Van preek tot poëzie: gelegenheidsgedichten van Jacobus Willemsen voor Marie Louise van Hessen-Kassel


In het kader van zijn stage bij het Stadhoudersvrouwenproject, waarbij hij zich richtte op de invoer van de brieven aan Marie Louise van Hessen-Kassel, heeft Alex Meijer de correspondentie van predikant Jacobus Willemsen onderzocht. De brieven, rijk aan gelegenheidsgedichten en religieuze reflecties, bieden een unieke inkijk in de relatie tussen de predikant en Marie Louise, die Willemsens verzen gebruikte om troost en steun te vinden in moeilijke tijden. Over zijn bevindingen schreef Alex een blog, waarin hij de betekenis van Willemsens poëzie binnen de achttiende-eeuwse context bespreekt.

Maria Louisa van Hessen-Kassel door Johann Philipp Behr, ca. 1720 – ca. 1756, Rijksmuseum.

Stadhoudersvrouw Marie Louise van Hessen-Kassel (1688-1765) heeft een grote collectie aan brieven nagelaten. Een deel daarvan bestaat uit correspondenties met predikanten uit het hele land. De briefwisseling met de Zeeuw Jacobus Willemsen (1698-1780), predikant in Middelburg, is opmerkelijk vanwege de grote hoeveelheid aan gedichten. Twaalf van de dertien brieven die bewaard zijn gebleven bevatten zeventwintig gedichten en kleinere verzen. Dat zijn er ruim twee per brief. De brieven zelf dateren uit de periode van 1747 tot en met 1763, de laatste twee decennia van Marie Louises leven, waarin ze na het overlijden van haar schoondochter Anna van Hannover in 1659 onder meer regentes werd voor haar kleinzoon prins Willem V. Het fenomeen van ‘gelegenheidsgedichten’ of ‘gelegenheidspoëzie’, waartoe de gedichten van Jacob Willemsen kunnen worden gerekend, wordt belicht aan de hand van diverse verzen uit zijn brieven, ondersteund door biografische informatie over hem.

Gelegenheidsgedichten

Het opnemen van gedichten in brieven was in de vroegmoderne tijd vrij gebruikelijk, afhankelijk van de aard van de correspondentie en de scholing van de briefschrijver. Kennis van poëzie, Latijn en Grieks speelde hierbij een belangrijke rol. Zo voegde Hugo de Groot geregeld gedichten toe aan zijn brieven.[1] Net zoals Vondel en Belle van Zuylen schreef hij gedichten voor een bepaalde gelegenheid.[2]  Dit soort gedichten werd geschreven bijvoorbeeld na het uitbreken van een brand, of de dood, geboorte, overlijden of verjaardag van iemand, in zekere zin vergelijkbaar met bruiloftsgedichten.

Dergelijke gedichten worden gelegenheidsgedichten genoemd.[3] Ze werden vaak uitgegeven op los papier, wat ertoe leidde dat veel van deze werken verloren zijn gegaan in de loop der tijd. Soms werden ze meegestuurd met brieven, met de kans dat ze door een verzamelaar werden bewaard of door de dichter zelf werden gebundeld en later uitgegeven.[4] De meeste gedichten van Jacobus Willemsen in zijn brieven lijken op gelegenheidsgedichten. Om dit te illustreren, worden drie voorbeelden uitgelicht, voorafgegaan door een korte schets van de achtergrond van de predikant.

Jacobus Willemsen en zijn verzen

Jacob Willemsen werd geboren in Middelburg in 1698. Hij studeerde theologie in Utrecht en werd daarna predikant eerst in Heemstede, daarna in Vlissingen en vervolgens te Middelburg, waar hij bleef tot aan zijn dood.[5] Hij begon zijn correspondentie met Marie Louise van Hessen-Kassel nadat haar zoon prins Willem IV Middelburg 20 mei 1747 had bezocht. Tijdens dit bezoek preekte Willemsen op de dag dat de prins een kerkdienst bijwoonde.[6] In welke kerk precies is niet duidelijk geworden. Willemsens preek maakte blijkbaar zoveel indruk op de prins dat hij Willemsen verzocht om een geschreven versie. Willemsen voldeed aan dit verzoek en stuurde de preek niet alleen naar de prins, maar ook naar Marie Louise.[7] Latere brieven van Willemsen aan Marie-Louise krijgen een meer troostend karakter, vaak naar aanleiding van een verlies in haar naaste omgeving, zoals het overlijden van haar zoon prins Willem IV, of haar broer Frederick I van Hessen-Kassel, koning van Zweden. Om haar te bemoedigen voegde Willemsen verzen toe aan zijn brieven.

