Die is inmiddels online beschikbaar, voorlopig gebaseerd op de brieven bij de Koninklijke Verzamelingen, met uitbreiding vanuit Tresoar en andere archieven in zicht. Vóór 1696, het jaar van het overlijden van haar man, is er nauwelijks correspondentie, daarna neemt het aantal brieven snel toe. Dat hangt samen met haar rol als regentes en met de politieke situatie rond de Oranje-erfenis. Met de digitale ontsluiting van deze brieven wordt zichtbaar hoe haar netwerk geografisch was verspreid over Europa, en met behulp van handschriftherkenning kunnen de teksten steeds beter worden doorzocht en onderzocht.

Lydia Boer richtte zich op kunst en cultuur rondom Henriette Amalia en liet zien hoe dat aansluit bij haar bredere optreden. Henriëtte Amalia koos haar kunstenaars zorgvuldig, zat dicht op de uitvoering en had oog voor kwaliteit. Ze liet portretten maken waarin haar dynastieke moederrol nadrukkelijk aanwezig is, soms zelfs met een overleden kind in beeld. Tegelijk trok ze kunstenaars en musici aan en gaf zo vorm aan een hofcultuur. Componisten als Jacob Riehman en Johann Christian Schickhardt werkten in haar omgeving en droegen hun werk aan haar op.

De muziek van deze componisten klonk tijdens het symposium, uitgevoerd door Martijn van Dongen (blokfluit), Mathilde van Wijnen (cello) en Peter van der Zwaag (klavecimbel), zodat je je even in het Friese stadhouderlijke hof kon wanen.

Jacob Roep bracht Henriëtte Amalia’s verwerving van de heerlijkheid Ameland in 1704 naar voren en plaatste die in de geschiedenis van het eiland. Daarmee werd duidelijk hoe deze stap past in een breder patroon van bezit en bestuur. Voor Henriëtte Amalia betekende het bezit van Ameland inkomsten en invloed, en daarmee een versterking van haar positie.

Ronald de Graaf keek naar de relatie tussen Henriëtte Amalia en haar zoon Johan Willem Friso. Uit zijn brieven komt een verhouding naar voren waarin zijn moeder zich nadrukkelijk met zijn doen en laten bemoeide. Ze gaf hem duidelijke aanwijzingen, ook wanneer hij op veldtocht was. Omdat vrijwel alleen zijn brieven áán haar bewaard zijn gebleven, kennen we haar kant van de correspondentie niet direct, maar juist uit zijn reacties wordt goed zichtbaar hoezeer zij er bovenop zat.

Wat deze dag vooral duidelijk maakte, is hoeveel actiever de rol van Henriëtte Amalia was dan meestal wordt aangenomen. Ze verschijnt hier als iemand die voortdurend betrokken was bij wat er speelde en daar ook naar handelde. Haar correspondentie laat dat goed zien en biedt nog volop mogelijkheden voor verder onderzoek.

Grootmoeders gift: munten voor Willem V

Willem V van Oranje-Nassau werd in 1748 geboren als erfstadhouder van de Nederlandse Republiek. Zijn vader, Willem IV, stierf toen hij drie jaar oud was. Eerst trad zijn moeder Anna van Hannover op als regentes. Na haar dood namen zijn grootmoeder Maria Louise van Hessen-Kassel en de hertog van Brunswijk het bestuur over. Pas op 8 maart 1766, toen hij meerderjarig werd, trad hij zelf aan.

De jonge prins ontwikkelde zich tot een echte liefhebber van oudheden, munten, fossielen, stenen, schilderijen, boeken en zelfs levende dieren. Zijn collecties liggen aan de basis van verschillende musea en bibliotheken die we nu nog kennen, waaronder Galerij Prins Willem V en de Koninklijke Bibliotheek. Die verzamelwoede van Willem werd al vroeg aangemoedigd door zijn grootmoeder in Leeuwarden.

Een bezorgde grootmoeder

Allegorisch medaillon ter gelegenheid van het herstel van stadhouder Willem V na een korte ziekte, 15 april 1763. Waakzaamheid en de Hollandse Maagd bij een altaar waarop een portret van de prins smeken Hygieia de prins te genezen, naar tekening van Jacob van der Schley, 1763, Rijksmuseum.

In april 1763 was Willem V vijftien jaar oud en herstellende van een flinke ziekte. Wat begon als een ‘rhume’, een verkoudheid, was in de loop van de maand uitgegroeid tot iets ernstigs, genoeg om hem wekenlang uit te schakelen. Dat het geen kleinigheid was, blijkt ook uit het feit dat het herstel publiekelijk werd herdacht: op 15 april 1763 verscheen een allegorisch gedenkmedaillon van de graveur Jacob van der Schley.

Terwijl men in Den Haag behoorlijk bezorgd was om de zieke prins, schreef zijn grootmoeder Maria Louise van Hessen-Kassel vanuit Leeuwarden op 2 april 1763 een briefje. Ze verontschuldigde zich voor de fouten in haar schrijven, ze had het in haast opgesteld. Ze hoopte dat Willem volledig hersteld zou zijn van zijn kwaal, en ze had iets voor hem: een handjevol antieke Spaanse munten die kort daarvoor waren gevonden bij graafwerkzaamheden voor de tuin van stadsbestuurder Reneman. De aardewerken pot was al grotendeels weggegooid, maar een scherf bleef bewaard en die stuurde ze mee als bewijs van herkomst.

Het geheel zou met het eerstvolgende beurtschip naar Den Haag vertrekken. De munten waren niet bijzonder zeldzaam, schreef ze, en waarschijnlijk minder indrukwekkend dan wat haar kleinzoon al in bezit had. Maar misschien vond hij het toch leuk ze te hebben en had hij er een plaatsje voor in zijn verzameling.

Eind april antwoordde Willem. Hij schreef dat dit zijn eerste brief was sinds zijn ziekte. In het eveneens bewaarde kladconcept schreef hij dat de lucht nog wat koud was en dat hij daarom nog niet naar buiten ging, maar dat hij hoopte binnenkort weer een rijtoer te maken en de zondag daarop de kerk te bezoeken. In de definitieve brief had hij die hele passage geschrapt. Wat overbleef was een hoffelijke prins die zijn grootmoeder bedankt. Hij zou de munten zou opnemen in zijn collectie als stukken die hem zeer kostbaar waren, omdat ze van haar kwamen.

Muntenverzameling

Al eerder, in juni 1762, had Maria Louise haar kleinzoon enkele Indische munten toegestuurd, die hij met trots een plek had gegeven in zijn eigen kabinet, zoals hij haar zelf liet weten. En in maart 1764 stuurde Maria Louise hem nog een Friese penning. Ze schreef dat ze, omdat het een zeldzaam stuk betrof, direct had gedacht dat het wel iets voor hem zou zijn.

De verzameling die de jonge prins opbouwde en waaraan zijn grootmoeder zo attent bijdroeg, bleef niet bijeen. In 1766 bracht Willem V zijn collectie onder in diverse panden rondom het Binnenhof. Toen het Franse leger in januari 1795 Nederland binnenviel, werd het grootste deel als oorlogsbuit naar Parijs afgevoerd. Wat achterbleef werd geveild. Een deel van de muntenverzameling keerde na 1815 terug en vormde de basis van het Koninklijk Penningkabinet. Via latere institutionele veranderingen maakt dit materiaal nu deel uit van de Nationale Numismatische Collectie bij De Nederlandsche Bank. Of die Spaanse munten uit Leeuwarden uit april 1763 ooit hun weg in deze verzamelingen hebben gevonden, is onbekend.


De correspondentie van Marie-Louise van Hessen-Kassel komt binnenkort online in het kader van het digitaliseringsproject brieven van de Hollandse en Friese stadhoudersvrouwen, een samenwerking tussen het Huygens Instituut en Koninklijke Verzamelingen Den Haag.

Hagel: het intieme woord van Anna en Willem

Bonsoir mon delicieux, & hagel Pepin, je me couche. Zo besluit Anna van Hannover een van haar brieven aan haar man Willem IV, prins van Oranje. Anna noemt hem Pepin of Pip, naar het Franse pépin, oftewel pitje. Willem schrijft haar aan als Annin. De afsluiting lijkt banaal. Anna groet Willem, ze gaat slapen. Maar dat ene woord, hagel, springt eruit: het is geen Frans, geen Duits, geen Engels, zelfs geen Nederlands, maar een woord dat alleen tussen Annin en Pepin bestaat. In hun correspondentie keert het steeds terug, bijna twintig jaar lang: hagel, soms met een hoofdletter, soms zonder, en in één geval zelfs vervoegd tot het bijwoord hagelment.

Patroon

De vindplaatsen in de brieven vertonen een duidelijk patroon. Willem kijkt uit naar hun hagels entretiens en verheugt zich op hun hagel tête à tête. Hij dankt haar voor haar hagel lettre die hem extra voldoening heeft bezorgd. En in september 1751, als hun dochtertje Caroline ziek is, noemt hij haar notre chère et hagel Caroline. Anna noemt Willem haar délicieux et hagel Pepin, haar excellent et hagel Pepin, haar hagel coeur. Dagen zonder hem zijn verloren, ze kan zich niet aanbevelen in zijn hagel souvenir. Over een teleurstellende brief schrijft ze dat die brieven ne sont pas hagel zijn. Het woord beschrijft personen, brieven, gesprekken, herinneringen en stemmingen, en verschuift tussen bijvoeglijk naamwoord, bijwoord en koosnaam.

De vroegste vindplaats staat in een brief van Willem uit Leeuwarden, 5 februari 1735, een jaar na hun huwelijk. Hij schrijft: Quel plus hagel commencement de lettre que le votre, ma chère Annin: welk begin van een brief is er mooier dan het uwe, mijn lieve Annin? Het woord bestond dus al eerder in hun omgangstaal, maar verschijnt hier voor het eerst op papier, in een periode van scheiding, wanneer Willem in Friesland verblijft en Anna in Engeland aan het hof van haar vader, koning George II.

De bijwoordsvorm hagelment toont de ontwikkeling van het woordgebruik. Anna schrijft over haar zuster Marie: icy aupres de Marie qui j’aime si hagelment. Hagel is dan geen incidenteel kooswoord meer, maar een volwaardig element in hun taal, dat zich ook naar Frans model laat vervoegen met -ment.

Betekenis

De brieven zelf geven geen definitie. Het gebruik wel. Hagel staat voor wat vertrouwd is, welkom, eigen. Het raakt aan woorden als lief, heerlijk en gezellig, maar valt met geen van die woorden samen. De vorm hagelment wijst op intensiteit: iets als innig, van ganser harte. Het woord blijft exclusief. Het komt niet voor in hun brieven aan anderen. Het circuleert alleen tussen hen tweeën. Zelfs derden vallen onder hun perspectief: Saumaise est hagel. Caroline is hagel. Van Marie wordt hagelment gehouden. Wie hagel is, hoort bij hun wereld.

Deze betekenis van hagel is uniek voor hun correspondentie. Als woord betekent het verder in het Nederlands gewoon bevroren neerslag, maar zo wordt het hier niet gebruikt. In het Frans ontbreekt het. In het Duits noteert het Grimm Wörterbuch hägel als nevenvorm van hager, met betekenissen als schraal of mager, en in dialecten zelfs dwaas. In Nederlandse dialecten kan hagel vijandig of boos betekenen. Dat staat haaks op het gebruik bij Anna en Willem. Of ze die betekenis bewust omkeerden, is onbekend. Wel bestaat in het Nederlands hagel als versterkend element in woorden als hagelnieuw en hagelwit. Die associatie van frisheid en helderheid kan hebben meegespeeld, maar zekerheid is er niet.

Correspondentie

Hagel toont het huwelijk van het stadhoudersechtpaar van binnenuit. Hun ruim tweehonderd brieven volgen Anna en Willem van 1734 tot 1751, door politieke spanningen, oorlog en ziekte. In al die jaren klinkt hagel: in de eerste brieven van 1735, in de brieven uit Kassel in 1742, en voor het laatst in de zomer van 1751, wanneer Willem Anna vanuit Middelburg bedankt voor haar hagel brief.

Na Willems dood op 22 oktober 1751 verdwijnt hagel voorgoed. Het was hun woord en leeft voort in hun brieven.


De brieven van Anna van Hannover en Willem IV bevinden zich bij Koninklijke Verzamelingen. Ze zijn als dataset ontsloten door het Huygens Instituut via Early Modern Letters Online (EMLO). De geciteerde teksten zijn afkomstig uit de HTR-transcripties van de correspondentie gemaakt met Transkribus.

Een merkwaardig huwelijk in de brieven van Willem IV aan Anna van Hannover

De correspondentie tussen stadhouder Willem IV en zijn vrouw Anna van Hannover laat zien dat hun brieven niet alleen over grote politieke kwesties gaan. Tussen berichten over legerzaken, reizen en hofnieuws duiken ook opvallende verhalen op die in de Republiek de ronde deden. Een mooi voorbeeld staat in een brief die Willem op 5 juni 1751 vanuit Middelburg aan Anna schrijft. Daarin vertelt hij dat hij zojuist een protocol en een depêche van de krijgsraad in Breda heeft gelezen. Het stuk vond hij ‘zeer omslachtig, maar niet minder merkwaardig’, omdat het ging over een bijzonder huwelijk.

