Vriendschap op papier. Een inkijkje in de brieven tussen Maria Louise van Hessen-Kassel aan Henriëtte van Nassau-Zuylestein

Voor haar stage bij het stadhoudersvrouwenproject deed Marloes Neijens een onderzoek naar de briefwisseling tussen Marie Louise van Hessen-Kassel en Henriëtte van Nassau-Zuylestein.

Uiteindelijk, mijn beste Milady, als ik alles zou zeggen wat mijn gevoelens voor u mij ingeven, zou dat te ver gaan, dus moet ik mij beperken tot zwijgen

schrijft Maria Louise van Hessen-Kassel (1688-1765) op 13 juni 1730 in een brief.[1] Deze brief is gericht aan Henriëtte van Nassau-Zuylestein (1688-1759), met wie Maria Louise decennialang bevriend was.

Fred Jagtenberg schrijft in zijn biografie over Maria Louise, Marijke Meu (1688-1765): Stammoeder van ons vorstenhuis, het een en ander over de vriendschap die bestond tussen Henriëtte en Maria Louise. Hij benadrukt dat de twee vrouwen erg veel gemeen hadden, en dat ze veel steun bij elkaar vonden. Ze waren leeftijdsgenoten, maar ook lotgenoten, in de zin dat ze allebei veel verlies hadden doorgemaakt. Maria Louise was nog maar 23 jaar toen haar man, stadhouder Johan Willem Friso van Nassau-Dietz (1687-1711), om het leven kwam. Hun oudste kind, Anna Charlotte Amalie (1710-1777), was nog geen jaar oud, en hun zoon, Willem Karel Hendrik Friso (1711-1751) heeft zijn vader nooit gekend.[2] Henriëtte was 30 jaar toen Frederik Christiaan van Reede (1668-1719) overleed en had drie kleine kinderen, Godard Adriaan (1716-1736), Willem Frederik (1717-1747), en Ursula Christina Reynira (1719-1747).[3]

Henriette van Nassau Zuylestein, door Johan Georg Colasius, 1724, Wikimedia Commons.

Jagtenberg benadrukt Maria Louises frequente uitnodigingen aan Henriëtte om bij haar op bezoek te komen, en het verlangen naar het gezelschap van ‘Milady’.[4] De vriendschap die Jagtenberg beschrijft lijkt op deze manier erg eenzijdig, maar er moet ook rekening gehouden worden met de bronnen: er zijn meer dan 30 brieven van Maria Louise aan Henriëtte bewaard gebleven (nu te vinden in Het Utrechts Archief)[5] tegenover de drie brieven van Henriëtte aan Maria Louise die in bezit zijn van de Koninklijke Verzamelingen.[6] Hoeveel brieven er precies missen is niet duidelijk, maar we hebben in ieder geval (helaas) een onvolledig beeld van deze vriendschap. Deze blog zal dan ook vooral voorbeelden bespreken uit Maria Louises brieven aan Henriëtte.

Jagtenberg zet de onderwerpen die het meeste aan bod komen in de correspondentie op een rijtje: hun kinderen (Maria Louise was in het bijzonder gehecht aan ‘Christje’, oftewel Henriëttes dochter Ursula Christina Reynira), nieuws uit hun omgeving, ziekte en gezondheid, en vrijetijdsbesteding, zoals handwerken of in de tuin wandelen. Ook vroeg Maria Louise wel eens aan Henriëtte om een bestelling voor haar te doen in Utrecht, waar wellicht meer modieuze spullen te verkrijgen waren dan in het afgelegene(re) Leeuwarden.[7]

Deze blog biedt een inkijkje in de persoonlijke kant van de meer dan veertig jaar durende vriendschap tussen Maria Louise van Hessen-Kassel en Henriëtte van Nassau-Zuylenstein en hoe deze twee vrouwen hun vriendschap uitten. (Hoe twee vrouwen van adel hun vriendschap voor politieke doeleinden inzetten is te lezen in een blogpost over Maria II Stuart en haar hofdame Agnes van Wassenaer Obdam, geschreven door Fien Jordaens: https://stadhoudersvrouwen.wordpress.com/2025/11/09/door-brieven-verbonden-de-vriendschap-van-maria-stuart-ii-en-agnes-van-wassenaer-obdam/). Citaten uit de Franstalige brieven zijn door mij naar het Nederlands vertaald in de lopende tekst en, waar nodig, voorzien van interpunctie. Transcripties van de oorspronkelijke Franse tekst zijn te vinden in de voetnoten.

Woorden van vriendschap

Gedurende hun opvoeding kwamen jonge dames van adel zoals Maria Louise en Henriëtte in aanraking met allerlei handboeken omtrent gepast gedrag. Ook het selecteren van geschikte vriendinnen en het schrijven van brieven waren onderdeel hiervan.[8] Etiquetteboeken, al een begrip in de opvoeding van de adel sinds de late Middeleeuwen, bevatten vaak tips op dit vlak. Er waren echter ook hele handboeken gewijd aan de lezer adviseren in het schrijven van brieven. Brieven vormden immers een essentieel deel van het dagelijks leven in de vroegmoderne tijd (en in de periode erna!). Niet alleen wisselden politici, intellectuelen, handelaars, etcetera ideeën uit via dit medium, brieven waren natuurlijk eenvoudigweg ook een belangrijk onderdeel van sociaal contact onderhouden met familie, vrienden, en kennissen. Handleidingen bevatten meestal een gedeelte met instructies over stijl, vorm, en inhoud, en een gedeelte met voorbeeldbrieven.[9] Op deze wijze internaliseerden lezers een bepaalde manier van zich uitdrukken.

Laatste pagina brief Henriette van Nassau-Zuylestein aan Marie Louise van Hessen-Kassel, 28 april 1742, Koninklijke Verzamelingen, A28, 170.

De duidelijkste voorbeelden van dit soort aangeleerd brievenjargon zijn meestal te vinden in de aanhef en de afsluiting. De correspondentie van Maria Louise en Henriëtte zijn geen uitzondering wat dat betreft. Beide vrouwen beginnen hun brieven aan elkaar meestal met ‘madame’, en een paar zeer formulaïsche openingszinnen. Zo bedankt Maria Louise Henriëtte vaak voor het een of ander, of biedt zij uitvoerig haar excuses aan dat zij Henriëtte niet eerder heeft geschreven.

[Het is] niets anders dan een last, dat ik zo lang heb gedraald en uitgesteld, mijn lieve Milady, om u te verzekeren van mijn gehechtheid en om u te bedanken dat u mij het plezier gedaan mij te schrijven,’ schrijft Maria Louise bijvoorbeeld in een ongedateerde brief;[10]

en: Het doet me verdriet dat ik zo lang ben gegaan zonder u te schrijven en u te bedanken, mijn zeer dierbare Milady, voor uw vriendelijke brief ter gelegenheid van het nieuwe jaar, op 30 januari 1731.[11]

Maria Louise spreekt Henriëtte ook vaak aan met de Engelse aanspreekvorm ‘Milady’, waarschijnlijk omdat zij gravin van het Ierse Athlone was, destijds onderdeel van het Britse Rijk. Ze sluit haar brieven aan Henriëtte meestal af met een zin zoals de volgende, uit een korte brief uit 1739:

[…] ik ben met perfecte erkenning,

Madame,

uw zeer toegenegen dienares en trouwe vriendin,

M.L. d’Orange[12]

Soms op wat uitgebreidere wijze, zoals in een brief met nieuwjaarswensen van 22 januari 1736:

Enfin, mijn beste gravin, ik hoop dat u overtuigd zult zijn van mijn onbreekbare gehechtheid, waarmee ik,

Madame,

uw zeer toegenegen dienares en goede vriendin ben.

