Geen opregte Prins? Maria Louise, Henriëtte Amalia en het gerucht rond de geboorte van Willem IV

In het late najaar van 1711 deed er een gevaarlijk gerucht de ronde. De pasgeboren prins van Oranje, Willem Karel Hendrik Friso, de latere stadhouder Willem IV, zou niet het echte kind van Maria Louise van Hessen-Kassel zijn. Zijn vader Johan Willem Friso was kort daarvoor, op 14 juli 1711, verdronken bij het Hollands Diep. Toen het kind op 1 september werd geboren, was Friso dus al bijna zeven weken dood. Dat maakte die beschuldiging extra beladen. Het ging om de eer van Maria Louise en om de vraag of de postuum geboren prins wel echt de rechtmatige erfgenaam was.1

Het dossier dat hierover in Tresoar in Leeuwarden wordt bewaard, laat zien hoe snel een losse uitspraak kon veranderen in een politieke kwestie. Het bestaat uit verklaringen, brieven en notities in het Nederlands, Frans en Duits. Ook de brieven van Carl, landgraaf van Hessen-Kassel, aan zijn dochter Maria Louise, die bij de Koninklijke Verzamelingen in Den Haag worden bewaard, spelen een belangrijke rol. Ze laten zien hoe hij de situatie volgde en hoe hij probeerde in te grijpen.

De kwestie speelde op een moment waarop de verhoudingen aan het Friese hof al onder druk stonden. Henriëtte Amalia van Anhalt-Dessau, weduwe van de Friese stadhouder Hendrik Casimir II, had kort daarvoor haar enige zoon verloren. In een brief aan raadpensionaris Anthonie Heinsius van 27 juli 1711 presenteert ze zich als een diep getroffen moeder die steun zoekt voor zichzelf en haar familie. De dood van Johan Willem Friso was voor haar ook een politieke breuk. De toekomst van het huis Nassau-Dietz was onzeker geworden.

Carl van Hessen-Kassel, 1696, door  Jacob Gole, Rijksmuseum.

Ook Carl van Hessen-Kassel reageerde meteen. Op 4 september 1711 schrijft hij vanuit Oranienstein aan Maria Louise dat hij zich voor de belangen van zijn jonge kleinzoon zal inzetten. Henriëtte Amalia was toen zelf ook nog in Oranienstein. Ook haar felicitatiebrief van 21 september 1711 aan Maria Louise werd daar geschreven. Henriëtte Amalia was dus niet direct na de geboorte in Leeuwarden. Sinds het meerderjarig worden van Johan Willem Friso had ze haar Friese regentschap moeten neerleggen. In 1709 was ze met haar ongehuwde dochters naar Oranienstein in Dietz vertrokken. Daar bleef ze wel een vorstelijke rol spelen. Na de dood van haar zoon kwam ze later in het najaar opnieuw naar Leeuwarden, vermoedelijk om invloed te houden op de voogdij en het regentschap over haar kleinzoon. Tussen 21 september en 27 oktober 1711 moet ze daar zijn aangekomen. In Carls brief van 27 oktober vraagt hij namelijk aan Maria Louise hoe de oude vorstin zich tegenover haar gedraagt en of zij al heeft gezegd wanneer ze weer zal vertrekken.

Een ondergeschoven kind

In die weken ontstond een gerucht over een verwisseling in de kraamkamer. Het kwam later ter sprake in de kinderkamer, toen Henriëtte Amalia haar kleinzoon bezocht. Daar waren onder anderen vroedvrouw Janneke Bogaert, de min Wytske Ladenius en Christina Maria Jager, weduwe Womraad, de baker aanwezig . Volgens hun verklaringen had Henriëtte Amalia het gerucht zelf ter sprake gebracht toen zij een bezoek bracht aan de kinderkamer. Er zouden mensen zijn geweest die tegen haar hadden gezegd dat het kind ‘geen opregte Prins’ was. Die formulering is veelzeggend. Het ging om de suggestie dat er een kind was ondergeschoven. De inzet was groot. Als Maria Louise geen levende zoon had gekregen maar een dood kind of een dochter, kwam de positie van deze tak van Nassau-Dietz direct onder druk te staan. Het ging om het stadhouderschap in Friesland en Groningen en om de betwiste Oranje-erfenis.

Lijstje van aanwezigen bij de geboorte en bij het gesprek, Tresoar Leeuwarden, 323 Familie Van Eysinga-Vegelin van Claerbergen, 3958.