Willem schrijft [vrij vertaald]:

… ik heb het protocol en een depêche van de krijgsraad in Breda gelezen, een zeer uitvoerig stuk, maar ook bijzonder merkwaardig, omdat het ging over het bizarre huwelijk van twee vrouwen. Een van hen diende als grenadier en was in 1748 in Coevorden met de ander getrouwd. De vrouw had al die tijd niet geweten welk geslacht haar vermeende echtgenoot werkelijk had, totdat het drie maanden geleden aan het licht kwam. Omdat ik het stuk nogal vluchtig heb gelezen en mijn gesprek met Du Bon lang duurde, bewaar ik de verdere bijzonderheden om u die mondeling te vertellen.

Het verhaal waarnaar Willem verwijst betreft de affaire rond Maria van Antwerpen (1719–1781). Zij trok rond 1746 mannenkleren aan en nam dienst in het Staatse leger onder de naam Jan van Ant. Maria diende daadwerkelijk als soldaat en zelfs als grenadier. Toen haar compagnie in Coevorden lag, trouwde ze op 21 augustus 1748 met Janna Cramers, de dochter van een sergeant. Volgens latere verklaringen had Johanna geen idee dat haar echtgenoot biologisch een vrouw was.

In het midden van de pagina: huwelijksregistratie van Maria van Antwerpen onder de naam Jan van Ant, op 21 augustus 1748, met Janna Cramers. Drents Archief, toeg. 0176.01 Trouwregister Coevorden, inv. 11. [met dank aan Renske van Donk van het Drents Archief]

Pas toen het regiment enkele jaren later in Breda lag, werd Maria herkend door iemand die haar nog kende uit haar eerdere leven als dienstmeid. Ze werd gearresteerd en voor de krijgsraad gebracht. In 1751 werd haar identiteit vastgesteld en werd ze verbannen uit Brabant, Limburg en alle garnizoenssteden. De zaak trok veel aandacht en nog datzelfde jaar verscheen een boek over haar leven: De Bredasche Heldinne, of merkwaardige levensgevallen van Maria van Antwerpen (Den Haag 1751), geschreven door Franciscus Lievens Kersteman.

Maria’s verhaal eindigde daar overigens niet. Na haar verbanning trok ze opnieuw mannenkleren aan, nam weer dienst als soldaat, nam de naam Michaël van Antwerpen aan en trouwde zelfs nog een keer met een vrouw: de Goudse Cornelia Swartsenberg. Toen haar ware identiteit jaren later opnieuw werd ontdekt, volgde opnieuw een proces en een verbanning.

De passage in Willems brief laat zien hoe zulke opmerkelijke gebeurtenissen ook hun weg vonden naar hofkringen en privébrieven. De correspondentie tussen Willem IV en Anna van Hannover bevat dus niet alleen politiek en diplomatie, maar ook het dagelijkse nieuws van de Republiek, soms met verhalen die voor de betrokkenen zelf ongetwijfeld een groot persoonlijk drama moeten zijn geweest.

Vriendschap op papier. Een inkijkje in de brieven tussen Maria Louise van Hessen-Kassel aan Henriëtte van Nassau-Zuylestein

Voor haar stage bij het stadhoudersvrouwenproject deed Marloes Neijens een onderzoek naar de briefwisseling tussen Marie Louise van Hessen-Kassel en Henriëtte van Nassau-Zuylestein.

Uiteindelijk, mijn beste Milady, als ik alles zou zeggen wat mijn gevoelens voor u mij ingeven, zou dat te ver gaan, dus moet ik mij beperken tot zwijgen

schrijft Maria Louise van Hessen-Kassel (1688-1765) op 13 juni 1730 in een brief.[1] Deze brief is gericht aan Henriëtte van Nassau-Zuylestein (1688-1759), met wie Maria Louise decennialang bevriend was.

Fred Jagtenberg schrijft in zijn biografie over Maria Louise, Marijke Meu (1688-1765): Stammoeder van ons vorstenhuis, het een en ander over de vriendschap die bestond tussen Henriëtte en Maria Louise. Hij benadrukt dat de twee vrouwen erg veel gemeen hadden, en dat ze veel steun bij elkaar vonden. Ze waren leeftijdsgenoten, maar ook lotgenoten, in de zin dat ze allebei veel verlies hadden doorgemaakt. Maria Louise was nog maar 23 jaar toen haar man, stadhouder Johan Willem Friso van Nassau-Dietz (1687-1711), om het leven kwam. Hun oudste kind, Anna Charlotte Amalie (1710-1777), was nog geen jaar oud, en hun zoon, Willem Karel Hendrik Friso (1711-1751) heeft zijn vader nooit gekend.[2] Henriëtte was 30 jaar toen Frederik Christiaan van Reede (1668-1719) overleed en had drie kleine kinderen, Godard Adriaan (1716-1736), Willem Frederik (1717-1747), en Ursula Christina Reynira (1719-1747).[3]

Henriette van Nassau Zuylestein, door Johan Georg Colasius, 1724, Wikimedia Commons.

Jagtenberg benadrukt Maria Louises frequente uitnodigingen aan Henriëtte om bij haar op bezoek te komen, en het verlangen naar het gezelschap van ‘Milady’.[4] De vriendschap die Jagtenberg beschrijft lijkt op deze manier erg eenzijdig, maar er moet ook rekening gehouden worden met de bronnen: er zijn meer dan 30 brieven van Maria Louise aan Henriëtte bewaard gebleven (nu te vinden in Het Utrechts Archief)[5] tegenover de drie brieven van Henriëtte aan Maria Louise die in bezit zijn van de Koninklijke Verzamelingen.[6] Hoeveel brieven er precies missen is niet duidelijk, maar we hebben in ieder geval (helaas) een onvolledig beeld van deze vriendschap. Deze blog zal dan ook vooral voorbeelden bespreken uit Maria Louises brieven aan Henriëtte.

Jagtenberg zet de onderwerpen die het meeste aan bod komen in de correspondentie op een rijtje: hun kinderen (Maria Louise was in het bijzonder gehecht aan ‘Christje’, oftewel Henriëttes dochter Ursula Christina Reynira), nieuws uit hun omgeving, ziekte en gezondheid, en vrijetijdsbesteding, zoals handwerken of in de tuin wandelen. Ook vroeg Maria Louise wel eens aan Henriëtte om een bestelling voor haar te doen in Utrecht, waar wellicht meer modieuze spullen te verkrijgen waren dan in het afgelegene(re) Leeuwarden.[7]

Deze blog biedt een inkijkje in de persoonlijke kant van de meer dan veertig jaar durende vriendschap tussen Maria Louise van Hessen-Kassel en Henriëtte van Nassau-Zuylenstein en hoe deze twee vrouwen hun vriendschap uitten. (Hoe twee vrouwen van adel hun vriendschap voor politieke doeleinden inzetten is te lezen in een blogpost over Maria II Stuart en haar hofdame Agnes van Wassenaer Obdam, geschreven door Fien Jordaens: https://stadhoudersvrouwen.wordpress.com/2025/11/09/door-brieven-verbonden-de-vriendschap-van-maria-stuart-ii-en-agnes-van-wassenaer-obdam/). Citaten uit de Franstalige brieven zijn door mij naar het Nederlands vertaald in de lopende tekst en, waar nodig, voorzien van interpunctie. Transcripties van de oorspronkelijke Franse tekst zijn te vinden in de voetnoten.

Woorden van vriendschap

Gedurende hun opvoeding kwamen jonge dames van adel zoals Maria Louise en Henriëtte in aanraking met allerlei handboeken omtrent gepast gedrag. Ook het selecteren van geschikte vriendinnen en het schrijven van brieven waren onderdeel hiervan.[8] Etiquetteboeken, al een begrip in de opvoeding van de adel sinds de late Middeleeuwen, bevatten vaak tips op dit vlak. Er waren echter ook hele handboeken gewijd aan de lezer adviseren in het schrijven van brieven. Brieven vormden immers een essentieel deel van het dagelijks leven in de vroegmoderne tijd (en in de periode erna!). Niet alleen wisselden politici, intellectuelen, handelaars, etcetera ideeën uit via dit medium, brieven waren natuurlijk eenvoudigweg ook een belangrijk onderdeel van sociaal contact onderhouden met familie, vrienden, en kennissen. Handleidingen bevatten meestal een gedeelte met instructies over stijl, vorm, en inhoud, en een gedeelte met voorbeeldbrieven.[9] Op deze wijze internaliseerden lezers een bepaalde manier van zich uitdrukken.

Laatste pagina brief Henriette van Nassau-Zuylestein aan Marie Louise van Hessen-Kassel, 28 april 1742, Koninklijke Verzamelingen, A28, 170.

De duidelijkste voorbeelden van dit soort aangeleerd brievenjargon zijn meestal te vinden in de aanhef en de afsluiting. De correspondentie van Maria Louise en Henriëtte zijn geen uitzondering wat dat betreft. Beide vrouwen beginnen hun brieven aan elkaar meestal met ‘madame’, en een paar zeer formulaïsche openingszinnen. Zo bedankt Maria Louise Henriëtte vaak voor het een of ander, of biedt zij uitvoerig haar excuses aan dat zij Henriëtte niet eerder heeft geschreven.

[Het is] niets anders dan een last, dat ik zo lang heb gedraald en uitgesteld, mijn lieve Milady, om u te verzekeren van mijn gehechtheid en om u te bedanken dat u mij het plezier gedaan mij te schrijven,’ schrijft Maria Louise bijvoorbeeld in een ongedateerde brief;[10]

en: Het doet me verdriet dat ik zo lang ben gegaan zonder u te schrijven en u te bedanken, mijn zeer dierbare Milady, voor uw vriendelijke brief ter gelegenheid van het nieuwe jaar, op 30 januari 1731.[11]

Maria Louise spreekt Henriëtte ook vaak aan met de Engelse aanspreekvorm ‘Milady’, waarschijnlijk omdat zij gravin van het Ierse Athlone was, destijds onderdeel van het Britse Rijk. Ze sluit haar brieven aan Henriëtte meestal af met een zin zoals de volgende, uit een korte brief uit 1739:

[…] ik ben met perfecte erkenning,

Madame,

uw zeer toegenegen dienares en trouwe vriendin,

M.L. d’Orange[12]

Soms op wat uitgebreidere wijze, zoals in een brief met nieuwjaarswensen van 22 januari 1736:

Enfin, mijn beste gravin, ik hoop dat u overtuigd zult zijn van mijn onbreekbare gehechtheid, waarmee ik,

Madame,

uw zeer toegenegen dienares en goede vriendin ben.

M.L. d’Orange[13]

Henriëttes brieven doen zelfs nog iets formeler aan, waarschijnlijk door het verschil in stand tussen de twee vriendinnen: Maria Louise was een prinses, en Henriëtte ‘maar’ een gravin. Wie naar de mise-en-page van de brieven kijkt, ziet dat Henriëtte een veel grotere ruimte tussen de initiële aanhef en de openingszin laat dan Maria Louise. Zo’n lange witregel was typisch in brieven gericht aan iemands meerdere.[14] Zo opent Henriëtte haar brief van 20 mei 1735:

Ik heb de eer om mijn zeer nederige dank te betuigen aan Uwe Doorluchtige Hoogheid, voor de zeer vriendelijke brief die u zo vriendelijk was, Madame, om mij te schrijven (in antwoord waarop ik de vrijheid heb genomen om u te adresseren), waarin ik met onnoemelijke vreugde heb gezien dat Uwe Doorluchtige Hoogheid mij nog altijd met haar kostbare welwillendheid eert […][15]

Haar brief van 17 augustus 1731 sluit Henriëtte als volgt af, na het afzeggen van een reis naar Kassel met Maria Louise door familiezaken:

[…] ik heb zo’n mooie gelegenheid niet willen laten ontsnappen om op de een of andere manier aan Uwe Doorluchtige Hoogheid de ijver te laten zien waarmee ik mijn hele leven,

Madame,

Uwe Doorluchtige Hoogheids

zeer nederige

en zeer gehoorzame dienares ben en zal zijn.

H. van Nassau

douarière gravin van Athlone[16]

Willemijn Ruberg schrijft in haar boek Conventional correspondence: epistolary culture of the Dutch elite, 1770-1850 dat mensen de performatieve en formulaïsche aspecten van de briefcultuur invulden met hun eigen betekenis.[17] De clichés en formaliteiten die Maria Louise en Henriëtte in hun brieven naar elkaar verwerkten, boden dus alsnog ruimte voor oprechte gevoelens. Het is echter vaak moeilijk te zeggen waar het een eindigt en het ander begint:

Wees overtuigd, mijn zeer dierbare vriendin, dat ik dagelijks denk [aan uw] vriendelijke persoon […], schrijft Maria Louise in haar brief van 11 augustus 1731.[18]

Ook geeft Maria Louise regelmatig aan dat ze Henriëtte mist. […] ik voel me niet slecht, behalve dat mijn borstkas een beetje pijn doet, maar mijn lieve Milady, ik heb een sterk gevoel over onze scheiding, die mij meer pijn doet […], schrijft ze in oktober 1730.[19]

Zijn de bovenstaande citaten oprechte uitdrukkingen van gevoelens van vriendschap, lege frases, of een beetje van allebei? Misschien loont het meer om naar de inhoud van de brieven te kijken.

