In het late najaar van 1711 deed er aan het Friese hof een gevaarlijk gerucht de ronde. De pasgeboren prins van Oranje, Willem Karel Hendrik Friso, de latere stadhouder Willem IV, zou niet het echte kind van Maria Louise van Hessen-Kassel zijn. De naam die in dit verband steeds terugkomt, is die van Henriëtte Amalia van Anhalt-Dessau: Maria Louises schoonmoeder, grootmoeder van het kind, en op dat moment een vrouw wier positie aan het hof onder druk stond. Haar zoon Johan Willem Friso was kort daarvoor, op 14 juli 1711, verdronken bij het Hollands Diep. Toen het kind op 1 september werd geboren, was Friso dus al bijna zeven weken dood. Dat maakte die beschuldiging extra beladen. Het ging om de eer van Maria Louise en om de vraag of de postuum geboren prins wel echt de rechtmatige erfgenaam was.1
Het dossier dat hierover in Tresoar in Leeuwarden wordt bewaard, laat zien hoe snel een roddel kon veranderen in een politieke kwestie. Het bestaat uit verklaringen, brieven en notities in het Nederlands, Frans en Duits. Ook de brieven van Carl, landgraaf van Hessen-Kassel, aan zijn dochter Maria Louise, die bij de Koninklijke Verzamelingen in Den Haag worden bewaard, spelen een belangrijke rol. Ze laten zien hoe hij de schade probeerde te beperken.
De kwestie speelde op een moment waarop de verhoudingen aan het Friese hof al onder druk stonden. Henriëtte Amalia van Anhalt-Dessau had niet alleen haar enige zoon verloren, maar ook de centrale positie die ze jarenlang rond hem had ingenomen. In een brief aan raadpensionaris Anthonie Heinsius van 27 juli 1711 presenteert ze zich als een diep getroffen moeder die steun zoekt voor zichzelf en haar familie. Tegelijk was zijn dood voor haar een politieke breuk. Met Johan Willem Friso verdween het middelpunt van haar invloed. De toekomst van het huis Nassau-Dietz verschoof naar een ongeboren kind en naar Maria Louise, de jonge weduwe met wie Henriëtte Amalia toch al een gespannen verhouding had.
Carl van Hessen-Kassel, 1696, door Jacob Gole, Rijksmuseum.
Ook Carl van Hessen-Kassel reageerde meteen. Op 4 september 1711 schrijft hij vanuit Oranienstein aan Maria Louise dat hij zich voor de belangen van zijn jonge kleinzoon zal inzetten. Grootmoeder Henriëtte Amalia was toen zelf ook nog in Oranienstein. Ook haar felicitatiebrief van 21 september 1711 aan Maria Louise schreef ze daar. Henriëtte Amalia was dus niet direct na de geboorte in Leeuwarden. Sinds het meerderjarig worden van Johan Willem Friso had ze haar Friese regentschap moeten neerleggen. In 1709 was ze met haar ongehuwde dochters naar Oranienstein in Dietz vertrokken. Daar bleef ze wel een vorstelijke rol spelen. Na de dood van haar zoon kwam ze later in het najaar opnieuw naar Leeuwarden, vermoedelijk om invloed te houden op de voogdij en het regentschap over haar kleinzoon. Tussen 21 september en 27 oktober 1711 moet ze daar zijn aangekomen. In Carls brief van 27 oktober vraagt hij namelijk aan Maria Louise hoe de oude vorstin zich tegenover haar gedraagt en of zij al heeft gezegd wanneer ze weer zal vertrekken.
Een ondergeschoven kind
In die weken ontstond een gerucht over een verwisseling in de kraamkamer. Het kwam aan de orde toen Henriëtte Amalia haar kleinzoon in de kinderkamer bezocht. Daar waren onder anderen vroedvrouw Janneke Bogaert, de min Wytske Ladenius en Christina Maria Jager, weduwe Womraed, de baker, aanwezig. Volgens hun latere verklaringen had Henriëtte Amalia gezegd dat er mensen waren die beweerden dat het kind ‘geen opregte Prins’ was. Die formulering is veelzeggend. Het ging om de suggestie dat er een kind was ondergeschoven. De inzet was groot, want als Maria Louise geen levende zoon had gekregen maar een dood kind of een dochter, kwam de positie van deze tak van Nassau-Dietz direct onder druk te staan. Het ging om het stadhouderschap in Friesland en Groningen en om de betwiste Oranje-erfenis.
Lijstje van aanwezigen bij de geboorte en bij het gesprek, Tresoar Leeuwarden, 323 Familie Van Eysinga-Vegelin van Claerbergen, 3958.
Vroedvrouw Janneke Bogaert verklaarde later allereerst dat Maria Louise daadwerkelijk van dit kind was bevallen. Zij had zelf de bevalling begeleid. En ook verklaarde ze dat, terwijl ze bezig was met de verzorging van de jonge prins, Henriëtte Amalia de kamer was binnengekomen en de insinuatie ter sprake had gebracht. Janneke reageerde direct dat het leugens waren. Daarna werd ze, volgens haar eigen verklaring, nog feller: ‘Ja waragtig Uwe Hoogheit, ’t is onse Vorstin haer eijgen kindt.’
Getuigen in de kinderkamer
Ook Christina Maria Jager, weduwe Womraed, speelde een belangrijke rol. Zij was als baker verbonden aan de directe verzorging rond moeder en kind. Tijdens het bewuste gesprek hoorde ze Henriëtte Amalia zeggen dat er mensen waren die beweerden dat het kind geen echte prins was, en hoe de vroedvrouw daar fel tegenin ging. Jager had zich ook zelf in het gesprek gemengd. Volgens haar moesten de mensen die zoiets hadden beweerd ‘gewis Catholijken’ zijn geweest.
Die verklaringen beschermden Maria Louise en ook de vrouwen die bij de geboorte en verzorging betrokken waren. Als er werkelijk een kind was ondergeschoven, zouden juist de vroedvrouw, de min en de baker verdacht zijn geweest. Zij hadden toegang tot de prinses, tot de baby en tot de ruimte waarin de geboorte en verzorging plaatsvonden. Hun felle reactie was dus ook zelfverdediging.
Henriëtte van Anhalt-Dessau, ca. 1691-1696, door Lancelot Volders, Koninklijke Verzamelingen, Den Haag.
Carl van Hessen-Kassel maakte zich in november zorgen over de toegang van Henriëtte Amalia tot Maria Louise en de kinderen. Het ging toen nog niet expliciet over het gerucht, maar wel over haar bemoeienis met de jonge prins en haar voortdurende aanwezigheid in Maria Louises vertrekken. Op 23 november schreef hij dat hij vond dat Henriëtte Amalia niet meer moest worden toegelaten.
Een dossier tegen de roddel
Half december dook het gerucht expliciet op in Carls brieven. Op 14 december schreef hij aan Maria Louise over de ongegronde en smakeloze praatjes rond haar zoontje. Ook hij wist dat er werd gezegd dat katholieken het verhaal hadden verspreid, dezelfde verklaring die later in de verklaringen terugkomt. Carl geloofde dat niet en schreef dat hij het eerder voor een verzinsel van de oude vorstin zelf hield. Daarmee lag de verdenking al vóór de officiële verhoren bij Henriëtte Amalia.
In de dagen na de escalatie schreef Gustav George von Halcke twee brieven over de zaak. Hij was regeringspresident en geheimraad in Kassel, en een hoge functionaris in directe dienst van Carl. Hij rapporteerde over Maria Louise, de situatie aan het hof en de Oranje-erfenis. Uit zijn brieven blijkt dat hij ook met Henriëtte Amalia had gesproken. Zij was inmiddels ter verantwoording geroepen.
Henriëtte Amalia probeerde haar rol te verkleinen. Ze ontkende dat zij met de vroedvrouw over het gerucht had gesproken. Volgens haar had zij het er alleen met gouvernante Madame de Meijsebourg over gehad. De ophef zou zijn ontstaan door wat de gouvernante ervan had gemaakt. Daarom werd het belangrijk om vast te leggen wie er bij het gesprek in de kinderkamer aanwezig waren. Christina Maria Jager verklaarde onder ede dat zij Meijsebourg toen niet in de kamer had gezien. Dat maakt niet duidelijk waar het gerucht vandaan kwam, maar het verzwakte wel Henriëtte Amalia’s poging om de ophef naar de gouvernante te verschuiven.
Maria Louise van Hessen-Kassel, ca. 1710-1714, door Lancelot Volders, Koninklijke Verzamelingen, Den Haag.
Op het eerste gezicht blijft het vreemd dat Henriëtte Amalia zo’n gerucht ter sprake bracht. De pasgeboren prins was immers ook haar kleinzoon. Zijn legitimiteit was dus ook in haar belang. Er waren in deze lijn geen andere mannelijke opvolgers meer. Juist daarom was Willem Karel Hendrik Friso zo belangrijk. Haar opmerking stond niet los van de machtsstrijd die al gaande was. Henriëtte Amalia was naar Leeuwarden gekomen om invloed te houden, maar merkte dat haar positie verzwakt was. Maria Louise kreeg steun van haar vader. Carl bemoeide zich actief met de belangen van zijn kleinzoon. De aanwezigheid van Henriëtte Amalia werd steeds meer als probleem gezien. Misschien speelde haar frustratie daar ook in mee. De stukken bewijzen niet dat zij het gerucht zelf had verzonnen. Carl dacht daar in december 1711 wel aan. Voor hem was zij een mogelijke bron van de insinuatie en een gevaar voor de rust rond zijn dochter.
Bewijs dat geheim moest blijven
De zaak werd vervolgens formeel gemaakt. Op 29 december 1711 legde vroedvrouw Janneke Bogaert haar beëdigde verklaring af. Op 7 januari 1712 volgden de verklaringen van Wytske Ladenius en Christina Maria Jager. Hessel Vegelin van Claerbergen, gedeputeerde van Friesland, liet de stukken opstellen. De vrouwen legden vast wat zij hadden gehoord en gezien, en wie er wel en niet aanwezig waren geweest.
Laatste pagina brief Carl van Hessen-Kassel van 18 januari 1712 aan Hessel Vegelin van Claerbergen, Tresoar Leeuwarden, 323 Familie Van Eysinga-Vegelin van Claerbergen, 3958.
Op 18 januari 1712 schreef Carl vanuit Kassel aan Vegelin dat de bewijsstukken geheim moesten blijven. Volgens hem was het gerucht gebaseerd op duidelijke leugens. Maar nieuwe ruchtbaarheid zou de zaak alleen maar groter maken. De reputatie van Maria Louise moest worden beschermd. Carl verbond de kwestie direct met het welzijn van zijn dochter. De ophef had haar verdriet en onrust gebracht, kort na de bevalling en kort na de dood van haar man. Ook haar gezondheid was zwak. Op 20 januari schreef hij opnieuw aan Maria Louise. Hij had via Von Halcke meer gehoord over de onbezonnen en onware verhalen die haar schoonmoeder had veroorzaakt. Hij waarschuwde zijn dochter om zich deze zaken niet zo aan te trekken dat het haar gezondheid zou schaden. Hij stelde voor haar zus Wilhelmine naar Leeuwarden te laten komen om haar wat afleiding te bezorgen.
Terug naar Oranienstein
Carl richtte zich intussen steeds duidelijker op Henriëtte Amalia’s vertrek. Hij zag haar als de hoofdoorzaak van de slechte toestand van zijn dochter. Maria Louise moest voorlopig afstand houden. Gesprekken met Henriëtte Amalia moesten worden vermeden. Haar aanwezigheid in Leeuwarden moest zo snel mogelijk eindigen. Kort daarna vertrok Henriëtte Amalia uit Leeuwarden. De bronnen noemen geen exacte vertrekdatum, maar duidelijk is wel dat zij naar Oranienstein terugkeerde, haar paleis in Dietz. In een brief aan Heinsius van 6 augustus 1713 kijkt ze zelf bitter op deze periode terug. Zij zag zich niet als aanstichtster van onrust, maar als slachtoffer van Carl van Hessen-Kassel. Volgens haar had hij haar rechten, inkomsten en regentschap aangetast. Die brief laat goed zien dat het conflict ging over een gerucht, voogdij, regentschap, bezit en macht.
Het is niet zeker dat Henriëtte Amalia het gerucht zelf verzon. Wel staat vast dat zij de beschuldiging in de kinderkamer ter sprake bracht. Daarna wees ze naar gouvernante Meijsebourg als bron, misschien omdat ze schrok van de gevolgen van haar eigen woorden. Die verdediging werd door de getuigenissen ernstig verzwakt. Carl zag Henriëtte Amalia al vóór de officiële verklaringen als de waarschijnlijke bron van de onrust. Hij probeerde het gerucht stil te houden, Henriëtte Amalia uit Leeuwarden weg te krijgen en Maria Louise te beschermen.
Uiteindelijk draait dit dossier om de vraag wie het verhaal over de geboorte mocht bepalen. Carl probeerde de schade te beperken. Von Halcke liet verklaringen verzamelen. De vrouwen rond het kraambed legden vast wat er was gezegd, wie er aanwezig waren geweest en wat zij zelf hadden gezien. Juist daardoor werd een gevaarlijk hofgerucht omgezet in bewijs. Niet om het breed bekend te maken, maar om het te kunnen bewaren, gebruiken en zo nodig tegen Henriëtte Amalia in te zetten.
Zie bijvoorbeeld: Fred Jagtenberg, Willem IV (2018), 83-86. ↩︎
Op 18 april 2026, driehonderd jaar na het overlijden van Henriëtte Amalia van Anhalt-Dessau (1666–1726), organiseerde de Stichting Nassau en Friesland, onder voorzitterschap van Bearn Bilker, een symposium over haar leven en betekenis. Dat gebeurde in de Oranjezaal van het stadhuis van Leeuwarden, recht tegenover het Stadhouderlijk Hof. Een voor de hand liggende plaats voor iemand die hier zo lang aanwezig was maar in de geschiedschrijving opvallend weinig aandacht heeft gekregen.
Henriëtte Amalia was een Duitse prinses uit het huis Anhalt-Dessau en via haar moeder een kleindochter van Amalia van Solms. In 1683 trouwde ze met haar volle neef Hendrik Casimir II van Nassau-Dietz. Na zijn vroege dood in 1696 nam ze als regentes het bestuur op zich voor haar minderjarige zoon Johan Willem Friso.
Hanno Brand schetste het leven van Henriëtte Amalia en de context waarin zij opereerde. Hij liet zien hoe de strijd rond de Oranje-erfenis na de dood van Willem III haar handelen bepaalde en hoe belangrijk het voor haar was om actief op te treden om de positie van de dynastie veilig te stellen. Ze onderhield contacten, benutte haar netwerk en reageerde op ontwikkelingen die zich snel opvolgden, steeds met de toekomst van haar zoon Johan Willem Friso als inzet. Toen hij meerderjarig werd, kwam haar regentschap ten einde en nam haar politieke rol af, waarna ze zich uiteindelijk terugtrok naar Dietz, waar ze een hof voerde dat haar status onderstreepte maar ook leidde tot aanzienlijke schulden.
In de bijdrage van Ineke Huysman stond de correspondentie van Henriëtte Amalia centraal. Die is inmiddels online beschikbaar, voorlopig gebaseerd op de brieven bij de Koninklijke Verzamelingen, met uitbreiding vanuit Tresoar en andere archieven in zicht. Vóór 1696, het jaar van het overlijden van haar man, is er nauwelijks correspondentie, daarna neemt het aantal brieven snel toe. Dat hangt samen met haar rol als regentes en met de politieke situatie rond de Oranje-erfenis. Met de digitale ontsluiting van deze brieven wordt zichtbaar hoe haar netwerk geografisch was verspreid over Europa, en met behulp van handschriftherkenning kunnen de teksten steeds beter worden doorzocht en onderzocht.
Lydia Boer richtte zich op kunst en cultuur rondom Henriette Amalia en liet zien hoe dat aansluit bij haar bredere optreden. Henriëtte Amalia koos haar kunstenaars zorgvuldig, zat dicht op de uitvoering en had oog voor kwaliteit. Ze liet portretten maken waarin haar dynastieke moederrol nadrukkelijk aanwezig is, soms zelfs met een overleden kind in beeld. Tegelijk trok ze kunstenaars en musici aan en gaf zo vorm aan een hofcultuur. Componisten als Jacob Riehman en Johann Christian Schickhardt werkten in haar omgeving en droegen hun werk aan haar op.
De muziek van deze componisten klonk tijdens het symposium, uitgevoerd door Martijn van Dongen (blokfluit), Mathilde van Wijnen (cello) en Peter van der Zwaag (klavecimbel), zodat je je even in het Friese stadhouderlijke hof kon wanen.
Jacob Roep bracht Henriëtte Amalia’s verwerving van de heerlijkheid Ameland in 1704 naar voren en plaatste die in de geschiedenis van het eiland. Daarmee werd duidelijk hoe deze stap past in een breder patroon van bezit en bestuur. Voor Henriëtte Amalia betekende het bezit van Ameland inkomsten en invloed, en daarmee een versterking van haar positie.
Ronald de Graaf keek naar de relatie tussen Henriëtte Amalia en haar zoon Johan Willem Friso. Uit zijn brieven komt een verhouding naar voren waarin zijn moeder zich nadrukkelijk met zijn doen en laten bemoeide. Ze gaf hem duidelijke aanwijzingen, ook wanneer hij op veldtocht was. Omdat vrijwel alleen zijn brieven áán haar bewaard zijn gebleven, kennen we haar kant van de correspondentie niet direct, maar juist uit zijn reacties wordt goed zichtbaar hoezeer zij er bovenop zat.