M.L. d’Orange[13]

Henriëttes brieven doen zelfs nog iets formeler aan, waarschijnlijk door het verschil in stand tussen de twee vriendinnen: Maria Louise was een prinses, en Henriëtte ‘maar’ een gravin. Wie naar de mise-en-page van de brieven kijkt, ziet dat Henriëtte een veel grotere ruimte tussen de initiële aanhef en de openingszin laat dan Maria Louise. Zo’n lange witregel was typisch in brieven gericht aan iemands meerdere.[14] Zo opent Henriëtte haar brief van 20 mei 1735:

Ik heb de eer om mijn zeer nederige dank te betuigen aan Uwe Doorluchtige Hoogheid, voor de zeer vriendelijke brief die u zo vriendelijk was, Madame, om mij te schrijven (in antwoord waarop ik de vrijheid heb genomen om u te adresseren), waarin ik met onnoemelijke vreugde heb gezien dat Uwe Doorluchtige Hoogheid mij nog altijd met haar kostbare welwillendheid eert […][15]

Haar brief van 17 augustus 1731 sluit Henriëtte als volgt af, na het afzeggen van een reis naar Kassel met Maria Louise door familiezaken:

[…] ik heb zo’n mooie gelegenheid niet willen laten ontsnappen om op de een of andere manier aan Uwe Doorluchtige Hoogheid de ijver te laten zien waarmee ik mijn hele leven,

Madame,

Uwe Doorluchtige Hoogheids

zeer nederige

en zeer gehoorzame dienares ben en zal zijn.

H. van Nassau

douarière gravin van Athlone[16]

Willemijn Ruberg schrijft in haar boek Conventional correspondence: epistolary culture of the Dutch elite, 1770-1850 dat mensen de performatieve en formulaïsche aspecten van de briefcultuur invulden met hun eigen betekenis.[17] De clichés en formaliteiten die Maria Louise en Henriëtte in hun brieven naar elkaar verwerkten, boden dus alsnog ruimte voor oprechte gevoelens. Het is echter vaak moeilijk te zeggen waar het een eindigt en het ander begint:

Wees overtuigd, mijn zeer dierbare vriendin, dat ik dagelijks denk [aan uw] vriendelijke persoon […], schrijft Maria Louise in haar brief van 11 augustus 1731.[18]

Ook geeft Maria Louise regelmatig aan dat ze Henriëtte mist. […] ik voel me niet slecht, behalve dat mijn borstkas een beetje pijn doet, maar mijn lieve Milady, ik heb een sterk gevoel over onze scheiding, die mij meer pijn doet […], schrijft ze in oktober 1730.[19]

Zijn de bovenstaande citaten oprechte uitdrukkingen van gevoelens van vriendschap, lege frases, of een beetje van allebei? Misschien loont het meer om naar de inhoud van de brieven te kijken.

Familie, gezondheid en nieuwtjes van alledag

Waar schrijven twee achttiende-eeuwse vriendinnen dan zoal over? Via hun correspondentie blijven de twee in ieder geval goed op de hoogte van elkaars leven. Maria Louise was bijvoorbeeld erg bezig met zowel de gezondheid van haar familie als die van haarzelf, schrijft Jagtenberg (meer over dit onderwerp is ook te lezen in de blogpost over Maria Louises correspondentie met haar arts, geschreven door Veerle Berends: https://stadhoudersvrouwen.wordpress.com/2025/05/10/ziekte-zorg-en-dynastie-de-medische-correspondentie-tussen-maria-louise-van-hessen-kassel-en-bernard-wepfer/).[20]  Ook in haar brieven aan Henriëtte is dit een terugkerend thema. Vaak noemt ze een of andere kwaal als reden dat ze niet eerder kon schrijven, of vertelt ze dat ze ziek is of is geweest.[21] Soms brengt ze verslag uit aan Henriëtte over haar dag of een reis die ze heeft gemaakt. Ook wordt er gecorrespondeerd over algemener nieuws uit de omgeving van beide dames, en wordt er soms zelfs heel voorzichtig geroddeld.[22]

Laatste pagina brief Henriette van Nassau-Zuylestein aan Marie Louise van Hessen-Kassel, 30 januari 1731, Het Utrechts Archief, 1001 Huis Amerongen, inv. nr. 3313.

Een opvallend detail in bijna elke brief van Maria Louise dat ook Jagtenberg niet is ontgaan, is dat zij Henriëtte regelmatig vraagt om ‘Christje’ of ‘Christgen’ namens haar te omhelzen. Christje was Ursula Christina Reynira, Henriëttes dochter. In tien brieven van 1730 tot en met 1739 én in een ongedateerd fragment komt dit terug.[23] Familie is sowieso een belangrijk thema in de correspondentie van de twee vriendinnen. Zelf waren ze (hele) verre verwanten: Henriëtte was de kleindochter van een bastaardzoon van Frederik Hendrik, en was dus indirect een afstammeling van Willem van Oranje, net als Maria Louise.[24] Hoewel dat nooit expliciet wordt genoemd in wat bewaard is gebleven van hun briefwisseling, is het gezien de bredere betekenis(sen) van vriendschap in de vroegmoderne tijd goed mogelijk dat dit feit heeft meegewogen in hun eigen definitie van hun vriendschap.[25] Ze houden elkaar op de hoogte van geboortes, huwelijken, en sterfgevallen in hun omgeving, zoals in Henriëttes brief van 28 april 1742, waarin zij verslag doet van de zaken omtrent de bevalling van haar dochter en het huwelijk van haar zoon met mademoiselle Van Wassenaer van Duvenvoorde,[26] maar ook van andere grote gebeurtenissen in de familie, ziektes, en bezoeken. Maria Louise stuurt bijvoorbeeld in mei 1747 een brief om haar vreugde uit te drukken over de uitroeping van haar zoon tot stadhouder van de Zeven Provinciën.[27]

Troost

Er zijn drie brieven bewaard gebleven van Maria Louise om Henriëtte haar condoleances aan te bieden bij een verlies. De eerste hiervan is uit 1719 en betreft het overlijden van Henriëttes man, en is een korte, formele steunbetuiging. De tweede brief stuurt Maria Louise op 10 november 1736, naar aanleiding van de dood van Godard Adriaan, Henriëttes oudste zoon, die tijdens zijn verblijf in Marburg voor zijn studie geveld werd door de pokken.[28] De brief is een stuk uitgebreider dan die uit 1719. Ook introduceert Maria Louise hier een iets informeler element: een kort postscriptum over de (wankele) staat van haar eigen gezondheid. In 1747 verliest Henriëtte haar twee overblijvende kinderen binnen enkele maanden. Er is geen brief van Maria Louise bewaard gebleven over de dood van Christje (dat betekent overigens niet dat die er niet geweest kan zijn), maar op 12 december 1747, niet lang na de dood van Frederik Willem, stuurt Maria Louise Henriëtte een brief om haar steun te betuigen. Deze keer biedt Maria Louise meer dan alleen clichés. In elk van deze brieven schrijft Maria Louise over troost vinden in God, maar in de derde brief leest het als advies, en lijkt ze ook heel even naar haar eigen ervaringen met verlies te verwijzen. Vergelijk de volgende twee zinnen:

Ursula Christina Reiniera (1719-1747), Godard Adriaan (1716-1736) en Frederik Willem (1717-1747) van Reede, door J. Fournier, 1749. Foto: Elsevier Stockmans. Collectie Kasteel Amerongen.