De reactie van de vroedvrouw laat zien waar de verdediging op gericht was. Maria Louise was daadwerkelijk van dit kind bevallen. Janneke Bogaert had de bevalling begeleid en was bezig met de verzorging van de jonge prins. Terwijl zij sprak over de vreugde in Leeuwarden vanwege de geboorte, was Henriëtte Amalia de kamer binnengekomen en had zij de insinuatie ter sprake gebracht. Janneke reageerde direct dat dit leugens waren. Daarna werd ze, volgens haar eigen verklaring, nog feller: ‘Ja waragtig Uwe Hoogheit, ’t is onse Vorstin haer eijgen kindt.’

Getuigen in de kinderkamer

Ook Christina Maria Jager, weduwe Womraed, speelde een belangrijke rol. Zij was als baker verbonden aan de directe verzorging rond moeder en kind. Tijdens het bewuste gesprek hoorde zij hoe Henriëtte Amalia zei dat er mensen waren die beweerden dat het kind geen echte prins was, en hoe de vroedvrouw daar fel tegenin ging. Jager had zich ook zelf in het gesprek gemengd. Volgens haar moesten de mensen die zoiets hadden beweerd ‘gewis Catholijken’ zijn geweest.

Die verklaringen beschermden Maria Louise en ook de vrouwen die bij de geboorte en verzorging betrokken waren. Als er werkelijk een kind was ondergeschoven, zouden juist de vroedvrouw, de min en de baker verdacht zijn geweest. Zij hadden toegang tot de prinses, tot de baby en tot de ruimte waarin de geboorte en verzorging plaatsvonden. Hun felle reactie was dus ook zelfverdediging.

 Henriëtte van Anhalt-Dessau, ca. 1691-1696, door Lancelot Volders, Koninklijke Verzamelingen, Den Haag.

Carl maakte zich in november zorgen over de toegang van Henriëtte Amalia tot Maria Louise en de kinderen. Het ging toen nog niet expliciet over het gerucht, maar wel over haar bemoeienis met de jonge prins en haar voortdurende aanwezigheid in Maria Louises vertrekken. Op 23 november schreef hij dat hij vond dat Henriëtte Amalia niet meer moest worden toegelaten. Als bestuurders of vertrouwelingen Maria Louise wilden spreken, kon dat volgens hem nauwelijks nog zonder dat Henriëtte Amalia erbij was.

Een dossier tegen de roddel

Half december duikt het gerucht expliciet op in Carls brieven. Op 14 december schreef hij aan Maria Louise over ongegronde en smakeloze praatjes rond haar zoontje. Ook wist hij dat er werd gezegd dat katholieken het verhaal hadden verspreid, dezelfde verklaring die later in de verklaringen terugkomt. Carl geloofde dat niet en schreef dat hij het eerder voor een verzinsel van de oude vorstin zelf hield. Daarmee lag de verdenking al vóór de officiële verhoren bij Henriëtte Amalia.

In de dagen na de escalatie schreef Gustav George von Halcke twee Franstalige brieven over de zaak. Hij was regeringspresident en geheimraad in Kassel, en een hoge functionaris in directe dienst van Carl. Hij rapporteerde over Maria Louise, de situatie aan het hof en de Oranje-erfenis. Uit Von Halckes brieven blijkt dat hij ook met Henriëtte Amalia had gesproken. Zij was inmiddels ter verantwoording geroepen en probeerde haar rol te verkleinen. Ze ontkende dat zij het met de vroedvrouw over het gerucht had gehad. Volgens haar had zij er alleen met gouvernante Meijsebourg over gesproken. De ophef zou zijn ontstaan door wat de gouvernante ervan had gemaakt.

Madame de Meijsebourg, in de bronnen ook Meisenbuch, Mesebuch of Mesenbuch genoemd, was bij de bevalling aanwezig geweest. Volgens de latere verklaringen was zij niet in de kamer toen Henriëtte Amalia het gerucht ter sprake bracht. Von Halcke wilde dat precies laten vastleggen, zonder de getuigen haar naam vooraf in de mond te leggen. Christina Maria Jager verklaarde onder ede dat zij Meijsebourg tijdens het bewuste gesprek niet in de kamer had gezien. Daarmee werd de poging om de gouvernante als schuldige aan te wijzen ernstig verzwakt.

Maria Louise van Hessen-Kassel, ca. 1710-1714, door Lancelot Volders, Koninklijke Verzamelingen, Den Haag.