Wat deze dag vooral duidelijk maakte, is hoeveel actiever de rol van Henriëtte Amalia was dan meestal wordt aangenomen. Ze verschijnt hier als iemand die voortdurend betrokken was bij wat er speelde en daar ook naar handelde. Haar correspondentie laat dat goed zien en biedt nog volop mogelijkheden voor verder onderzoek.
Willem V van Oranje-Nassau werd in 1748 geboren als erfstadhouder van de Nederlandse Republiek. Zijn vader, Willem IV, stierf toen hij drie jaar oud was. Eerst trad zijn moeder Anna van Hannover op als regentes. Na haar dood namen zijn grootmoeder Maria Louise van Hessen-Kassel en de hertog van Brunswijk het bestuur over. Pas op 8 maart 1766, toen hij meerderjarig werd, trad hij zelf aan.
De jonge prins ontwikkelde zich tot een echte liefhebber van oudheden, munten, fossielen, stenen, schilderijen, boeken en zelfs levende dieren. Zijn collecties liggen aan de basis van verschillende musea en bibliotheken die we nu nog kennen, waaronder Galerij Prins Willem V en de Koninklijke Bibliotheek. Die verzamelwoede van Willem werd al vroeg aangemoedigd door zijn grootmoeder in Leeuwarden.
Een bezorgde grootmoeder
Allegorisch medaillon ter gelegenheid van het herstel van stadhouder Willem V na een korte ziekte, 15 april 1763. Waakzaamheid en de Hollandse Maagd bij een altaar waarop een portret van de prins smeken Hygieia de prins te genezen, naar tekening van Jacob van der Schley, 1763, Rijksmuseum.
In april 1763 was Willem V vijftien jaar oud en herstellende van een flinke ziekte. Wat begon als een ‘rhume’, een verkoudheid, was in de loop van de maand uitgegroeid tot iets ernstigs, genoeg om hem wekenlang uit te schakelen. Dat het geen kleinigheid was, blijkt ook uit het feit dat het herstel publiekelijk werd herdacht: op 15 april 1763 verscheen een allegorisch gedenkmedaillon van de graveur Jacob van der Schley.
Marie Louise van Hessen-Kassel aan Willem V 2 april 1763, Koninklijke Verzamelingen, A31-464
Terwijl men in Den Haag behoorlijk bezorgd was om de zieke prins, schreef zijn grootmoeder Maria Louise van Hessen-Kassel vanuit Leeuwarden op 2 april 1763 een briefje. Ze verontschuldigde zich voor de fouten in haar schrijven, ze had het in haast opgesteld. Ze hoopte dat Willem volledig hersteld zou zijn van zijn kwaal, en ze had iets voor hem: een handjevol antieke Spaanse munten die kort daarvoor waren gevonden bij graafwerkzaamheden voor de tuin van stadsbestuurder Reneman. De aardewerken pot was al grotendeels weggegooid, maar een scherf bleef bewaard en die stuurde ze mee als bewijs van herkomst.
Het geheel zou met het eerstvolgende beurtschip naar Den Haag vertrekken. De munten waren niet bijzonder zeldzaam, schreef ze, en waarschijnlijk minder indrukwekkend dan wat haar kleinzoon al in bezit had. Maar misschien vond hij het toch leuk ze te hebben en had hij er een plaatsje voor in zijn verzameling.
Willem V aan Marie Louise van Hessen-Kassel, 30 april 1763, Koninklijke Verzamelingen , A28-14.
Eind april antwoordde Willem. Hij schreef dat dit zijn eerste brief was sinds zijn ziekte. In het eveneens bewaarde kladconcept schreef hij dat de lucht nog wat koud was en dat hij daarom nog niet naar buiten ging, maar dat hij hoopte binnenkort weer een rijtoer te maken en de zondag daarop de kerk te bezoeken. In de definitieve brief had hij die hele passage geschrapt. Wat overbleef was een hoffelijke prins die zijn grootmoeder bedankt. Hij zou de munten zou opnemen in zijn collectie als stukken die hem zeer kostbaar waren, omdat ze van haar kwamen.
Muntenverzameling
Al eerder, in juni 1762, had Maria Louise haar kleinzoon enkele Indische munten toegestuurd, die hij met trots een plek had gegeven in zijn eigen kabinet, zoals hij haar zelf liet weten. En in maart 1764 stuurde Maria Louise hem nog een Friese penning. Ze schreef dat ze, omdat het een zeldzaam stuk betrof, direct had gedacht dat het wel iets voor hem zou zijn.
De verzameling die de jonge prins opbouwde en waaraan zijn grootmoeder zo attent bijdroeg, bleef niet bijeen. In 1766 bracht Willem V zijn collectie onder in diverse panden rondom het Binnenhof. Toen het Franse leger in januari 1795 Nederland binnenviel, werd het grootste deel als oorlogsbuit naar Parijs afgevoerd. Wat achterbleef werd geveild. Een deel van de muntenverzameling keerde na 1815 terug en vormde de basis van het Koninklijk Penningkabinet. Via latere institutionele veranderingen maakt dit materiaal nu deel uit van de Nationale Numismatische Collectie bij De Nederlandsche Bank. Of die Spaanse munten uit Leeuwarden uit april 1763 ooit hun weg in deze verzamelingen hebben gevonden, is onbekend.
De correspondentie van Marie-Louise van Hessen-Kassel komt binnenkort online in het kader van het digitaliseringsproject brieven van de Hollandse en Friese stadhoudersvrouwen, een samenwerking tussen het Huygens Instituut en Koninklijke Verzamelingen Den Haag.
Bonsoir mon delicieux, & hagel Pepin, je me couche. Zo besluit Anna van Hannover een van haar brieven aan haar man Willem IV, prins van Oranje. Anna noemt hem Pepin of Pip, naar het Franse pépin, oftewel pitje. Willem schrijft haar aan als Annin. De afsluiting lijkt banaal. Anna groet Willem, ze gaat slapen. Maar dat ene woord, hagel, springt eruit: het is geen Frans, geen Duits, geen Engels, zelfs geen Nederlands, maar een woord dat alleen tussen Annin en Pepin bestaat. In hun correspondentie keert het steeds terug, bijna twintig jaar lang: hagel, soms met een hoofdletter, soms zonder, en in één geval zelfs vervoegd tot het bijwoord hagelment.
Patroon
De vindplaatsen in de brieven vertonen een duidelijk patroon. Willem kijkt uit naar hun hagels entretiens en verheugt zich op hun hagel tête à tête. Hij dankt haar voor haar hagel lettre die hem extra voldoening heeft bezorgd. En in september 1751, als hun dochtertje Caroline ziek is, noemt hij haar notre chère et hagel Caroline. Anna noemt Willem haar délicieux et hagel Pepin, haar excellent et hagel Pepin, haar hagel coeur. Dagen zonder hem zijn verloren, ze kan zich niet aanbevelen in zijn hagel souvenir. Over een teleurstellende brief schrijft ze dat die brieven ne sont pas hagel zijn. Het woord beschrijft personen, brieven, gesprekken, herinneringen en stemmingen, en verschuift tussen bijvoeglijk naamwoord, bijwoord en koosnaam.
Willem IV aan Anna van Hannover, 5 februari 1735, KV A30-VIa-1.
De vroegste vindplaats staat in een brief van Willem uit Leeuwarden, 5 februari 1735, een jaar na hun huwelijk. Hij schrijft: Quel plus hagel commencement de lettre que le votre, ma chère Annin: welk begin van een brief is er mooier dan het uwe, mijn lieve Annin? Het woord bestond dus al eerder in hun omgangstaal, maar verschijnt hier voor het eerst op papier, in een periode van scheiding, wanneer Willem in Friesland verblijft en Anna in Engeland aan het hof van haar vader, koning George II.
De bijwoordsvorm hagelment toont de ontwikkeling van het woordgebruik. Anna schrijft over haar zuster Marie: icy aupres de Marie qui j’aime si hagelment. Hagel is dan geen incidenteel kooswoord meer, maar een volwaardig element in hun taal, dat zich ook naar Frans model laat vervoegen met -ment.
Betekenis
De brieven zelf geven geen definitie. Het gebruik wel. Hagel staat voor wat vertrouwd is, welkom, eigen. Het raakt aan woorden als lief, heerlijk en gezellig, maar valt met geen van die woorden samen. De vorm hagelment wijst op intensiteit: iets als innig, van ganser harte. Het woord blijft exclusief. Het komt niet voor in hun brieven aan anderen. Het circuleert alleen tussen hen tweeën. Zelfs derden vallen onder hun perspectief: Saumaise esthagel. Caroline is hagel. Van Marie wordt hagelment gehouden. Wie hagel is, hoort bij hun wereld.
Deze betekenis van hagel is uniek voor hun correspondentie. Als woord betekent het verder in het Nederlands gewoon bevroren neerslag, maar zo wordt het hier niet gebruikt. In het Frans ontbreekt het. In het Duits noteert het Grimm Wörterbuchhägel als nevenvorm van hager, met betekenissen als schraal of mager, en in dialecten zelfs dwaas. In Nederlandse dialecten kan hagel vijandig of boos betekenen. Dat staat haaks op het gebruik bij Anna en Willem. Of ze die betekenis bewust omkeerden, is onbekend. Wel bestaat in het Nederlands hagel als versterkend element in woorden als hagelnieuw en hagelwit. Die associatie van frisheid en helderheid kan hebben meegespeeld, maar zekerheid is er niet.
Correspondentie
Hagel toont het huwelijk van het stadhoudersechtpaar van binnenuit. Hun ruim tweehonderd brieven volgen Anna en Willem van 1734 tot 1751, door politieke spanningen, oorlog en ziekte. In al die jaren klinkt hagel: in de eerste brieven van 1735, in de brieven uit Kassel in 1742, en voor het laatst in de zomer van 1751, wanneer Willem Anna vanuit Middelburg bedankt voor haar hagel brief.
Na Willems dood op 22 oktober 1751 verdwijnt hagel voorgoed. Het was hun woord en leeft voort in hun brieven.
De correspondentie tussen stadhouder Willem IV en zijn vrouw Anna van Hannover laat zien dat hun brieven niet alleen over grote politieke kwesties gaan. Tussen berichten over legerzaken, reizen en hofnieuws duiken ook opvallende verhalen op die in de Republiek de ronde deden. Een mooi voorbeeld staat in een brief die Willem op 5 juni 1751 vanuit Middelburg aan Anna schrijft. Daarin vertelt hij dat hij zojuist een protocol en een depêche van de krijgsraad in Breda heeft gelezen. Het stuk vond hij ‘zeer omslachtig, maar niet minder merkwaardig’, omdat het ging over een bijzonder huwelijk.
Willem schrijft [vrij vertaald]:
… ik heb het protocol en een depêche van de krijgsraad in Breda gelezen, een zeer uitvoerig stuk, maar ook bijzonder merkwaardig, omdat het ging over het bizarre huwelijk van twee vrouwen. Een van hen diende als grenadier en was in 1748 in Coevorden met de ander getrouwd. De vrouw had al die tijd niet geweten welk geslacht haar vermeende echtgenoot werkelijk had, totdat het drie maanden geleden aan het licht kwam. Omdat ik het stuk nogal vluchtig heb gelezen en mijn gesprek met Du Bon lang duurde, bewaar ik de verdere bijzonderheden om u die mondeling te vertellen.
Het verhaal waarnaar Willem verwijst betreft de affaire rond Maria van Antwerpen (1719–1781). Zij trok rond 1746 mannenkleren aan en nam dienst in het Staatse leger onder de naam Jan van Ant. Maria diende daadwerkelijk als soldaat en zelfs als grenadier. Toen haar compagnie in Coevorden lag, trouwde ze op 21 augustus 1748 met Janna Cramers, de dochter van een sergeant. Volgens latere verklaringen had Johanna geen idee dat haar echtgenoot biologisch een vrouw was.
In het midden van de pagina: huwelijksregistratie van Maria van Antwerpen onder de naam Jan van Ant, op 21 augustus 1748, met Janna Cramers. Drents Archief, toeg. 0176.01 Trouwregister Coevorden, inv. 11. [met dank aan Renske van Donk van het Drents Archief]
Pas toen het regiment enkele jaren later in Breda lag, werd Maria herkend door iemand die haar nog kende uit haar eerdere leven als dienstmeid. Ze werd gearresteerd en voor de krijgsraad gebracht. In 1751 werd haar identiteit vastgesteld en werd ze verbannen uit Brabant, Limburg en alle garnizoenssteden. De zaak trok veel aandacht en nog datzelfde jaar verscheen een boek over haar leven: De Bredasche Heldinne, of merkwaardige levensgevallen van Maria van Antwerpen (Den Haag 1751), geschreven door Franciscus Lievens Kersteman.
Maria’s verhaal eindigde daar overigens niet. Na haar verbanning trok ze opnieuw mannenkleren aan, nam weer dienst als soldaat, nam de naam Michaël van Antwerpen aan en trouwde zelfs nog een keer met een vrouw: de Goudse Cornelia Swartsenberg. Toen haar ware identiteit jaren later opnieuw werd ontdekt, volgde opnieuw een proces en een verbanning.
De passage in Willems brief laat zien hoe zulke opmerkelijke gebeurtenissen ook hun weg vonden naar hofkringen en privébrieven. De correspondentie tussen Willem IV en Anna van Hannover bevat dus niet alleen politiek en diplomatie, maar ook het dagelijkse nieuws van de Republiek, soms met verhalen die voor de betrokkenen zelf ongetwijfeld een groot persoonlijk drama moeten zijn geweest.
De relatie tussen Maria Stuart II (1662–1695) en haar hofdame Agnes van Wassenaer Obdam (1635–1698) is in het verleden al door historici aangehaald, maar heeft nog niet de aandacht gekregen die zij verdient. Hun correspondentie laat zien dat vriendschap in de zeventiende eeuw niet alleen een persoonlijke, maar ook een maatschappelijke betekenis kon hebben. Zo ondersteunden zij elkaar én een bredere groep vrouwen: gevluchte hugenoten die in de Republiek een toevluchtsoord zochten. Dit blogartikel duikt in deze bijzondere briefwisseling en biedt een unieke inkijk in de manier waarop het werd ingezet om vriendschap te benutten.
Afscheid van de Republiek
Zware tegenwind verhinderde Maria Stuart II in februari 1689 om met haar schip naar Engeland te vertrekken. Terwijl ze wachtte op een gunstige wind om haar reis voort te zetten, schreef ze een brief aan haar Nederlandse hofdame Agnes van Wassenaer Obdam: ‘Het is zo’n groot verdriet voor mij om een land te verlaten waar ik zo gelukkig ben geweest’.[1] Deze overtocht markeerde namelijk het einde van haar tijd in de Republiek en bracht haar terug naar haar geboorteland, waar zij in april dat jaar tot koningin werd gekroond.
In de jaren die volgden schreef Maria vanuit Engeland uitvoerig aan haar voormalige hofdame over wat de Republiek voor haar had betekend. Ze beschreef het als een land ‘dat ik liefheb als het mijne, waar ik geboren ben’ en waar ze de gelukkigste jaren van haar leven had doorgebracht.[2] Maria verlangde ernaar om nog eens terug te keren naar deze geliefde plek: ‘Wat een voldoening zal het voor mij zijn, wat een vreugde om een land terug te zien dat mij zo dierbaar is’.[3] Maar wat Maria niet met zekerheid kon weten op het moment dat ze in 1689 op het schip stapte, was dat ze de Republiek nooit meer zou terugzien.
Vertrek van Maria Stuart II uit Holland naar Engeland op 20 februari 1689. Gezicht op de vloot met rechts het schip waarop Maria zich bevindt, prent door Johannes van den Aveele (ca. 1689–1691). Rijksmuseum, Amsterdam, inv.nr. RP-P-AO-11-4C.
Maria’s kring in de Republiek
Ruim twee decennia eerder was Maria in de Republiek aangekomen, nadat ze in 1677 was uitgehuwelijkt aan haar neef, stadhouder Willem III, prins van Oranje (1650–1702). Daar bouwde ze vanaf haar vijftiende levensjaar een nieuw bestaan op. Ze verbleef onder meer op Huis ten Bosch en Huis Honselaarsdijk, en samen met Willem liet ze het zomerpaleis Het Loo bouwen. Ze vulde haar dagen met wandelen, borduren, lezen en, zoals later beschreven zal worden, religieuze bezigheden.[4]
Maria omringde zich met Nederlandse contacten met wie ze haar activiteiten kon delen. Zo ontstonden er vriendschappen tussen haar en verschillende adellijke dames. Een eerste voorbeeld hiervan was Johanna Margaretha van Arnhem (1635–1721). Zij correspondeerde regelmatig met Maria en ontving, na Maria’s overtocht naar Engeland, een uiterst persoonlijke gift, namelijk een haarlok. Het was voor Maria gebruikelijk haar vrouwelijke kennissen geschenken te geven om de onderlinge loyaliteit te versterken.[5] Dat gold ook voor een tweede voorbeeld uit Maria’s kring van Nederlandse vriendinnen: de hofdame aan wie zij de eerder geciteerde brieven schreef. Maria schonk in 1686 aan Mlle [Mademoiselle] d’Obdam – zoals Maria haar aanschreef – een hartvormige hanger als getuigenis van hun band.
Hartvormige hanger van Agnes van Wassenaer Obdam, met een briefje waaruit blijkt dat zij deze in 1686 van Maria Stuart II ontving. Kasteel Twickel, Delden, inv.nr. G00825.