De gedichten zijn voornamelijk religieus van aard, variërend in lengte van slechts twee regels, tot een volledig gedicht van drie strofen met elk zes regels. Willemsen schreef ook enkele brieven zonder specifieke aanleiding, enkel vanuit zijn wens om in contact te blijven met Marie Louise.[8] Uit de brieven blijkt dat zij ook op Willemsens schrijven reageerde. In sommige gevallen voegde hij een gedichtenbundel bij de brief. Dit is bijvoorbeeld terug te lezen in zijn brief van 15 september 1747. [9] Ook verwees hij vaak naar Bijbelcitaten, wat niet verrassend is gezien zijn rol als predikant.[10]

 Het was niet ongebruikelijk dat personen van adel gelegenheidsgedichten ontvingen, bijvoorbeeld bij een ceremonieel bezoek, zoals Johannes Kalkoen deed voor de intocht van de prins en prinses van Oranje in Voorthuizen.[11] De gedichten in Marie Louises collectie gaan echter niet over zulke gebeurtenissen. Ter illustratie worden drie gedichten besproken: uit de brieven van 13 september 1748 en 19 december 1752 en een gedicht dat in twee brieven wordt genoemd.

Gedicht 1, van 13 september 1748[12]

Lang leev’ die Vorst, naar mijnen hartewensch,
Tot Nêerlands stut, tot heil van menig mensch,
Door ’s hemels gunst! Zijn heil, nooit onbestendig,
Volduure in God, en blijve, als God, onendig!

Dit gedicht is duidelijk een lofzang op prins Willem IV van Oranje, geschreven naar aanleiding van de geboorte van Willem Batavus, de toekomstige stadhouder Willem V. In het gedeelte voorafgaand aan dit gedicht wenst Willemsen voor Marie Louise dat Willem IV nog een lang leven is beschoren, en feliciteert hij hem met zijn recente verjaardag. Dit mondt uiteindelijk uit in het bijgevoegde gedicht.

Gedicht 2, van 19 december 1752[13]

Koom, Heer, ai koom; ik wensch uw’ roem te uitten.
Koom haast, mijn God, voer mij in ’t eeuwig schoon.
Ontfang mijn’ geest, als ik mijn oog zal sluiten.
Mijn hert ziet, Heer, naar u in uwen Zoon.

Dit gedicht volgt op een lange passage met verwijzingen naar God en het hiernamaals, versterkt door talrijke Bijbelcitaten. Het sluit af met het korte gedicht hierboven, waarin het religieuze karakter sterk naar voren komt. Willemsen vermeldt na het gedicht dat hij de brief deels schreef om zijn gevoelens te uiten en deels om een klein boekje van de predikant Petrus Immens (1664-1720) mee te sturen, waarvan hij dacht dat het Marie Louise van nut kon zijn. Petrus Immens  was predikant die graag in kleine gezelschappen preken hield en gedichten schreef.

Zijn woorden waren genoteerd door Jacoba Petronella Winckelman (1696-1761) en dankzij Jacobus Willemsen in druk uitgegeven.[14]  Zij was de dochter van de burgermeester van Vlissingen Jacob Winckelman (ca. 1645-1696) en groeide op in een piëtistisch milieu. In het intellectuele milieu waarin zij verkeerde, was het gebruikelijk om gezamenlijk over de wereld te reflecteren. Dit inspireerde haar om haar eigen gedachten op papier te zetten. Binnen deze kring communiceerde men vaak in versvorm, wat haar talent voor poëzie stimuleerde. Zo schreef zij onder andere gelegenheidsgedichten, bijvoorbeeld als reactie op natuurrampen of bij het overlijden van dierbaren. Via deze kring maakte zij ook kennis met Petrus Immens, wiens woorden zij optekende. Deze teksten werden nog tot in de twintigste eeuw herdrukt.[15]

Zaal met het praalbed van prins Willem IV, 1751, Jan Punt, Rijksmuseum.

Aan zijn brief aan Marie Louise voegde Jacobus Willemsen nog twee zelfgeschreven lijkdichten toe. Een ter gelegenheid van het overlijden van een ambtgenoot en een soortgelijk gedicht voor het overlijden van diens vrouw. In de slotregels van de brief lijkt hij Marie Louise nog te willen bemoedigen, mogelijk in verband met het recente verlies van haar zoon Willem IV en haar broer Frederick I. De exacte aanleiding voor de brief blijft echter onduidelijk.