Familie, gezondheid en nieuwtjes van alledag

Waar schrijven twee achttiende-eeuwse vriendinnen dan zoal over? Via hun correspondentie blijven de twee in ieder geval goed op de hoogte van elkaars leven. Maria Louise was bijvoorbeeld erg bezig met zowel de gezondheid van haar familie als die van haarzelf, schrijft Jagtenberg (meer over dit onderwerp is ook te lezen in de blogpost over Maria Louises correspondentie met haar arts, geschreven door Veerle Berends: https://stadhoudersvrouwen.wordpress.com/2025/05/10/ziekte-zorg-en-dynastie-de-medische-correspondentie-tussen-maria-louise-van-hessen-kassel-en-bernard-wepfer/).[20]  Ook in haar brieven aan Henriëtte is dit een terugkerend thema. Vaak noemt ze een of andere kwaal als reden dat ze niet eerder kon schrijven, of vertelt ze dat ze ziek is of is geweest.[21] Soms brengt ze verslag uit aan Henriëtte over haar dag of een reis die ze heeft gemaakt. Ook wordt er gecorrespondeerd over algemener nieuws uit de omgeving van beide dames, en wordt er soms zelfs heel voorzichtig geroddeld.[22]

Laatste pagina brief Henriette van Nassau-Zuylestein aan Marie Louise van Hessen-Kassel, 30 januari 1731, Het Utrechts Archief, 1001 Huis Amerongen, inv. nr. 3313.

Een opvallend detail in bijna elke brief van Maria Louise dat ook Jagtenberg niet is ontgaan, is dat zij Henriëtte regelmatig vraagt om ‘Christje’ of ‘Christgen’ namens haar te omhelzen. Christje was Ursula Christina Reynira, Henriëttes dochter. In tien brieven van 1730 tot en met 1739 én in een ongedateerd fragment komt dit terug.[23] Familie is sowieso een belangrijk thema in de correspondentie van de twee vriendinnen. Zelf waren ze (hele) verre verwanten: Henriëtte was de kleindochter van een bastaardzoon van Frederik Hendrik, en was dus indirect een afstammeling van Willem van Oranje, net als Maria Louise.[24] Hoewel dat nooit expliciet wordt genoemd in wat bewaard is gebleven van hun briefwisseling, is het gezien de bredere betekenis(sen) van vriendschap in de vroegmoderne tijd goed mogelijk dat dit feit heeft meegewogen in hun eigen definitie van hun vriendschap.[25] Ze houden elkaar op de hoogte van geboortes, huwelijken, en sterfgevallen in hun omgeving, zoals in Henriëttes brief van 28 april 1742, waarin zij verslag doet van de zaken omtrent de bevalling van haar dochter en het huwelijk van haar zoon met mademoiselle Van Wassenaer van Duvenvoorde,[26] maar ook van andere grote gebeurtenissen in de familie, ziektes, en bezoeken. Maria Louise stuurt bijvoorbeeld in mei 1747 een brief om haar vreugde uit te drukken over de uitroeping van haar zoon tot stadhouder van de Zeven Provinciën.[27]

Troost

Er zijn drie brieven bewaard gebleven van Maria Louise om Henriëtte haar condoleances aan te bieden bij een verlies. De eerste hiervan is uit 1719 en betreft het overlijden van Henriëttes man, en is een korte, formele steunbetuiging. De tweede brief stuurt Maria Louise op 10 november 1736, naar aanleiding van de dood van Godard Adriaan, Henriëttes oudste zoon, die tijdens zijn verblijf in Marburg voor zijn studie geveld werd door de pokken.[28] De brief is een stuk uitgebreider dan die uit 1719. Ook introduceert Maria Louise hier een iets informeler element: een kort postscriptum over de (wankele) staat van haar eigen gezondheid. In 1747 verliest Henriëtte haar twee overblijvende kinderen binnen enkele maanden. Er is geen brief van Maria Louise bewaard gebleven over de dood van Christje (dat betekent overigens niet dat die er niet geweest kan zijn), maar op 12 december 1747, niet lang na de dood van Frederik Willem, stuurt Maria Louise Henriëtte een brief om haar steun te betuigen. Deze keer biedt Maria Louise meer dan alleen clichés. In elk van deze brieven schrijft Maria Louise over troost vinden in God, maar in de derde brief leest het als advies, en lijkt ze ook heel even naar haar eigen ervaringen met verlies te verwijzen. Vergelijk de volgende twee zinnen:

Ursula Christina Reiniera (1719-1747), Godard Adriaan (1716-1736) en Frederik Willem (1717-1747) van Reede, door J. Fournier, 1749. Foto: Elsevier Stockmans. Collectie Kasteel Amerongen.

5 september 1719: God wil u troosten in zulk doordringend verdriet en u nog vele jaren garanderen met hen die dierbaar zijn aan u, van elk ongelukkig ongeval, door u in gezondheid te behouden, en in het besef van zijn kostbaarste genades.[29]

12 december 1747: Mijn beste vriendin, zoek altijd uw toevlucht bij Hem, Hij zal u niet in de steek laten en ik weet ook dat dit de enige manier is om de onrust te kalmeren waarin we door zo’n groot leed zijn gestort.[30]

In de brief uit 1747 nodigt Maria Louise Henriëtte vervolgens ook uit om een tijdje bij haar te komen verblijven, en biedt ze aan om vervoer te regelen:

Mijn zoon is ook erg gevoelig voor het verlies van Milady en hij schreef me eerst een brief om me te vertellen dat ik Milady moet overhalen om van plaats te veranderen en bij mij te komen. Ik bied haar de koetsen voor haar vervoer aan en zal haar met open armen ontvangen als zij een goede beslissing kan nemen. Ik kan de koetsen naar Muyden sturen, een kleine reis.[31]

Waar de eerste brief een formaliteit is, brengt de derde de boodschap over dat Maria Louise er graag voor Henriëtte wil zijn in deze moeilijke periode.

Uitnodigingen

De bovenstaande uitnodiging is niet de eerste of enige van Maria Louises kant. Ze vraagt Henriëtte regelmatig om bij haar te komen verblijven, of stelt een plan voor om elkaar ergens te zien. Maria Louises brief van 11 augustus 1731 gaat over een geplande reis naar Maria Louises familie in Kassel. Ze vertelt wanneer zij van plan is om te vertrekken en zij vraagt aan Henriëtte of zij nog steeds mee zou willen, en zo ja, of zij dan haar bagage vooruit zou kunnen sturen.[32] Henriëtte geeft een paar dagen later in haar antwoord op die brief echter aan dat het haar niet meer gaat lukken om mee te gaan, omdat zij nog veel zaken voor haar familie moet regelen met meneer Van Ginkel (vermoedelijk Reinhardt van Reede-Ginkel, de jongere broer van Frederik Christiaan die Henriëtte hielp met de opvoeding van de kinderen),[33] die pas aankomt tegen de tijd dat Maria Louise haar reis wil beginnen, en dat het haar verdriet doet dat zij de familie van Maria Louise niet kan ontmoeten.[34]

Handwerken

Er zijn drie brieven van de hand van Maria Louise bewaard gebleven waarin zij het heeft over handwerken. In een brief aan Henriëtte van 2 december 1730 schrijft ze het volgende over hoe zij haar vrije tijd besteedt:

[…] Ik zal haar [= Henriëtte] verslag uitbrengen over mijn manier van leven, die bestaat uit een sober leven, en ik vermaak me met handwerken en naar buiten gaan als het mooi weer is.[35]

Op 30 mei 1749 stuurt Maria Louise een stukje van haar eigen handwerk aan Henriëtte mee met de brief:


‘[…] Bijgevoegd is er een voorbeeld van mijn werk, ik heb het in een lijstje gestuurd aangezien er te weinig tijd was om het op de stof te zetten. Zij zou het nog altijd op een lintje kunnen laten zetten dat de vrede markeert, en gezien de vrede die in deze goede tijd heerst heb ik geloofd dat het haar, Madame, een plezier zou doen om haar een boeket met een dergelijke strik te sturen. Ik vermaak me met plezier met dit (hand)werk wanneer mijn gezondheid het toelaat.[36]

In een ongedateerd fragment van een brief aan Henriëtte schrijft Maria Louise nogmaals dat ze wat handwerkjes mee heeft gestuurd, deze keer van haar dochter:

Ik voeg hierbij twee voorbeelden van een handwerkje dat mijn dochter me heeft gestuurd, ik geloof dat dat een echt werkje voor Milady is, want het is zoals zij vaak heeft gemaakt van mousseline, waar men allerlei dingen mee maakt, zoals ze mij heeft verteld.[37]

Helaas zijn de termen ‘travaillie’ en ‘ouvrage’ te breed om te kunnen bepalen welke techniek(en) Maria Louise en haar dochter hebben gebruikt om hun handwerkjes te vervaardigen. Wel noemt Maria Louise in het ongedateerde fragment een van de gebruikte materialen: mousseline, een fijn geweven katoenen stof uit India, een echt luxeproduct.[38]

In haar boek, Female alliances: gender, identity, and friendship in early modern Britain legt Amanda E. Herbert hier de link tussen de vrijetijdsbesteding van dames van stand en de groei van de wereldhandel en het kolonialisme. Voor de elite van de vroegmoderne tijd was het bezitten van exotische luxeproducten zoals suiker, specerijen, en stoffen (zoals mousseline) niet alleen een manier om te laten zien hoe rijk je was, maar ook hoe verfijnd en ontwikkeld je smaak was. Vrouwen die het zich konden veroorloven gebruikten dit soort luxe materialen om bijvoorbeeld gekonfijt fruit of snoepgoed te maken, zelf parfums te distilleren, en om mee te handwerken. Vervolgens werden dergelijke spullen vaak door de maaksters als cadeaus uitgewisseld, om vriendschappen te sluiten en te versterken. Door hun eigen tijd en moeite te combineren met dure materialen van over de hele wereld, maakten deze vrouwen hun geschenken aan elkaar des te bijzonderder en persoonlijker.[39]

Volgens Herbert is dat echter niet de enige reden dat een vrouw als Maria Louise een handwerkje zou maken van een stuk mousseline alvorens het aan een vriendin te schenken. Door luxeproducten met hun eigen handen te bewerken leidden vrouwen af van het kostbare materiaal. Zo konden zij dure, maar ook persoonlijke geschenken geven zonder beschuldigd te worden van decadentie of kwistigheid. In plaats daarvan accentueerde een handgemaakt cadeau hun vaardigheden en creativiteit. Zelfs vrouwen uit een strenge religieuze omgeving oogstten lof voor hun handwerk.[40] Daarnaast geloofde men dat deelname aan activiteiten als naaien of borduren bijdroeg aan de ontwikkeling van positieve vrouwelijke eigenschappen, zoals geduld en zuinigheid.[41] Zeker voor de strenggelovig en relatief sober opgevoede Maria Louise zouden deze factoren wel eens belangrijk kunnen zijn geweest.[42] 

Boodschappen doen

De eerste brief uit de correspondentie tussen Maria Louise en Henriëtte die bewaard is gebleven, is gedateerd op 23 juli 1718. Maria Louise vraagt aan haar vriendin Henriëtte of zij voor haar en haar zus handschoenen zou kunnen bestellen: vier dozijn (!), waarvan de helft geparfumeerd, voor haarzelf, en zes dozijn (!!) voor haar zus.

Het doet mij verdriet, madame, om u met zo’n opdracht op te zadelen, maar ik doe een een beroep op uw vriendelijkheid die mijn vrijheid zal overtreffen, als ik in staat zou zijn u enige dienst te bewijzen zou u mij altijd met veel consideratie en achting vinden.[43]

Maria Louises verwoording hier suggereert dat ze het misschien niet zo netjes vindt om Henriëtte boodschappen te laten doen voor haar. In een aantal brieven uit 1731, 1734, 1736, en 1742 vraagt Maria Louise Henriëtte echter wel vaker om een bestelling voor haar te doen, of verwijst ze naar opdrachten en bestellingen uit het verleden zonder zich ervoor te verontschuldigen. Blijkbaar was hun band zodanig dat ze dit (of in ieder geval, bestellingen die kleiner waren dan vele dozijnen handschoenen) van elkaar konden vragen.[44] Meestal gaat het hier om luxeproducten en modieuze items, zoals de tabak en linten, ‘le Tabach et le rubans’ waar ze Henriëtte aan herinnert in een brief uit 1742.[45] Gelukkig was het niet erg als het een keer niet lukte. Op 6 augustus 1724 schrijft Maria Louise:

Mijn lieve Milady, ik ben u eeuwig dankbaar, maar wees overtuigd dat ook als ik niet het genoegen heb kunnen hebben dat u bent geslaagd in de opdracht die ik u heb gevraagd, ik u er niet verantwoordelijk voor houd zoals wanneer zij er wel in geslaagd was, gezien hoe goed ik u ken[…][46]

Deze brieven laten een vriendschap zien die zich over vele jaren uitstrekt, maar slechts fragmentarisch in de bronnen zichtbaar is. In aandacht voor gezondheid, kleine geschenken en terugkerende uitnodigingen krijgt die band toch vorm. Juist die losse, alledaagse momenten maken de relatie tastbaar.

Marloes Neijens, 20 januari 2026


[1] ‘enfin Ma Cher Myledy Sy je dévès tout dire la define ce que mes sèntiment a votre Esgard me dicte sa meneroit loins, je dois me borné sous silence.’ Maria Louise van Hessen-Kassel aan Henriëtte van Nassau-Zuylestein, 13 juni 1730, Het Utrechts Archief, Utrecht, inv. nr. 1001.3313.