Mlle d’Obdam en haar netwerk
Mlle d’Obdam groeide waarschijnlijk op in Heusden, in de adellijke familie Van Wassenaer Obdam. Door de welgestelde positie van haar familie had ze een zekere mate van opleiding genoten – iets wat in de vroegmoderne periode voor vrouwen slechts aan een klein aantal was voorbehouden.[6] Vanaf haar zestiende vertrok ze naar Den Haag, waarheen haar ouders, luitenant-admiraal Jacob baron van Wassenaer Obdam (1610–1665) en Agnes van Renesse van der Aa (1610–1661), waren verhuisd. In Den Haag verkeerde Mlle d’Obdam in invloedrijke adellijke kringen van de Republiek, die nauwe relaties onderhielden met het stadhouderlijk hof. Binnen deze context kreeg zij vermoedelijk haar aanstelling als hofdame van Maria. Ze trouwde nooit, maar had – in tegenstelling tot de meeste ongehuwde vrouwen in die tijd – voldoende vermogen om een eigen huishouden te voeren.[7]
Dankzij haar banden met het hof en de Haagse adel had Mlle d’Obdam toegang tot een breed informatienetwerk, zoals blijkt uit haar bewaarde documentatie in het Huisarchief van Kasteel Twickel in Delden.[8] Daar ligt onder meer een stapel met ‘verslagen van nieuwtjes’ uit Den Haag die zij tussen 1688 en 1690 ontving tijdens haar jaarlijkse verblijf in de herfstmaanden op Paleis Het Loo. Via deze berichten bleef zij op de hoogte van de politieke en militaire gebeurtenissen rond de machtsovername van Willem en Maria in Engeland, Schotland en Ierland – bekend als de Glorious Revolution (1688–1689). In een brief van 8 september 1689 werd bijvoorbeeld vermeld dat de afgezette Engelse koning Jacobus II (1633–1701), de vader van Maria, zich uit Dublin had teruggetrokken en zijn toevlucht zocht in Limerick, in het westen van Ierland.[9] Dit laat zien dat Mlle d’Obdam beschikte over contacten die haar informeerden over internationale aangelegenheden die ook voor de Republiek van belang waren, zelfs wanneer zij zich niet in Den Haag bevond.
Verslag van nieuwtjes uit Den Haag van 8 september 1689, ontvangen door Agnes van Wassenaer Obdam. Huisarchief Twickel, Delden, inv.nr. 1.5.09.1.335 (L); Stapel met brieven van Maria StuartII aan Agnes van Wassenaer Obdam. Huisarchief Twickel, Delden, inv.nr. 1.5.09.1.331.15 (R).
Daarnaast bevindt zich in het archief van Twickel correspondentie van Mlle d’Obdam. Ondanks hun uitsluiting van formeel bestuur gebruikten veel adellijke vrouwen in de vroegmoderne tijd briefcorrespondentie om via netwerken relaties aan te wenden en zo hun eigen positie te versterken.[10] Dit gold ook voor Mlle d’Obdam, die door haar opleiding in staat was gesteld brieven in het Frans te schrijven. Zij onderhield briefwisseling met verschillende mannen en vrouwen, onder wie Sophia van de Palts, keurvorstin van Hannover (1630–1714).
De correspondentie van Maria en Mlle d’Obdam
Mlle d’Obdam correspondeerde ook met Maria. Voor zover bekend zijn er achttien brieven bewaard gebleven in Twickel die Maria aan Mlle d’Obdam schreef in de periode vanaf haar vertrek naar Engeland tot aan haar dood in 1695, alsook één kopie van een brief van Mlle d’Obdam aan Maria uit 1693. In 1880 werden deze brieven gepubliceerd in Lettres et mémoires de Marie, Reine d’Angleterre, samengesteld door Caroline Mechthild, gravin van Bentinck (1826–1899).[11] Links naar scans van deze uitgave zijn opgenomen in de brievencollectie van Maria in Early Modern Letters Online. Een vergelijking met het originele materiaal laat echter zien dat de getranscribeerde versies niet geheel overeenkomen met de oorspronkelijke brieven.[12]
De inhoud van de brieven wijst op een uitgebreidere correspondentie tussen deze vrouwen. Maria verwees namelijk naar tal van brieven die door Mlle d’Obdam werden gestuurd en verontschuldigde zich meermaals dat zij te weinig tijd had om haar sneller en uitvoeriger te antwoorden. Maria had in Engeland minder tijd voor persoonlijke bezigheden dan in de Republiek, zoals ze zelf aan Mlle d’Obdam liet weten op 20 augustus 1689.[13] Dit lijkt vooral te maken te hebben gehad met haar verantwoordelijkheden als koningin-regentes, aangezien zij de uitvoerende macht uitoefende wanneer Willem niet in Engeland was. In totaal was Willem tot aan Maria’s overlijden tweeëndertig maanden afwezig.[14]
De betekenis van vriendschap
De brieven van Maria zijn rijkelijk gevuld met verwijzingen naar haar ‘oprechte vriendschap’ voor Mlle d’Obdam. Zo schreef zij op 1 juli 1692: ‘u zult in mij altijd een oprechte vriend vinden’, en op 17 november 1693: ‘Wees er altijd van verzekerd dat, of ik nu schrijf of niet, ik altijd met grote oprechtheid uw vriendin ben’.[15] Een hedendaagse lezer zou dit kunnen interpreteren als uitingen van persoonlijke intimiteit, terwijl dergelijke verwijzingen in de vroegmoderne tijd niet noodzakelijk emotionele uitdrukkingen waren.
De vorm en inhoud van brieven werden destijds namelijk sterk beïnvloed door sociale en retorische regels, oftewel de epistolaire conventies. Formuleringen van vriendschap, genegenheid en oprechtheid vormden in verschillende contexten een belangrijk onderdeel daarvan. Ze dienden bijvoorbeeld om de lezer te overtuigen van de betrouwbaarheid van de boodschap, aangezien persoonlijke ontmoetingen als geloofwaardiger werden beschouwd dan schriftelijke communicatie. Om het gebrek aan fysiek contact te compenseren, moesten dergelijke formuleringen vertrouwen wekken bij de ontvanger.[16] Daarnaast konden verwijzingen naar vriendschap fungeren als middel om de statusverhouding tussen correspondenten te communiceren: de afzender gebruikte die om zijn of haar gelijkwaardige dan wel hogere positie binnen de sociale hiërarchie te benadrukken. In die context waren het dus geen vertoningen van intimiteit.[17]
Dit roept de vraag op of de uitdrukkingen van Maria aan Mlle d’Obdam onderdeel waren van briefconventies. Een vergelijking met haar andere briefmateriaal biedt tot op zekere hoogte meer inzicht. Net als Mlle d’Obdam correspondeerde Maria met haar nicht Sophia van de Palts. Vier brieven van Maria aan haar zijn bewaard gebleven en tevens gepubliceerd in Lettres et mémoires de Marie, Reine d’Angleterre. In alle brieven schrijft Maria over vriendschap en genegenheid, zoals in die van 3 juni 1689: ‘Hoewel ik niet de eer heb u te kennen, koester ik toch een achting voor u die ik vriendschap durf te noemen’.[18] Dit laat zien dat het benoemen van vriendschap voor Maria niet automatisch een persoonlijke band betekende; ze had haar nicht immers nog nooit ontmoet. De uitingen aan Mlle d’Obdam maakten dus vermoedelijk deel uit van briefceremonieel, wat tot de vraag leidt in hoeverre zij laten zien of de relatie tussen Maria en Mlle d’Obdam getuigde van intimiteit.
Portret van Maria II Stuart, prent door John Smith (ca. 1689–1691). Rijksmuseum, Amsterdam, inv.nr. RP-P-OB-104.600 (L); Portret van Sophia van de Palts, prent door John Smith (ca. 1700–1740). Royal Collection Trust, Londen, inv.nr. RCIN 610361 (R).
Een andere bron biedt meer inzicht in Mlle d’Obdams opvatting over hun band. Voor Maria schreef zij een onafgemaakt zelfportret, waarin ze noteerde dat hun vriendschap een van de grootste gelukken van haar leven was. Ze beschreef hoe het haar pijn deed dat haar vriendin de Republiek had verlaten, en dat hun enige troost bestond in het delen van hun ‘wederzijdse verdriet via brieven’. Zij typeerde hun vriendschap als een relatie gebaseerd op wederzijds vertrouwen, die haar ‘zekerheid gaf over de oprechtheid’ van elkaars intenties. In Maria vond zij een ‘bewonderenswaardige welwillendheid en een voortdurende zorg’ om haar ‘de grootsheid van haar vriendschap te tonen’.[19]
Dat laatste weerspiegelt de voornaamste functie van vriendschap in de vroegmoderne tijd. In tegenstelling tot een relatie die op persoonlijke affectie was gebaseerd, was vriendschap een vorm van onderlinge toewijding, gericht op het leveren van inspanningen waarmee individuen hun maatschappelijke en economische positie konden versterken.[20] Het onderhouden van deze band via correspondentie was daarom van groot belang. Hoewel Maria’s uitingen van bereidheid om iets voor haar vriendin te doen – zoals in haar brief van 21 september 1694: ‘u zult mij echter altijd bereid vinden om u bij elke gelegenheid mijn vriendschap te tonen’ – mogelijk conventioneel waren, beschouwde Mlle d’Obdam wederzijdse inspanningen als kenmerkend voor hun onderlinge relatie.[21] Zoals verder zal blijken, biedt de inhoud van de correspondentie voorbeelden van de manier waarop beide vrouwen zich actief voor elkaar inspanden.
Maria’s religieuze overtuigingen
Gedurende Maria’s leven was er internationale politiek-religieuze onrust in West-Europa. Al vanaf haar jeugd werd zij geconfronteerd met deze spanningen, waarbinnen zijzelf een aanzienlijke rol zou spelen. Hoewel haar vader, Jacobus, hertog van York, katholiek was, had Maria’s oom, de Engelse koning Karel II (1630–1685), haar protestants laten opvoeden en aan de Church of England gebonden. Haar oom huwelijkte haar uit aan de protestantse Willem van Oranje en gebruikte haar daarmee als een strategisch middel om een protestants blok te vormen tegen de Franse koning. Lodewijk XIV (1638–1715) voerde binnen Frankrijk een strikt katholiek beleid en probeerde met zijn buitenlandse politiek de Franse invloed in Europa te vergroten. Toen Maria’s oom kinderloos stierf in 1685, volgde haar vader hem op als koning Jacobus II. Zijn katholieke beleid leidde tot groeiende tegenstand van het parlement en de Anglicaanse Kerk in Engeland. Deze spanningen mondden uiteindelijk uit in zijn afzetting en de machtsovername door Willem en Maria, die de protestantse monarchie herstelden.[22]
Maria was ervan overtuigd dat zij door God was voorbestemd om een groter religieus doel te vervullen, namelijk het veiligstellen van de Reformatie. Dat zij diende ter versterking van het protestantisme in Europa, was haar al van jongs af aan duidelijk gemaakt door haar uithuwelijking. In de loop der jaren raakte zij er echter steeds meer van doordrongen dat zij zich samen met haar man moest verzetten tegen het katholicisme en de aanhangers van haar vader. Deze religieus-politieke overtuiging legitimeerde haar betrokkenheid bij de overname in 1689.[23]
Willem III neemt voor zijn reis naar Engeland afscheid van zijn vrouw, Maria Stuart II, prent door Jacob Gole (1688). Rijksmuseum, Amsterdam, inv.nr. RP-P-1952-646.
Een belangrijke katalysator hiervoor was een gebeurtenis die plaatsvond in de jaren tachtig van de zeventiende eeuw. In 1598 was in Frankrijk het Edict van Nantes ondertekend, dat een beperkte mate van godsdienstvrijheid bood voor protestanten. Vanaf omstreeks 1680 werden protestanten, ook wel hugenoten, echter steeds meer vervolgd in Frankrijk. Toen Lodewijk XIV in 1685 het edict herriep, eindigde de periode van beperkte godsdienstvrijheid. Als gevolg vond een massale emigratie van hugenoten uit Frankrijk plaats, waarbij velen hun toevlucht zochten in Brandenburg en de Republiek.[24]
De Republiek vormde voor deze Franse vluchtelingen een toevluchtsoord, aangezien zij een plek bood waar de publieke kerk protestants was en er afkeer bestond van Lodewijk XIV’s religieuze beleid.[25] De vluchtelingen werden verwelkomd door Willem en Maria, die het als hun taak zagen deze protestanten op te vangen. Veel kooplieden en fabrikanten trokken naar steden als Amsterdam, Rotterdam en Leiden, terwijl Franse edelen zich vestigden in Den Haag, de hofstad.[26]
In Engeland werden Franse vluchtelingen daarentegen niet ontvangen door de katholieke Jacobus II.[27] Na hun troonsbestijging vaardigden Willem en Maria dan ook direct een verklaring uit, waarin zij de Franse hugenoten bescherming beloofden in hun pas veroverde koninkrijk:
We do hereby Declare, That all French Protestants that shall seek their Refuge in, and Transport themselves into this Our Kingdom, shall not only have Our Royal Protection […] But We will also do Our Endeavour in all reasonable ways and means, so to Support, Aid, and Assist them.[28]
Maria’s religieuze opvattingen en praktijken werden gevormd tijdens haar jaren in de relatief tolerante religieuze omgeving van de Republiek. Daar omringde zij zich met een groep geestelijken die, net als zijzelf, het latitudinarisme aanhingen. Dit hield in dat zij geloofden in een praktisch christendom, waarin het leiden van een christelijk leven – bijvoorbeeld het tonen van naastenliefde jegens andere protestanten – belangrijker werd geacht dan louter ceremoniële manifestaties van het geloof. Maria uitte dit onder meer door weldoenster te worden van de Engelse Kerk in Den Haag, waar zij regelmatig kerkdiensten bijwoonde.[29] Haar betrokkenheid bij de opvang van vervolgde protestanten weerspiegelde zowel haar latitudinaristische overtuiging als haar geloof dat zij door God geroepen was om een groter protestants doel te dienen.
Sociétés des Dames Françaises
In de Republiek werden verenigingen opgericht om Franse protestanten op te vangen, waaronder enkele specifiek voor adellijke, ongehuwde vrouwen en weduwen. In 1683 nam Charles Gourjault, markies de Venours, het initiatief om zo’n vrouwenvereniging, oftewel Société des Dames Françaises, in Haarlem te stichten. In datzelfde jaar keurden de Staten van Holland en de Prins van Oranje de opening van een opvanghuis in Haarlem goed. Er ontstonden vervolgens meerdere soortgelijke sociëteiten in steden als Den Haag, Rotterdam en Schiedam. Vanaf juni 1686 besteedde het Haagse bestuur jaarlijks 500 gulden aan de huur van Huis ter Noot aan de Bezuidenhoutseweg, waar Franse dames konden verblijven tot 1696. Daarnaast bevonden zich in de stad opvanghuizen achter de Kloosterkerk en aan het Westeinde.[30]
Gezicht op Kasteel Ter Noot, prent door Cornelis Elandts (1663–1670). Rijksmuseum, Amsterdam, inv.nr. RP-P-1887-A-12079.
Deze sociëteiten waren streng georganiseerde religieuze gemeenschappen die dienden als een veilig onderkomen voor vrouwen. De sociëteit in Haarlem bood plaats aan dertig Franse dames, die werden voorzien van brood, wijn, bier en verwarming, maar ook zelf bepaalde middelen moesten meebrengen, zoals een eigen bed en beddengoed, én een inleg van 4.000 Franse livres. Wie de sociëteit verliet, moest een kwart van haar inleg bij de gemeenschap achterlaten. Vrouwen zonder middelen konden worden opgenomen tegen een jaarlijkse bijdrage van 125 gulden.[31]
De sociëteiten waren georganiseerd volgens nauwgezette reglementen en een hiërarchisch bestuur. Alle opgevangen dames dienden zich te conformeren aan strenge regels en hun dagelijkse routine was gestructureerd. Tot elf uur konden zij zich klaarmaken voor de dag en tijd besteden aan hun persoonlijke devoties, waarna zij gezamenlijk baden en het middagmaal nuttigden. In de middag waren de dames verplicht handwerk te verrichten in de gemeenschappelijke zaal van het huis – zoals het maken van linnen en zijden stoffen voor meubilair – of te helpen bij de opvoeding van jonge meisjes. Elke avond was er om zeven uur avondeten, gevolgd door vroomheidsoefeningen en gebeden.
De leiding van de gemeenschap bestond uit een directrice, die werd bijgestaan door een coadjutrix en drie intendantes. De directrice had de hoogste positie binnen het huis. Zo bezat zij de sleutels van alle kamers en moest zij – of bij haar afwezigheid de coadjutrix – aanwezig zijn wanneer de vrouwen mannelijk bezoek ontvingen dat niet tot de familie behoorde. Daarnaast stond de sociëteit onder toezicht van het stedelijk bestuur en de Waalse Kerk.[32]
Maria en Mlle d’Obdam voor de Haagse sociëteit
Maria nam de sociëteiten in Haarlem en Den Haag onder haar bescherming. Ook na haar vertrek bleef zij betrokken bij de opvangpraktijken in de Republiek, zo blijkt uit haar briefwisseling met Mlle d’Obdam. Zij correspondeerden meermaals over de opvang van protestantse vluchtelingen, een zaak waarvoor ook Mlle d’Obdam zich in Den Haag inzette. Mlle d’Obdam verbleef in haar vertrekken in het huis van haar familie op de hoek van de Kneuterdijk en het Lange Voorhout, waardoor zij enerzijds dicht bij de verschillende Haagse vluchtelingenhuizen was gepositioneerd en anderzijds bij de Haagse adel. Dankzij haar netwerk en toegang tot informatie was zij de ideale contactpersoon voor Maria.[33]
Het Lange Voorhout, gezien naar de Kneuterdijk en de Heulstraat. Rechts de Kloosterkerk, door Jan van Call (ca. 1690). Haags Gemeentearchief, Den Haag, inv.nr. 8088-01.kl.A427.