Gedicht 3[16]

Zoud gij ’s Heeren weg bedillen?
Neen, mijn’ ziel; dat past u niet.
’t Past u, zoo, als God, te willen,
Schoon gij ’t wijze Gods niet ziet.
’s Heeren wil is altoos heilig.
’s Heeren wil is altijd goed.
Zoo te willen is zoo veilig,
Wijl ’t de hoogste wijsheid doet.

Dit gedicht komt tweemaal voor: in een brief van 23 november 1751 en opnieuw in een brief van 7 juli 1759, telkens met een vergelijkbare boodschap. In de eerste brief gebruikt Willemsen het om te benadrukken dat men, inclusief Marie Louise, zich moet schikken in Gods plan, omdat Zijn wegen goed en heilig zijn. Het woord ‘bedillen’ verwijst naar het bekritiseren van Gods wegen, iets wat volgens Willemsen niet passend is. In de latere brief gebruikt hij het gedicht om zijn eigen aanvaarding van God wil te onderstrepen.

Fragment uit: Jacobus Willemsen aan Marie Louise van Hessen-Kassel, 23 november 1751, KV Den Haag, inv. A28-159, https://resources.huygens.knaw.nl/media/stadhoudersvrouwen/mlvanhessenkassel/A28-159_019.pdf.

Dit gedicht is ook aangehaald in het onderzoek van H. de Jong naar Willemsens leven en werk. De auteur noemt het als voorbeeld van Willemsens bekendheid met de gezangen van de dichter en predikant Jodocus van Lodenstein (1620-1677), [17] wat inzicht biedt in Willemsens inspiratiebronnen.[18] Het feit dat hij hetzelfde gedicht tweemaal gebruikte, onderstreept wellicht de betekenis die hij eraan hechtte.

Ten slotte

De verzen van Jacobus Willemsen in zijn brieven aan Marie Louise van Hessen-Kassel horen duidelijk bij de zogenaamde gelegenheidsgedichten. Ze laten zien hoe belangrijk poëzie in de achttiende eeuw kon zijn. Het was niet alleen een manier om iets moois te schrijven, maar ook om troost en steun te bieden in moeilijke tijden zoals bij verlies of verdriet. Willemsen gebruikte zijn gedichten om contact te houden met Marie Louise en haar te bemoedigen. Hij schreef vaak over Bijbelse onderwerpen en moedigde haar aan om vertrouwen te houden in haar geloof. Dit paste goed bij haar diepe religieuze overtuiging, zoals ook beschreven is in de biografie van F.J.A. Jagtenberg.[19]

We weten helaas niet wat Marie Louise zelf van de gedichten vond, omdat haar reacties niet bewaard zijn gebleven. Toch laten deze brieven zien hoe poëzie, geloof en persoonlijke relaties met elkaar verweven waren. Willemsens gedichten lijken niet alleen bedoeld om in contact te blijven met Marie Louise, maar ook om haar te bemoedigen en te troosten in moeilijke tijden, passend bij de rol die woorden in die tijd speelden.

Alex Meijer, 13 december 2024


[1] https://dwc.knaw.nl/grotius-hugo-1583-1645/, geraadpleegd 20 november 2024; P.C. Molhuysen, Briefwisselingen van Hugo Grotius. Deel 1 (Den Haag 1928) xviii.

[2] Zie voor een voorbeeld van een gelegenheidsgedicht van Hugo Grotius brief nummer 7047 in: H.J.M. Nellen en Cornelia M. Ridderikhoff, Briefwisselingen van Hugo Grotius. Deel 15 (Den Haag 1996) 739-741.

[3] M.A. Schenkeveld-van der Dussen, ‘Poëzie als gebruiksartikel: gelegenheidsgedichten in de zeventiende eeuw.’ In: Marijke Spies (ed.) Historische letterkunde. Facetten van vakbeoefening. (Groningen 1984) 75-92, aldaar 75.

[4] Schenkeveld, ‘Poëzie’, 76-77.

[5] P.J. Meertens, ‘Willemsen, Jacobus’, In: Biografisch lexicon voor de geschiedenis van het Nederlands protestantisme, deel 1 (1978) 430-431.

[6] H. de Jong, ‘Jacobus Willemsen (1698-1780). Lampeaans godgeleerde in het ‘dierbaar’ Middelburg’, Mededelingen van het Koninklijk Zeeuwsch Genootschap der Wetenschappen (1991) 33-122, aldaar 98-99.

[7] Jacobus Willemsen aan Marie Louise van Hessen-Kassel, 23 juni 1747, Koninklijke Verzamelingen (hierna KV) Den Haag, inv. A28-159, https://resources.huygens.knaw.nl/media/stadhoudersvrouwen/mlvanhessenkassel/A28-159_016.pdf.

