
Douwe Sirtema van Grovestins was een Friese jonker, kamerheer en vertrouweling aan het hof van Willem IV en Anna van Hannover. Vanuit die positie hield hij Marie Louise van Hessen-Kassel, de moeder van Willem IV, uitvoerig op de hoogte van wat er rond het stadhouderlijk echtpaar gebeurde. Zijn brieven gaan over hofzaken en politiek, over gezondheid, bevallingen, kinderen, emoties en de dagelijkse gang van zaken aan het hof. Er zijn 256 brieven van hem aan Marie Louise bewaard gebleven.

Ook over de geboorte van Willem V op 8 maart 1748 schreef Grovestins al de volgende dag uitvoerig vanuit Den Haag aan Marie-Louise. Hij had de bevalling van dichtbij meegemaakt: hij bevond zich in de kamer naast de kraamkamer. Daardoor kon hij Marie Louise heel precies vertellen hoe de nacht was verlopen. Grovestins schreef, vrij vertaald uit het Frans, onder andere het volgende:
Mevrouw,
Gisteren had ik het zo buitengewoon druk dat ik nauwelijks tijd had om het adres op de brief van Zijne Hoogheid [Willem IV] aan Uwe Hoogheid te schrijven. Ik twijfel er niet aan dat u ervan overtuigd bent dat ik tot in het diepst van mijn ziel verheugd ben, en dat ik Uwe Hoogheid van harte gelukwens met deze gelukkige gebeurtenis. Moge de hemel het kind bewaren en zegenen, nu het zo goed begonnen is.
Donderdagavond om half 10 deed Hare Koninklijke Hoogheid [prinses Anna] mij de eer mij te zeggen ‘ick meende dat strack kraaken soude, maer nu geloof ik dat het nog wat duuren zal’ [oorspronkelijk Nederlands citaat, waarmee waarschijnlijk bedoeld wordt: ik dacht dat mijn vliezen spoedig zouden breken, maar nu geloof ik dat het nog wel even zal duren]. Aan haar houding merkte ik dat de zaak niet lang meer uitgesteld zou worden. Ik liet de nachtwacht van de bedienden verdubbelen en hield mij gereed om bij de eerste tekenen naar het hof te gaan. Omstreeks twee uur [’s nachts] begon Hare Hoogheid enkele weeën te voelen, maar nog niet sterk genoeg om de vroedvrouw te laten komen. Tegen drie uur merkte men echter dat het ernst was. Men liet de vroedvrouw halen en alles stond binnen een ogenblik klaar. Ik begaf mij op datzelfde moment naar het hof.
De vroedvrouw constateerde dat het kind eraan kwam, maar dat er als eerste een voetje zichtbaar was. Dat bezorgde Zijne Hoogheid [Willem IV] vreselijke ongerustheid, en hem hield ik in de kamer ernaast gezelschap. Ik verzekerde de Prins dat het niets te betekenen had, en dat als er nog twee of drie weeën kwamen, het kind er zou zijn. Ik had het geluk een goede profeet te zijn: bij de tweede wee werd Hare Koninklijke Hoogheid gelukkig verlost van een mooie en flinke prins. Professor Winter [de hofarts] kwam uit de kamer om het de Prins te vertellen. Oordeel zelf, Mevrouw, over onze onuitsprekelijke vreugde: tranen van ontroering en opluchting vloeiden, en de eerste woorden van de Prins waren om God te danken voor de voorspoedige verlossing en de zegen.
Hare Koninklijke Hoogheid werd naar bed gebracht en maakte het zo goed als maar kon. De jonge prins opende zijn grote ogen en liet een stem horen die even krachtig was als die van prinses Carolina toen zij geboren werd. Hare Koninklijke Hoogheid heeft daarna meteen drie uur geslapen en de afgelopen nacht volmaakt goed doorgebracht. Ook de melk is op gang gekomen. De jonge prins heeft een goed gezicht, maakt het uitstekend, en lijkt op prinses Carolina en op de Prins. […]
Dat het kind ‘met de voet kwam’, zoals Grovestins schreef, wees op een gevaarlijke afwijkende ligging. Bij een gewone bevalling kwam het hoofd eerst. Hier gebeurde dat niet: één voet of beide voeten kwamen als eerste tevoorschijn. Zo’n voetligging maakte de bevalling riskanter omdat het kind moeilijker geboren kon worden en er meer gevaar was voor verstikking of beschadiging. Dat Grovestins in de kamer ernaast Willem IV probeerde gerust te stellen, laat zien hoe gespannen de situatie aan het hof was. Er waren al eerder twee kinderen dood geboren en in 1746 was het dochtertje Anna kort na de geboorte gestorven. De geboorte van een gezonde zoon was daardoor ook een dynastieke kwestie. De erfopvolging stond op het spel.