In de eerste plaats droeg Maria financieel bij door jaarlijks 1.000 gulden te schenken aan de verenigingen om hen in hun voortbestaan te ondersteunen.[34] De correspondentie laat zien dat Maria ook na 1689 financieel betrokken bleef. In Maria’s brief van 12 mei 1692 is te lezen dat zij van Mlle d’Obdam, die haar op de hoogte hield van de ontwikkelingen rond de opvang, had vernomen dat er een tekort aan middelen in de sociëteit was ontstaan. Maria schreef dat dit haar verdriet deed en dat zij ‘zo veel medelijden met deze arme vluchtelingen’ had.[35] In 1693 stuurde Mlle d’Obdam aan Maria eenzelfde soort bericht, zoals te lezen is in de bewaarde kopiebrief van Mlle d’Obdam. Hieruit blijkt dat Maria nog steeds jaarlijks de 1000 gulden betaalde en deze aan Mlle d’Obdam toevertrouwde, opdat zij het geld kon verdelen voor de benodigdheden van de opvang.[36]
Ditmaal schreef Mlle d’Obdam over de stijgende kosten en de honger onder de vluchtelingen, veroorzaakt door de hogere voedselprijzen. Daarom deed zij een beroep op haar vriendschap met Maria: ‘Alleen het welbehagen van Uwe Majesteit en de hoop op de verlichting die ik hen kan bieden’ zouden haar kunnen helpen.[37] Zij beschreef dat het bedrag dat Maria al schonk niet langer toereikend was en vroeg haar daarom het jaarlijkse bedrag te verhogen, zodat het de vereniging in tijden van schaarste zou kunnen ondersteunen. Het is niet duidelijk of Mlle d’Obdam daadwerkelijk een hogere schenking ontving, maar uit de toenadering blijkt dat zij het als een mogelijkheid zag om bij Maria op medeleven en vrijgevigheid te rekenen. Dat juist Mlle d’Obdam verantwoordelijk was voor het verdelen van Maria’s bijdrage, toont aan dat zij een echte vertrouwelinge van haar was.
Mlle d’Obdam vroeg Maria regelmatig op andere manieren om hulp. Op 15 maart 1689 schreef Maria: ‘ik heb nog geen tijd gehad om met de koning te spreken over uw gevluchte dame […] die u in het appartement van Monsieur Ménard wilt onderbrengen’.[38] Mlle d’Obdam had blijkbaar aan Maria gevraagd om haar hiermee te helpen. Jean Ménard was een hugenotenpredikant die naar de Republiek was gevlucht en na het vertrek van Willem eveneens naar Engeland trok, waar hij zich in Londen inzette voor Franse kerkelijke gemeenschappen en contact onderhield met Maria.[39] Maria beschreef in haar brief dat zij haar best zou doen om de zaak met de koning te bespreken, omdat ‘alles wat zich in Holland afspeelt [mij] zo na aan het hart ligt, dat ik niets zal vergeten, althans ik zal mijn best doen om dat te voorkomen’.[40]
Bijna twee jaar later, op 15 december 1690, schreef de koningin een vergelijkbaar bericht: ‘Ik zal niet nalaten, wanneer de koning vertrekt, hem de kwestie van de gevluchte dames aan te bevelen’.[41] Wat zij precies aan de koning wilde aanbevelen, is niet geheel duidelijk, omdat de inkomende brieven van Mlle d’Obdam niet bewaard zijn gebleven. Wel blijkt dat Maria opnieuw haar bereidheid uitsprak om als voorspraak bij Willem op te treden ten behoeve van Mlle d’Obdam en de vluchtelingen.
De correspondentie laat daarnaast zien dat Maria zich bemoeide met het bestuur van de Haagse vereniging. In november 1693 schreef zij aan Mlle d’Obdam dat zij van Jean Ménard had vernomen dat:
De dames van de Haagse sociëteit zouden u graag vragen om hun directrice te worden. Ik vind dat ze gelijk hebben en ik ben ervan overtuigd dat hun zaken er alleen maar beter op zouden worden.[42]
Maria sprak hiermee haar steun uit voor dit plan, omdat zij in Mlle d’Obdam iemand zag die gezag kon uitoefenen op de vrouwen die bij het bestuur betrokken waren.
Brief van Maria StuartII aan Agnes van Wassenaer Obdam. Huisarchief Twickel, Delden, inv.nr. 1.5.09.1.331.15.
De directrice bekleedde een sleutelpositie in de vereniging, aangezien zij de hoogste functie binnen het bestuur had. Uit Maria’s volgende brief van december 1693 blijkt dat deze functie onderwerp was van rivaliteit onder de dames en dat er ‘enige jaloezie’ over was ontstaan.[43] Zij schreef dat zij contact had gehad met twee andere dames uit de sociëteit, die haar vertelden dat zij Mlle d’Obdam eveneens een geschikte kandidaat vonden als directrice, maar dat er ook vrouwen waren die daar anders over dachten. Maria wilde Mlle d’Obdam hierover informeren en haar waarschuwen voor de onderlinge jaloezie die haar positie binnen de groep kon ondermijnen.
Diezelfde maand gebruikte Mlle d’Obdam deze informatie om de dames van de vereniging toe te spreken. In een bewaard gebleven mémoire van 18 december verklaarde zij dat zij op de hoogte was van het gerucht dat zij directrice wilde worden, en dat sommige vrouwen zich daartegen verzetten. Zij ontkende dit en benadrukte dat zij de functie al meerdere jaren had geweigerd. Mlle d’Obdam riep de dames op hun onderlinge ruzies te beëindigen en herinnerde hen eraan dat hun werk slechts mogelijk was dankzij ‘de liefdadigheid van Hare Britse Majesteit’.[44] Ze vroeg de dames om de naastenliefde die hun werk kenmerkte ook jegens elkaar te tonen.
Hoewel de brieven geen uitsluitsel geven over de afloop van de kwestie, blijkt dat Maria de functie van directrice graag aan Mlle d’Obdam had willen toevertrouwen. In april 1694 onderstreepte Maria opnieuw haar vertrouwen in Mlle d’Obdams beoordelingsvermogen, door te schrijven dat zij het best kon inschatten wie binnen de vereniging hulp behoefde.[45]
Het feit dat het onderwerp van de vluchtelingen zo vaak in hun correspondentie terugkeert, laat zien dat het voor beide vrouwen van groot belang was en dat zij zich er actief voor inzetten. Mlle d’Obdam fungeerde voor Maria als tussenpersoon: zij hield haar op de hoogte van de situatie in Den Haag en beheerde haar financiële bijdrage. Zo wist Maria na haar vertrek een zekere mate van invloed binnen de Haagse vereniging te behouden. Voor Mlle d’Obdam was de vriendschap met Maria op haar beurt essentieel om hulp te vragen, onder meer via voorspraak bij de koning, en om financiële steun veilig te stellen. Daarnaast wisselde Maria informatie met haar uit, bijvoorbeeld verkregen van Jean Ménard, om haar positie binnen de vereniging te versterken.[46]
Vriendschap en correspondentie
Briefcorrespondentie was dus een belangrijk middel voor Maria en Mlle d’Obdam om hun vriendschap in te zetten: zij wisselden informatie uit, steunden elkaar en werkten aan een gemeenschappelijk doel. De nabijheid tot de koningin bood Mlle d’Obdam de mogelijkheid haar positie te versterken, terwijl Maria via haar juist haar idealen kon verwezenlijken. Maria’s nieuwjaarswens aan Mlle d’Obdam van december 1692 – ‘Ik wens u op mijn beurt alle spirituele en wereldlijke voldoening toe. Als mijn vriendschap op enigerlei wijze kan bijdragen aan het laatste, kunt u daar voor altijd zeker van zijn’ – was dan ook geen loze belofte.[47]
Fien Jordaens, 10 november 2025
Voetnoten:
* Alle citaten zijn vrij vertaald uit het Frans en afkomstig uit de primaire bronnen waarnaar wordt verwezen. De originele tekst wordt in de voetnoten weergegeven. De datering van de primaire bronnen wordt in Nieuwe Stijl vermeld.
[1] Maria Stuart II aan Agnes van Wassenaer Obdam, 19 februari 1689, Huisarchief Twickel (Delden) [hierna: HAT], inv.nr. 1.5.09.1.331.15: ‘c’est une si grand chagrin pour moi de quiter une pais ou j’ay este si heureux’.
[2] Maria Stuart II aan Agnes van Wassenaer Obdam, 15 maart 1689–1691, HAT, inv.nr. 1.5.09.1.331.15: ‘une pais que j’aime comme le mien ou je suis nee’; idem, 17 november 1693.
[3] Maria Stuart II aan Agnes van Wassenaer Obdam, 15 december 1690, HAT, inv.nr. 1.5.09.1.331.15: ‘Quel satisfaction sera ce pour moi, quel joy, de revoir une pais qui m’est si chere’. Zie ook: idem, 30 december 1692.
[5] Zie het werk van Holly Marsden, assistent-conservator bij Kensington Palace. Marsden promoveerde in 2024 op een onderzoek naar de persoonlijke en publieke identiteiten van koningin Maria Stuart II. Tijdens mijn bezoek aan het archief in Twickel wees zij mij op de betekenis van de bredere kring van Maria’s Nederlandse vriendinnen. Voor de haarlok, zie: Van koningin Mary van Engeland. Met een aan haar toegeschreven haarlok, geschonken aan de vrouwe van Rosendael, 1689, Gelders Archief (Arnhem), inv.nr. 0525.52.
[6] Ineke Huysman, ‘Inleiding’ in: Ineke Huysman en Roosje Peters eds., Vrouwen rondom Johan de Witt (Soest 2024) 15: ‘Meisjes uit welgestelde families kregen thuis onderwijs in vaardigheden die als ‘vrouwelijk’ werden beschouwd, zoals borduren en muziek, maar soms ook rekenen, lezen (in de Bijbel) en schrijven in het Nederlands en Frans’.
[7] Anne-Marieke van Schaik, ‘Agnes van Wassenaer Obdam (1635–1698)’ in: Hans Brokken ed., Heren van stand. Van Wassenaer 1200–2000. Achthonderd jaar Nederlandse adelsgeschiedenis (Zoetermeer 2001) 263-266; Evelyn Ligtenberg, ‘‘Le marriage m’a toujours fait peur’. Ongehuwde adellijke vrouwen in de zeventiende en achttiende eeuw’, Virtus 26 (2019) 27-54; Thera Wijsenbeek-Olthuis en Vibeke Kingma, ‘Politieke kringen’ in: Thera Wijsenbeek-Olthuis ed., Het Lange Voorhout, monumenten, mensen en macht (Zwolle 1998) 62.
[8] Van Schaik, ‘Agnes van Wassenaer Obdam’, 263-266. Kasteel Twickel werd van de zeventiende tot de achttiende eeuw geërfd door het geslacht Van Wassenaer Obdam. Voor meer over de relatie tussen de tak Van Wassenaer Obdam en Twickel, zie: Inleiding van de inventaris, HAT, inv.nr. 2.1.3.
[9] Verslag van nieuwtjes uit Den Haag van 8 september 1689, ingekomen bij Agnes van Wassenaer Obdam, HAT, inv.nr. 1.5.09.1.335: ‘tout se declare deia en faveur du roy guillaume et dela reine marie depuis que le roy s’est retiré de dublin pour aller dit on au fort de limmerick qui est a l’oüest de l’irlande’.
[11] Mechthild Bentinck, Lettres et mémoires de Marie, Reine d’Angleterre, Épouse de Guillaume III (Den Haag 1880).
[12] In de eerder geciteerde brief van Maria van 15 maart 1689–1691 schreef zij bijvoorbeeld ‘une pais que j’aime comme le mien’, terwijl er in de getranscribeerde versie ‘un païs que j’estime comme le mien’ staat. In dit geval zorgen de wijzigingen voor een betekenisverandering.
[13] Maria Stuart II aan Agnes van Wassenaer Obdam, 20 augustus 1689, HAT, inv.nr. 1.5.09.1.331.15.
[14] Melinda Zook, ‘An Incomparable Queen: Mary II, the Protestant International, and the Church of England’ in: idem, Protestantism, Politics, and Women in Britain, 1660–1714 (New York 2013) 145.
[15] Maria Stuart II aan Agnes van Wassenaer Obdam, 1 juli 1692, Bentinck, Lettres et mémoires de Marie, 133-134: ‘vous me trouverez tousjours une amie sincère’; idem, 17 november 1693, Bentinck,Lettres et mémoires de Marie, 136-138: ‘Soyez tousjours assurée que, si j’escris ou non, je suis tousjours avec beaucoup de sincérité vostre amie’.
[16] Carolyn James en Jessica O’Leary, ‘Letter-Writing and Emotions’ in: Susan Broomhall en Andrew Lynch eds., The Routledge History of Emotions in Europe: 1100–1700 (Londen 2019) 256, 267.
[17] Giora Sternberg: ‘Epistolary Ceremonial: Corresponding Status at the Time of Louis XIV’, Past and Present 204:1 (Oxford 2009) 33-88. Voor meer over vroegmoderne brieven en epistolaire stijl en conventies, zie: Jane Couchman, ‘‘Give birth quickly and then send us your good husband’: Informal Political Influence in the Letters of Louise de Coligny’ in: Jane Couchman en Ann Crab eds., Women’s Letters Across Europe, 1400–1700. Form and Persuasion (Londen 2005) 163-184; James Daybell, Early Modern Women’s Letter Writing, 1450–1700 (Basingstoke 2001); Gary Schneider, ‘An Introduction to Early Modern Epistolarity’ in: idem, The Culture of Epistolarity: Vernacular Letters and Letter Writing in Early Modern England, 1500–1700 (Cranbury 2005) 22-74.
[18] Maria Stuart II aan Sophia van de Palts, 3 juni 1689, Bentinck, Lettres et mémoires de Marie, 104-105: ‘Quoique je n’aye pas l’honneur de vous connoître, je ne laisse pas d’avoir une estime pour vous que j’ose nommer amitié’.
[19] Zelfportret van Agnes van Wassenaer Obdam, z.j., HAT, inv.nr. 1.5.09.1.338: ‘toutte nostre consolation estoit de nous communiquer notre mutuelle douleur par lettres […] fidelle amie […] une confidence reciproque […] une profonde conscience ce vous donne seuretee de la candeur de son ame et de sa fermetee […] je trouvois dans mon amie me confidence entiere une complaisance admirable et un soin continuel a me tesmogner sa grandeur de son amitie’.
[20] Edwina Hagen en Lisa Bakhuizen van den Brink, ‘De emotionele diplomatie van vriendschap: De correspondentie van Madame Van der Goes, informeel gezante aan het Deense hof, 1787–1793’, BMGN – Low Countries Historical Review 140:3 (2025) 50.
[21] Maria Stuart II aan Agnes van Wassenaer Obdam, 21 september 1694, Lettres et mémoires de Marie, 149-150: ‘cependant vous me trouverez tousjours preste à vous témoigner mon amitié en toutes occasions’.
[22] Wout Troost, ‘James II, William III and Louis XIV (1685–88)’ in: idem, William III the Stadholder-king: A Political Biography (Londen 2005) 187; Zook, ‘An Incomparable Queen’, 130, 133; Haks, ‘Maria Stuart II’.
[24] Troost, ‘James II, William III and Louis XIV’, 176, 179. Voor meer over de migratie van hugenoten naar de Republiek na de herroeping van het Edict van Nantes, zie: Willem Frijhoff, ‘Vanishing Fatherlands and Moving Identities: Walloons and Huguenots in the Dutch Republic’ in: Yosef Kaplan ed., Early Modern Ethnic and Religious Communities in Exile (Newcastle upon Tyne 2017) 117-142; Lionel Laborie, ‘Religious Persecution in Eighteenth-Century France’, Leidschrift 38:1 (Leiden 2023) 65-77.
[25] Troost, ‘James II, William III and Louis XIV’, 176, 179.
[26] Laurens van den Bergh, ‘De Fransche Dames’ in: idem, ‘s Gravenhaagsche Bijzonderheden (Den Haag 1859) 49; David Lambert, The Protestant International and the Huguenot Migration to Virginia (New York 2010) 32; Michael Walker, La Grande Arche des Fugitifs? Huguenots in the Dutch Republic After 1685 (MA Thesis Brigham Young University 2011).
[27] Troost, ‘James II, William III and Louis XIV’, 176, 179.
[28] ‘By the King and Queen, a declaration for the encouraging of French Protestants to transport themselves into this kingdom’, 25 april 1689, geprint door Charles Bill en Thomas Newcomb, Londen. Geraadpleegd op 8 november 2025: Oxford Text Archive.
[30] Elizabeth Hamilton, William’s Mary: A Biography of Mary II (New York 1972) 132-134; D. Allégret, ‘Société des Dames Françaises de Harlem’, Bulletin Historique et Littéraire 27:7 (1878) 319-320; Van den Bergh, ‘De Fransche Dames’, 49-50; Lambert,The Protestant International and the Huguenot Migration toVirginia, 32.