Op het eerste gezicht blijft het vreemd dat Henriëtte Amalia zo’n gerucht ter sprake bracht. De pasgeboren prins was immers ook haar kleinzoon. Zijn legitimiteit was dus ook in haar belang. Er waren in deze lijn geen andere mannelijke opvolgers meer. Juist daarom was Willem Karel Hendrik Friso zo belangrijk. Haar opmerking stond niet los van de machtsstrijd die al gaande was. Henriëtte Amalia was naar Leeuwarden gekomen om invloed te houden, maar merkte dat haar positie verzwakt was. Maria Louise kreeg steun van haar vader. Carl bemoeide zich actief met de belangen van zijn kleinzoon. De aanwezigheid van Henriëtte Amalia werd steeds meer als probleem gezien. Misschien speelde haar frustratie daar ook in mee. De stukken bewijzen niet dat zij het gerucht zelf verzon. Carl dacht daar in december 1711 wel aan. Voor hem was zij een mogelijke bron van de insinuatie en een gevaar voor de rust rond zijn dochter.

Bewijs dat geheim moest blijven

De zaak werd vervolgens formeel gemaakt. Op 29 december 1711 legde vroedvrouw Janneke Bogaert haar beëdigde verklaring af. Op 7 januari 1712 volgden de verklaringen van Wytske Ladenius en Christina Maria Jager. Hessel Vegelin van Claerbergen, gedeputeerde van Friesland, liet de stukken opstellen. De vrouwen legden vast wat zij hadden gehoord en gezien, en wie er wel en niet aanwezig waren geweest.

Laatste pagina brief Carl van Hessen-Kassel van 18 januari 1712 aan Hessel Vegelin van Claerbergen, Tresoar Leeuwarden, 323 Familie Van Eysinga-Vegelin van Claerbergen, 3958.

Op 18 januari 1712 schreef Carl vanuit Kassel dat de stukken geheim moesten blijven. Volgens hem was het gerucht gebaseerd op duidelijke leugens. Nieuwe ruchtbaarheid zou de zaak alleen maar groter maken. De reputatie van Maria Louise moest worden beschermd. Carl verbond de kwestie direct met het welzijn van zijn dochter. De ophef had haar verdriet en onrust gebracht, kort na de bevalling en kort na de dood van haar man. Ook lichamelijk ging het niet goed met haar. Op 20 januari schreef hij opnieuw aan Maria Louise. Hij had via Von Halcke gehoord over de onbezonnen en onware verhalen die haar schoonmoeder had veroorzaakt. Hij waarschuwde zijn dochter om zich deze zaken niet zo aan te trekken dat zij haar gezondheid zou verliezen. Hij stelde voor haar zus Wilhelmine naar Leeuwarden te laten komen, zodat Maria Louise niet alleen zou zijn en haar gedachten wat van alle onrust konden worden afgeleid.

Terug naar Oranienstein

Carl richtte zich intussen steeds duidelijker op Henriëtte Amalia’s vertrek. Hij zag haar als de hoofdoorzaak van de slechte toestand van zijn dochter. Maria Louise moest voorlopig afstand houden. Gesprekken met Henriëtte Amalia moesten worden vermeden. Haar aanwezigheid in Leeuwarden moest zo snel mogelijk eindigen. Kort daarna vertrok Henriëtte Amalia uit Leeuwarden. De bronnen noemen geen exacte vertrekdatum, maar duidelijk is wel dat zij naar Oranienstein terugkeerde, haar paleis in Dietz. In een brief aan Heinsius van 6 augustus 1713 kijkt ze zelf bitter op deze periode terug. Zij zag zich niet als aanstichtster van onrust, maar als slachtoffer van Carl van Hessen-Kassel. Volgens haar had hij haar rechten, inkomsten en regentschap aangetast. Die brief laat goed zien dat het conflict ging over een gerucht, voogdij, regentschap, bezit en macht.

Waar komt het op neer? We weten niet zeker of Henriëtte Amalia het gerucht zelf verzon. Daarvoor blijven de stukken te indirect. Ze bracht de beschuldiging wel in de kinderkamer ter sprake. Daarna wees ze naar gouvernante Meijsebourg als bron, misschien omdat ze schrok van de gevolgen van haar eigen woorden. Die verdediging dat ze het van de gouvernante had gehoord werd door de getuigenissen ernstig verzwakt. Carl zag Henriëtte Amalia al vóór de officiële verklaringen als de waarschijnlijke bron van de onrust. Hij probeerde het gerucht stil te houden, Henriëtte Amalia terug te dringen en Maria Louise te beschermen, ook lichamelijk.

Uiteindelijk draait dit dossier om de vraag wie het verhaal over de geboorte mocht bepalen. Carl probeerde de schade te beperken. Von Halcke liet verklaringen verzamelen. De vrouwen rond het kraambed legden vast wat er was gezegd, wie erbij was geweest en wie niet. Zo bleef zichtbaar hoe kwetsbaar de legitimiteit van Willem IV was, zelfs in de eerste maanden van zijn leven.


  1. Zie ook, Fred Jagtenberg, Willem IV (2018), 83-86. ↩︎