[2] Fred Jagtenberg, Marijke Meu (1689-1765): Stammoeder van ons vorstenhuis, tweede druk (Gorredijk: Bornmeer, 2015), 92.

[3] Adriana [A.W.J.] Mulder, Kasteel Amerongen en zijn bewoners, tweede druk, bewerkt door Robert M. Heethaar (Amerongen: Stichting Vriendenkring Kasteel Amerongen, 2015), 88-105.

[4] Jagtenberg, Marijke Meu, 133-139.

[5] Brieven gericht aan Henriette van Nassau afkomstig van Maria Louise, prinses van Oranje- Nassau, gravin van Hessen Kassel, 1718-1749, Het Utrechts Archief, Utrecht, inv. nr. 1001.3313.

[6] Brieven, ingekomen van Henriette van Nassau-Zuijlenstein, Koninklijke Verzamelingen, Den Haag, A28-170.

[7] Jagtenberg, Marijke Meu, 133-139.

[8] Amanda E. Herbert, Female Alliances: Gender, Identity, and Friendship in Early Modern Britain (New Haven: Yale University Press, 2014), 38-51, https://www.degruyter.com/isbn/9780300199253.

[9] Willemijn Ruberg, Conventional Correspondence: Epistolary Culture of the Dutch Elite, 1770-1850 (Leiden: Brill, 2011), 18; 22, doi: https://doi-org.utrechtuniversity.idm.oclc.org/10.1163/ej.9789004209732.i-281.

[10] ‘Rien mais plus a Charge que dèsque jai dilaigés et remis Sy long tèms mas Cher Myledy de vous Assurer de Mon Attachement et de vous rémercie de Cèlle quèl mas fait le plaisir de mèscrire’ Maria Louise van Hessen-Kassel aan Henriëtte van Nassau-Zuylestein, ongedateerd [2], Het Utrechts Archief, Utrecht, inv. nr. 1001.3313.

[11] Maria Louise van Hessen-Kassel aan Henriëtte van Nassau-Zuylestein, 30 januari 1731, Het Utrechts Archief, Utrecht, inv. nr. 1001.3313.

[12] ‘[…]je suis Avec une parfaitte reconnoissense, Madame, Votre tres bien Affectionne Servante et fidell Ame ML dOrange’ Maria Louise van Hessen-Kassel aan Henriëtte van Nassau-Zuylestein, [waarschijnlijk] 1739, Het Utrechts Archief, Utrecht, inv. nr. 1001.3313.

[13]  ‘jespere que vous seres persuade de Mon Attachement Inviolable Avec lequel je suis, Madame, Votre tres bien Affectionnée Servante et bonne Amie M L dOrange’

Maria Louise van Hessen-Kassel aan Henriëtte van Nassau-Zuylestein, 22 januari 1736, Het Utrechts Archief, Utrecht, inv. nr. 1001.3313.

[14] Ruberg, Conventional Correspondence, 83-4.

[15] ‘J’ai l’honneur, de rendre mes tres humble remercimens, A Votre Altesse Serenessime pour la tres Grascieusse, lettre, que vous avec eu la bontée Madame, de m’ecrire, (en response de celle que J’avez prissé, la libertée de vous adresser,) par láqu’elle J’ai veuë avec une joies enemprimable, que Votre Altesse Serenissime m’onnore, toujours de sa prescieusse, bienvaillance[…]’
Henriëtte van Nassau-Zuylestein aan Maria Louise van Hessen-Kassel, 20 mei 1735, Koninklijke Verzamelingen, Den Haag, A28-170_002.

[16] ‘[…]Je n’aurai pas lessée echaper, une si bonne occation De temoigner en qu’elleque maniere a Votre Altesse Serenessime le zelle avec láqu’elle Je suis et serai toute ma vie, Madame, de votre Altesse Serenesime La tres humble et tres obeisante servante H. de: Nassau douariere, Comtesse, d’Athlone’

Henriëtte van Nassau-Zuylestein aan Maria Louise van Hessen-Kassel, 17 augustus 1731, Koninklijke Verzamelingen, Den Haag, A28-170_001.

[17] Ruberg, Conventional Correspondence, 1-16; 51-2.

[18] ‘Soyés Sans persuadé Ma tres Cher Amie Comme Aussi que je pénsse journèllement [stukje afgescheurd, maar vermoedelijk à votre] Aimable personne[…]’ Maria Louise van Hessen-Kassel aan Henriëtte van Nassau-Zuylestein, 11 augustus 1731. Het Utrechts Archief, Utrecht, inv. nr. 1001.3313.

[19] ‘[…]je mènt sans pas mal hormisse que la potrine Sans réssent Un peu, mais Ma tres Cher Meledy jai Une Vif ressentiment de Nôtre séparation laquèl me fait plus de pène[…]’ Maria Louise van Hessen-Kassel aan Henriëtte van Nassau-Zuylestein, 21 oktober 1730, Het Utrechts Archief, Utrecht, inv. nr. 1001.3313.

[20] Jagtenberg, Marijke Meu, 197-8.

[21] Bijvoorbeeld: ‘jai due Abrège a Cause dUne fluxstion aux bras’, ik moest stoppen vanwege een ontsteking aan mijn arm. Maria Louise van Hessen-Kassel aan Henriëtte van Nassau-Zuylestein, [waarschijnlijk] 1739, Het Utrechts Archief, Utrecht, inv. nr. 1001.3313.

[22] Maria Louise van Hessen-Kassel aan Henriëtte van Nassau-Zuylestein, 13 juni 1730, Het Utrechts Archief, Utrecht, inv. nr. 1001.3313.

[23] Maria Louise vraagt Henriëtte om de groeten aan Christje te doen in de volgende brieven:

  • Maria Louise van Hessen-Kassel aan Henriëtte van Nassau-Zuylestein, ongedateerd [1], Het Utrechts Archief, Utrecht, inv. nr. 1001.3313.
  • Maria Louise van Hessen-Kassel aan Henriëtte van Nassau-Zuylestein, 3 juni 1730, Het Utrechts Archief, Utrecht, inv. nr. 1001.3313.
  • Maria Louise van Hessen-Kassel aan Henriëtte van Nassau-Zuylestein, 13 juni 1730, Het Utrechts Archief, Utrecht, inv. nr. 1001.3313.
  • Maria Louise van Hessen-Kassel aan Henriëtte van Nassau-Zuylestein, 21 oktober 1730, Het Utrechts Archief, Utrecht, inv. nr. 1001.3313.
  • Maria Louise van Hessen-Kassel aan Henriëtte van Nassau-Zuylestein, 2 december 1730, Het Utrechts Archief, Utrecht, inv. nr. 1001.3313.
  • Maria Louise van Hessen-Kassel aan Henriëtte van Nassau-Zuylestein, 30 januari 1731. Het Utrechts Archief, Utrecht, inv. nr. 1001.3313.
  • Maria Louise van Hessen-Kassel aan Henriëtte van Nassau-Zuylestein, 6 oktober 1736, Het Utrechts Archief, Utrecht, inv. nr. 1001.3313.
  • Maria Louise van Hessen-Kassel aan Henriëtte van Nassau-Zuylestein, 21 januari 1737, Het Utrechts Archief, Utrecht, inv. nr. 1001.3313.
  • Maria Louise van Hessen-Kassel aan Henriëtte van Nassau-Zuylestein, 23 februari 1737, Het Utrechts Archief, Utrecht, inv. nr. 1001.3313.
  • Maria Louise van Hessen-Kassel aan Henriëtte van Nassau-Zuylestein, [waarschijnlijk] 1739, Het Utrechts Archief, Utrecht, inv. nr. 1001.3313.

[24] Jagtenberg, Marijke Meu, 133.

[25] Vrienden waren bijvoorbeeld ook familieleden, mensen met wie je samenwerkte, politieke medestanders, etc. Zie: Naomi Tadmor, Family and Friends in Eighteenth-Century England: Household, Kinship, and Patronage (Cambridge: Cambridge University Press, 2001), 167; 179 https://doi.org/10.1017/CBO9780511496097. 

[26] Henriëtte van Nassau-Zuylestein aan Maria Louise van Hessen-Kassel, 28 april 1742, Koninklijke Verzamelingen, Den Haag, A28-170_003.; Christje beviel in februari 1742 van haar zoon, Frederik Christiaan Hendrik van Tuyll van Serooskerken, zie: Registers van gedoopten, 1612-1811: 1737-1743 jan, Het Utrechts Archief, Utrecht, inv. nr. 1.1.1.12.

[27] Maria Louise van Hessen-Kassel aan Henriëtte van Nassau-Zuylestein, mei 1747, Het Utrechts Archief, Utrecht, inv. nr. 1001.3313.

[28] Maria Louise van Hessen-Kassel aan Henriëtte van Nassau-Zuylestein, 10 november 1736.,Het Utrechts Archief, Utrecht, inv. nr. 1001.3313.; Mulder, Kasteel Amerongen en zijn bewoners, 100-1.

[29] Maria Louise van Hessen-Kassel aan Henriëtte van Nassau-Zuylestein, 5 september 1719, Het Utrechts Archief, Utrecht, inv. nr. 1001.3320.

[30] Maria Louise van Hessen-Kassel aan Henriëtte van Nassau-Zuylestein, 12 december 1747, Het Utrechts Archief, Utrecht, inv. nr. 1001.3313.

[31] ‘Mon fils ílet bien Sensible Aussie pour lamour de Myledy de Cet perte et il mas escris Une lettre dAbord pour me dire que je deves taches de persuade Myledy de Change dEndroit et venir Ches mon je luy Offre le Raegt pour Son transport et je la receveres Avec tendresse de Coeur Sy Elle peut resoudre prenne une bonne resolustion je poures Envoye le raegt a Muyden sai un petit traget pour lors.’ Maria Louise van Hessen-Kassel aan Henriëtte van Nassau-Zuylestein, 12 december 1747, Het Utrechts Archief, Utrecht, inv. nr. 1001.3313.

[32] Maria Louise van Hessen-Kassel aan Henriëtte van Nassau-Zuylestein, 11 augustus 1731. Het Utrechts Archief, Utrecht, inv. nr. 1001.3313.

[33] Mulder, Kasteel Amerongen en zijn bewoners, 90-102.

[34] Henriëtte van Nassau-Zuylestein aan Maria Louise van Hessen-Kassel, 17 augustus 1731, Koninklijke Verzamelingen, Den Haag, A28-170_001.

[35] ‘[…]Je vai asteur luy rendre Comte de ma ménée de vie qui Consiste a une vie Ottèr et je me Amusie a travaillie et de sortir quand il fait baux.’ Maria Louise van Hessen-Kassel aan Henriëtte van Nassau-Zuylestein, 2 december 1730, Het Utrechts Archief, Utrecht, inv. nr. 1001.3313.

[36] ‘[…]de joins y a un echantillion de Mon Ouvrage je lai mis en cadre vue le temps éte trop Court pour laplique sur letoffe Elle poura toujour le faire mettre sai un ruban que marque la paix et vue qüel a pais baucoup de part a Cette bonne espoque, jai Crue Cela luy feroit plaisir Madame de luy envoye le bouquet avec un Noeux pareil, je Mamusse avec plaisir Avec Cet Ouvrage quand mas Sante me le permet.’ Maria Louise van Hessen-Kassel aan Henriëtte van Nassau-Zuylestein, 20 mei 1749, Het Utrechts Archief, Utrecht, inv. nr.

[37] ‘Je joins y à deux eschantillion dun Ouvrage que mas fillie mas envoyé, je Croy que Sai Un vray

ovrage pour Meledy Car Sai comme Elle a bien fait autre fois en muslinne, on en fait toutte sorte de Chosse a ce quel me mande.’ Maria Louise van Hessen-Kassel aan Henriëtte van Nassau-Zuylestein, ongedateerd [1], Het Utrechts Archief, Utrecht, inv. nr. 1001.3313.

[38] Giorgio Riello and Prasannan Parthasarath, The Spinning World: A Global History of Cotton Textiles, 1200-1850 (Oxford: Oxford University Press, 2009), 20-21; 32-33; 145-54.

[39] Herbert, Female Alliances, 52-77.

[40] Herbert, Female Alliances, 52-77.

[41] Chloe Wigston Smith, Novels, Needleworks and Empire: Material Entanglements in the Eighteenth-Century Atlantic World (New Haven: Yale University Press, 2024), 10.

[42] Jagtenberg, Marijke Meu, 26-32.

[43] Maria Louise van Hessen-Kassel aan Henriëtte van Nassau-Zuylestein, 23 juli 1718, Het Utrechts Archief, Utrecht, inv. nr. 1001.3313.

[44] ‘Boodschappen’ en opdrachten worden genoemd in de volgende brieven:

  • Maria Louise van Hessen-Kassel aan Henriëtte van Nassau-Zuylestein, 20 februari 1731, Het Utrechts Archief, Utrecht, inv. nr. 1001.3313;
  • Maria Louise van Hessen-Kassel aan Henriëtte van Nassau-Zuylestein, 11 augustus 1731. Het Utrechts Archief, Utrecht, inv. nr. 1001.3313;
  • Maria Louise van Hessen-Kassel aan Henriëtte van Nassau-Zuylestein, 24 juni 1734, Het Utrechts Archief, Utrecht, inv. nr. 1001.3313.
  • Maria Louise van Hessen-Kassel aan Henriëtte van Nassau-Zuylestein, 6 oktober 1736, Het Utrechts Archief, Utrecht, inv. nr. 1001.3313;
  •  
  • Maria Louise van Hessen-Kassel aan Henriëtte van Nassau-Zuylestein, 12-13 juli 1742, Het Utrechts Archief, Utrecht, inv. nr. 1001.3313.