5 september 1719: God wil u troosten in zulk doordringend verdriet en u nog vele jaren garanderen met hen die dierbaar zijn aan u, van elk ongelukkig ongeval, door u in gezondheid te behouden, en in het besef van zijn kostbaarste genades.[29]

12 december 1747: Mijn beste vriendin, zoek altijd uw toevlucht bij Hem, Hij zal u niet in de steek laten en ik weet ook dat dit de enige manier is om de onrust te kalmeren waarin we door zo’n groot leed zijn gestort.[30]

In de brief uit 1747 nodigt Maria Louise Henriëtte vervolgens ook uit om een tijdje bij haar te komen verblijven, en biedt ze aan om vervoer te regelen:

Mijn zoon is ook erg gevoelig voor het verlies van Milady en hij schreef me eerst een brief om me te vertellen dat ik Milady moet overhalen om van plaats te veranderen en bij mij te komen. Ik bied haar de koetsen voor haar vervoer aan en zal haar met open armen ontvangen als zij een goede beslissing kan nemen. Ik kan de koetsen naar Muyden sturen, een kleine reis.[31]

Waar de eerste brief een formaliteit is, brengt de derde de boodschap over dat Maria Louise er graag voor Henriëtte wil zijn in deze moeilijke periode.

Uitnodigingen

De bovenstaande uitnodiging is niet de eerste of enige van Maria Louises kant. Ze vraagt Henriëtte regelmatig om bij haar te komen verblijven, of stelt een plan voor om elkaar ergens te zien. Maria Louises brief van 11 augustus 1731 gaat over een geplande reis naar Maria Louises familie in Kassel. Ze vertelt wanneer zij van plan is om te vertrekken en zij vraagt aan Henriëtte of zij nog steeds mee zou willen, en zo ja, of zij dan haar bagage vooruit zou kunnen sturen.[32] Henriëtte geeft een paar dagen later in haar antwoord op die brief echter aan dat het haar niet meer gaat lukken om mee te gaan, omdat zij nog veel zaken voor haar familie moet regelen met meneer Van Ginkel (vermoedelijk Reinhardt van Reede-Ginkel, de jongere broer van Frederik Christiaan die Henriëtte hielp met de opvoeding van de kinderen),[33] die pas aankomt tegen de tijd dat Maria Louise haar reis wil beginnen, en dat het haar verdriet doet dat zij de familie van Maria Louise niet kan ontmoeten.[34]

Handwerken

Er zijn drie brieven van de hand van Maria Louise bewaard gebleven waarin zij het heeft over handwerken. In een brief aan Henriëtte van 2 december 1730 schrijft ze het volgende over hoe zij haar vrije tijd besteedt:

[…] Ik zal haar [= Henriëtte] verslag uitbrengen over mijn manier van leven, die bestaat uit een sober leven, en ik vermaak me met handwerken en naar buiten gaan als het mooi weer is.[35]

Op 30 mei 1749 stuurt Maria Louise een stukje van haar eigen handwerk aan Henriëtte mee met de brief:


‘[…] Bijgevoegd is er een voorbeeld van mijn werk, ik heb het in een lijstje gestuurd aangezien er te weinig tijd was om het op de stof te zetten. Zij zou het nog altijd op een lintje kunnen laten zetten dat de vrede markeert, en gezien de vrede die in deze goede tijd heerst heb ik geloofd dat het haar, Madame, een plezier zou doen om haar een boeket met een dergelijke strik te sturen. Ik vermaak me met plezier met dit (hand)werk wanneer mijn gezondheid het toelaat.[36]

In een ongedateerd fragment van een brief aan Henriëtte schrijft Maria Louise nogmaals dat ze wat handwerkjes mee heeft gestuurd, deze keer van haar dochter:

Ik voeg hierbij twee voorbeelden van een handwerkje dat mijn dochter me heeft gestuurd, ik geloof dat dat een echt werkje voor Milady is, want het is zoals zij vaak heeft gemaakt van mousseline, waar men allerlei dingen mee maakt, zoals ze mij heeft verteld.[37]

Helaas zijn de termen ‘travaillie’ en ‘ouvrage’ te breed om te kunnen bepalen welke techniek(en) Maria Louise en haar dochter hebben gebruikt om hun handwerkjes te vervaardigen. Wel noemt Maria Louise in het ongedateerde fragment een van de gebruikte materialen: mousseline, een fijn geweven katoenen stof uit India, een echt luxeproduct.[38]

In haar boek, Female alliances: gender, identity, and friendship in early modern Britain legt Amanda E. Herbert hier de link tussen de vrijetijdsbesteding van dames van stand en de groei van de wereldhandel en het kolonialisme. Voor de elite van de vroegmoderne tijd was het bezitten van exotische luxeproducten zoals suiker, specerijen, en stoffen (zoals mousseline) niet alleen een manier om te laten zien hoe rijk je was, maar ook hoe verfijnd en ontwikkeld je smaak was. Vrouwen die het zich konden veroorloven gebruikten dit soort luxe materialen om bijvoorbeeld gekonfijt fruit of snoepgoed te maken, zelf parfums te distilleren, en om mee te handwerken. Vervolgens werden dergelijke spullen vaak door de maaksters als cadeaus uitgewisseld, om vriendschappen te sluiten en te versterken. Door hun eigen tijd en moeite te combineren met dure materialen van over de hele wereld, maakten deze vrouwen hun geschenken aan elkaar des te bijzonderder en persoonlijker.[39]

Volgens Herbert is dat echter niet de enige reden dat een vrouw als Maria Louise een handwerkje zou maken van een stuk mousseline alvorens het aan een vriendin te schenken. Door luxeproducten met hun eigen handen te bewerken leidden vrouwen af van het kostbare materiaal. Zo konden zij dure, maar ook persoonlijke geschenken geven zonder beschuldigd te worden van decadentie of kwistigheid. In plaats daarvan accentueerde een handgemaakt cadeau hun vaardigheden en creativiteit. Zelfs vrouwen uit een strenge religieuze omgeving oogstten lof voor hun handwerk.[40] Daarnaast geloofde men dat deelname aan activiteiten als naaien of borduren bijdroeg aan de ontwikkeling van positieve vrouwelijke eigenschappen, zoals geduld en zuinigheid.[41] Zeker voor de strenggelovig en relatief sober opgevoede Maria Louise zouden deze factoren wel eens belangrijk kunnen zijn geweest.[42] 

Boodschappen doen

De eerste brief uit de correspondentie tussen Maria Louise en Henriëtte die bewaard is gebleven, is gedateerd op 23 juli 1718. Maria Louise vraagt aan haar vriendin Henriëtte of zij voor haar en haar zus handschoenen zou kunnen bestellen: vier dozijn (!), waarvan de helft geparfumeerd, voor haarzelf, en zes dozijn (!!) voor haar zus.