[31] Hamilton, William’s Mary, 132-134; Allégret, ‘Société des Dames Françaises de Harlem’, 319-320.
[35] Maria Stuart II aan Agnes van Wassenaer Obdam, 12 mei 1692, HAT, inv.nr. 1.5.09.1.331.15: ‘Ces pauvres refugies me font si grande pitie. […] le peu de moyens m’afflige’.
[36] Agnes van Wassenaer Obdam aan Maria Stuart II, 1 december 1693, HAT, inv.nr. 1.5.09.1.331.15.
[37] Ibidem: ‘Il ni a que le bon plaisir de vostre M.té et l’esperance du soulagement que je pourrai leur procurer qui pourroit les disposer d’avoir quelque consideration pour moy’.
[38] Maria Stuart II aan Agnes van Wassenaer Obdam, 15 maart 1689–1691, Lettres et mémoires de Marie, 116-118: ‘mais je n’ay pas encore eu le temps de parler au Roy pour vostre dame réfugiée, dont il faut pourtant advouer que j’ay oublié le nom. Je veus dire celle que vous voudriez loger dans l’appartement de M. Menard’.
[39] In de brieven van Maria verwijst zij meermaals naar Jean Ménard; Hamilton, William’s Mary, 132-134.
[40] Maria Stuart II aan Agnes van Wassenaer Obdam, 15 maart 1689–1691, Lettres et mémoires de Marie, 116-118: ‘J’ay si fort à coeur tout ce qui est en Hollande, que je n’oublieray rien, du moins je feray mon mieux pour cela’.
[41] Maria Stuart II aan Agnes van Wassenaer Obdam, 15 december 1690, HAT, inv.nr. 1.5.09.1.331.15: ‘Je ne manqueres pas quand le Roi ira de lui recomander l’afaire des dammes refugies’.
[42] Maria Stuart II aan Agnes van Wassenaer Obdam, 17 november 1693, Lettres et mémoires de Marie, 136-138: ‘les dames de la société de la Haye voudroient bien vous prier d’estre leur directrice. Pour moi je trouve qu’elles ont raison, et je crois assurément que leurs affaires n’yroient que mieux; vostre authorité les empêcheroit d’avoir des disputes, qui arrivent quelques-fois parmi tant de personnes de nostre sexe’.
[43] Maria Stuart II aan Agnes van Wassenaer Obdam, 11 december 1693, HAT, inv.nr. 1.5.09.1.331.15: ‘mais il semble quil y a quelque jalousie’.
[44] Mémoire van Agnes van Wassenaer Obdam, 18 december 1693, HAT, inv.nr. 1.5.09.1.331.15: ‘la charité de sa Mté Britannique’.
[45] Maria Stuart II aan Agnes van Wassenaer Obdam, 28 april 1694, HAT, inv.nr. 1.5.09.1.331.15.
[46] Er zijn meerdere voorbeelden in de brieven waarin blijkt dat Maria en Mlle d’Obdam samen met andere vrouwen een netwerk vormden waarin zij informatie uitwisselden. Zie bijvoorbeeld: Maria Stuart II aan Agnes van Wassenaer Obdam, 15 maart 1689–1691, HAT, inv.nr. 1.5.09.1.331.15; idem, 30 mei 1690; idem, 13 juli 1693.
[47] Maria Stuart II aan Agnes van Wassenaer Obdam, 30 december 1692, HAT, inv.nr. 1.5.09.1.331.15: ‘Je vous souhaite a mon tour toute sorte de satisfaction spirituel et temporeles, si mon amitie peut en quelque sort contribuer au dernier vous en pouvez estre assuree pour tousjour’.
Literatuur:
Allégret, D., ‘Société des Dames Françaises de Harlem’, Bulletin Historique et Littéraire 27:7 (1878) 315-322.
Bergh, Laurens van den, ‘De Fransche Dames’ in: idem, ‘s Gravenhaagsche Bijzonderheden (Den Haag 1859) 47-58.
Couchman, Jane, ‘‘Give birth quickly and then send us your good husband’: Informal Political Influence in the Letters of Louise de Coligny’ in: Jane Couchman en Ann Crab eds., Women’s Letters Across Europe, 1400–1700. Form and Persuasion (Londen 2005) 163-184. DOI: https://doi.org/10.4324/9781315233512.
Daybell, James, Early Modern Women’s Letter Writing, 1450–1700 (Basingstoke 2001).
Frijhoff, Willem, ‘Vanishing Fatherlands and Moving Identities: Walloons and Huguenots in the Dutch Republic’ in: Yosef Kaplan ed., Early Modern Ethnic and Religious Communities in Exile (Newcastle upon Tyne 2017) 117-142.
Hagen, Edwina, en Lisa Bakhuizen van den Brink, ‘De emotionele diplomatie van vriendschap: De correspondentie van Madame Van der Goes, informeel gezante aan het Deense hof, 1787–1793’, BMGN – Low Countries Historical Review 140:3 (2025) 48-80. DOI: https://doi.org/10.51769/bmgn-lchr.18974.
Hamilton, Elizabeth, William’s Mary: A Biography of Mary II (New York 1972).
Huysman, Ineke, ‘Inleiding’ in: Ineke Huysman en Roosje Peters eds., Vrouwen rondom Johan de Witt (Soest 2024) 13-29.
James, Carolyn, en Jessica O’Leary, ‘Letter-Writing and Emotions’ in: Susan Broomhall en Andrew Lynch eds., The Routledge History of Emotions in Europe: 1100–1700 (Londen 2019) 256-268. DOI: https://doi.org/10.4324/9781315190778.
Lambert,David, The Protestant International and the Huguenot Migration toVirginia (New York 2010).
Ligtenberg, Evelyn, ‘‘Le marriage m’a toujours fait peur’. Ongehuwde adellijke vrouwen in de zeventiende en achttiende eeuw’, Virtus 26 (2019) 27-54. DOI: https://doi.org/10.21827/5e02102bac826.
Lougee, Carolyn, Facing the Revocation: Huguenot Families, Faith, and the King’s Will (New York 2016).
McClain, Molly, en Alessa Ellefson, ‘A Letter from Carolina, 1688: French Huguenots in the New World’, The William and Mary Quarterly 64:2 (2007) 377-394.
Schaik, Anne-Marieke van, ‘Agnes van Wassenaer Obdam (1635–1698)’ in: Hans Brokken ed., Heren van stand. Van Wassenaer 1200–2000. Achthonderd jaar Nederlandse adelsgeschiedenis (Zoetermeer 2001) 263-266.
Schneider, Gary, ‘An Introduction to Early Modern Epistolarity’ in: idem, The Culture of Epistolarity: Vernacular Letters and Letter Writing in Early Modern England, 1500–1700 (Cranbury 2005) 22-74.
Sternberg, Giora, ‘Epistolary Ceremonial: Corresponding Status at the Time of Louis XIV’, Past and Present 204:1 (Oxford 2009) 33-88. DOI: https://doi.org/10.1093/pastj/gtp018.
Wijsenbeek-Olthuis, Thera, Het Lange Voorhout, monumenten, mensen en macht (Zwolle 1998).
Troost, Wout, ‘James II, William III and Louis XIV (1685–88)’ in: idem, William III the Stadholder-king: A Political Biography (Londen 2005) 173-194.
Walker, Michael, La Grande Arche des Fugitifs? Huguenots in the Dutch Republic After 1685 (MA Thesis Brigham Young University 2011).
Zook, Melinda, ‘An Incomparable Queen: Mary II, the Protestant International, and the Church of England’ in: idem, Protestantism, Politics, and Women in Britain, 1660–1714 (New York 2013) 125-158.
Zuylen van Nyevelt, Suzette van, Court Life in the Dutch Republic 1638–1689 (Londen 1906).
Primaire bronnen:
‘By the King and Queen, a declaration for the encouraging of French Protestants to transport themselves into this kingdom’, 25 april 1689, geprint door Charles Bill en Thomas Newcomb, Londen. Geraadpleegd op 8 november 2025: Oxford Text Archive.
Agnes van Wassenaer Obdam aan Maria Stuart II, 1 december 1693, Huisarchief Twickel (Delden) [hierna: HAT], inv.nr. 1.5.09.1.331.15.
Maria Stuart II aan Agnes van Wassenaer Obdam, 19 februari 1689, HAT, inv.nr. 1.5.09.1.331.15.
Maria Stuart II aan Agnes van Wassenaer Obdam, 15 maart 1689–1691, HAT, inv.nr. 1.5.09.1.331.15.
Maria Stuart II aan Agnes van Wassenaer Obdam, 20 augustus 1689, HAT, inv.nr. 1.5.09.1.331.15.
Maria Stuart II aan Agnes van Wassenaer Obdam, 30 mei 1690, HAT, inv.nr. 1.5.09.1.331.15.
Maria Stuart II aan Agnes van Wassenaer Obdam, 15 december 1690, HAT, inv.nr. 1.5.09.1.331.15.
Maria Stuart II aan Agnes van Wassenaer Obdam, 1 juli 1692, HAT, inv.nr. 1.5.09.1.331.15.
Maria Stuart II aan Agnes van Wassenaer Obdam, 30 december 1692, HAT, inv.nr. 1.5.09.1.331.15.
Maria Stuart II aan Agnes van Wassenaer Obdam, 13 juli 1693, HAT, inv.nr. 1.5.09.1.331.15.
Maria Stuart II aan Agnes van Wassenaer Obdam, 17 november 1693, HAT, inv.nr. 1.5.09.1.331.15.
Maria Stuart II aan Agnes van Wassenaer Obdam, 11 december 1693, HAT, inv.nr. 1.5.09.1.331.15.
Maria Stuart II aan Agnes van Wassenaer Obdam, 28 april 1694, HAT, inv.nr. 1.5.09.1.331.15.
Maria Stuart II aan Agnes van Wassenaer Obdam, 21 september 1694, HAT, inv.nr. 1.5.09.1.331.15.
Maria Stuart II aan Sophia van de Palts, 3 juni 1689, Mechthild Bentinck ed., Lettres et mémoires de Marie, Reine d’Angleterre, Épouse de Guillaume III (Den Haag 1880) 104-105.
Mémoire van Agnes van Wassenaer Obdam, 18 december 1693, HAT, inv.nr. 1.5.09.1.331.15.
Van koningin Mary van Engeland. Met een aan haar toegeschreven haarlok, geschonken aan de vrouwe van Rosendael, 1689, Gelders Archief (Arnhem), inv.nr. 0525.52.
Verslag van nieuwtjes uit Den Haag van 8 september 1689, ingekomen bij Agnes van Wassenaer Obdam, HAT, inv.nr. 1.5.09.1.335.
Zelfportret van Agnes van Wassenaer Obdam, z.j., HAT, inv.nr. 1.5.09.1.338.
In het kader van haar stage bij het Stadhoudersvrouwenproject verdiepte Veerle Berends zich in de medische correspondentie tussen Maria Louise van Hessen-Kassel en haar lijfarts Bernard Wepfer. Aan de hand van ruim veertig brieven onderzocht ze hoe lichamelijke gezondheid, dynastieke zorg en politieke stabiliteit in de achttiende eeuw nauw met elkaar verweven waren. In haar blog beschrijft Veerle hoe kwalen, geneeskrachtige middelen en moederlijke zorgen samenkomen in een fascinerende briefwisseling, die niet alleen inzicht geeft in de medische praktijken van de tijd, maar ook in de cruciale rol van Maria Louise als beschermvrouw van de Oranje-dynastie.
In de rijke brievencollectie van de Friese stadhoudersvrouw Maria Louise van Hessen-Kassel (1688-1765) zijn vele brieven van verschillende individuen terug te vinden. Zo ook de brievencollectie van Bernard Wepfer (1684-1757), een van de artsen die in dienst was van de familie Oranje-Nassau gedurende de achttiende eeuw. Wepfer nam als lijfarts de zorg voor de stadhouderlijke familie op zich en stond daardoor dicht bij de macht. Het perspectief van een lijfarts is bijzonder om te bestuderen, omdat dit een andere invalshoek biedt op de alledaagse kwalen en rituelen van de Oranjes.[1] De collectie bestaat in totaal uit 42 brieven die Wepfer tussen 1731 en 1741 aan Maria Louise heeft geschreven: het gaat om 1 brief uit 1731, 16 brieven uit 1733, 23 brieven uit 1734 en 2 brieven uit 1741. Daarnaast bevindt er zich ook een ongedateerde brief tussen de collectie. Deze 42 brieven vormen slechts ongeveer de helft van de briefwisseling, omdat de brieven van Maria Louise helaas niet zijn overgeleverd.[2]
De brieven van Wepfer vormen vooral een interessante inkijk in het persoonlijke leven van Maria Louises zoon Willem IV (1711-1751), vanaf zijn negentiende tot zijn dertigste levensjaar. Willem was tijdens deze periode stadhouder van Groningen, Gelderland, Drenthe en Friesland.[3] De brieven vertellen veel over de problematiek rond zijn gezondheid: Willem was namelijk vaak ziek. Zijn gesteldheid is dan ook het doorlopende onderwerp in de brieven. Hier werd veel over gecorrespondeerd, omdat Willem IV zich in deze jaren veel in Den Haag en Engeland bevond en Maria Louise zich in 1731 in het Princessehof in Leeuwarden had gevestigd. Uit de antwoorden van Wepfer is op te maken dat Maria Louise zich ernstig zorgen maakte over het welzijn van haar zoon, zoals in zijn brief van 12 januari 1734 is te zien:
Daß euer hoheiten sich so sehr inquietiren wegen langsamen herßellung von Kräfften beij Unserem gnädigsten Prinzen, thut mir sehr leid und nehme solches sehr zu hertzen (…)[4]
Dat uwe Hoogheden zich zozeer ongerust maken over het trage herstel van de krachten bij onze genadigste prins, spijt mij en neem ik zeer ter harte (…)[5]
Deze zorgen zijn begrijpelijk, omdat Willem IV de enige zoon en opvolger van Maria Louise en Johan Willem Friso was.[6] Voor de dynastieke continuïteit was zijn welzijn van essentieel belang. Die was al een keer in gevaar gekomen toen Willem op vijfjarige leeftijd in 1717 een ongeluk had, waar hij een kippenborst en bochel aan overhield.[7] De oorzaak van het ongeluk is niet geheel zeker en de verschillende visies worden in het hoofdstuk Balancing between Mother and Wife van Fayrouz Gomaa en Ineke Huysman besproken.[8] Volgens Jagtenberg zou het ongeluk door de val van een kar komen, maar de historica Veronica Baker-Smith vond dit vanwege de hoogte niet aannemelijk. Een val zou namelijk niet leiden tot een geleidelijke misvorming, zoals bij Willem het geval was. Baker-Smith is van mening dat er eerder sprake was van een chronische aandoening of een tuberculaire aandoening.[9]
Naast Maria Louises persoonlijke zorgen was er nog een reden voor bezorgdheid: in de vroegmoderne tijd werd de vorst namelijk gezien als de belichaming van de staat.[10] Als het slecht ging met de vorst, kon dit betekenen dat het slecht ging met de staat.[11] Al in de middeleeuwen werd de staat voorgesteld als een menselijk lichaam: Johannes van Salisbury (1120-1180) omschreef de koning als het hoofd en de ziel van dit lichaam (de staat), waarvan het functioneren bepalend was voor de gezondheid van het geheel.[12] In de vroegmoderne tijd bleef dit denken voortleven: ziekteverschijnselen bij een vorst werden niet enkel medisch opgevat, maar konden ook gezien worden als tekenen van politieke instabiliteit.[13] De Europese politiek hield zich dan ook veelvuldig bezig met de erfopvolging en de gezondheid van erfgenamen.[14] Opmerkelijk bij Willem IV is dat hij en zijn persoonlijke cirkel erg veel moeite deden om zijn toestand buiten de publieke belangstelling te houden, om geen onrust te veroorzaken.[15]
In dit artikel wordt de samenhang tussen de gezondheid van Willem IV en de dynastieke continuïteit van de Oranje-Nassau dynastie bestudeerd aan de hand van de medische informatie die te vinden is in de brieven van Wepfer aan Maria Louise die zijn geschreven tussen 1733 en 1734. Daarnaast zullen er twee brieven met medische gegevens over Maria Louise zelf uit deze periode besproken worden, waarin ze zich op afstand door hem laat behandelen. Bernard Wepfer was namelijk niet alleen de lijfarts van Willem IV, maar ook van Maria Louise.
Bernard Wepfer
Observationes medico-practicae, de affectibus capitis internis & externis. Johann Jakob Wepfer (de grootvader van Philip Bernard Wepfer).
Philip Bernard Wepfer is op 27 november 1684 in Schaffhausen, Zwitserland, geboren in een ware artsenfamilie. Hij was de zoon van de arts Hans Konrad Wepfer (1657-1711), die op zijn beurt weer de zoon was van Johan Jakob Wepfer (1620-1695), de stadsarts van Schaffhausen en lijfarts van onder andere markgraaf Frederik VII van Baden-Durlach (1647-1709) en Filips Willem, keurvorst van de Palts (1615-1690).[16] In tegenstelling tot andere (omstreden) lijfartsen die in dienst waren van koninklijke/adellijke families zoals Johann Friedrich Struensee, lijfarts van de Deense koning Christiaan VII en Pieter van Foreest, lijfarts van Willem van Oranje, is er erg weinig over Bernard Wepfer bekend.[17] Jagtenberg vermeldt hem enkele keren in zijn biografie Willem IV, maar zijn brieven worden verder niet geanalyseerd.[18] Uit de biografie van Jagtenberg en de brieven zelf is af te leiden dat Wepfer tussen zeker 1728 en 1741 als lijfarts in dienst bij de familie Oranje-Nassau is geweest.[19] Wepfer heeft zijn brieven in het zogenoemde Kurrentschrift geschreven, een oud Duits schrift dat bekend staat om zijn moeilijk leesbaarheid, zoals te zien is op de onderstaande afbeelding.
