
Op deze website hebben we het al eens gehad over de brieven die stadhouder Willem IV aan zijn moeder Maria Louise van Hessen-Kassel schreef. Gedurende zijn leven schreef hij in totaal zo’n 1200 brieven aan zijn moeder, waardoor we genoeg materiaal hebben om nog talloze blogs over deze correspondentie te schrijven. Zijn oudere zus, Anna Charlotte Amelia van Nassau-Dietz, is een heel ander verhaal. Er zijn in totaal maar drie brieven van haar aan haar moeder bewaard gebleven. [1, 2, 3] Dit heeft te maken met de gecompliceerde aard van Amelia. In deze blogpost vertellen we je graag meer over het leven van Amalia en het contact met haar moeder Maria Louise.
Anna Charlotte Amelia van Nassau-Dietz werd in 1710 geboren in Leeuwarden als dochter van Friese stadhouder Johan Willem Friso en zijn echtgenote Maria Louise van Hessen-Kassel. Ze groeide op in Friesland en na de geboorte van haar broertje, de toekomstige stadhouder Willem IV, was het gezin compleet.

https://bit.ly/3duUqB0
Maria Louise voerde een uitgebreide correspondentie met adellijke vorsten uit heel Europa. Dit was onderdeel van haar strategie om geschikte huwelijkskandidaten voor haar kinderen te zoeken. Dat begon al vroeg: in 1725 begon ze met het zoeken van een huwelijkskandidaat voor Amelia, zij was toen amper vijftien jaar oud.(1) De kandidaat moest het liefst een protestantse prins van enig aanzien zijn, want de Oranjes waren zelf een prominente Europese familie. Daarnaast moest hij ook een goede positie bekleden en enig vermogen tot zijn beschikking hebben. Katholieke kandidaten vielen bij voorbaat al af, dus zo bleven er niet veel kandidaten over. Uiteindelijk kwam erfprins Frederik van Baden-Durlach (1703-1732) als winnaar uit de bus. Hij was klein en tenger, maar zeer geliefd en zeer begaafd, zo werd gezegd.(2) Het huwelijk vond plaats op 8 september 1727 in Leeuwarden, toen was Amelia nog net geen zeventien jaar oud. Na het huwelijk trok het stel naar Durlach en ze kregen twee kinderen: Karel Frederik (1728-1811) en Willem Lodewijk (1732-1788). Karel Frederik volgde zijn vader op als markgraaf van Baden-Durlach en werd uiteindelijk markgraaf en groothertog van Baden. Willem Lodewijk werd gouverneur van Arnhem.

Amelia stond bekend om haar zwakke geestelijke gezondheid. Zo tiranniseerde ze haar bedienden tijdens haar zwangerschappen en had ze veel last van driftbuien. Haar moeder Maria Louise maakte zich zorgen en schreef haar waarschuwend: “u ontsteekt in woede over alles en iedereen, mij en eenieder die in uw buurt komt; u wil leven zonder regelmaat, maakt van de nacht de dag en uw stemmingen kennen geen grenzen”. (3) Amelia’s gesteldheid verslechterde steeds meer en op 11 februari 1732 schreef erfprins Frederik tamelijk bezorgd aan Maria Louise in Leeuwarden: “met grote droefheid moet ik Uwe Doorluchtige Hoogheid de betreurenswaardige toestand mededelen waarin mijn zeer lieve vrouw verkeert, niet zozeer met betrekking tot het lichaam als wel van de geest, die erg zwak is sinds haar ziekte en ze is voortdurend aan het wegdromen” (4) Zelf schreef Amelia maar weinig naar haar moeder. Hier was ze vaak te zwak voor, vandaar dat de communicatie tussen Maria Louise en haar dochter vaak via Amelia’s echtgenoot verliep.
Lees hier de gehele brief van Frederik van Baden-Durlach aan Maria Louise:



De geestelijke toestand van Amelia verslechterde nog meer na de geboorte van haar tweede zoon. Haar echtgenoot en de artsen om haar heen deden er alles aan om haar toestand te verbeteren, maar ze leed aan religieuze waanvoorstellingen, had hevige uitbarstingen en was agressief (5). De toestand van erfprins Frederik was inmiddels ook kritiek geworden. De longontsteking waaraan hij leed verergerde dermate dat hij in maart 1732 stierf, waarschijnlijk aan tuberculose.
Haar schoonvader, markgraaf Karel III Willem van Baden-Durlach, wilde voorkomen dat Amelia te veel invloed zou hebben op haar kinderen. Om deze reden leefde ze in een apart gedeelte van Slot Karlsburg te Durlach, gescheiden van haar zoons en afgeschermd van de buitenwereld. De prinsjes zouden voortaan onder leiding van hun oma Magdalena Wilhelmina van Württemberg (1677-1742) worden opgevoed, want Amelia kon dit niet. Ze wist niet waar ze was, wat ze deed, ze gilde, huilde, vloekte, mompelde en staarde glazig voor zich uit, ze viel mensen aan, sloeg en kneep.(6) Nederlandse en Duitse artsen probeerden haar zo goed mogelijk te behandelen, maar niets hielp. Amelia stierf pas in 1777. In totaal leefde ze dus ruim 45 jaar in deze toestand van totale verdwazing, verzorgd door een stoet van twintig bedienden.
Bronvermelding:
(1) B. Bilker, ‘Anna Charlotte Amelia 1710-1777, het ongelukkige leven van een Leeuwarder prinses’, Leovardia 5 (2001) 9-12.
(2) B. Bilker, ‘Anna Charlotte Amelia 1710-1777, het ongelukkige leven van een Leeuwarder prinses’, Leovardia 5 (2001) 9-12.
(3) Reinildis van Ditzhuyzen, Deel 18: (Anna Charlotte) Amalia prinses van Nassau-Dietz en Frederik erfprins van Baden Durlach: een krankzinnige prinses en een jonggestorven prins, maart 2017 (geraadpleegd op 15 oktober 2020) URL: https://bit.ly/2H43G3p.
(4) Brief van Frederik van Baden-Durlach aan Maria Louise van Hessen-Kassel, 11-02-1732, (Koninklijke Verzamelingen Den Haag, A28-012), te raadplegen via: https://bit.ly/340r9LB .
(5) Marijke Bruggeman, Amalia van Nassau-Dietz 1710-1777, in: Digitaal Vrouwenlexicon, URL: https://bit.ly/3nQGqGB.
(6) Marijke Bruggeman, Amalia van Nassau-Dietz 1710-1777, in: Digitaal Vrouwenlexicon, URL: https://bit.ly/3nQGqGB.
Transcriptie:
Madame
C’est avec bien du plaisir que j’ai receu la lettre gracieuse que Votre Altesse Sérénissime m’a écrit du deux de ce mois et rends tres humble grâces des souhaits qu’elle fait pour le bien du nouveau née. Je le recommande encore une fois aux grâces de Votre Altesse, il se porte Dieu merci fort bien, mais c’est avec bien de la tristesse que je dois apprendre à Votre Altesse Sererenissime l’estat déplorable dans le quel ma tres chère épouse ce trouve, non pas tant par rapord au corp qu’a l’esprit qui est ford foible depuis la maladie et elle est presque dans des rêveries continuelles; nous faisons tout nostre possible pour la tirer dus mauvais lestât par tout sorte de remédie, mais qu’elle prend très difficilement. Nous avons pourtant quelque fois des espérance et Dieu qui peut guérir de tous les maus nous assistera dans celui-ci et c’est en lui que je mets toute ma consience et j’espère que si mon épouse reviend a la guérison elle reconnoitra bien des choses où elle n’a point fait de réflexions jusques ici. Je prends en mesmes temp la liberté de la recommander dans sa triste situation aux grâces de Votre Altesse Sérénissime et prie très humblement de ne plus penser à ses égrarement passés qu’elles déplore présent, mais de crainte d’incommoder Votre Altesse, je finis me faisant un plaisir sensible d’estre juques à la fin de sa vie.
Madame
De Votre Altesse
Le très humble très obéissant et très fidèl serviteur et fils
F.M.B. Baade
Carolsruhe ce 11.em Feb 1732
P.S.
Madame ma mère m’a chargé de faire ces compliments à Votre Altesse, la priant de pardonnes de ce qu’elle n’écrit pas, mais comme elle est presque toujours auprès de mon épouse ce sera la 1 poste[?]