Het doet mij verdriet, madame, om u met zo’n opdracht op te zadelen, maar ik doe een een beroep op uw vriendelijkheid die mijn vrijheid zal overtreffen, als ik in staat zou zijn u enige dienst te bewijzen zou u mij altijd met veel consideratie en achting vinden.[43]

Maria Louises verwoording hier suggereert dat ze het misschien niet zo netjes vindt om Henriëtte boodschappen te laten doen voor haar. In een aantal brieven uit 1731, 1734, 1736, en 1742 vraagt Maria Louise Henriëtte echter wel vaker om een bestelling voor haar te doen, of verwijst ze naar opdrachten en bestellingen uit het verleden zonder zich ervoor te verontschuldigen. Blijkbaar was hun band zodanig dat ze dit (of in ieder geval, bestellingen die kleiner waren dan vele dozijnen handschoenen) van elkaar konden vragen.[44] Meestal gaat het hier om luxeproducten en modieuze items, zoals de tabak en linten, ‘le Tabach et le rubans’ waar ze Henriëtte aan herinnert in een brief uit 1742.[45] Gelukkig was het niet erg als het een keer niet lukte. Op 6 augustus 1724 schrijft Maria Louise:

Mijn lieve Milady, ik ben u eeuwig dankbaar, maar wees overtuigd dat ook als ik niet het genoegen heb kunnen hebben dat u bent geslaagd in de opdracht die ik u heb gevraagd, ik u er niet verantwoordelijk voor houd zoals wanneer zij er wel in geslaagd was, gezien hoe goed ik u ken[…][46]

Deze brieven laten een vriendschap zien die zich over vele jaren uitstrekt, maar slechts fragmentarisch in de bronnen zichtbaar is. In aandacht voor gezondheid, kleine geschenken en terugkerende uitnodigingen krijgt die band toch vorm. Juist die losse, alledaagse momenten maken de relatie tastbaar.

Marloes Neijens, 20 januari 2026


[1] ‘enfin Ma Cher Myledy Sy je dévès tout dire la define ce que mes sèntiment a votre Esgard me dicte sa meneroit loins, je dois me borné sous silence.’ Maria Louise van Hessen-Kassel aan Henriëtte van Nassau-Zuylestein, 13 juni 1730, Het Utrechts Archief, Utrecht, inv. nr. 1001.3313.

[2] Fred Jagtenberg, Marijke Meu (1689-1765): Stammoeder van ons vorstenhuis, tweede druk (Gorredijk: Bornmeer, 2015), 92.

[3] Adriana [A.W.J.] Mulder, Kasteel Amerongen en zijn bewoners, tweede druk, bewerkt door Robert M. Heethaar (Amerongen: Stichting Vriendenkring Kasteel Amerongen, 2015), 88-105.

[4] Jagtenberg, Marijke Meu, 133-139.

[5] Brieven gericht aan Henriette van Nassau afkomstig van Maria Louise, prinses van Oranje- Nassau, gravin van Hessen Kassel, 1718-1749, Het Utrechts Archief, Utrecht, inv. nr. 1001.3313.

[6] Brieven, ingekomen van Henriette van Nassau-Zuijlenstein, Koninklijke Verzamelingen, Den Haag, A28-170.

[7] Jagtenberg, Marijke Meu, 133-139.

[8] Amanda E. Herbert, Female Alliances: Gender, Identity, and Friendship in Early Modern Britain (New Haven: Yale University Press, 2014), 38-51, https://www.degruyter.com/isbn/9780300199253.

[9] Willemijn Ruberg, Conventional Correspondence: Epistolary Culture of the Dutch Elite, 1770-1850 (Leiden: Brill, 2011), 18; 22, doi: https://doi-org.utrechtuniversity.idm.oclc.org/10.1163/ej.9789004209732.i-281.

[10] ‘Rien mais plus a Charge que dèsque jai dilaigés et remis Sy long tèms mas Cher Myledy de vous Assurer de Mon Attachement et de vous rémercie de Cèlle quèl mas fait le plaisir de mèscrire’ Maria Louise van Hessen-Kassel aan Henriëtte van Nassau-Zuylestein, ongedateerd [2], Het Utrechts Archief, Utrecht, inv. nr. 1001.3313.

[11] Maria Louise van Hessen-Kassel aan Henriëtte van Nassau-Zuylestein, 30 januari 1731, Het Utrechts Archief, Utrecht, inv. nr. 1001.3313.

[12] ‘[…]je suis Avec une parfaitte reconnoissense, Madame, Votre tres bien Affectionne Servante et fidell Ame ML dOrange’ Maria Louise van Hessen-Kassel aan Henriëtte van Nassau-Zuylestein, [waarschijnlijk] 1739, Het Utrechts Archief, Utrecht, inv. nr. 1001.3313.

[13]  ‘jespere que vous seres persuade de Mon Attachement Inviolable Avec lequel je suis, Madame, Votre tres bien Affectionnée Servante et bonne Amie M L dOrange’

Maria Louise van Hessen-Kassel aan Henriëtte van Nassau-Zuylestein, 22 januari 1736, Het Utrechts Archief, Utrecht, inv. nr. 1001.3313.

[14] Ruberg, Conventional Correspondence, 83-4.

[15] ‘J’ai l’honneur, de rendre mes tres humble remercimens, A Votre Altesse Serenessime pour la tres Grascieusse, lettre, que vous avec eu la bontée Madame, de m’ecrire, (en response de celle que J’avez prissé, la libertée de vous adresser,) par láqu’elle J’ai veuë avec une joies enemprimable, que Votre Altesse Serenissime m’onnore, toujours de sa prescieusse, bienvaillance[…]’
Henriëtte van Nassau-Zuylestein aan Maria Louise van Hessen-Kassel, 20 mei 1735, Koninklijke Verzamelingen, Den Haag, A28-170_002.

[16] ‘[…]Je n’aurai pas lessée echaper, une si bonne occation De temoigner en qu’elleque maniere a Votre Altesse Serenessime le zelle avec láqu’elle Je suis et serai toute ma vie, Madame, de votre Altesse Serenesime La tres humble et tres obeisante servante H. de: Nassau douariere, Comtesse, d’Athlone’

Henriëtte van Nassau-Zuylestein aan Maria Louise van Hessen-Kassel, 17 augustus 1731, Koninklijke Verzamelingen, Den Haag, A28-170_001.

[17] Ruberg, Conventional Correspondence, 1-16; 51-2.

[18] ‘Soyés Sans persuadé Ma tres Cher Amie Comme Aussi que je pénsse journèllement [stukje afgescheurd, maar vermoedelijk à votre] Aimable personne[…]’ Maria Louise van Hessen-Kassel aan Henriëtte van Nassau-Zuylestein, 11 augustus 1731. Het Utrechts Archief, Utrecht, inv. nr. 1001.3313.

[19] ‘[…]je mènt sans pas mal hormisse que la potrine Sans réssent Un peu, mais Ma tres Cher Meledy jai Une Vif ressentiment de Nôtre séparation laquèl me fait plus de pène[…]’ Maria Louise van Hessen-Kassel aan Henriëtte van Nassau-Zuylestein, 21 oktober 1730, Het Utrechts Archief, Utrecht, inv. nr. 1001.3313.

[20] Jagtenberg, Marijke Meu, 197-8.

[21] Bijvoorbeeld: ‘jai due Abrège a Cause dUne fluxstion aux bras’, ik moest stoppen vanwege een ontsteking aan mijn arm. Maria Louise van Hessen-Kassel aan Henriëtte van Nassau-Zuylestein, [waarschijnlijk] 1739, Het Utrechts Archief, Utrecht, inv. nr. 1001.3313.

[22] Maria Louise van Hessen-Kassel aan Henriëtte van Nassau-Zuylestein, 13 juni 1730, Het Utrechts Archief, Utrecht, inv. nr. 1001.3313.