Omdat de brieven zo lastig te lezen waren, was het nodig om eerst een Transkribus-model te ontwikkelen. Transkribus is een platform voor tekstherkenning van historische documenten. Met behulp van Artificial Intelligence kan men modellen trainen die helpen bij het transcriberen van teksten, zoals de collectie van Wepfer. Het eerste model is gemaakt door ~20 brieven met de hand te transcriberen. Met een CER (character error rate) van 22.90% was de foutmarge aan de hoge kant, waardoor er vervolgens nog 20 brieven zijn getranscribeerd. Deze set van ~40 brieven vormen het tweede model, die met een CER van 6.55% een stuk beter is. Dit tweede model heeft alle brieven getranscribeerd en de transcripties zijn vervolgens met de hand verbeterd en vormden de basis voor deze studie.
Tussen 4 en 9 september 1733 stuurde Bernard Wepfer drie brieven aan Maria Louise, waarin hij haar schrijft over een ongeluk dat Willem IV met een rijtuig heeft gehad.[20]Op 4 september was Willem IV een eindje in een chaise, een door paarden getrokken kar, gaan rijden. Deze kar kwam in botsing met een tolhek van de Haagsche poort bij Delft dat niet ver genoeg geopend was, waardoor Willem IV van de koets af viel en zich aan de rechterkant van zijn hoofd bezeerde.[21] Wepfer noteerde dat het om een kneuzing aan de rechterkant van Willems hoofd ging, met wat schrammen op zijn wang. Wat interessant is aan deze brief, is dat Wepfer benadrukt dat hij Maria Louise normaalgesproken niet zou inlichten over zo’n gebeurtenis, maar dat hij het toch door wil geven omdat hij bang is dat ze vanuit andere bronnen meer zou horen dan dat er werkelijk in de stad was gebeurd. De brief is sussende van toon geschreven: Wepfer probeert Maria Louise gerust te stellen en te verzekert haar in ‘alle onderdanigste oprechtheid en diepste toewijding’ dat hij de waarheid spreekt:
(…) welches doch alles Gott dank nichts zu sagen hat, ich auch die freyheit nicht genomen hätte euer hoheiten solches zu berichten, wann nicht fürchtete, euer hoheiten möchten, von anderen orten mehr hören, als in der stadt ist euer hoheiten glieben denn Sich nur gerüst zu stellen und zu glauben das ich die wahrheit schreibe, der in aller im verthänigsten aufrichtigkeit und tieffesten devotion verharret (…)[22]
(…) wat echter God zij dank allemaal niets te betekenen heeft, ik zou ook de vrijheid niet hebben genomen uwe Hoogheden hierover te berichten, als ik niet vreesde dat Uwe Hoogheden van elders meer zou vernemen dan er in de stad werkelijk aan de hand is. Uwe hoogheden gelieven dan slechts zich gerust te stellen en te geloven dat ik de waarheid schrijf, die in alle onderdanigste en diepste toewijding volhardt (…)[23]
Maria Louise zal geschrokken zijn van het nieuws, zeker omdat ze zich zorgen maakte over de gezondheid van haar zoon. Dat blijkt uit het feit dat niet alleen Wepfer, maar ook haar vertrouweling Van Burmania en Willem IV’s opperstalmeester van Aylva haar over het ongeluk schreven.[24] Opmerkelijk is dat Willem zijn moeder zelf niet over het ongeluk heeft ingelicht. Dit komt overeen met een patroon dat vooral na zijn huwelijk met de Engelse prinses Anna van Hannover (1709-1759) zichtbaar is, waar hij vele details zoals gevoelens niet met zijn moeder, maar wel met zijn echtgenote deelde.[25] Wepfers vrees voor roddels bleek terecht: in zijn brief van 5 september 1733 meldt hij dat de couranten over het ongeluk berichtten, al is onbekend welke dit waren en wat er precies is geschreven.[26] Als lijfarts op een politiek gevoelige positie schreef Wepfer voorzichtig. Hij benadrukt zijn trouw aan Maria Louise, wetend dat gezondheidsnieuws over de jonge stadhouder politieke gevolgen kon hebben.
De oversteek naar Engeland & uitstel van het huwelijk met Anna van Hannover
De zorgen rond het koetsongeluk vormden slechts een voorbode van de gezondheidsproblemen die in de latere brieven over Willem naar voren kwamen. Naast de drie brieven uit 1731 zijn namelijk veruit de meeste brieven in 1733 en 1734 geschreven. Dit waren erg bijzondere jaren voor Maria Louise, omdat dit de periode was waarin haar zoon Willem IV met Anna van Hannover trouwde. Politiek gezien was dit een interessante match voor de Oranje-Nassaus, waardoor een goede afloop van groot belang was.[27] De bruiloft stond voor eind november in Engeland gepland en Willem vertrok eind september 1733 met de boot naar Engeland, vergezeld door Wepfer en andere hovelingen zoals Dirk van Lynden en de baron van Aylva.[28] Willem IV werd erg zeeziek tijdens de reis en Wepfer heeft hier een uitvoerige brief over geschreven. Wepfer schrijft bovendien dat Willem na de reis verkouden is geworden en koorts heeft. Gelukkig ging het al snel wat beter met de prins, alhoewel hij nog te zwak was om Maria Louise zelf te schrijven:
Unsere gnädigsten Prinzen hoheiten vermelden Euren gehorsamen respect an Euer Hoheiten und sagen, daß Sie Sich noch zu schwach befinden, an Euer Hoheiten selbs zu schreiben, hoffende daß solches doch bald geschenen können.[29]
Onze genadigste prinselijke hoogheden betuigt zijn gehoorzame eerbied aan Uwe Hoogheden en laten weten dat hij zich nog te zwak voelt om Uwe Hoogheden zelf te schrijven, hopende dat dit toch spoedig mogelijk zal zijn.[30]
Dit aspect illustreert hoe Wepfer fungeerde als een doorgeefluik tussen moeder en zoon. Dat er in deze jaren veel is geschreven is logisch, aangezien er zich een grote afstand tussen hen bevond. Willem was ziek in Engeland en Maria Louise verbleef in Leeuwarden. Wepfer schrijft als lijfarts continu erg voorzichtig over de gezondheid van Willem IV, ook al ging het volgens hem al veel beter.[31] Een kleine verslechtering kon namelijk ernstige gevolgen hebben. Het is belangrijk om bij deze berichtgeving aan de standplaatsgebondenheid van Wepfer te denken: goede resultaten waren namelijk erg belangrijk voor hem als lijfarts, wat zijn berichtgeving gekleurd kan maken. Ging het echt wel zo goed met Willem als Wepfer schrijft? Uit de brieven van Dirk van Lynden aan Maria Louise komt namelijk een ander geluid naar voren, dat veel verontrustender is. Van Lynden schrijft dat de dokters wel beweerden dat er geen gevaar was, maar dat hij Willem buitengewoon zwak en onrustig vond.[32]
Willem IV, Hans Hysing, ca. 1730-1753, Rijksmuseum.
Wat verder opvalt uit de brieven, is dat Wepfer vaak over Willems gehele dagverloop schrijft. Hieruit valt af te leiden dat hij als arts vrijwel continu aanwezig was en Willem nauwlettend in de gaten hield. Wepfer schrijft Maria Louise bijzonder veel over hoe en wat de prins at en hoe hij sliep.[33] In een brief geschreven op 1 oktober 1733 vertelt Wepfer bijvoorbeeld dat Willem drie koppen bouillon heeft gedronken en dat de koningin van Engeland meer bouillon zou sturen.[34] Uit de brieven is ook op te maken dat het Engelse koningshuis bijzonder begaan was met het welzijn van Willem IV en dat men zich regelmatig zorgen maakte over zijn herstel.[35] In de brievenreeks schrijft Wepfer dat het herstel van de ziekte prima verloopt, maar dat de krachten slechts langzaam terugkomen omdat het seizoen niet ideaal is en ze zich in een vreemd land bevinden.[36] Willem IV werd daarom naar Kensington overgebracht, waar het klimaat gunstiger was, zodat de prins hopelijk sneller zou herstellen.
Naast dagelijkse voeding werden er ook extra levensmiddelen ingezet om de prins sneller te genezen, zoals ezellinnenmelk. Volgens Wepfer zou dit een goede werking hebben op de prins, in zijn brief van 15 oktober 1733 noteert hij namelijk dat Willem na het drinken van deze melk geen last meer had van hoestbuien. In zijn brieven adviseert Wepfer naast ezelinnenmelk ook het drinken van bronwater, destijds een gangbare medische behandeling bij herstel van zwakte.[37] Willem bezocht hiervoor Bath, waar hij enkele maanden verbleef. In lijn met Galenus’ voorschrift werd het water lauw gedronken en zorgvuldig opgebouwd: Willem begon met één glas per dag, later drie. Wepfer meldt dat bronwater vooral in de winter werd gebruikt, omdat het in de zomer schadelijk zou zijn.[38] De keuze voor Bath, met zijn geneeskrachtige bronnen, werd ingegeven door het trage herstel van Willem, dat ook leidde tot herhaald uitstel van zijn huwelijk met Anna. In Bath verbeterde zijn toestand snel: hij at, sliep goed, kreeg meer kracht en een gezondere kleur. Toch bleef hij gevoelig voor kou en hoestbuien, waarschijnlijk door het weer, zoals in de brief van 30 januari 1734 is te lezen.[39] Zijn eetlust keerde echter sterk terug — beter dan in jaren, aldus Wepfer, die hoopte op een spoedig herstel en een huwelijk in Londen, om daarna weer snel naar Friesland terug te keren.[40]
De voltrekking van het huwelijk
Portret van Willem IV, prins van Oranje-Nassau, en Anna van Hannover, John Faber II, ca. 1734-1756, Rijksmuseum.
Na een aantal maanden in Bath geweest te zijn, was Willem IV in maart 1734 genoeg aangesterkt om naar Londen te gaan. Hij bezocht St. James weer regelmatig en Wepfer vertelt per brief aan Maria Louise dat het beylager op donderdag 25 maart zou plaatsvinden. Het beylager, of het bedritueel, was een onderdeel van de publieke huwelijksceremonie waar het bruidspaar samen in bed werd gelegd, vaak in aanwezigheid van getuigen. Het was een symbolische bevestiging dat het huwelijk ‘geconsummeerd’ was.[41] Op 26 maart 1734, een dag na de bruiloft, schrijft Wepfer Maria Louise een uitgebreide brief over hoe het met het jonge bruidspaar gaat. Uit de brief is af te leiden dat er veel opluchting was dat het huwelijk eindelijk had plaatsgevonden. Wepfer schrijft dat hij Willem op de desbetreffende morgen in goede staat heeft gezien terwijl de prins bezig was met het ontvangen van ‘oneindige felicitaties’, waardoor Wepfer het koppel nog niet zelf had kunnen feliciteren:
Unsere Gnädigsten Prinzen hoheiten habe ich disen Morgen in sehr guten wolstand gesehen wiewol mit unendigen Felicitations-visiten besetzt.(…) wegen großem zulauf aber habe Sie gerade nicht konnen haben haüte meine unterthänigste gratulation abzustatten.[42]
Onze genadigste prinselijke hoogheden heb ik deze morgen in zeer goede gezondheid gezien, hoewel overladen met eindeloze felicitatiebezoeken. (…) Vanwege de grote toeloop heb ik echter niet in de gelegenheid kunnen zijn vandaag mijn onderdanigste gelukswensen over te brengen.[43]
Wepfer wenst hun daarom alvast via een brief aan Maria Louise veel geluk toe. Opvallend is dat Wepfer extra nadruk legt op zijn wens dat er uit het huwelijk veel gezonde nakomelingen voor de Oranje familie mogen komen, die volgens Wepfer nog vele honderden jaren onder God mogen schijnen en bloeien en het voortbestaan van de Oranje-familie moeten garanderen:
(…) Gott der geber alles guten verliche disem hohen Paar alles was wunschlich iß in sonderheit eine ßäte, Gesundes nachkömleingschafft, daß der Orange famn vile jahrhundert unter Gottes schutz grünnen und blüsen moge.[44]
Moge God, de schenker van al het goede, dit hoge paar alles schenken wat wenselijk is in het bijzonder gezonde nakomelingen opdat het Huis van Oranje vele eeuwen lang onder Gods bescherming mag groeien en bloeien.[45]
Dit is een bijzonder fragment, omdat het belang van de dynastieke continuïteit hier direct naar voren komt. In de vroegmoderne adellijke cultuur was het huwelijk niet slechts een persoonlijke verbintenis, maar vooral een manier om de erfopvolging en continuïteit van de dynastie veilig te stellen. De legitimiteit en stabiliteit van het huis Oranje-Nassau waren namelijk onlosmakelijk verbonden met het voorbrengen van wettige, gezonde erfgenamen. Een gegeven waar Maria Louise tijdens haar leven maar al te goed van op de hoogte was.
Het medicijnenkabinet van Wepfer
Tenslotte hield Bernard Wepfer houdt zich in de correspondentie niet alleen bezig met de gezondheid van Willem IV, maar ook die van Maria Louise zelf. Uit de brieven is namelijk af te leiden dat Maria Louise Wepfer vaak schrijft over gezondheidsklachten die ze ervaart, zoals in zijn brief van 19 september 1733. De precieze klachten van Maria Louise en de context zijn helaas niet te achterhalen omdat haar brieven niet bewaard zijn, maar Wepfer benoemt af en toe wel wat details in zijn antwoorden. Deze antwoorden zijn gevuld met verschillende adviezen en ook medicijnen die hij haar voorschrijft. Net zoals in de brieven die over Willem gaan, probeert Wepfer Maria Louise over haar eigen gezondheid ook gerust te stellen. Dit is goed te zien in de brief van 19 september, waar Wepfer schrijft dat haar ongemakken ongetwijfeld aan het slechte weer toe te schrijven zijn.[46] Hij stelt daarnaast voor dat Maria Louise de eerder voorgeschreven purgir pillen weer neemt, om vervolgens voor het slapengaan een van de zes poedertjes volgens het bijgevoegde recept met melissewater te gebruiken:
Eure hoheiten vinden nach meinem bedünken am besten thun die purgir pillen inmahl wider zunehmen, so dan alle abend beij schlaffen gehen eins vond enen 6 pülderchen nach beijligendem Recept mit melisse waßer, worvon einen guten effect zu erwarten hoffe (…)[47]
Uwe hoogheid zou naar mijn mening het beste de purgeerpillen opnieuw innemen, namelijk elke avond voor het slapen gaan één van de zes pillen volgens het bijgevoegde recept met melissewater, waarvan ik een goed effect hoop te verwachten (…).[48]
Purgir pillen, ook wel purgeerpillen genoemd, waren pillen met een laxerende werking die werden genomen bij een moeilijke stoelgang.[49] Alhoewel er veel nieuwe medicijnen ontstonden naarmate de geneeskunde zich verder ontwikkelde, bleven artsen in de 18e eeuw dikwijls traditionele remedies gebruiken, zoals aderlaten, purgeren (door middel van de bovengenoemde purgeerpillen) en blaarvorming. Deze remedies waren gebaseerd op de humorenleer: een klassieke theorie die ging over de (dis)balans van vier lichaamssappen in het menselijke lichaam: bloed, gele gal, zwarte gal en slijm.[50] Uit de brief van Wepfer lijkt het erop dat Maria Louise deze purgeermiddelen herhaaldelijk gebruikte in combinatie met melissewater, wat niet geheel zonder gevaar was.[51] In het postuum verschenen werk Ortus Medicinae van de arts Jan Baptista van Helmont uit 1652 onderstreept deze bijvoorbeeld dat veelgebruikte purgerende planten, zoals de helleborus, te sterk zijn voor mensen en daarom giftig.[52] De laxerende werking zou een manifestatie van het gif in de planten zijn, wat volgens hem schadelijk was voor de vitale sappen in het lichaam.[53]
Dat Wepfer niet schroomde om giftige medicijnen toe te passen, blijkt ook uit brief van 20 september 1733. Hierin informeert hij bij Maria Louise of de Spannische fliege een genoegzaam effect heeft gehad. Deze Spaanse vlieg is een blaarkever die cantharidine, een blaartrekkende en irriterende stof, uitscheidt bij gevaar. Deze stof is zeer giftig en kan voor mensen dodelijk zijn bij overmatig gebruik.[54] In de vroegmoderne tijd werd het zowel als medicijn en afrodisiacum gebruikt, als middel voor vergiftigingen.[55] Wepfer schrijft dat de cantharide ook wel elders op het lichaam aangebracht kan worden als het middel goed werkt en dat het ook zou kunnen helpen tegen de zwaarte die Maria Louise in haar hoofd voelt:
Hat die Spannische fliege komen genugsamen effect gethan, so könte ja whol wie anderen appliciert werden und der haupt, da Euer hoheiten noch alzeit etwas schweres fühlen, zu erlichteren, und solches so offten zu thun, bis Eure Hocheiten in dem haupt soulagirt sind: (…)[56]
heeft de Spaanse vlieg het gewenste effect gehad, dan zou het ook op andere plaatsen kunnen worden aangebracht en het hoofd, waarin Uwe Hoogheden nog altijd iets zwaars voelen, verlichten, en dit zo vaak te doen tot Uwe Hoogheden in het hoofd verlichting voelen: (…)[57]
Wepfer schreef het middel niet alleen voor bij hoofdpijn, maar ook bij andere kwalen zoals de lastige stoelgang waar Maria Louise last van had.[58] In zijn brief schrijft hij dat ze niet meteen met het middel moet stoppen als het niet de gewenste effect heeft, omdat een ander middel (niet bij naam genoemd) geen laxerende werking meer gaf.[59] Wepfer wist helaas geen betere oplossing dan opnieuw de Spaanse vlieg voor te schrijven, aangevuld met adviezen om haar voeten vaker in het water te zetten, zich goed elke ochtend en avond bij de kachel warm te houden en op het juiste moment de purgeerpillen te nemen:
es kan wol gebühren, daß dan eine Spannische fliege den erwartenden Effect nicht thut ohne daß man zuweilen wißen kan, was die ursache darvon ist, man hofft darinn nicht darvon abzustehen in sonderheit, da von dem anderen, darzu die natur schon so vile jahre geweset gewasen ist, keine entlaßung mehr könnt, dises zu erganzen wißte ich nichts beßers, als die Spannische fliegen, offters die füße ins Waßer zusetzen alle morgen und abend Sich hinter denn ofen wol zuschreiben, zu richter Zeit die purgir pillen zunehmen (…).
het kan goed zijn dat dan een Spaanse vlieg niet het verwachte effect heeft, zonder dat men altijd weet wat de oorzaak daarvan is, men hoopt ermee door te gaan en het niet na te laten, vooral, aangezien van het andere middel, waarvoor de natuur al zoveel jaren ongeschikt is geweest, geen ontlasting meer kan komen, om dit aan te vullen wist ik niets beters dan de Spaanse vliegen, vaker de voeten in water te zetten elke ochtend en avond zich goed achter de kachel te zetten, en op het juiste moment de purgeerpillen in te nemen.[60]
Deze brief sluit Wepfer af met veel beterschapswensen, waarna er in de correspondentie niet meer over de purgeerpillen of de Spaanse vlieg wordt geschreven.