[45] Maria Louise van Hessen-Kassel aan Henriëtte van Nassau-Zuylestein, 12-13 juli 1742, Het Utrechts Archief, Utrecht, inv. nr. 1001.3313.

[46] ‘[…]Ma tres Cher Myledy que je Vous en suis infinement Obligée, mais soye per suade que quoique que je Nayes pu Avoir la satisfaction que vous agis pu reussir dens la commission que je vous Aves prie, je ne vous en tient pas Mains Comte tout Comme Sy Elle Avoit réussie vue lintenstion dens quoy je vous connois[…]’, Maria Louise van Hessen-Kassel aan Henriëtte van Nassau-Zuylestein, 6 augustus 1724, Het Utrechts Archief, Utrecht, inv. nr. 1001.3313.


Literatuur

  • Herbert, Amanda E. Female Alliances: Gender, Identity, and Friendship in Early Modern Britain. New Haven: Yale University Press, 2014. https://www.degruyter.com/isbn/9780300199253.
  • Jagtenberg, Fred. Marijke Meu (1689-1765): Stammoeder van ons vorstenhuis. Tweede druk. Gorredijk: Bornmeer, 2015.
  • Mulder, Adriana W. J. Kasteel Amerongen en zijn bewoners. Tweede druk, bewerkt door Robert M. Heethaar. Amerongen: Stichting Vriendenkring Kasteel Amerongen, 2015.
  • Riello, Giorgio, and Prasannan Parthasarath. The Spinning World: A Global History of Cotton Textiles, 1200-1850. Oxford: Oxford University Press, 2009.
  • Ruberg, Willemijn. Conventional Correspondence: Epistolary Culture of the Dutch Elite, 1770-1850. Leiden: Brill, 2011. doi: https://doi-org.utrechtuniversity.idm.oclc.org/10.1163/ej.9789004209732.i-281
  • Tadmor, Naomi. Family and Friends in Eighteenth-Century England: Household, Kinship, and Patronage. Cambridge: Cambridge University Press, 2001. https://doi.org/10.1017/CBO9780511496097.
  • Wigston Smith, Chloe. Novels, Needleworks, and Empire: Material Entanglements in the Eighteenth-Century Atlantic World. New Haven: Yale University Press, 2024.

Primaire bronnen

Door brieven verbonden: De vriendschap van Maria Stuart II en Agnes van Wassenaer Obdam

De relatie tussen Maria Stuart II (1662–1695) en haar hofdame Agnes van Wassenaer Obdam (1635–1698) is in het verleden al door historici aangehaald, maar heeft nog niet de aandacht gekregen die zij verdient. Hun correspondentie laat zien dat vriendschap in de zeventiende eeuw niet alleen een persoonlijke, maar ook een maatschappelijke betekenis kon hebben. Zo ondersteunden zij elkaar én een bredere groep vrouwen: gevluchte hugenoten die in de Republiek een toevluchtsoord zochten. Dit blogartikel duikt in deze bijzondere briefwisseling en biedt een unieke inkijk in de manier waarop het werd ingezet om vriendschap te benutten.

Afscheid van de Republiek

Zware tegenwind verhinderde Maria Stuart II in februari 1689 om met haar schip naar Engeland te vertrekken. Terwijl ze wachtte op een gunstige wind om haar reis voort te zetten, schreef ze een brief aan haar Nederlandse hofdame Agnes van Wassenaer Obdam: ‘Het is zo’n groot verdriet voor mij om een land te verlaten waar ik zo gelukkig ben geweest’.[1] Deze overtocht markeerde namelijk het einde van haar tijd in de Republiek en bracht haar terug naar haar geboorteland, waar zij in april dat jaar tot koningin werd gekroond.

In de jaren die volgden schreef Maria vanuit Engeland uitvoerig aan haar voormalige hofdame over wat de Republiek voor haar had betekend. Ze beschreef het als een land ‘dat ik liefheb als het mijne, waar ik geboren ben’ en waar ze de gelukkigste jaren van haar leven had doorgebracht.[2] Maria verlangde ernaar om nog eens terug te keren naar deze geliefde plek: ‘Wat een voldoening zal het voor mij zijn, wat een vreugde om een land terug te zien dat mij zo dierbaar is’.[3] Maar wat Maria niet met zekerheid kon weten op het moment dat ze in 1689 op het schip stapte, was dat ze de Republiek nooit meer zou terugzien.

Vertrek van Maria Stuart II uit Holland naar Engeland op 20 februari 1689. Gezicht op de vloot met rechts het schip waarop Maria zich bevindt, prent door Johannes van den Aveele (ca. 1689–1691). Rijksmuseum, Amsterdam, inv.nr. RP-P-AO-11-4C.

Maria’s kring in de Republiek

Ruim twee decennia eerder was Maria in de Republiek aangekomen, nadat ze in 1677 was uitgehuwelijkt aan haar neef, stadhouder Willem III, prins van Oranje (1650–1702). Daar bouwde ze vanaf haar vijftiende levensjaar een nieuw bestaan op. Ze verbleef onder meer op Huis ten Bosch en Huis Honselaarsdijk, en samen met Willem liet ze het zomerpaleis Het Loo bouwen. Ze vulde haar dagen met wandelen, borduren, lezen en, zoals later beschreven zal worden, religieuze bezigheden.[4]

Maria omringde zich met Nederlandse contacten met wie ze haar activiteiten kon delen. Zo ontstonden er vriendschappen tussen haar en verschillende adellijke dames. Een eerste voorbeeld hiervan was Johanna Margaretha van Arnhem (1635–1721). Zij correspondeerde regelmatig met Maria en ontving, na Maria’s overtocht naar Engeland, een uiterst persoonlijke gift, namelijk een haarlok. Het was voor Maria gebruikelijk haar vrouwelijke kennissen geschenken te geven om de onderlinge loyaliteit te versterken.[5] Dat gold ook voor een tweede voorbeeld uit Maria’s kring van Nederlandse vriendinnen: de hofdame aan wie zij de eerder geciteerde brieven schreef. Maria schonk in 1686 aan Mlle [Mademoiselle] d’Obdam – zoals Maria haar aanschreef – een hartvormige hanger als getuigenis van hun band.

Hartvormige hanger van Agnes van Wassenaer Obdam, met een briefje waaruit blijkt dat zij deze in 1686 van Maria Stuart II ontving. Kasteel Twickel, Delden, inv.nr. G00825.

Mlle d’Obdam en haar netwerk

Mlle d’Obdam groeide waarschijnlijk op in Heusden, in de adellijke familie Van Wassenaer Obdam. Door de welgestelde positie van haar familie had ze een zekere mate van opleiding genoten – iets wat in de vroegmoderne periode voor vrouwen slechts aan een klein aantal was voorbehouden.[6] Vanaf haar zestiende vertrok ze naar Den Haag, waarheen haar ouders, luitenant-admiraal Jacob baron van Wassenaer Obdam (1610–1665) en Agnes van Renesse van der Aa (1610–1661), waren verhuisd. In Den Haag verkeerde Mlle d’Obdam in invloedrijke adellijke kringen van de Republiek, die nauwe relaties onderhielden met het stadhouderlijk hof. Binnen deze context kreeg zij vermoedelijk haar aanstelling als hofdame van Maria. Ze trouwde nooit, maar had – in tegenstelling tot de meeste ongehuwde vrouwen in die tijd – voldoende vermogen om een eigen huishouden te voeren.[7]

Dankzij haar banden met het hof en de Haagse adel had Mlle d’Obdam toegang tot een breed informatienetwerk, zoals blijkt uit haar bewaarde documentatie in het Huisarchief van Kasteel Twickel in Delden.[8] Daar ligt onder meer een stapel met ‘verslagen van nieuwtjes’ uit Den Haag die zij tussen 1688 en 1690 ontving tijdens haar jaarlijkse verblijf in de herfstmaanden op Paleis Het Loo. Via deze berichten bleef zij op de hoogte van de politieke en militaire gebeurtenissen rond de machtsovername van Willem en Maria in Engeland, Schotland en Ierland – bekend als de Glorious Revolution (1688–1689). In een brief van 8 september 1689 werd bijvoorbeeld vermeld dat de afgezette Engelse koning Jacobus II (1633–1701), de vader van Maria, zich uit Dublin had teruggetrokken en zijn toevlucht zocht in Limerick, in het westen van Ierland.[9] Dit laat zien dat Mlle d’Obdam beschikte over contacten die haar informeerden over internationale aangelegenheden die ook voor de Republiek van belang waren, zelfs wanneer zij zich niet in Den Haag bevond.

Verslag van nieuwtjes uit Den Haag van 8 september 1689, ontvangen door Agnes van Wassenaer Obdam. Huisarchief Twickel, Delden, inv.nr. 1.5.09.1.335 (L); Stapel met brieven van Maria Stuart II aan Agnes van Wassenaer Obdam. Huisarchief Twickel, Delden, inv.nr. 1.5.09.1.331.15 (R).

Daarnaast bevindt zich in het archief van Twickel correspondentie van Mlle d’Obdam. Ondanks hun uitsluiting van formeel bestuur gebruikten veel adellijke vrouwen in de vroegmoderne tijd briefcorrespondentie om via netwerken relaties aan te wenden en zo hun eigen positie te versterken.[10] Dit gold ook voor Mlle d’Obdam, die door haar opleiding in staat was gesteld brieven in het Frans te schrijven. Zij onderhield briefwisseling met verschillende mannen en vrouwen, onder wie Sophia van de Palts, keurvorstin van Hannover (1630–1714).

De correspondentie van Maria en Mlle d’Obdam

Mlle d’Obdam correspondeerde ook met Maria. Voor zover bekend zijn er achttien brieven bewaard gebleven in Twickel die Maria aan Mlle d’Obdam schreef in de periode vanaf haar vertrek naar Engeland tot aan haar dood in 1695, alsook één kopie van een brief van Mlle d’Obdam aan Maria uit 1693. In 1880 werden deze brieven gepubliceerd in Lettres et mémoires de Marie, Reine d’Angleterre, samengesteld door Caroline Mechthild, gravin van Bentinck (1826–1899).[11] Links naar scans van deze uitgave zijn opgenomen in de brievencollectie van Maria in Early Modern Letters Online. Een vergelijking met het originele materiaal laat echter zien dat de getranscribeerde versies niet geheel overeenkomen met de oorspronkelijke brieven.[12]

De inhoud van de brieven wijst op een uitgebreidere correspondentie tussen deze vrouwen. Maria verwees namelijk naar tal van brieven die door Mlle d’Obdam werden gestuurd en verontschuldigde zich meermaals dat zij te weinig tijd had om haar sneller en uitvoeriger te antwoorden. Maria had in Engeland minder tijd voor persoonlijke bezigheden dan in de Republiek, zoals ze zelf aan Mlle d’Obdam liet weten op 20 augustus 1689.[13] Dit lijkt vooral te maken te hebben gehad met haar verantwoordelijkheden als koningin-regentes, aangezien zij de uitvoerende macht uitoefende wanneer Willem niet in Engeland was. In totaal was Willem tot aan Maria’s overlijden tweeëndertig maanden afwezig.[14]

De betekenis van vriendschap

De brieven van Maria zijn rijkelijk gevuld met verwijzingen naar haar ‘oprechte vriendschap’ voor Mlle d’Obdam. Zo schreef zij op 1 juli 1692: ‘u zult in mij altijd een oprechte vriend vinden’, en op 17 november 1693: ‘Wees er altijd van verzekerd dat, of ik nu schrijf of niet, ik altijd met grote oprechtheid uw vriendin ben’.[15] Een hedendaagse lezer zou dit kunnen interpreteren als uitingen van persoonlijke intimiteit, terwijl dergelijke verwijzingen in de vroegmoderne tijd niet noodzakelijk emotionele uitdrukkingen waren.

De vorm en inhoud van brieven werden destijds namelijk sterk beïnvloed door sociale en retorische regels, oftewel de epistolaire conventies. Formuleringen van vriendschap, genegenheid en oprechtheid vormden in verschillende contexten een belangrijk onderdeel daarvan. Ze dienden bijvoorbeeld om de lezer te overtuigen van de betrouwbaarheid van de boodschap, aangezien persoonlijke ontmoetingen als geloofwaardiger werden beschouwd dan schriftelijke communicatie. Om het gebrek aan fysiek contact te compenseren, moesten dergelijke formuleringen vertrouwen wekken bij de ontvanger.[16] Daarnaast konden verwijzingen naar vriendschap fungeren als middel om de statusverhouding tussen correspondenten te communiceren: de afzender gebruikte die om zijn of haar gelijkwaardige dan wel hogere positie binnen de sociale hiërarchie te benadrukken. In die context waren het dus geen vertoningen van intimiteit.[17]

Dit roept de vraag op of de uitdrukkingen van Maria aan Mlle d’Obdam onderdeel waren van briefconventies. Een vergelijking met haar andere briefmateriaal biedt tot op zekere hoogte meer inzicht. Net als Mlle d’Obdam correspondeerde Maria met haar nicht Sophia van de Palts. Vier brieven van Maria aan haar zijn bewaard gebleven en tevens gepubliceerd in Lettres et mémoires de Marie, Reine d’Angleterre. In alle brieven schrijft Maria over vriendschap en genegenheid, zoals in die van 3 juni 1689: ‘Hoewel ik niet de eer heb u te kennen, koester ik toch een achting voor u die ik vriendschap durf te noemen’.[18] Dit laat zien dat het benoemen van vriendschap voor Maria niet automatisch een persoonlijke band betekende; ze had haar nicht immers nog nooit ontmoet. De uitingen aan Mlle d’Obdam maakten dus vermoedelijk deel uit van briefceremonieel, wat tot de vraag leidt in hoeverre zij laten zien of de relatie tussen Maria en Mlle d’Obdam getuigde van intimiteit.