[23] Maria Louise vraagt Henriëtte om de groeten aan Christje te doen in de volgende brieven:

  • Maria Louise van Hessen-Kassel aan Henriëtte van Nassau-Zuylestein, ongedateerd [1], Het Utrechts Archief, Utrecht, inv. nr. 1001.3313.
  • Maria Louise van Hessen-Kassel aan Henriëtte van Nassau-Zuylestein, 3 juni 1730, Het Utrechts Archief, Utrecht, inv. nr. 1001.3313.
  • Maria Louise van Hessen-Kassel aan Henriëtte van Nassau-Zuylestein, 13 juni 1730, Het Utrechts Archief, Utrecht, inv. nr. 1001.3313.
  • Maria Louise van Hessen-Kassel aan Henriëtte van Nassau-Zuylestein, 21 oktober 1730, Het Utrechts Archief, Utrecht, inv. nr. 1001.3313.
  • Maria Louise van Hessen-Kassel aan Henriëtte van Nassau-Zuylestein, 2 december 1730, Het Utrechts Archief, Utrecht, inv. nr. 1001.3313.
  • Maria Louise van Hessen-Kassel aan Henriëtte van Nassau-Zuylestein, 30 januari 1731. Het Utrechts Archief, Utrecht, inv. nr. 1001.3313.
  • Maria Louise van Hessen-Kassel aan Henriëtte van Nassau-Zuylestein, 6 oktober 1736, Het Utrechts Archief, Utrecht, inv. nr. 1001.3313.
  • Maria Louise van Hessen-Kassel aan Henriëtte van Nassau-Zuylestein, 21 januari 1737, Het Utrechts Archief, Utrecht, inv. nr. 1001.3313.
  • Maria Louise van Hessen-Kassel aan Henriëtte van Nassau-Zuylestein, 23 februari 1737, Het Utrechts Archief, Utrecht, inv. nr. 1001.3313.
  • Maria Louise van Hessen-Kassel aan Henriëtte van Nassau-Zuylestein, [waarschijnlijk] 1739, Het Utrechts Archief, Utrecht, inv. nr. 1001.3313.

[24] Jagtenberg, Marijke Meu, 133.

[25] Vrienden waren bijvoorbeeld ook familieleden, mensen met wie je samenwerkte, politieke medestanders, etc. Zie: Naomi Tadmor, Family and Friends in Eighteenth-Century England: Household, Kinship, and Patronage (Cambridge: Cambridge University Press, 2001), 167; 179 https://doi.org/10.1017/CBO9780511496097

[26] Henriëtte van Nassau-Zuylestein aan Maria Louise van Hessen-Kassel, 28 april 1742, Koninklijke Verzamelingen, Den Haag, A28-170_003.; Christje beviel in februari 1742 van haar zoon, Frederik Christiaan Hendrik van Tuyll van Serooskerken, zie: Registers van gedoopten, 1612-1811: 1737-1743 jan, Het Utrechts Archief, Utrecht, inv. nr. 1.1.1.12.

[27] Maria Louise van Hessen-Kassel aan Henriëtte van Nassau-Zuylestein, mei 1747, Het Utrechts Archief, Utrecht, inv. nr. 1001.3313.

[28] Maria Louise van Hessen-Kassel aan Henriëtte van Nassau-Zuylestein, 10 november 1736.,Het Utrechts Archief, Utrecht, inv. nr. 1001.3313.; Mulder, Kasteel Amerongen en zijn bewoners, 100-1.

[29] Maria Louise van Hessen-Kassel aan Henriëtte van Nassau-Zuylestein, 5 september 1719, Het Utrechts Archief, Utrecht, inv. nr. 1001.3320.

[30] Maria Louise van Hessen-Kassel aan Henriëtte van Nassau-Zuylestein, 12 december 1747, Het Utrechts Archief, Utrecht, inv. nr. 1001.3313.

[31] ‘Mon fils ílet bien Sensible Aussie pour lamour de Myledy de Cet perte et il mas escris Une lettre dAbord pour me dire que je deves taches de persuade Myledy de Change dEndroit et venir Ches mon je luy Offre le Raegt pour Son transport et je la receveres Avec tendresse de Coeur Sy Elle peut resoudre prenne une bonne resolustion je poures Envoye le raegt a Muyden sai un petit traget pour lors.’ Maria Louise van Hessen-Kassel aan Henriëtte van Nassau-Zuylestein, 12 december 1747, Het Utrechts Archief, Utrecht, inv. nr. 1001.3313.

[32] Maria Louise van Hessen-Kassel aan Henriëtte van Nassau-Zuylestein, 11 augustus 1731. Het Utrechts Archief, Utrecht, inv. nr. 1001.3313.

[33] Mulder, Kasteel Amerongen en zijn bewoners, 90-102.

[34] Henriëtte van Nassau-Zuylestein aan Maria Louise van Hessen-Kassel, 17 augustus 1731, Koninklijke Verzamelingen, Den Haag, A28-170_001.

[35] ‘[…]Je vai asteur luy rendre Comte de ma ménée de vie qui Consiste a une vie Ottèr et je me Amusie a travaillie et de sortir quand il fait baux.’ Maria Louise van Hessen-Kassel aan Henriëtte van Nassau-Zuylestein, 2 december 1730, Het Utrechts Archief, Utrecht, inv. nr. 1001.3313.

[36] ‘[…]de joins y a un echantillion de Mon Ouvrage je lai mis en cadre vue le temps éte trop Court pour laplique sur letoffe Elle poura toujour le faire mettre sai un ruban que marque la paix et vue qüel a pais baucoup de part a Cette bonne espoque, jai Crue Cela luy feroit plaisir Madame de luy envoye le bouquet avec un Noeux pareil, je Mamusse avec plaisir Avec Cet Ouvrage quand mas Sante me le permet.’ Maria Louise van Hessen-Kassel aan Henriëtte van Nassau-Zuylestein, 20 mei 1749, Het Utrechts Archief, Utrecht, inv. nr.

[37] ‘Je joins y à deux eschantillion dun Ouvrage que mas fillie mas envoyé, je Croy que Sai Un vray

ovrage pour Meledy Car Sai comme Elle a bien fait autre fois en muslinne, on en fait toutte sorte de Chosse a ce quel me mande.’ Maria Louise van Hessen-Kassel aan Henriëtte van Nassau-Zuylestein, ongedateerd [1], Het Utrechts Archief, Utrecht, inv. nr. 1001.3313.

[38] Giorgio Riello and Prasannan Parthasarath, The Spinning World: A Global History of Cotton Textiles, 1200-1850 (Oxford: Oxford University Press, 2009), 20-21; 32-33; 145-54.

[39] Herbert, Female Alliances, 52-77.

[40] Herbert, Female Alliances, 52-77.

[41] Chloe Wigston Smith, Novels, Needleworks and Empire: Material Entanglements in the Eighteenth-Century Atlantic World (New Haven: Yale University Press, 2024), 10.

[42] Jagtenberg, Marijke Meu, 26-32.

[43] Maria Louise van Hessen-Kassel aan Henriëtte van Nassau-Zuylestein, 23 juli 1718, Het Utrechts Archief, Utrecht, inv. nr. 1001.3313.

[44] ‘Boodschappen’ en opdrachten worden genoemd in de volgende brieven:

  • Maria Louise van Hessen-Kassel aan Henriëtte van Nassau-Zuylestein, 20 februari 1731, Het Utrechts Archief, Utrecht, inv. nr. 1001.3313;
  • Maria Louise van Hessen-Kassel aan Henriëtte van Nassau-Zuylestein, 11 augustus 1731. Het Utrechts Archief, Utrecht, inv. nr. 1001.3313;
  • Maria Louise van Hessen-Kassel aan Henriëtte van Nassau-Zuylestein, 24 juni 1734, Het Utrechts Archief, Utrecht, inv. nr. 1001.3313.
  • Maria Louise van Hessen-Kassel aan Henriëtte van Nassau-Zuylestein, 6 oktober 1736, Het Utrechts Archief, Utrecht, inv. nr. 1001.3313;
  •  
  • Maria Louise van Hessen-Kassel aan Henriëtte van Nassau-Zuylestein, 12-13 juli 1742, Het Utrechts Archief, Utrecht, inv. nr. 1001.3313.