Ook Willem IV schreef zijn moeder direct na de geboorte. De dag erma verontschuldigde hij zich bij Marie Louise voor de haast en verwarring van zijn eerste brief die hij de vorige ochtend tussen vier en vijf uur had geschreven. Hij was zo ontroerd geweest, schreef hij, dat hij nauwelijks zijn hand stil kon houden. Zijn brief sluit mooi aan bij het verslag van Grovestins.
Borstvoeding
Ook daarna bleef Grovestins Marie Louise uitvoerig informeren over de toestand van moeder en kind. Op 12 maart schreef hij dat Anna’s melk goed op gang was gekomen en zelfs zo overvloedig was dat de jonge prins niet alles kon drinken. Daarom werd er tijdelijk een ander kind gehaald om de borsten leeg te drinken. Uit zijn brief blijkt dus dat Anna zelf voedde, al was er meteen praktische hulp nodig. Dat detail wordt bevestigd door Willem IV zelf. In zijn brief van 9 maart schreef hij dat Anna de baby aan de borst zou leggen zodra hij wakker werd. In een naschrift kon hij al melden dat ‘het kleine manneke’ [‘le petit bonhomme’] inmiddels aan de borst lag, al was hij nog wat onhandig.

Dat Anna zelf de borst gaf en dat het kind dicht bij haar sliep, is veelzeggend. Aan vorstelijke hoven werd de voeding van pasgeborenen vaak aan minnen of voedsters overgelaten. Deze brief [vrij vertaald uit het Frans met Nederlandse citaten] van Grovestins aan Marie-Louise laat zien dat haar schoondochter in de eerste dagen na de geboorte ook lichamelijk nauw betrokken was bij de zorg voor haar zoon:
Mevrouw,
God zij dank gaat alles bij voortduring naar wens.
In de nacht van zaterdag op zondag heeft Hare Koninklijke Hoogheid redelijk goed geslapen, al was het niet aan één stuk door. Zondagochtend heeft ze nog bijna drie uur gerust. De melk kwam zo overvloedig op gang dat de jonge prins niet alles kon drinken, en Hare Koninklijke Hoogheid was genoodzaakt een ander kind te laten halen ‘om de borsten door te drinken’ [oorspronkelijk Nederlands citaat], wat voorlopig nog steeds gebeurt. De Erfprins begint inmiddels zó goed te drinken dat er weldra geen tweede zuigeling meer nodig zal zijn. Het is een mooi kind, sterk en stevig, met een gezond uiterlijk, mooi van gezicht, een goed gevormd lichaam, en zijn stem is zo krachtig alsof hij al één maand oud is. Uwe Hoogheid hoeft zich slechts voor te stellen hoe Prinses Carolina kort na haar geboorte was.
In de nacht van zondag op maandag werd Hare Koninklijke Hoogheid vaak door het kind gewekt, maar de afgelopen nacht hebben ze beiden drie uur achter elkaar geslapen zonder wakker te worden. Uwe Hoogheid zal wel begrijpen dat na zo’n slaap de gezondheid volmaakt is en dat er aan onze tevredenheid niets ontbreekt.
Prinses Carolina houdt al heel veel van haar broertje. Ze zegt nu dat ze prins George van Engeland wil trouwen, omdat ze dat zonder haar nieuwe broertje niet had kunnen doen, dat lieve prinsesje! Toen ze hoorde dat Hare Koninklijke Hoogheid was bevallen, was haar eerste vraag: ‘hoe vaart mijn lieve mama?’ [oorspronkelijk Nederlands citaat].
Zijne Hoogheid [Willem IV] is opnieuw verkouden; ik ben er niet verbaasd over gezien al zijn vermoeienissen, zij het dat de officiële gelukwensen worden uitgesteld tot na de doop. De vreugde is hier algemeen en onbeschrijfelijk, en de voorbereidingen voor de doop zijn zeer omvangrijk, hoewel het tijdstip nog niet is vastgesteld. Ik laat het Uwe Hoogheid weten zodra het bepaald is, want er moet nog zoveel geregeld worden. […]
Het spijt mij zeer dat men in Friesland in deze dagen het erfstadhouderschap in de vrouwelijke lijn niet heeft afgekondigd, en dat het juist de oude vrienden van de Prins zijn die het hebben uitgesteld. Het jonge prinsje zal Erfprins worden genoemd; de namen die hij zal dragen zullen Uwe Hoogheid bekend worden gemaakt […]
Dat Carolina, net pas vijf jaar oud, prins George van Engeland als toekomstige echtgenoot noemde, was waarschijnlijk geen toevallige opmerking. In 1747 was het stadhouderschap in Holland ook in vrouwelijke lijn erfelijk verklaard. Daardoor was Carolina korte tijd erfprinses: als enige levende kind van Willem IV en Anna van Hannover kon zij haar vader opvolgen. Met de geboorte van haar broer Willem V in maart 1748 veranderde dat. Carolina hoefde niet langer als eerste opvolger te gelden en werd opnieuw makkelijker denkbaar als huwelijkskandidaat binnen de Europese vorstelijke politiek, bijvoorbeeld richting Engeland. Dat huwelijk kwam er niet. Carolina trouwde in 1760 met Karel Christiaan van Nassau-Weilburg.

De geboorte van Willem V loste veel dynastieke spanning op, maar de erfopvolging was daarmee nog niet in alle gewesten juridisch geregeld. Ook daaraan refereerde Grovestins in zijn brief. Zijn klacht over Friesland verwijst naar het feit dat Holland het erfstadhouderschap in november 1747 in mannelijke én vrouwelijke lijn erfelijk had verklaard, terwijl de Friese Landdag dat besluit voor de vrouwelijke lijn bleef uitstellen. Juist in het thuisgewest van Willem IV lag dat gevoelig. Pas in juni 1748, onder druk van de Friese onrust, besloten de Staten van Friesland de erfelijkheid ook in vrouwelijke lijn toe te staan.