Portret van Maria II Stuart, prent door John Smith (ca. 1689–1691). Rijksmuseum, Amsterdam, inv.nr. RP-P-OB-104.600 (L); Portret van Sophia van de Palts, prent door John Smith (ca. 1700–1740). Royal Collection Trust, Londen, inv.nr. RCIN 610361 (R).

Een andere bron biedt meer inzicht in Mlle d’Obdams opvatting over hun band. Voor Maria schreef zij een onafgemaakt zelfportret, waarin ze noteerde dat hun vriendschap een van de grootste gelukken van haar leven was. Ze beschreef hoe het haar pijn deed dat haar vriendin de Republiek had verlaten, en dat hun enige troost bestond in het delen van hun ‘wederzijdse verdriet via brieven’. Zij typeerde hun vriendschap als een relatie gebaseerd op wederzijds vertrouwen, die haar ‘zekerheid gaf over de oprechtheid’ van elkaars intenties. In Maria vond zij een ‘bewonderenswaardige welwillendheid en een voortdurende zorg’ om haar ‘de grootsheid van haar vriendschap te tonen’. [19]

Dat laatste weerspiegelt de voornaamste functie van vriendschap in de vroegmoderne tijd. In tegenstelling tot een relatie die op persoonlijke affectie was gebaseerd, was vriendschap een vorm van onderlinge toewijding, gericht op het leveren van inspanningen waarmee individuen hun maatschappelijke en economische positie konden versterken.[20] Het onderhouden van deze band via correspondentie was daarom van groot belang. Hoewel Maria’s uitingen van bereidheid om iets voor haar vriendin te doen – zoals in haar brief van 21 september 1694: ‘u zult mij echter altijd bereid vinden om u bij elke gelegenheid mijn vriendschap te tonen’ – mogelijk conventioneel waren, beschouwde Mlle d’Obdam wederzijdse inspanningen als kenmerkend voor hun onderlinge relatie.[21] Zoals verder zal blijken, biedt de inhoud van de correspondentie voorbeelden van de manier waarop beide vrouwen zich actief voor elkaar inspanden.

Maria’s religieuze overtuigingen

Gedurende Maria’s leven was er internationale politiek-religieuze onrust in West-Europa. Al vanaf haar jeugd werd zij geconfronteerd met deze spanningen, waarbinnen zijzelf een aanzienlijke rol zou spelen. Hoewel haar vader, Jacobus, hertog van York, katholiek was, had Maria’s oom, de Engelse koning Karel II (1630–1685), haar protestants laten opvoeden en aan de Church of England gebonden. Haar oom huwelijkte haar uit aan de protestantse Willem van Oranje en gebruikte haar daarmee als een strategisch middel om een protestants blok te vormen tegen de Franse koning. Lodewijk XIV (1638–1715) voerde binnen Frankrijk een strikt katholiek beleid en probeerde met zijn buitenlandse politiek de Franse invloed in Europa te vergroten. Toen Maria’s oom kinderloos stierf in 1685, volgde haar vader hem op als koning Jacobus II. Zijn katholieke beleid leidde tot groeiende tegenstand van het parlement en de Anglicaanse Kerk in Engeland. Deze spanningen mondden uiteindelijk uit in zijn afzetting en de machtsovername door Willem en Maria, die de protestantse monarchie herstelden.[22]

Maria was ervan overtuigd dat zij door God was voorbestemd om een groter religieus doel te vervullen, namelijk het veiligstellen van de Reformatie. Dat zij diende ter versterking van het protestantisme in Europa, was haar al van jongs af aan duidelijk gemaakt door haar uithuwelijking. In de loop der jaren raakte zij er echter steeds meer van doordrongen dat zij zich samen met haar man moest verzetten tegen het katholicisme en de aanhangers van haar vader. Deze religieus-politieke overtuiging legitimeerde haar betrokkenheid bij de overname in 1689.[23] 

Willem III neemt voor zijn reis naar Engeland afscheid van zijn vrouw, Maria Stuart II, prent door Jacob Gole (1688). Rijksmuseum, Amsterdam, inv.nr. RP-P-1952-646.

Een belangrijke katalysator hiervoor was een gebeurtenis die plaatsvond in de jaren tachtig van de zeventiende eeuw. In 1598 was in Frankrijk het Edict van Nantes ondertekend, dat een beperkte mate van godsdienstvrijheid bood voor protestanten. Vanaf omstreeks 1680 werden protestanten, ook wel hugenoten, echter steeds meer vervolgd in Frankrijk. Toen Lodewijk XIV in 1685 het edict herriep, eindigde de periode van beperkte godsdienstvrijheid. Als gevolg vond een massale emigratie van hugenoten uit Frankrijk plaats, waarbij velen hun toevlucht zochten in Brandenburg en de Republiek.[24]

De Republiek vormde voor deze Franse vluchtelingen een toevluchtsoord, aangezien zij een plek bood waar de publieke kerk protestants was en er afkeer bestond van Lodewijk XIV’s religieuze beleid.[25] De vluchtelingen werden verwelkomd door Willem en Maria, die het als hun taak zagen deze protestanten op te vangen. Veel kooplieden en fabrikanten trokken naar steden als Amsterdam, Rotterdam en Leiden, terwijl Franse edelen zich vestigden in Den Haag, de hofstad.[26]

In Engeland werden Franse vluchtelingen daarentegen niet ontvangen door de katholieke Jacobus II.[27] Na hun troonsbestijging vaardigden Willem en Maria dan ook direct een verklaring uit, waarin zij de Franse hugenoten bescherming beloofden in hun pas veroverde koninkrijk:

We do hereby Declare, That all French Protestants that shall seek their Refuge in, and Transport themselves into this Our Kingdom, shall not only have Our Royal Protection […] But We will also do Our Endeavour in all reasonable ways and means, so to Support, Aid, and Assist them.[28]

Maria’s religieuze opvattingen en praktijken werden gevormd tijdens haar jaren in de relatief tolerante religieuze omgeving van de Republiek. Daar omringde zij zich met een groep geestelijken die, net als zijzelf, het latitudinarisme aanhingen. Dit hield in dat zij geloofden in een praktisch christendom, waarin het leiden van een christelijk leven – bijvoorbeeld het tonen van naastenliefde jegens andere protestanten – belangrijker werd geacht dan louter ceremoniële manifestaties van het geloof. Maria uitte dit onder meer door weldoenster te worden van de Engelse Kerk in Den Haag, waar zij regelmatig kerkdiensten bijwoonde.[29] Haar betrokkenheid bij de opvang van vervolgde protestanten weerspiegelde zowel haar latitudinaristische overtuiging als haar geloof dat zij door God geroepen was om een groter protestants doel te dienen.

Sociétés des Dames Françaises

In de Republiek werden verenigingen opgericht om Franse protestanten op te vangen, waaronder enkele specifiek voor adellijke, ongehuwde vrouwen en weduwen. In 1683 nam Charles Gourjault, markies de Venours, het initiatief om zo’n vrouwenvereniging, oftewel Société des Dames Françaises, in Haarlem te stichten. In datzelfde jaar keurden de Staten van Holland en de Prins van Oranje de opening van een opvanghuis in Haarlem goed. Er ontstonden vervolgens meerdere soortgelijke sociëteiten in steden als Den Haag, Rotterdam en Schiedam. Vanaf juni 1686 besteedde het Haagse bestuur jaarlijks 500 gulden aan de huur van Huis ter Noot aan de Bezuidenhoutseweg, waar Franse dames konden verblijven tot 1696. Daarnaast bevonden zich in de stad opvanghuizen achter de Kloosterkerk en aan het Westeinde.[30]

Gezicht op Kasteel Ter Noot, prent door Cornelis Elandts (1663–1670). Rijksmuseum, Amsterdam, inv.nr. RP-P-1887-A-12079.

Deze sociëteiten waren streng georganiseerde religieuze gemeenschappen die dienden als een veilig onderkomen voor vrouwen. De sociëteit in Haarlem bood plaats aan dertig Franse dames, die werden voorzien van brood, wijn, bier en verwarming, maar ook zelf bepaalde middelen moesten meebrengen, zoals een eigen bed en beddengoed, én een inleg van 4.000 Franse livres. Wie de sociëteit verliet, moest een kwart van haar inleg bij de gemeenschap achterlaten. Vrouwen zonder middelen konden worden opgenomen tegen een jaarlijkse bijdrage van 125 gulden.[31]

De sociëteiten waren georganiseerd volgens nauwgezette reglementen en een hiërarchisch bestuur. Alle opgevangen dames dienden zich te conformeren aan strenge regels en hun dagelijkse routine was gestructureerd. Tot elf uur konden zij zich klaarmaken voor de dag en tijd besteden aan hun persoonlijke devoties, waarna zij gezamenlijk baden en het middagmaal nuttigden. In de middag waren de dames verplicht handwerk te verrichten in de gemeenschappelijke zaal van het huis – zoals het maken van linnen en zijden stoffen voor meubilair – of te helpen bij de opvoeding van jonge meisjes. Elke avond was er om zeven uur avondeten, gevolgd door vroomheidsoefeningen en gebeden.

De leiding van de gemeenschap bestond uit een directrice, die werd bijgestaan door een coadjutrix en drie intendantes. De directrice had de hoogste positie binnen het huis. Zo bezat zij de sleutels van alle kamers en moest zij – of bij haar afwezigheid de coadjutrix – aanwezig zijn wanneer de vrouwen mannelijk bezoek ontvingen dat niet tot de familie behoorde. Daarnaast stond de sociëteit onder toezicht van het stedelijk bestuur en de Waalse Kerk.[32]

Maria en Mlle d’Obdam voor de Haagse sociëteit

Maria nam de sociëteiten in Haarlem en Den Haag onder haar bescherming. Ook na haar vertrek bleef zij betrokken bij de opvangpraktijken in de Republiek, zo blijkt uit haar briefwisseling met Mlle d’Obdam. Zij correspondeerden meermaals over de opvang van protestantse vluchtelingen, een zaak waarvoor ook Mlle d’Obdam zich in Den Haag inzette. Mlle d’Obdam verbleef in haar vertrekken in het huis van haar familie op de hoek van de Kneuterdijk en het Lange Voorhout, waardoor zij enerzijds dicht bij de verschillende Haagse vluchtelingenhuizen was gepositioneerd en anderzijds bij de Haagse adel. Dankzij haar netwerk en toegang tot informatie was zij de ideale contactpersoon voor Maria.[33]

Het Lange Voorhout, gezien naar de Kneuterdijk en de Heulstraat. Rechts de Kloosterkerk, door Jan van Call (ca. 1690). Haags Gemeentearchief, Den Haag, inv.nr. 8088-01.kl.A427.

In de eerste plaats droeg Maria financieel bij door jaarlijks 1.000 gulden te schenken aan de verenigingen om hen in hun voortbestaan te ondersteunen.[34] De correspondentie laat zien dat Maria ook na 1689 financieel betrokken bleef. In Maria’s brief van 12 mei 1692 is te lezen dat zij van Mlle d’Obdam, die haar op de hoogte hield van de ontwikkelingen rond de opvang, had vernomen dat er een tekort aan middelen in de sociëteit was ontstaan. Maria schreef dat dit haar verdriet deed en dat zij ‘zo veel medelijden met deze arme vluchtelingen’ had.[35] In 1693 stuurde Mlle d’Obdam aan Maria eenzelfde soort bericht, zoals te lezen is in de bewaarde kopiebrief van Mlle d’Obdam. Hieruit blijkt dat Maria nog steeds jaarlijks de 1000 gulden betaalde en deze aan Mlle d’Obdam toevertrouwde, opdat zij het geld kon verdelen voor de benodigdheden van de opvang.[36]

Ditmaal schreef Mlle d’Obdam over de stijgende kosten en de honger onder de vluchtelingen, veroorzaakt door de hogere voedselprijzen. Daarom deed zij een beroep op haar vriendschap met Maria: ‘Alleen het welbehagen van Uwe Majesteit en de hoop op de verlichting die ik hen kan bieden’ zouden haar kunnen helpen.[37] Zij beschreef dat het bedrag dat Maria al schonk niet langer toereikend was en vroeg haar daarom het jaarlijkse bedrag te verhogen, zodat het de vereniging in tijden van schaarste zou kunnen ondersteunen. Het is niet duidelijk of Mlle d’Obdam daadwerkelijk een hogere schenking ontving, maar uit de toenadering blijkt dat zij het als een mogelijkheid zag om bij Maria op medeleven en vrijgevigheid te rekenen. Dat juist Mlle d’Obdam verantwoordelijk was voor het verdelen van Maria’s bijdrage, toont aan dat zij een echte vertrouwelinge van haar was.