[45] Maria Louise van Hessen-Kassel aan Henriëtte van Nassau-Zuylestein, 12-13 juli 1742, Het Utrechts Archief, Utrecht, inv. nr. 1001.3313.

[46] ‘[…]Ma tres Cher Myledy que je Vous en suis infinement Obligée, mais soye per suade que quoique que je Nayes pu Avoir la satisfaction que vous agis pu reussir dens la commission que je vous Aves prie, je ne vous en tient pas Mains Comte tout Comme Sy Elle Avoit réussie vue lintenstion dens quoy je vous connois[…]’, Maria Louise van Hessen-Kassel aan Henriëtte van Nassau-Zuylestein, 6 augustus 1724, Het Utrechts Archief, Utrecht, inv. nr. 1001.3313.


Literatuur

  • Herbert, Amanda E. Female Alliances: Gender, Identity, and Friendship in Early Modern Britain. New Haven: Yale University Press, 2014. https://www.degruyter.com/isbn/9780300199253.
  • Jagtenberg, Fred. Marijke Meu (1689-1765): Stammoeder van ons vorstenhuis. Tweede druk. Gorredijk: Bornmeer, 2015.
  • Mulder, Adriana W. J. Kasteel Amerongen en zijn bewoners. Tweede druk, bewerkt door Robert M. Heethaar. Amerongen: Stichting Vriendenkring Kasteel Amerongen, 2015.
  • Riello, Giorgio, and Prasannan Parthasarath. The Spinning World: A Global History of Cotton Textiles, 1200-1850. Oxford: Oxford University Press, 2009.
  • Ruberg, Willemijn. Conventional Correspondence: Epistolary Culture of the Dutch Elite, 1770-1850. Leiden: Brill, 2011. doi: https://doi-org.utrechtuniversity.idm.oclc.org/10.1163/ej.9789004209732.i-281
  • Tadmor, Naomi. Family and Friends in Eighteenth-Century England: Household, Kinship, and Patronage. Cambridge: Cambridge University Press, 2001. https://doi.org/10.1017/CBO9780511496097.
  • Wigston Smith, Chloe. Novels, Needleworks, and Empire: Material Entanglements in the Eighteenth-Century Atlantic World. New Haven: Yale University Press, 2024.

Primaire bronnen

Van preek tot poëzie: gelegenheidsgedichten van Jacobus Willemsen voor Marie Louise van Hessen-Kassel


In het kader van zijn stage bij het Stadhoudersvrouwenproject, waarbij hij zich richtte op de invoer van de brieven aan Marie Louise van Hessen-Kassel, heeft Alex Meijer de correspondentie van predikant Jacobus Willemsen onderzocht. De brieven, rijk aan gelegenheidsgedichten en religieuze reflecties, bieden een unieke inkijk in de relatie tussen de predikant en Marie Louise, die Willemsens verzen gebruikte om troost en steun te vinden in moeilijke tijden. Over zijn bevindingen schreef Alex een blog, waarin hij de betekenis van Willemsens poëzie binnen de achttiende-eeuwse context bespreekt.

Maria Louisa van Hessen-Kassel door Johann Philipp Behr, ca. 1720 – ca. 1756, Rijksmuseum.

Stadhoudersvrouw Marie Louise van Hessen-Kassel (1688-1765) heeft een grote collectie aan brieven nagelaten. Een deel daarvan bestaat uit correspondenties met predikanten uit het hele land. De briefwisseling met de Zeeuw Jacobus Willemsen (1698-1780), predikant in Middelburg, is opmerkelijk vanwege de grote hoeveelheid aan gedichten. Twaalf van de dertien brieven die bewaard zijn gebleven bevatten zeventwintig gedichten en kleinere verzen. Dat zijn er ruim twee per brief. De brieven zelf dateren uit de periode van 1747 tot en met 1763, de laatste twee decennia van Marie Louises leven, waarin ze na het overlijden van haar schoondochter Anna van Hannover in 1659 onder meer regentes werd voor haar kleinzoon prins Willem V. Het fenomeen van ‘gelegenheidsgedichten’ of ‘gelegenheidspoëzie’, waartoe de gedichten van Jacob Willemsen kunnen worden gerekend, wordt belicht aan de hand van diverse verzen uit zijn brieven, ondersteund door biografische informatie over hem.

Gelegenheidsgedichten

Het opnemen van gedichten in brieven was in de vroegmoderne tijd vrij gebruikelijk, afhankelijk van de aard van de correspondentie en de scholing van de briefschrijver. Kennis van poëzie, Latijn en Grieks speelde hierbij een belangrijke rol. Zo voegde Hugo de Groot geregeld gedichten toe aan zijn brieven.[1] Net zoals Vondel en Belle van Zuylen schreef hij gedichten voor een bepaalde gelegenheid.[2]  Dit soort gedichten werd geschreven bijvoorbeeld na het uitbreken van een brand, of de dood, geboorte, overlijden of verjaardag van iemand, in zekere zin vergelijkbaar met bruiloftsgedichten.

Dergelijke gedichten worden gelegenheidsgedichten genoemd.[3] Ze werden vaak uitgegeven op los papier, wat ertoe leidde dat veel van deze werken verloren zijn gegaan in de loop der tijd. Soms werden ze meegestuurd met brieven, met de kans dat ze door een verzamelaar werden bewaard of door de dichter zelf werden gebundeld en later uitgegeven.[4] De meeste gedichten van Jacobus Willemsen in zijn brieven lijken op gelegenheidsgedichten. Om dit te illustreren, worden drie voorbeelden uitgelicht, voorafgegaan door een korte schets van de achtergrond van de predikant.

Jacobus Willemsen en zijn verzen

Jacob Willemsen werd geboren in Middelburg in 1698. Hij studeerde theologie in Utrecht en werd daarna predikant eerst in Heemstede, daarna in Vlissingen en vervolgens te Middelburg, waar hij bleef tot aan zijn dood.[5] Hij begon zijn correspondentie met Marie Louise van Hessen-Kassel nadat haar zoon prins Willem IV Middelburg 20 mei 1747 had bezocht. Tijdens dit bezoek preekte Willemsen op de dag dat de prins een kerkdienst bijwoonde.[6] In welke kerk precies is niet duidelijk geworden. Willemsens preek maakte blijkbaar zoveel indruk op de prins dat hij Willemsen verzocht om een geschreven versie. Willemsen voldeed aan dit verzoek en stuurde de preek niet alleen naar de prins, maar ook naar Marie Louise.[7] Latere brieven van Willemsen aan Marie-Louise krijgen een meer troostend karakter, vaak naar aanleiding van een verlies in haar naaste omgeving, zoals het overlijden van haar zoon prins Willem IV, of haar broer Frederick I van Hessen-Kassel, koning van Zweden. Om haar te bemoedigen voegde Willemsen verzen toe aan zijn brieven.