[8] Jacobus Willemsen aan Marie Louise van Hessen-Kassel, 13 september 1748, KV Den Haag, inv. A28-159, https://resources.huygens.knaw.nl/media/stadhoudersvrouwen/mlvanhessenkassel/A28-159_018.pdf en https://resources.huygens.knaw.nl/media/stadhoudersvrouwen/mlvanhessenkassel/A28-159_019.pdf.

[9] Jacobus Willemsen aan Marie Louise van Hessen-Kassel, 15 september 1747, KV Den Haag, inv. A28-159, https://resources.huygens.knaw.nl/media/stadhoudersvrouwen/mlvanhessenkassel/A28-159_017.pdf.

[10] De brief van 19 december 1752 staat bijvoorbeeld onder de citaten, vaak in de kantlijn aangegeven. Jacobus Willemsen aan Marie Louise van Hessen-Kassel, 19 december 1752, KV Den Haag, inv. A28-159, https://resources.huygens.knaw.nl/media/stadhoudersvrouwen/mlvanhessenkassel/A28-159_013.pdf, https://resources.huygens.knaw.nl/media/stadhoudersvrouwen/mlvanhessenkassel/A28-159_014.pdf en https://resources.huygens.knaw.nl/media/stadhoudersvrouwen/mlvanhessenkassel/A28-159_015.pdf.

[11] Dat zijn prins Willem IV en vermoedelijk prinses Marie Louise, zoals verwerkt in zijn brief van 9 juli 1743. Johannes Kalkoen aan Marie Louise van Hessen-Kassel, 9 juli 1743, KV Den Haag, inv. A28-140, https://resources.huygens.knaw.nl/media/stadhoudersvrouwen/mlvanhessenkassel/A28-140_001.pdf.

[12] Jacobus Willemsen aan Marie Louise van Hessen-Kassel, 13 september 1748, KV Den Haag, inv. A28-159, https://resources.huygens.knaw.nl/media/stadhoudersvrouwen/mlvanhessenkassel/A28-159_018.pdf en https://resources.huygens.knaw.nl/media/stadhoudersvrouwen/mlvanhessenkassel/A28-159_019.pdf.

[13] Jacobus Willemsen aan Marie Louise van Hessen-Kassel, 19 december 1752, KV Den Haag, inv. A28-159, https://resources.huygens.knaw.nl/media/stadhoudersvrouwen/mlvanhessenkassel/A28-159_013.pdf, https://resources.huygens.knaw.nl/media/stadhoudersvrouwen/mlvanhessenkassel/A28-159_014.pdf en https://resources.huygens.knaw.nl/media/stadhoudersvrouwen/mlvanhessenkassel/A28-159_015.pdf.

[14] De Jong, ‘Jacobus Willemsen’, 95; H. Florijn, ‘Immens, Petrus’, in: Biografisch lexicon voor de geschiedenis van het Nederlands protestantisme, deel 5 (2001) 275-276.

[15] W.R.D. van Oostrum, ‘Winckelman, Jacoba Petronella’, in: Digitaal Vrouwenlexicon van Nederland, URL: https://resources.huygens.knaw.nl/vrouwenlexicon/lemmata/data/JacobaWinckelman (2014).

[16] Jacobus Willemsen aan Marie Louise van Hessen-Kassel, 23 november 1751, KV Den Haag, inv. A28-159, https://resources.huygens.knaw.nl/media/stadhoudersvrouwen/mlvanhessenkassel/A28-159_005.pdf en https://resources.huygens.knaw.nl/media/stadhoudersvrouwen/mlvanhessenkassel/A28-159_006.pdf; Jacobus Willemsen aan Marie Louise van Hessen-Kassel, 7 juni 1759, KV Den Haag, inv. A28-159, https://resources.huygens.knaw.nl/media/stadhoudersvrouwen/mlvanhessenkassel/A28-159_020.pdf, https://resources.huygens.knaw.nl/media/stadhoudersvrouwen/mlvanhessenkassel/A28-159_021.pdf en https://resources.huygens.knaw.nl/media/stadhoudersvrouwen/mlvanhessenkassel/A28-159_022.pdf.

[17] http://www.biografischportaal.nl/persoon/20970443, geraadpleegd 11 december 2024.

[18] De Jong, ‘Jacobus Willemsen’, 104.

[19] F.J.A. Jagtenberg, Marijke Meu, 1688-1765 (Amsterdam 1994).