Conclusie
De medische behandelingen die in dit artikel zijn besproken laten zien hoe nauw de lichamelijke gezondheid van vroegmoderne stadhouders(vrouwen) was verbonden met de politieke stabiliteit en dynastieke continuïteit in de 18e eeuw. In de briefwisseling is zichtbaar hoe intensief de lijfarts Bernard Wepfer bij het welzijn van zowel Willem IV als Maria Louise was betrokken en wat voor een medicijnen hij voorschreef om hen beter te maken. Ziekte was namelijk verbonden aan de bredere zorg rondom erfopvolging, waar ook Maria Louise zich tijdens haar leven zorgen over maakte. Als Willem IV zou komen te overlijden zonder nageslacht, zou de familie Oranje-Nassau namelijk geen legitieme opvolgers meer hebben. Het lichaam van Willem IV droeg letterlijk het voortbestaan van de dynastie, waardoor zowel familie, hovelingen als artsen zich zorgen maakten over de prins op het moment van ziekte. Dit is duidelijk weerspiegeld in de correspondentie, waarin Wepfer en Maria Louise de medische zorg over Willem IV met elkaar bespraken en waarin elke kleine verkoudheid of flauwte werd benoemd. Het koetsongeluk, samen met de lange periode van ziekte die Willem in Engeland doormaakte, illustreert wat voor een politieke implicaties deze gebeurtenissen konden hebben. Zoals Wepfer zelf al vermeldt, werd er een dag later al over het koetsongeluk geschreven en verspreidde het nieuws zich razendsnel.
De brieven die Bernard Wepfer rond het huwelijk van Willem IV en Anna van Hannover aan Maria Louise heeft gestuurd, vormen daarnaast een rijke bron aan informatie over hoe het huwelijk in de vroegmoderne tijd als en dynastiek en politiek instrument werd gezien. Wepfers gelukwens voor het huwelijk van Willem en Anna in de brief van 26 maart 1734 gaat niet alleen over het geluk van het bruidspaar zelf, maar richt zich vooral op de voortzetting van de Oranje-Nassau dynastie. De nadruk op gezonde nakomelingen weerspiegelt de centrale rol van erfopvolging in het vorstelijke denken van de 18e eeuw. Deze brieven vormen daarmee een weerspiegeling van de culturele waarden en normen van die tijd, waarin het voortbestaan van de Oranje-Nassau dynastie van essentieel belang werd geacht voor de orde en continuïteit in de stadhoudersgezinde provincies, waar Willem aan de macht was.
Tenslotte vertelt de correspondentie niet alleen veel over hoe de gezondheidszorg van Willem IV bijdroeg aan dynastieke stabiliteit, maar ook veel over de behandelmethoden zelf. De analyse van de medische praktijken die Wepfer toepaste laat zien hoe middelen zoals de Spaanse vlieg en de purgeerpillen veelvuldig werden ingezet, ondanks hun potentieel gevaarlijke effecten. Zulke middelen hadden niet altijd het gewenste effect en konden zelfs schadelijk zijn. Toch heeft Wepfer de medicijnen voorgeschreven, wat laat zien hoe sterk hij van de humeurenleer was overtuigd.
Uiteindelijk herstelde Willem, trouwde met Anna en zette de dynastie voort – tot opluchting van zijn moeder Maria Louise, zijn arts Wepfer en het hele hof. De brieven tonen hoe Maria Louise nauw betrokken was bij de medische zorg van haar zoon, in een tijd waarin gezondheid, erfopvolging en politieke stabiliteit onlosmakelijk met elkaar verbonden waren. Elke behandeling die Wepfer uitvoerde en elke brief die hij schreef, droeg zo bij aan het grotere streven: het veiligstellen van de toekomst van Oranje-Nassau.
Veerle Berends, 10 mei 2025
[1] J.J.E. van Everdingen e.a., Op het lijf geschreven, bekendheden en hun lijfarts (Amsterdam 1995) 9.
[2] De Universiteit Leiden beheert wel een Wepfer collectie, maar deze omvat slechts de collectie van Johan Jacob Wepfer, de grootvader van Bernard Wepfer.
[3] Over de precieze jaren waarin Willem IV tot stadhouder is benoemd, heerst onduidelijkheid, verschillende bronnen noemen namelijk verschillende jaren. In dit artikel wordt de biografie van Fred Jagtenberg over Willem IV gevolgd. Jagtenberg schrijft dat Willem IV in 1729 in Groningen tot stadhouder is benoemd, in 1722 in Gelderland (alhoewel hij deze titel pas in 1729 officieel zou aanvaarden), tevens in 1722 in Drenthe (waar hij in 1730 de titel officieel aanvaardde) en in 1731 in Friesland, waar zijn moeder tot dusver regentes voor hem was;
F. Jagtenberg, Willem IV (Nijmegen 2018) 162, 163, 167, 221, 233.
[5] Vrije vertaling van het boven geciteerde fragment; ibidem.
[6] Johan Willem Friso (1687-1711) was prins van Oranje (1702-1711), stadhouder van Friesland en Groningen (1696-1711) en de enige erfgenaam van Willem III (1650-1702). Hij kwam om tijdens een ongeluk op het Hollands Diep. Maria Louise was tijdens het overlijden van haar echtgenoot in verwachting van Willem IV, die enkele weken later werd geboren.
[7] Jagtenberg, Willem IV, 135-136; F. Jagtenberg, Marijke Meu (Gorredijk 2015) 197; F. Gomaa en I. Huysman, ‘Balancing between Mother and Wife, The Private Correspondence of Stadtholder Willem IV of Orange-Nassau’ in: Michael Green en Ineke Huysman eds., Private Life and Privacy in the Early Modern Low Countries (Turnhout 2023), 273-304, aldaar 282.
[8] Gomaa en Huysman, ‘Balancing between Mother and Wife, The Private Correspondence of Stadtholder Willem IV of Orange-Nassau’, 281.
[10] De mate hiervan verschilt vanzelfsprekend per gebied en periode. In dit artikel wordt het boek le Corps du Roi van Stanis Perez gebruikt om het idee te verkennen. Perez focust zich op Frankrijk. Een gebied waar de belichaming van de staat door de vorst goed zichtbaar was, bijvoorbeeld in de regering van Lodewijk XIV.
[11] T. Tölle, Heirs of Flesh and Paper: A European History of Dynastic Knowledge Around 1700 (Berlijn 2022) 3; S. Perez, Le Corps du Roi (Parijs 2022) 192.
[14] Tölle, Heirs of Flesh and Paper: A European History of Dynastic Knowledge Around 1700, 3. Een goed voorbeeld van de gevolgen van een zwakke troonopvolger of vorst zijn duidelijk te zien in de Spaanse successieoorlog, die uitbrak na het overlijden van Karel II omdat deze ziekelijke vorst geen opvolgers had gekregen.
[15] Gomaa en Huysman, ‘Balancing between Mother and Wife, The Private Correspondence of Stadtholder Willem IV of Orange-Nassau’, 283; Jagtenberg, Willem IV, 135-136.
[17] Johann Friedrich Struensee had als lijfarts van de zieke Christiaan VII een grote invloed op de vorst en werd vanaf 1770 zelfs het plaatsvervangende staatshoofd van Denemarken, naast dat hij de minnaar van de Deense koningin Caroline Mathilde van Wales (1751-1775) was. Deze veelbewogen carrière moest hij uiteindelijk met de dood bekopen, nadat hij tijdens de staatsgreep van 1772 werd gearresteerd.
[25] Gomaa en Huysman, ‘Balancing between Mother and Wife, The Private Correspondence of Stadtholder Willem IV of Orange-Nassau’, 286-287.
[26] Tölle, Heirs of Flesh and Paper, 240-241; Gomaa en Huysman, ‘Balancing between Mother and Wife, The Private Correspondence of Stadtholder Willem IV of Orange-Nassau’, 283.
[33] De interesse voor voeding is te verklaren aan de hand van medische theorieën in de 18e eeuw die nog sterk leunden op klassieke geneeskunde: de leefomgeving (het weer) en leefomstandigheden (voeding) van een persoon werd gezien als bepalend voor het algemene gezondheidsniveau van (groepen) personen. Uit: A. Wear, ‘’Medicine in Early Modern Europe, 1500-1700’ in: L.I. Conrad e.a. eds., The Western Medical Tradition: 800BC to AD 1800 (Cambridge 1995) 340-361, aldaar 360.
[41] K. Barclay, ‘Intimacy, Community and Power: Bedding Rituals in Eighteenth-Century Scotland’ in: M.L. Bailey en K. Barclay eds., Emotion, Ritual and Power in Europe, 1200-1920: Family, State and Church (Cham 2019) 43-62, aldaar 44-45.
[48] Vrije vertaling van het boven geciteerde fragment; het woord pülderchen is waarschijnlijk afgeleid van het Duitse woord “Puder” (poeder), met -chen er achteraan als verkleinwoord geplakt. In de context van de brief lijkt het erop alsof de poeder in een pil is verwerkt, waardoor ik voor de duidelijkheid van de tekst voor het woord pil heb gekozen.
[50] G.D. Hedesan, ‘Jan Baptist van Helmont and the Medical-Alchemical Perspectives of Poison’ in: P. Wexler ed., Toxicology in the Middle Ages and Renaissance (Londen 2017) 1-6, aldaar 3.
[51] In de brieven wordt helaas niet benoemd van welke planten de pillen gemaakt zijn die Maria Louise innam. Wel schrijft Wepfer dat ze ingenomen moesten worden met melissewater, dat als kalmerend en maagversterkend werd beschouwd;
De Delftse stadsdokter en tevens lijfarts van Willem van Oranje, Pieter van Foreest, verzette zich bijvoorbeeld flink tegen het toedienen van sterke purgeer- en braakmiddelen, uit: H. Vermande, De chemist: De geschiedenis van een verdwenen beroepsgroep, 1600-1820 (Hilversum 2021) 71.
[52] Hedesan, ‘Jan Baptist van Helmont and the Medical-Alchemical Perspectives of Poison’, 3-4.
[54] D.J. Karras e.a., ‘Poisoning from “Spanish fly” (cantharidin)’, The American Journal of Emergency Medicine 14:5 (1996) 478-483, aldaar 478.
[55] Karras e.a., ‘Poisoning from “Spanish fly” (cantharidin)’, 478.
[56] Helaas benoemt Wepfer de andere plekken waar de Spaanse vlieg aangebracht kan worden niet, al lijkt hij op een gebied in de buurt van het hoofd te duiden.
Barclay, K., ‘Intimacy, Community and Power: Bedding Rituals in Eighteenth-Century Scotland’ in: M.L. Bailey en K. Barclay eds., Emotion, Ritual and Power in Europe, 1200-1920: Family, State and Church (Cham 2019) 43-62.
Everdingen, van, J.J.E., Op het lijf geschreven, bekendheden en hun lijfarts (Amsterdam 1995).
Gentilcore, D., Food and Health in Early Modern Europe: Diet, Medicine and Society 1450-1800 (Londen 2016).
Gomaa. F., en Huysman, I., ‘Balancing between Mother and Wife, The Private Correspondence of Stadtholder Willem IV of Orange-Nassau’ in: Michael Green en Ineke Huysman eds., Private Life and Privacy in the Early Modern Low Countries (Turnhout 2023), 273-304.
Hedesan, G.D., ‘Jan Baptist van Helmont and the Medical-Alchemical Perspectives of Poison’ in: P. Wexler ed., Toxicology in the Middle Ages and Renaissance (Londen 2017) 1-6.
Jagtenberg, F., Willem IV (Nijmegen 2018).
Jagtenberg, F., Marijke Meu (Gorredijk 2015).
Karras, D.J., e.a., ‘Poisoning from “Spanish fly” (cantharidin)’, The American Journal of Emergency Medicine 14:5 (1996) 478-483.
Perez, S., Le Corps du Roi (Parijs 2022).
Tölle, T., Heirs of Flesh and Paper: A European History of Dynastic Knowledge Around 1700 (Berlijn 2022).
Wear, A., ‘’Medicine in Early Modern Europe, 1500-1700’ in: L.I. Conrad e.a. eds., The Western Medical Tradition: 800BC to AD 1800 (Cambridge 1995) 340-361.
Vermande, H., De chemist: De geschiedenis van een verdwenen beroepsgroep, 1600-1820 (Hilversum 2021).
In de historische Waalse Kerk in Den Haag komen geschiedenis en muziek samen in een bijzondere avond rond invloedrijke vrouwen uit de politieke geschiedenis van de Nederlanden. Historici Femke Deen en Ineke Huysman, samenstellers van Moeders des Vaderlands (Atlas Contact 2024), brengen samen met barokensemble La Sfera Armoniosa vrouwen als Margaretha van Oostenrijk, Louise de Coligny en Anna van Hannover opnieuw tot leven – in een kerk die sommige van deze vrouwen ook echt bezochten. Muziek van vrouwelijke componisten zoals Hildegard van Bingen en Barbara Strozzi wordt afgewisseld met hofmuziek van onder meer Constantijn Huygens, Monteverdi en Händel.
De Waalse Kerk was eeuwenlang gevestigd in de Hofkapel op het Binnenhof, voordat zij in de vroege 19e eeuw verhuisde naar haar huidige locatie aan het Noordeinde. In 1591 verhuisde Louise de Coligny – weduwe van Willem van Oranje – naar Den Haag om haar zoon Frederik Hendrik op te voeden. Zij stelde daarbij als voorwaarde dat er een vaste Franstalige predikant werd aangesteld. Dat werd Johannes Uyttenbogaert, die als eerste officieel verbonden werd aan de Waalse Kerk in Den Haag. Sindsdien werden de erediensten bezocht door de stadhoudersvrouwen, hun kinderen en andere invloedrijke figuren aan het hof. Die nauwe band tussen kerk en hof hield eeuwenlang stand.
Foto: D. Valentijn, 30 november 2019
Zaterdag 31 mei 2025, aanvang 20:15 uur
Tijdens deze avond klinken de verhalen van vrouwen die op verschillende momenten in de geschiedenis een rol speelden in de vorming van de Lage Landen. Van Margaretha van Oostenrijk in de zestiende eeuw tot Anna van Hannover in de achttiende: zij allen oefenden invloed uit – politiek, cultureel, religieus. Deen en Huysman vertellen over hun levens, hun keuzes en hun betekenis, in een afwisselend programma met muziek door La Sfera Armoniosa.
V.l.n.r.: Mike Fentross, Paulina van Laarhoven, Lette Vos, Femke Deen en Ineke Huysman
In een tijd waarin het perspectief op de geschiedenis steeds breder wordt getrokken, en er meer aandacht is voor de rol van vrouwen in de machtsstructuren van het verleden, biedt deze avond een inspirerend tegenwicht aan het traditionele verhaal. Het is een uitnodiging om anders te kijken – en vooral: beter te luisteren.