De gedichten zijn voornamelijk religieus van aard, variërend in lengte van slechts twee regels, tot een volledig gedicht van drie strofen met elk zes regels. Willemsen schreef ook enkele brieven zonder specifieke aanleiding, enkel vanuit zijn wens om in contact te blijven met Marie Louise.[8] Uit de brieven blijkt dat zij ook op Willemsens schrijven reageerde. In sommige gevallen voegde hij een gedichtenbundel bij de brief. Dit is bijvoorbeeld terug te lezen in zijn brief van 15 september 1747. [9] Ook verwees hij vaak naar Bijbelcitaten, wat niet verrassend is gezien zijn rol als predikant.[10]

 Het was niet ongebruikelijk dat personen van adel gelegenheidsgedichten ontvingen, bijvoorbeeld bij een ceremonieel bezoek, zoals Johannes Kalkoen deed voor de intocht van de prins en prinses van Oranje in Voorthuizen.[11] De gedichten in Marie Louises collectie gaan echter niet over zulke gebeurtenissen. Ter illustratie worden drie gedichten besproken: uit de brieven van 13 september 1748 en 19 december 1752 en een gedicht dat in twee brieven wordt genoemd.

Gedicht 1, van 13 september 1748[12]

Lang leev’ die Vorst, naar mijnen hartewensch,
Tot Nêerlands stut, tot heil van menig mensch,
Door ’s hemels gunst! Zijn heil, nooit onbestendig,
Volduure in God, en blijve, als God, onendig!

Dit gedicht is duidelijk een lofzang op prins Willem IV van Oranje, geschreven naar aanleiding van de geboorte van Willem Batavus, de toekomstige stadhouder Willem V. In het gedeelte voorafgaand aan dit gedicht wenst Willemsen voor Marie Louise dat Willem IV nog een lang leven is beschoren, en feliciteert hij hem met zijn recente verjaardag. Dit mondt uiteindelijk uit in het bijgevoegde gedicht.

Gedicht 2, van 19 december 1752[13]

Koom, Heer, ai koom; ik wensch uw’ roem te uitten.
Koom haast, mijn God, voer mij in ’t eeuwig schoon.
Ontfang mijn’ geest, als ik mijn oog zal sluiten.
Mijn hert ziet, Heer, naar u in uwen Zoon.

Dit gedicht volgt op een lange passage met verwijzingen naar God en het hiernamaals, versterkt door talrijke Bijbelcitaten. Het sluit af met het korte gedicht hierboven, waarin het religieuze karakter sterk naar voren komt. Willemsen vermeldt na het gedicht dat hij de brief deels schreef om zijn gevoelens te uiten en deels om een klein boekje van de predikant Petrus Immens (1664-1720) mee te sturen, waarvan hij dacht dat het Marie Louise van nut kon zijn. Petrus Immens  was predikant die graag in kleine gezelschappen preken hield en gedichten schreef.

Zijn woorden waren genoteerd door Jacoba Petronella Winckelman (1696-1761) en dankzij Jacobus Willemsen in druk uitgegeven.[14]  Zij was de dochter van de burgermeester van Vlissingen Jacob Winckelman (ca. 1645-1696) en groeide op in een piëtistisch milieu. In het intellectuele milieu waarin zij verkeerde, was het gebruikelijk om gezamenlijk over de wereld te reflecteren. Dit inspireerde haar om haar eigen gedachten op papier te zetten. Binnen deze kring communiceerde men vaak in versvorm, wat haar talent voor poëzie stimuleerde. Zo schreef zij onder andere gelegenheidsgedichten, bijvoorbeeld als reactie op natuurrampen of bij het overlijden van dierbaren. Via deze kring maakte zij ook kennis met Petrus Immens, wiens woorden zij optekende. Deze teksten werden nog tot in de twintigste eeuw herdrukt.[15]

Zaal met het praalbed van prins Willem IV, 1751, Jan Punt, Rijksmuseum.

Aan zijn brief aan Marie Louise voegde Jacobus Willemsen nog twee zelfgeschreven lijkdichten toe. Een ter gelegenheid van het overlijden van een ambtgenoot en een soortgelijk gedicht voor het overlijden van diens vrouw. In de slotregels van de brief lijkt hij Marie Louise nog te willen bemoedigen, mogelijk in verband met het recente verlies van haar zoon Willem IV en haar broer Frederick I. De exacte aanleiding voor de brief blijft echter onduidelijk.

Gedicht 3[16]

Zoud gij ’s Heeren weg bedillen?
Neen, mijn’ ziel; dat past u niet.
’t Past u, zoo, als God, te willen,
Schoon gij ’t wijze Gods niet ziet.
’s Heeren wil is altoos heilig.
’s Heeren wil is altijd goed.
Zoo te willen is zoo veilig,
Wijl ’t de hoogste wijsheid doet.

Dit gedicht komt tweemaal voor: in een brief van 23 november 1751 en opnieuw in een brief van 7 juli 1759, telkens met een vergelijkbare boodschap. In de eerste brief gebruikt Willemsen het om te benadrukken dat men, inclusief Marie Louise, zich moet schikken in Gods plan, omdat Zijn wegen goed en heilig zijn. Het woord ‘bedillen’ verwijst naar het bekritiseren van Gods wegen, iets wat volgens Willemsen niet passend is. In de latere brief gebruikt hij het gedicht om zijn eigen aanvaarding van God wil te onderstrepen.

Fragment uit: Jacobus Willemsen aan Marie Louise van Hessen-Kassel, 23 november 1751, KV Den Haag, inv. A28-159, https://resources.huygens.knaw.nl/media/stadhoudersvrouwen/mlvanhessenkassel/A28-159_019.pdf.

Dit gedicht is ook aangehaald in het onderzoek van H. de Jong naar Willemsens leven en werk. De auteur noemt het als voorbeeld van Willemsens bekendheid met de gezangen van de dichter en predikant Jodocus van Lodenstein (1620-1677), [17] wat inzicht biedt in Willemsens inspiratiebronnen.[18] Het feit dat hij hetzelfde gedicht tweemaal gebruikte, onderstreept wellicht de betekenis die hij eraan hechtte.

Ten slotte

De verzen van Jacobus Willemsen in zijn brieven aan Marie Louise van Hessen-Kassel horen duidelijk bij de zogenaamde gelegenheidsgedichten. Ze laten zien hoe belangrijk poëzie in de achttiende eeuw kon zijn. Het was niet alleen een manier om iets moois te schrijven, maar ook om troost en steun te bieden in moeilijke tijden zoals bij verlies of verdriet. Willemsen gebruikte zijn gedichten om contact te houden met Marie Louise en haar te bemoedigen. Hij schreef vaak over Bijbelse onderwerpen en moedigde haar aan om vertrouwen te houden in haar geloof. Dit paste goed bij haar diepe religieuze overtuiging, zoals ook beschreven is in de biografie van F.J.A. Jagtenberg.[19]

We weten helaas niet wat Marie Louise zelf van de gedichten vond, omdat haar reacties niet bewaard zijn gebleven. Toch laten deze brieven zien hoe poëzie, geloof en persoonlijke relaties met elkaar verweven waren. Willemsens gedichten lijken niet alleen bedoeld om in contact te blijven met Marie Louise, maar ook om haar te bemoedigen en te troosten in moeilijke tijden, passend bij de rol die woorden in die tijd speelden.

Alex Meijer, 13 december 2024


[1] https://dwc.knaw.nl/grotius-hugo-1583-1645/, geraadpleegd 20 november 2024; P.C. Molhuysen, Briefwisselingen van Hugo Grotius. Deel 1 (Den Haag 1928) xviii.

[2] Zie voor een voorbeeld van een gelegenheidsgedicht van Hugo Grotius brief nummer 7047 in: H.J.M. Nellen en Cornelia M. Ridderikhoff, Briefwisselingen van Hugo Grotius. Deel 15 (Den Haag 1996) 739-741.