Mlle d’Obdam vroeg Maria regelmatig op andere manieren om hulp. Op 15 maart 1689 schreef Maria: ‘ik heb nog geen tijd gehad om met de koning te spreken over uw gevluchte dame […] die u in het appartement van Monsieur Ménard wilt onderbrengen’.[38] Mlle d’Obdam had blijkbaar aan Maria gevraagd om haar hiermee te helpen. Jean Ménard was een hugenotenpredikant die naar de Republiek was gevlucht en na het vertrek van Willem eveneens naar Engeland trok, waar hij zich in Londen inzette voor Franse kerkelijke gemeenschappen en contact onderhield met Maria.[39] Maria beschreef in haar brief dat zij haar best zou doen om de zaak met de koning te bespreken, omdat ‘alles wat zich in Holland afspeelt [mij] zo na aan het hart ligt, dat ik niets zal vergeten, althans ik zal mijn best doen om dat te voorkomen’.[40]

Bijna twee jaar later, op 15 december 1690, schreef de koningin een vergelijkbaar bericht: ‘Ik zal niet nalaten, wanneer de koning vertrekt, hem de kwestie van de gevluchte dames aan te bevelen’.[41] Wat zij precies aan de koning wilde aanbevelen, is niet geheel duidelijk, omdat de inkomende brieven van Mlle d’Obdam niet bewaard zijn gebleven. Wel blijkt dat Maria opnieuw haar bereidheid uitsprak om als voorspraak bij Willem op te treden ten behoeve van Mlle d’Obdam en de vluchtelingen.

De correspondentie laat daarnaast zien dat Maria zich bemoeide met het bestuur van de Haagse vereniging. In november 1693 schreef zij aan Mlle d’Obdam dat zij van Jean Ménard had vernomen dat:

De dames van de Haagse sociëteit zouden u graag vragen om hun directrice te worden. Ik vind dat ze gelijk hebben en ik ben ervan overtuigd dat hun zaken er alleen maar beter op zouden worden.[42]

Maria sprak hiermee haar steun uit voor dit plan, omdat zij in Mlle d’Obdam iemand zag die gezag kon uitoefenen op de vrouwen die bij het bestuur betrokken waren.

Brief van Maria Stuart II aan Agnes van Wassenaer Obdam. Huisarchief Twickel, Delden, inv.nr. 1.5.09.1.331.15.

De directrice bekleedde een sleutelpositie in de vereniging, aangezien zij de hoogste functie binnen het bestuur had. Uit Maria’s volgende brief van december 1693 blijkt dat deze functie onderwerp was van rivaliteit onder de dames en dat er ‘enige jaloezie’ over was ontstaan.[43] Zij schreef dat zij contact had gehad met twee andere dames uit de sociëteit, die haar vertelden dat zij Mlle d’Obdam eveneens een geschikte kandidaat vonden als directrice, maar dat er ook vrouwen waren die daar anders over dachten. Maria wilde Mlle d’Obdam hierover informeren en haar waarschuwen voor de onderlinge jaloezie die haar positie binnen de groep kon ondermijnen.

Diezelfde maand gebruikte Mlle d’Obdam deze informatie om de dames van de vereniging toe te spreken. In een bewaard gebleven mémoire van 18 december verklaarde zij dat zij op de hoogte was van het gerucht dat zij directrice wilde worden, en dat sommige vrouwen zich daartegen verzetten. Zij ontkende dit en benadrukte dat zij de functie al meerdere jaren had geweigerd. Mlle d’Obdam riep de dames op hun onderlinge ruzies te beëindigen en herinnerde hen eraan dat hun werk slechts mogelijk was dankzij ‘de liefdadigheid van Hare Britse Majesteit’.[44] Ze vroeg de dames om de naastenliefde die hun werk kenmerkte ook jegens elkaar te tonen.

Hoewel de brieven geen uitsluitsel geven over de afloop van de kwestie, blijkt dat Maria de functie van directrice graag aan Mlle d’Obdam had willen toevertrouwen. In april 1694 onderstreepte Maria opnieuw haar vertrouwen in Mlle d’Obdams beoordelingsvermogen, door te schrijven dat zij het best kon inschatten wie binnen de vereniging hulp behoefde.[45]

Het feit dat het onderwerp van de vluchtelingen zo vaak in hun correspondentie terugkeert, laat zien dat het voor beide vrouwen van groot belang was en dat zij zich er actief voor inzetten. Mlle d’Obdam fungeerde voor Maria als tussenpersoon: zij hield haar op de hoogte van de situatie in Den Haag en beheerde haar financiële bijdrage. Zo wist Maria na haar vertrek een zekere mate van invloed binnen de Haagse vereniging te behouden. Voor Mlle d’Obdam was de vriendschap met Maria op haar beurt essentieel om hulp te vragen, onder meer via voorspraak bij de koning, en om financiële steun veilig te stellen. Daarnaast wisselde Maria informatie met haar uit, bijvoorbeeld verkregen van Jean Ménard, om haar positie binnen de vereniging te versterken.[46]

Vriendschap en correspondentie

Briefcorrespondentie was dus een belangrijk middel voor Maria en Mlle d’Obdam om hun vriendschap in te zetten: zij wisselden informatie uit, steunden elkaar en werkten aan een gemeenschappelijk doel. De nabijheid tot de koningin bood Mlle d’Obdam de mogelijkheid haar positie te versterken, terwijl Maria via haar juist haar idealen kon verwezenlijken. Maria’s nieuwjaarswens aan Mlle d’Obdam van december 1692 – ‘Ik wens u op mijn beurt alle spirituele en wereldlijke voldoening toe. Als mijn vriendschap op enigerlei wijze kan bijdragen aan het laatste, kunt u daar voor altijd zeker van zijn’ – was dan ook geen loze belofte.[47]

Fien Jordaens, 10 november 2025


Voetnoten:

* Alle citaten zijn vrij vertaald uit het Frans en afkomstig uit de primaire bronnen waarnaar wordt verwezen. De originele tekst wordt in de voetnoten weergegeven. De datering van de primaire bronnen wordt in Nieuwe Stijl vermeld.

[1] Maria Stuart II aan Agnes van Wassenaer Obdam, 19 februari 1689, Huisarchief Twickel (Delden) [hierna: HAT], inv.nr. 1.5.09.1.331.15: ‘c’est une si grand chagrin pour moi de quiter une pais ou j’ay este si heureux’.

[2] Maria Stuart II aan Agnes van Wassenaer Obdam, 15 maart 1689–1691, HAT, inv.nr. 1.5.09.1.331.15: ‘une pais que j’aime comme le mien ou je suis nee’; idem, 17 november 1693.

[3] Maria Stuart II aan Agnes van Wassenaer Obdam, 15 december 1690, HAT, inv.nr. 1.5.09.1.331.15: ‘Quel satisfaction sera ce pour moi, quel joy, de revoir une pais qui m’est si chere’. Zie ook: idem, 30 december 1692.

[4] Donald Haks, ‘Maria Stuart II’, Digitaal Vrouwenlexicon van Nederland (2016).

[5] Zie het werk van Holly Marsden, assistent-conservator bij Kensington Palace. Marsden promoveerde in 2024 op een onderzoek naar de persoonlijke en publieke identiteiten van koningin Maria Stuart II. Tijdens mijn bezoek aan het archief in Twickel wees zij mij op de betekenis van de bredere kring van Maria’s Nederlandse vriendinnen. Voor de haarlok, zie: Van koningin Mary van Engeland. Met een aan haar toegeschreven haarlok, geschonken aan de vrouwe van Rosendael, 1689, Gelders Archief (Arnhem), inv.nr. 0525.52.

[6] Ineke Huysman, ‘Inleiding’ in: Ineke Huysman en Roosje Peters eds., Vrouwen rondom Johan de Witt (Soest 2024) 15: ‘Meisjes uit welgestelde families kregen thuis onderwijs in vaardigheden die als ‘vrouwelijk’ werden beschouwd, zoals borduren en muziek, maar soms ook rekenen, lezen (in de Bijbel) en schrijven in het Nederlands en Frans’.

[7] Anne-Marieke van Schaik, ‘Agnes van Wassenaer Obdam (1635–1698)’ in: Hans Brokken ed., Heren van stand. Van Wassenaer 1200–2000. Achthonderd jaar Nederlandse adelsgeschiedenis (Zoetermeer 2001) 263-266; Evelyn Ligtenberg, ‘‘Le marriage m’a toujours fait peur’. Ongehuwde adellijke vrouwen in de zeventiende en achttiende eeuw’, Virtus 26 (2019) 27-54; Thera Wijsenbeek-Olthuis en Vibeke Kingma, ‘Politieke kringen’ in: Thera Wijsenbeek-Olthuis ed., Het Lange Voorhout, monumenten, mensen en macht (Zwolle 1998) 62.

[8] Van Schaik, ‘Agnes van Wassenaer Obdam’, 263-266. Kasteel Twickel werd van de zeventiende tot de achttiende eeuw geërfd door het geslacht Van Wassenaer Obdam. Voor meer over de relatie tussen de tak Van Wassenaer Obdam en Twickel, zie: Inleiding van de inventaris, HAT, inv.nr. 2.1.3.

[9] Verslag van nieuwtjes uit Den Haag van 8 september 1689, ingekomen bij Agnes van Wassenaer Obdam, HAT, inv.nr. 1.5.09.1.335: ‘tout se declare deia en faveur du roy guillaume et dela reine marie depuis que le roy s’est retiré de dublin pour aller dit on au fort de limmerick qui est a l’oüest de l’irlande’.

[10] Huysman, ‘Inleiding’, 15.

[11] Mechthild Bentinck, Lettres et mémoires de Marie, Reine d’Angleterre, Épouse de Guillaume III (Den Haag 1880).

[12] In de eerder geciteerde brief van Maria van 15 maart 1689–1691 schreef zij bijvoorbeeld ‘une pais que j’aime comme le mien’, terwijl er in de getranscribeerde versie ‘un païs que j’estime comme le mien’ staat. In dit geval zorgen de wijzigingen voor een betekenisverandering.

[13] Maria Stuart II aan Agnes van Wassenaer Obdam, 20 augustus 1689, HAT, inv.nr. 1.5.09.1.331.15.

[14] Melinda Zook, ‘An Incomparable Queen: Mary II, the Protestant International, and the Church of England’ in: idem, Protestantism, Politics, and Women in Britain, 1660–1714 (New York 2013) 145.

[15] Maria Stuart II aan Agnes van Wassenaer Obdam, 1 juli 1692, Bentinck, Lettres et mémoires de Marie, 133-134: ‘vous me trouverez tousjours une amie sincère’; idem, 17 november 1693, Bentinck, Lettres et mémoires de Marie, 136-138: ‘Soyez tousjours assurée que, si j’escris ou non, je suis tousjours avec beaucoup de sincérité vostre amie’.

[16] Carolyn James en Jessica O’Leary, ‘Letter-Writing and Emotions’ in: Susan Broomhall en Andrew Lynch eds., The Routledge History of Emotions in Europe: 1100–1700 (Londen 2019) 256, 267.

[17] Giora Sternberg: ‘Epistolary Ceremonial: Corresponding Status at the Time of Louis XIV’, Past and Present 204:1 (Oxford 2009) 33-88. Voor meer over vroegmoderne brieven en epistolaire stijl en conventies, zie: Jane Couchman, ‘‘Give birth quickly and then send us your good husband’: Informal Political Influence in the Letters of Louise de Coligny’ in: Jane Couchman en Ann Crab eds., Women’s Letters Across Europe, 1400–1700. Form and Persuasion (Londen 2005) 163-184; James Daybell, Early Modern Women’s Letter Writing, 1450–1700 (Basingstoke 2001); Gary Schneider, ‘An Introduction to Early Modern Epistolarity’ in: idem, The Culture of Epistolarity: Vernacular Letters and Letter Writing in Early Modern England, 1500–1700 (Cranbury 2005) 22-74.

[18] Maria Stuart II aan Sophia van de Palts, 3 juni 1689, Bentinck, Lettres et mémoires de Marie, 104-105: ‘Quoique je n’aye pas l’honneur de vous connoître, je ne laisse pas d’avoir une estime pour vous que j’ose nommer amitié’.

[19] Zelfportret van Agnes van Wassenaer Obdam, z.j., HAT, inv.nr. 1.5.09.1.338: ‘toutte nostre consolation estoit de nous communiquer notre mutuelle douleur par lettres […] fidelle amie […] une confidence reciproque […] une profonde conscience ce vous donne seuretee de la candeur de son ame et de sa fermetee […] je trouvois dans mon amie me confidence entiere une complaisance admirable et un soin continuel a me tesmogner sa grandeur de son amitie’.

[20] Edwina Hagen en Lisa Bakhuizen van den Brink, ‘De emotionele diplomatie van vriendschap: De correspondentie van Madame Van der Goes, informeel gezante aan het Deense hof, 1787–1793’, BMGN – Low Countries Historical Review 140:3 (2025) 50.

[21] Maria Stuart II aan Agnes van Wassenaer Obdam, 21 september 1694, Lettres et mémoires de Marie, 149-150: ‘cependant vous me trouverez tousjours preste à vous témoigner mon amitié en toutes occasions’.

[22] Wout Troost, ‘James II, William III and Louis XIV (1685–88)’ in: idem, William III the Stadholder-king: A Political Biography (Londen 2005) 187; Zook, ‘An Incomparable Queen’, 130, 133; Haks, ‘Maria Stuart II’.