Uitvoerenden:
Tekst: Femke Deen en Ineke Huysman La Sfera Armoniosa Zang: Lette Vos Viola da gamba: Paulina van Laarhoven Theorbe: Mike Fentross
Locatie: Waalse Kerk, Noordeinde 25, 2514 GB Den Haag
Tickets (inclusief een drankje): €22,50 (jongeren en studenten) / €27,50 → Bestel hier je tickets
Anna van Hannover (1709-1759), kleindochter van keurvorst Georg Ludwig (later George I van Groot-Brittannië), groeide grotendeels op onder zijn toezicht. Na de troonsbestijging van haar vader als George II van Engeland in 1727 werd zij ‘princess royal’. Haar huwelijk met de Friese stadhouder Willem Karel Hendrik Friso (1711-1751) vond plaats in 1734 in Londen, nadat het standsverschil was verkleind door de officiële toekenning van de prinselijke Oranje-titel aan de Friese stadhouders. Na de bruiloft vestigde het paar zich in Friesland. Pas in 1747, na een prinsgezinde volksbeweging, zou Willem zich stadhouder van alle gewesten en Willem IV van Oranje-Nassau mogen noemen.
Van Anna van Hannover is een indrukwekkende correspondentie bewaard gebleven. In 2023 werd haar persoonlijke archief in een samenwerkingsproject tussen de Koninklijke Verzamelingen, het Huygens Instituut en Oxfords Early Modern Letters Online gedigitaliseerd en online gepubliceerd. Maar er is nog meer. Zo bevinden zich ook brieven van Anna in archief Tresoar in Leeuwarden en in buitenlandse archieven. De online catalogus wordt binnenkort uitgebreid, te beginnen met de brieven van Anna aan haar man Willem, die deel uitmaken van zijn eigen archief bij Koninklijke Verzamelingen. Een voorproefje van Anna’s persoonlijke brieven aan hem laat alvast zien wat deze correspondentie zo bijzonder maakt.
Anna van Hannover, zelfportret 1740, Wikimedia Commons.
Meestal was het Willem die Anna uitvoerig verslag deed van zijn reizen, maar in de zomer van 1741 waren de rollen omgedraaid. Tijdens haar verblijf aan het hof in Hannover schreef Anna hem gedetailleerde brieven waarin ze haar ervaringen deelde. Ze was er te gast bij haar vader, koning George II (1683-1760) van Engeland, tevens keurvorst van Hannover, en ontmoette ook een aantal familieleden. Anna reisde zonder haar Willem, want deze was in ongenade gevallen bij de koning en niet welkom. Ze had dan ook een speciaal doel: ze wilde erachter komen wat de reden van haar vaders misnoegen was en proberen hem ervan te overtuigen dat haar man absoluut geen kwade bedoelingen had. Anna’s lange eigenhandige brieven aan haar echtgenoot bieden een uniek inkijkje in het leven van een 18e-eeuwse vorstin. Openhartig en met scherpe humor schrijft ze over haar emoties, overtuigingen en onzekerheden. Gevangen tussen haar liefde voor Willem en de verplichtingen van haar koninklijke positie, belichten de brieven niet alleen haar innerlijke strijd, maar ook de politieke intriges en de complexe verhoudingen aan het hof.
Herrenhausen
Na een vermoeiende reis via Deventer, Rheine en Osnabrück kwam Anna op zaterdag 8 juli 1741 rond zes uur ’s avonds aan bij kasteel Herrenhausen in Hannover. Dit slot, een belangrijk middelpunt van hofleven en cultuur, speelde een centrale rol in de representatie van de keurvorsten van Hannover. Haar vader, George II, verbleef er tussen 1729 en 1755 maar liefst twaalf keer, een weerspiegeling van zijn dubbele functie als koning van Groot-Brittannië en keurvorst van Hannover.
Bij aankomst begroette de koning Anna hoffelijk en kuste haar liefdevol, waarna hij haar, met de hele hofhouding in zijn kielzog, door de indrukwekkende tuinen leidde. Met zichtbare trots vestigde hij haar aandacht op de imposante fontein, waarna hij zich terugtrok om te kaarten. Anna bleef achter met de dames van het hof, waarmee ze zich vermaakte met partijtjes. Toch voelde ze zich al snel ongemakkelijk. Het was voor haar nog steeds een raadsel waarom de koning haar man weigerde te ontvangen, en die onzekerheid knaagde aan haar. Ze schreef Willem: ‘Hier zit ik nu, in een slecht humeur, nauwelijks in staat om één dag geduld op te brengen om duidelijkheid te krijgen over wat mij het meest bezighoudt.’1
George II, Thomas Hudson, 1744, Wikimedia Commons.
Anna’s observaties over haar familieleden waren scherp en geestig. Over haar broer Frederik (1707-1751), prins van Wales, merkte ze droogjes op: ‘Prins Frederik is precies zoals u hem hebt gezien, met dit verschil dat hij niet aan tafel in slaap viel, hoewel daar ook weinig tijd voor was’. Haar zus, prinses Marie (1723-1772), reageerde bij Anna’s aankomst emotioneel en barstte meteen in tranen uit, maar wist haar verder nauwelijks te boeien. ‘Prinses Marie verveelt zich erg en is niet tevreden met haar appartement, waardoor ze ons tot last is. Tussen ons gezegd, ze lijkt minder aangenaam dan vroeger.’ Over Lady Yarmouth, Amalie von Wallmoden (1704-1765), de maîtresse van haar vader, observeerde Anna dat zij ‘eerder leuk dan mooi’ was. De omgang met de koning bleef formeel en gereserveerd (‘la vieille Staetlichkeit & liais rebarbaratif’ zoals ze dat omschreef), wat Anna niet verbaasde. Ondanks de hofdrukte en de ontmoetingen met familieleden bleef haar hart bij Willem, die zij teder Pip of Pepin noemde. Zelfs terwijl ze zich klaarmaakte om te gaan slapen, bleven haar gedachten bij hem: ‘Ik ga nog mijn haar kammen en krullen voordat ik naar bed ga, terwijl u mijn hart en gedachten volledig vult, mijn allerliefste Pepin.’
De dagen die volgden vulden zich voor Anna met verveling en frustratie. ‘Deze hele dag is voorbijgegaan in de gebruikelijke stijfheid en met ondraaglijke verveling,’ schreef ze zondagavond 9 juli aan Willem.2 De relatie met haar vader, koning George II, bleef ongemakkelijk. Anna had hem nog steeds niet privé gesproken, en zijn koude, ontwijkende houding viel haar zwaar. Zelfs zijn belofte om de tuin speciaal voor haar te verlichten en het vooruitzicht van een gemaskerd bal later die week konden haar stemming niet veranderen. ‘Alles lijkt me flauw, en ik kan nauwelijks wachten op het gelukkige moment om u te omarmen,’ verzuchtte ze.
De spanningen binnen het hof waren voelbaar, maar belangrijke zaken werden angstvallig verzwegen. Anna vermoedde dat de zorgen over Frankrijk, dat in 1741 een sleutelrol speelde in de Oostenrijkse Successieoorlog, de sfeer drukten. Het land smeedde bondgenootschappen tegen Groot-Brittannië en Oostenrijk, terwijl het zijn macht in Europa vergrootte via militaire en diplomatieke strategieën. Te midden van deze stijfheid en politieke spanningen dwaalden Anna’s gedachten voortdurend af naar Willem. ‘Ik zou liever alleen met u in een klein hoekje zitten dan te midden van de grootste feesten en pleziertjes,’ schreef ze, terwijl haar heimwee sterker werd met elke voorbijgaande dag. Anna voelde zich opgesloten: ‘Ik ervaar hier dagelijks duizend verschillende emoties. Ik tel de minuten die ik hier doorbreng als beproevingen.’
Ceremonie en bal
Haar broer Frederik, prins van Wales, wachtte intussen ongeduldig op de ceremonie waarbij hij tot ridder in de Orde van de Kousenband zou worden geslagen. Dat dit zou gaan gebeuren was opmerkelijk, aangezien hij en zijn oudoom Ernst August, bisschop van Osnabrück, al in 1716 tot ridder in dezelfde orde waren benoemd. Dat het hier wel degelijk om de Orde van de Kousenband ging, werd bevestigd door de overkomst uit Engeland van John Anstis, de ‘garter principal king of arms’ en het blauwe lint dat hij had meegenomen, zo meldde Anna. Mogelijk betrof het een herbevestiging van Frederiks status door de koning zelf, wellicht bedoeld als stap richting de verzoening tussen de gebrouilleerde vader en zoon, die uiteindelijk in 1742 officieel zou plaatsvinden. ‘Prins Frederik sterft van ongeduld om zijn lint te ontvangen en is boos dat de koning er nog niet over heeft gesproken,’ sneerde Anna.
Frederick prins van Wales, Jacopo Amigoni, 1736, Wikimedia Commons.
Hoewel de plechtigheid een gebeurtenis van grote symbolische waarde had moeten zijn, beschreef Anna het zonder enige terughoudendheid als ‘afschuwelijk’. De ceremonie zelf miste iedere vorm van grandeur. Dit leek niet alleen het gevolg van haast, maar ook van de gespannen relatie tussen de koning en Frederik, die elkaar nauwelijks verdroegen. Het ritueel beperkte zich tot het moment waarop de koning zijn zoon persoonlijk tot ridder sloeg. Vervolgens trok Frederik zich terug om zich te kleden in de ceremoniële gewaden van de Orde. Anne omschreef hoe de prins, wiens haar niet gekruld was, met ‘aspergepunten’ onder zijn hoofddeksel verscheen. Toch was Frederik zichtbaar trots op het lint dat hij ontving.3 ‘Onze simpele ziel blijft hetzelfde, en hij wordt nog minder goed ontvangen door de heren dan vorig jaar; ze vinden hem nog dommer. Voor mij is hij ongewijzigd, en dat zal hij waarschijnlijk ook altijd blijven.’
Het gemaskerde bal op donderdagavond 13 juli in de tuinen van het paleis vormde het hoogtepunt van Anna’s verblijf, ook in haar eigen ogen. ‘De verlichting was perfect gelukt,’ schreef ze, zelfs ondanks de harde wind die de hele dag had gewaaid en pas bedaarde toen het dansen begon. Het verlichte theater, elegant en smaakvol ingericht, maakte diepe indruk op haar. ‘Ik heb nooit een mooier gezicht gezien,’ voegde ze eraan toe. De koning was in goede stemming en bleef tot na drie uur ’s nachts, waarna het gezelschap zich terugtrok. Met naar verluidt meer dan 500 gemaskerden was de opkomst indrukwekkend. De avond begon met een lange reeks menuetten, waarvan Anna, zoals ze zelf opmerkte, er ‘zeker 50’ danste. Later volgden levendige contradansen. ‘Het enige ongemak,’ merkte ze met ironie op, ‘was de pijn in de voeten door het grind.’ Rond elf uur dineerde het gezelschap in de Oranjerie, waarna het dansen opnieuw werd hervat. Voor Anna was het een sprankelende avond die het sombere verblijf in Duitsland even naar de achtergrond wist te dringen.
Waarom de koning boos was
Anna vond dat ze aan haar verplichtingen had voldaan, haar verblijf had lang genoeg geduurd. Ze wilde naar naar huis, naar Willem. Ze vroeg William Stanhope, eerste graaf van Harrington, een vertrouweling van haar vader, toestemming van de koning te vragen voor haar vertrek. Als deze haar tegen die tijd nog niets zou hebben gezegd over zijn ongenoegen over Willem, was ze van plan hem een brief te overhandigen waarin ze haar gevoelens zou uiten. Maar het verlossende woord kwam van Harrington. Wat bleek, zo schreef ze Willem, ‘ik denk niet dat u het gemakkelijker had kunnen raden dan ik’: de koning was geïrriteerd door geruchten dat Willem betrokken zou zijn geweest bij beschuldigingen over het achterhouden van een bruidsschat van het huwelijk van haar zuster Marie met Frederik II van Hessen-Kassel. Men had Willem daarbij onterecht afgeschilderd als de instigator van deze aantijgingen, waardoor de koning een vijandige houding tegenover hem had aangenomen. Anna was perplex:
Ik heb Harrington opgedragen de koning namens mij te zeggen dat als hij mijn woord zou geloven, ik bereid was te zweren dat u nooit zelfs maar een kwade gedachte hebt gehad. En dat degene die zo’n laster heeft verspreid, het niet verdient nog voor hem te verschijnen. Harrington verzekert mij dat dit de oorzaak is van zijn boosheid jegens u, en ik heb alle reden om te geloven dat hij gelijk heeft. U kunt zich voorstellen hoe boos hij moet zijn geweest door dit mooie verhaal, aangezien hij zelfs een gesprek met mij vermijdt en zijn vriendelijkheid jegens mij beperkt blijft tot beleefd praten en het doen van de eer die verschuldigd is.4
Fragment eigenhandige brief Anna van Hannover aan Willem Karel Hendrik Friso, 12 juli 1741.
In de hoop dat hiermee de spanningen waren opgelost vertrok Anna uit Herrenhausen. ‘Nooit zal mijn vreugde groter zijn dan wanneer ik herenigd ben met degene die alle geluk en charme van mijn leven uitmaakt,’ schreef ze opgelucht. Haar terugreis voerde haar eerst naar Jesberg, een plaats tussen Marburg en Kassel, waar ze zich herenigde met Willem. Na een kort verblijf in Dillenburg vervolgden ze samen hun reis naar Oranienstein, voordat ze terugkeerden naar Leeuwarden.5
Anna’s verblijf in Herrenhausen laat zien hoe serieus ze haar rol als echtgenote en vorstin nam. Hoewel haar huwelijk met Willem destijds door haar familie was gearrangeerd, zette ze zich met opvallende toewijding voor hem in. Haar inzet om de vijandigheid van haar vader te verminderen, getuigt van zowel politieke scherpzinnigheid als oprechte liefde. Haar brieven tonen niet alleen haar vroege politieke betrokkenheid en innige liefde voor haar man, maar ook de koele en ongemakkelijke familierelaties aan het Hannoveraanse hof, waar hartelijkheid vaak ver te zoeken was.
Ineke Huysman, 26 januari 2025
Alle citaten zijn vrij vertaald uit het Frans en afkomstig uit Anna’s brieven, die eenmalig in de voetnoten worden genoemd.
Anna aan Willem, 8 juli 1741, Koninklijke Verzamelingen (KV), Archief Willem IV A29, 171. ↩︎
Anna aan Willem, 9 juli 1741, KV, Archief Willem IV A29, 171. ↩︎
Anna aan Willem, 12 juli 1741, KV, Archief Willem IV A29, 171. ↩︎
Anna aan Willem, 14 juli 1741, KV, Archief Willem IV A29, 171. ↩︎
Fred Jagtenberg, Willem IV. Stadhouder in roerige tijden 1711-1751 (2018) 455-458. ↩︎
In een samenwerking tussen de Koninklijke Verzamelingen (waar de meeste van Anna’s brieven worden bewaard) het Huygens Instituut, NL-Lab en Oxford’s Early Modern Letters Online zijn meer dan 4.000 brieven van en aan Anna van Hannover gedigitaliseerd en online raadpleegbaar gemaakt. Op 29 september 2023 werd dat feestelijk gevierd met een symposium op Kasteel Duivenvoorde dat geheel aan Anna, haar brieven en haar muzikaliteit was gewijd. Kasteel Duivenvoorde, dat via de familie Van Wassenaer veel banden had met de familie Van Oranje-Nassau, bood op die dag de laatste mogelijkheid om de tentoonstelling Franje en Oranje te bezoeken.
Meer over Anna van Hannover:
Anna werd geboren in het Duitse zomerpaleis Herrenhausen, in Hannover, als eerste dochter van George van Brunswijk-Lüneburg (1683–1760) die George II van Groot-Brittannië en Ierland werd, en Caroline van Brandenburg-Ansbach (1683–1737). Toen haar grootvader George Louis van Brunswijk-Lüneburg (1660–1727) koningin Anna opvolgde op de Britse troon in 1714 als George I, verhuisden Anna en haar familie naar Kensington Palace in Londen. Ondanks familiale onenigheid speelden vader en grootvader beide een sleutelrol in de onderhandelingen met het Nederlandse Huis van Oranje, wat resulteerde in het huwelijk van Anna met Willem IV van Oranje-Nassau (1711–1751) op 25 maart 1734.
Van jongs af aan was Anna een liefhebber van muziek: ze speelde klavecimbel, zong volgens tijdgenoten prachtig. Voor Georg Friedrich Händel waren dit twee redenen om haar ‘de bloem der prinsessen’ te noemen. In 1734 begeleidde ze de beroemde castraat Farinelli bij twee liederen van de componist. Anna nodigde ook veelgevraagde Europese componisten uit naar Den Haag om te componeren en op te treden. Aan het hof van George I ontwikkelde Anna zich tot een politiek geëngageerd individu. Haar grootvader zorgde ervoor dat ze naast politieke geschiedenis, aardrijkskunde, een aantal talen en de gebruikelijke etiquette ook goed opgeleid was in de kunst van het regeren. Toen ze eenmaal in de Republiek was gevestigd, bleef ze zich met de politiek bezighouden: tijdens het stadhouderschap van Willem IV nam ze geregeld deel aan zijn bijeenkomsten, correspondeerde ze dikwijls met zijn naaste adviseurs en bouwde ze een groot netwerk op van Nederlandse regenten en internationale politici. Dit netwerk kwam goed van pas toen Anna bij het overlijden van haar man in oktober 1751 werd uitgeroepen tot ‘Gouvernante en Vooghdesse’ van hun minderjarige zoon Willem V (1748–1806). In deze nieuwe rol handhaafde Anna haar actieve positie in het Nederlandse politieke leven. Anna’s betrokkenheid bij de politiek komt tot uiting in haar correspondentie, waaronder veel brieven van lokale, nationale en internationale staatslieden. Daarnaast zijn er veel brieven van haar man en naaste familieleden bewaard gebleven.
Anna van Hannover, door J.V. Tischbein, 1751-1753, Koninklijke Verzamelingen Den Haag