[23] Zook, ‘An Incomparable Queen’, 130, 133.

[24] Troost, ‘James II, William III and Louis XIV’, 176, 179. Voor meer over de migratie van hugenoten naar de Republiek na de herroeping van het Edict van Nantes, zie: Willem Frijhoff, ‘Vanishing Fatherlands and Moving Identities: Walloons and Huguenots in the Dutch Republic’ in: Yosef Kaplan ed., Early Modern Ethnic and Religious Communities in Exile (Newcastle upon Tyne 2017) 117-142; Lionel Laborie, ‘Religious Persecution in Eighteenth-Century France’, Leidschrift 38:1 (Leiden 2023) 65-77.

[25] Troost, ‘James II, William III and Louis XIV’, 176, 179.

[26] Laurens van den Bergh, ‘De Fransche Dames’ in: idem, ‘s Gravenhaagsche Bijzonderheden (Den Haag 1859) 49; David Lambert, The Protestant International and the Huguenot Migration to Virginia (New York 2010) 32; Michael Walker, La Grande Arche des Fugitifs? Huguenots in the Dutch Republic After 1685 (MA Thesis Brigham Young University 2011).

[27] Troost, ‘James II, William III and Louis XIV’, 176, 179.

[28] ‘By the King and Queen, a declaration for the encouraging of French Protestants to transport themselves into this kingdom’, 25 april 1689, geprint door Charles Bill en Thomas Newcomb, Londen. Geraadpleegd op 8 november 2025: Oxford Text Archive.

[29] Zook, ‘An Incomparable Queen’, 127, 129, 137-138, 141; Haks, ‘Maria Stuart II’.

[30] Elizabeth Hamilton, William’s Mary: A Biography of Mary II (New York 1972) 132-134; D. Allégret, ‘Société des Dames Françaises de Harlem’, Bulletin Historique et Littéraire 27:7 (1878) 319-320; Van den Bergh, ‘De Fransche Dames’, 49-50; Lambert, The Protestant International and the Huguenot Migration to Virginia, 32.

[31] Hamilton, William’s Mary, 132-134; Allégret, ‘Société des Dames Françaises de Harlem’, 319-320.

[32] Ibidem.

[33] Wijsenbeek-Olthuis, ‘Politieke kringen’, 62.

[34] Hamilton, William’s Mary, 132-134; Zook, ‘An Incomparable Queen’, 141, 153.

[35] Maria Stuart II aan Agnes van Wassenaer Obdam, 12 mei 1692, HAT, inv.nr. 1.5.09.1.331.15: ‘Ces pauvres refugies me font si grande pitie. […] le peu de moyens m’afflige’.

[36] Agnes van Wassenaer Obdam aan Maria Stuart II, 1 december 1693, HAT, inv.nr. 1.5.09.1.331.15.

[37] Ibidem: ‘Il ni a que le bon plaisir de vostre M.té et l’esperance du soulagement que je pourrai leur procurer qui pourroit les disposer d’avoir quelque consideration pour moy’.

[38] Maria Stuart II aan Agnes van Wassenaer Obdam, 15 maart 1689–1691, Lettres et mémoires de Marie, 116-118: ‘mais je n’ay pas encore eu le temps de parler au Roy pour vostre dame réfugiée, dont il faut pourtant advouer que j’ay oublié le nom. Je veus dire celle que vous voudriez loger dans l’appartement de M. Menard’.

[39] In de brieven van Maria verwijst zij meermaals naar Jean Ménard; Hamilton, William’s Mary, 132-134.

[40] Maria Stuart II aan Agnes van Wassenaer Obdam, 15 maart 1689–1691, Lettres et mémoires de Marie, 116-118: ‘J’ay si fort à coeur tout ce qui est en Hollande, que je n’oublieray rien, du moins je feray mon mieux pour cela’.

[41] Maria Stuart II aan Agnes van Wassenaer Obdam, 15 december 1690, HAT, inv.nr. 1.5.09.1.331.15: ‘Je ne manqueres pas quand le Roi ira de lui recomander l’afaire des dammes refugies’.

[42] Maria Stuart II aan Agnes van Wassenaer Obdam, 17 november 1693, Lettres et mémoires de Marie, 136-138: ‘les dames de la société de la Haye voudroient bien vous prier d’estre leur directrice. Pour moi je trouve qu’elles ont raison, et je crois assurément que leurs affaires n’yroient que mieux; vostre authorité les empêcheroit d’avoir des disputes, qui arrivent quelques-fois parmi tant de personnes de nostre sexe’.

[43] Maria Stuart II aan Agnes van Wassenaer Obdam, 11 december 1693, HAT, inv.nr. 1.5.09.1.331.15: ‘mais il semble quil y a quelque jalousie’.

[44] Mémoire van Agnes van Wassenaer Obdam, 18 december 1693, HAT, inv.nr. 1.5.09.1.331.15: ‘la charité de sa Mté Britannique’.

[45] Maria Stuart II aan Agnes van Wassenaer Obdam, 28 april 1694, HAT, inv.nr. 1.5.09.1.331.15.

[46] Er zijn meerdere voorbeelden in de brieven waarin blijkt dat Maria en Mlle d’Obdam samen met andere vrouwen een netwerk vormden waarin zij informatie uitwisselden. Zie bijvoorbeeld: Maria Stuart II aan Agnes van Wassenaer Obdam, 15 maart 1689–1691, HAT, inv.nr. 1.5.09.1.331.15; idem, 30 mei 1690; idem, 13 juli 1693.

[47] Maria Stuart II aan Agnes van Wassenaer Obdam, 30 december 1692, HAT, inv.nr. 1.5.09.1.331.15: ‘Je vous souhaite a mon tour toute sorte de satisfaction spirituel et temporeles, si mon amitie peut en quelque sort contribuer au dernier vous en pouvez estre assuree pour tousjour’.

Literatuur:

Allégret, D., ‘Société des Dames Françaises de Harlem’, Bulletin Historique et Littéraire 27:7 (1878) 315-322.

Bergh, Laurens van den, ‘De Fransche Dames’ in: idem, ‘s Gravenhaagsche Bijzonderheden (Den Haag 1859) 47-58.

Couchman, Jane, ‘‘Give birth quickly and then send us your good husband’: Informal Political Influence in the Letters of Louise de Coligny’ in: Jane Couchman en Ann Crab eds., Women’s Letters Across Europe, 1400–1700. Form and Persuasion (Londen 2005) 163-184. DOI: https://doi.org/10.4324/9781315233512.

Daybell, James, Early Modern Women’s Letter Writing, 1450–1700 (Basingstoke 2001).

Frijhoff, Willem, ‘Vanishing Fatherlands and Moving Identities: Walloons and Huguenots in the Dutch Republic’ in: Yosef Kaplan ed., Early Modern Ethnic and Religious Communities in Exile (Newcastle upon Tyne 2017) 117-142.

Hagen, Edwina, en Lisa Bakhuizen van den Brink, ‘De emotionele diplomatie van vriendschap: De correspondentie van Madame Van der Goes, informeel gezante aan het Deense hof, 1787–1793’, BMGN – Low Countries Historical Review 140:3 (2025) 48-80. DOI: https://doi.org/10.51769/bmgn-lchr.18974.

Haks, Donald, ‘Maria Stuart II’ in: Digitaal Vrouwenlexicon van Nederland (2016). Geraadpleegd op 8 november 2025: https://resources.huygens.knaw.nl/vrouwenlexicon/lemmata/data/MariaStuartII.

Hamilton, Elizabeth, William’s Mary: A Biography of Mary II (New York 1972).

Huysman, Ineke, ‘Inleiding’ in: Ineke Huysman en Roosje Peters eds., Vrouwen rondom Johan de Witt (Soest 2024) 13-29.

James, Carolyn, en Jessica O’Leary, ‘Letter-Writing and Emotions’ in: Susan Broomhall en Andrew Lynch eds., The Routledge History of Emotions in Europe: 1100–1700 (Londen 2019) 256-268. DOI: https://doi.org/10.4324/9781315190778.

Laborie, Lionel, ‘Religious Persecution in Eighteenth-Century France’, Leidschrift 38:1 (Leiden 2023) 65-77.

Lambert, David, The Protestant International and the Huguenot Migration to Virginia (New York 2010).

Ligtenberg, Evelyn, ‘‘Le marriage m’a toujours fait peur’. Ongehuwde adellijke vrouwen in de zeventiende en achttiende eeuw’, Virtus 26 (2019) 27-54. DOI: https://doi.org/10.21827/5e02102bac826.

Lougee, Carolyn, Facing the Revocation: Huguenot Families, Faith, and the King’s Will (New York 2016).

McClain, Molly, en Alessa Ellefson, ‘A Letter from Carolina, 1688: French Huguenots in the New World’, The William and Mary Quarterly 64:2 (2007) 377-394.

Schaik, Anne-Marieke van, ‘Agnes van Wassenaer Obdam (1635–1698)’ in: Hans Brokken ed., Heren van stand. Van Wassenaer 1200–2000. Achthonderd jaar Nederlandse adelsgeschiedenis (Zoetermeer 2001) 263-266.

Schneider, Gary, ‘An Introduction to Early Modern Epistolarity’ in: idem, The Culture of Epistolarity: Vernacular Letters and Letter Writing in Early Modern England, 1500–1700 (Cranbury 2005) 22-74.

Sternberg, Giora, ‘Epistolary Ceremonial: Corresponding Status at the Time of Louis XIV’, Past and Present 204:1 (Oxford 2009) 33-88. DOI: https://doi.org/10.1093/pastj/gtp018.

Wijsenbeek-Olthuis, Thera, Het Lange Voorhout, monumenten, mensen en macht (Zwolle 1998).

Troost, Wout, ‘James II, William III and Louis XIV (1685–88)’ in: idem, William III the Stadholder-king: A Political Biography (Londen 2005) 173-194.

Walker, Michael, La Grande Arche des Fugitifs? Huguenots in the Dutch Republic After 1685 (MA Thesis Brigham Young University 2011).

Zook, Melinda, ‘An Incomparable Queen: Mary II, the Protestant International, and the Church of England’ in: idem, Protestantism, Politics, and Women in Britain, 1660–1714 (New York 2013) 125-158.

Zuylen van Nyevelt, Suzette van, Court Life in the Dutch Republic 1638–1689 (Londen 1906).

Primaire bronnen:

‘By the King and Queen, a declaration for the encouraging of French Protestants to transport themselves into this kingdom’, 25 april 1689, geprint door Charles Bill en Thomas Newcomb, Londen. Geraadpleegd op 8 november 2025: Oxford Text Archive.

Agnes van Wassenaer Obdam aan Maria Stuart II, 1 december 1693, Huisarchief Twickel (Delden) [hierna: HAT], inv.nr. 1.5.09.1.331.15.

Inleiding van de inventaris, HAT, inv.nr. 2.1.3.

Maria Stuart II aan Agnes van Wassenaer Obdam, 19 februari 1689, HAT, inv.nr. 1.5.09.1.331.15.

Maria Stuart II aan Agnes van Wassenaer Obdam, 15 maart 1689–1691, HAT, inv.nr. 1.5.09.1.331.15.

Maria Stuart II aan Agnes van Wassenaer Obdam, 20 augustus 1689, HAT, inv.nr. 1.5.09.1.331.15.

Maria Stuart II aan Agnes van Wassenaer Obdam, 30 mei 1690, HAT, inv.nr. 1.5.09.1.331.15.

Maria Stuart II aan Agnes van Wassenaer Obdam, 15 december 1690, HAT, inv.nr. 1.5.09.1.331.15.

Maria Stuart II aan Agnes van Wassenaer Obdam, 1 juli 1692, HAT, inv.nr. 1.5.09.1.331.15.

Maria Stuart II aan Agnes van Wassenaer Obdam, 30 december 1692, HAT, inv.nr. 1.5.09.1.331.15.

Maria Stuart II aan Agnes van Wassenaer Obdam, 13 juli 1693, HAT, inv.nr. 1.5.09.1.331.15.

Maria Stuart II aan Agnes van Wassenaer Obdam, 17 november 1693, HAT, inv.nr. 1.5.09.1.331.15.

Maria Stuart II aan Agnes van Wassenaer Obdam, 11 december 1693, HAT, inv.nr. 1.5.09.1.331.15.

Maria Stuart II aan Agnes van Wassenaer Obdam, 28 april 1694, HAT, inv.nr. 1.5.09.1.331.15.

Maria Stuart II aan Agnes van Wassenaer Obdam, 21 september 1694, HAT, inv.nr. 1.5.09.1.331.15.

Maria Stuart II aan Sophia van de Palts, 3 juni 1689, Mechthild Bentinck ed., Lettres et mémoires de Marie, Reine d’Angleterre, Épouse de Guillaume III (Den Haag 1880) 104-105.

Mémoire van Agnes van Wassenaer Obdam, 18 december 1693, HAT, inv.nr. 1.5.09.1.331.15.

Van koningin Mary van Engeland. Met een aan haar toegeschreven haarlok, geschonken aan de vrouwe van Rosendael, 1689, Gelders Archief (Arnhem), inv.nr. 0525.52.

Verslag van nieuwtjes uit Den Haag van 8 september 1689, ingekomen bij Agnes van Wassenaer Obdam, HAT, inv.nr. 1.5.09.1.335.

Zelfportret van Agnes van Wassenaer Obdam, z.j., HAT, inv.nr. 1.5.09.1.338.