[3] M.A. Schenkeveld-van der Dussen, ‘Poëzie als gebruiksartikel: gelegenheidsgedichten in de zeventiende eeuw.’ In: Marijke Spies (ed.) Historische letterkunde. Facetten van vakbeoefening. (Groningen 1984) 75-92, aldaar 75.

[4] Schenkeveld, ‘Poëzie’, 76-77.

[5] P.J. Meertens, ‘Willemsen, Jacobus’, In: Biografisch lexicon voor de geschiedenis van het Nederlands protestantisme, deel 1 (1978) 430-431.

[6] H. de Jong, ‘Jacobus Willemsen (1698-1780). Lampeaans godgeleerde in het ‘dierbaar’ Middelburg’, Mededelingen van het Koninklijk Zeeuwsch Genootschap der Wetenschappen (1991) 33-122, aldaar 98-99.

[7] Jacobus Willemsen aan Marie Louise van Hessen-Kassel, 23 juni 1747, Koninklijke Verzamelingen (hierna KV) Den Haag, inv. A28-159, https://resources.huygens.knaw.nl/media/stadhoudersvrouwen/mlvanhessenkassel/A28-159_016.pdf.

[8] Jacobus Willemsen aan Marie Louise van Hessen-Kassel, 13 september 1748, KV Den Haag, inv. A28-159, https://resources.huygens.knaw.nl/media/stadhoudersvrouwen/mlvanhessenkassel/A28-159_018.pdf en https://resources.huygens.knaw.nl/media/stadhoudersvrouwen/mlvanhessenkassel/A28-159_019.pdf.

[9] Jacobus Willemsen aan Marie Louise van Hessen-Kassel, 15 september 1747, KV Den Haag, inv. A28-159, https://resources.huygens.knaw.nl/media/stadhoudersvrouwen/mlvanhessenkassel/A28-159_017.pdf.

[10] De brief van 19 december 1752 staat bijvoorbeeld onder de citaten, vaak in de kantlijn aangegeven. Jacobus Willemsen aan Marie Louise van Hessen-Kassel, 19 december 1752, KV Den Haag, inv. A28-159, https://resources.huygens.knaw.nl/media/stadhoudersvrouwen/mlvanhessenkassel/A28-159_013.pdf, https://resources.huygens.knaw.nl/media/stadhoudersvrouwen/mlvanhessenkassel/A28-159_014.pdf en https://resources.huygens.knaw.nl/media/stadhoudersvrouwen/mlvanhessenkassel/A28-159_015.pdf.

[11] Dat zijn prins Willem IV en vermoedelijk prinses Marie Louise, zoals verwerkt in zijn brief van 9 juli 1743. Johannes Kalkoen aan Marie Louise van Hessen-Kassel, 9 juli 1743, KV Den Haag, inv. A28-140, https://resources.huygens.knaw.nl/media/stadhoudersvrouwen/mlvanhessenkassel/A28-140_001.pdf.

[12] Jacobus Willemsen aan Marie Louise van Hessen-Kassel, 13 september 1748, KV Den Haag, inv. A28-159, https://resources.huygens.knaw.nl/media/stadhoudersvrouwen/mlvanhessenkassel/A28-159_018.pdf en https://resources.huygens.knaw.nl/media/stadhoudersvrouwen/mlvanhessenkassel/A28-159_019.pdf.

[13] Jacobus Willemsen aan Marie Louise van Hessen-Kassel, 19 december 1752, KV Den Haag, inv. A28-159, https://resources.huygens.knaw.nl/media/stadhoudersvrouwen/mlvanhessenkassel/A28-159_013.pdf, https://resources.huygens.knaw.nl/media/stadhoudersvrouwen/mlvanhessenkassel/A28-159_014.pdf en https://resources.huygens.knaw.nl/media/stadhoudersvrouwen/mlvanhessenkassel/A28-159_015.pdf.

[14] De Jong, ‘Jacobus Willemsen’, 95; H. Florijn, ‘Immens, Petrus’, in: Biografisch lexicon voor de geschiedenis van het Nederlands protestantisme, deel 5 (2001) 275-276.

[15] W.R.D. van Oostrum, ‘Winckelman, Jacoba Petronella’, in: Digitaal Vrouwenlexicon van Nederland, URL: https://resources.huygens.knaw.nl/vrouwenlexicon/lemmata/data/JacobaWinckelman (2014).

[16] Jacobus Willemsen aan Marie Louise van Hessen-Kassel, 23 november 1751, KV Den Haag, inv. A28-159, https://resources.huygens.knaw.nl/media/stadhoudersvrouwen/mlvanhessenkassel/A28-159_005.pdf en https://resources.huygens.knaw.nl/media/stadhoudersvrouwen/mlvanhessenkassel/A28-159_006.pdf; Jacobus Willemsen aan Marie Louise van Hessen-Kassel, 7 juni 1759, KV Den Haag, inv. A28-159, https://resources.huygens.knaw.nl/media/stadhoudersvrouwen/mlvanhessenkassel/A28-159_020.pdf, https://resources.huygens.knaw.nl/media/stadhoudersvrouwen/mlvanhessenkassel/A28-159_021.pdf en https://resources.huygens.knaw.nl/media/stadhoudersvrouwen/mlvanhessenkassel/A28-159_022.pdf.

[17] http://www.biografischportaal.nl/persoon/20970443, geraadpleegd 11 december 2024.

[18] De Jong, ‘Jacobus Willemsen’, 104.

[19] F.J.A. Jagtenberg, Marijke Meu, 1688-1765 (Amsterdam 1994).

Into the Archive of Anne of Hanover, Princess Royal and Princess of Orange

An Exploration of the Correspondence as Listed in the EMLO Database

Tucked away on the grounds of palace Noordeinde in the Hague sits the Royal House Archive, a gorgeous building which houses The Royal Collections of the Netherlands. These archives are vast, spanning from the mid thirteenth century all the way to the present. The correspondences of the wives of the Stadtholders of the Dutch Republic, which make up a sizeable chunk of the Stadtholder’s wives’ archives, have hardly been studied. These women influenced social, cultural, and political processes within the Republic and beyond during their lifetimes and deserve dedicated study. However, until recently, researchers could only study these documents within the study room of the Royal House Archive. This significantly restricted accessibility has caused these sources to be underutilised.     

     
Enter the Stadtholders’ Wives Project, a collaboration between the Huygens Institute, the Royal Collections and Oxford University’s (Women) Early Modern Letters Online, (W)EMLO. This project aims to digitize the letters of these women, allowing researchers all over the world to work with sources that would otherwise only be accessible to the select few who have the time and means to travel to the Hague to visit the archive in person. Anne of Hanover’s letters have been the latest addition to the EMLO catalogue. EMLO already contains the correspondence of Anna of Egmond (1533-1558)Anna of Saxony (1544-1577)Charlotte of Bourbon (1546/7-1582)Louise de Coligny (1555-1620)Amalia of Solms-Braunfels (1602-1675)Mary Stuart I (1631-1660) and Mary Stuart II (1662-1694)Sophia Hedwig of Brunswick Lüneburg (1592-1642)Albertine Agnes of Orange-Nassau (1634-1696) and Henriëtte Amalia of Anhalt-Dessau (1666-1726). All correspondence of the Stadholders’ wives can also be consulted simultaneously. [1]


In addition to easier access, the digitizing of these sources pushes the boundaries of possibility beyond what can be achieved by using physical paper sources, in terms of accessibility and research potential. One example of this is Transkribus. This AI-powered platform is capable of reading handwritten text and transcribing it with the click of a button. This makes letters written in written in German cursive or secretary hand more accessible to a wider range of researchers, rather than exclusively to those who have the time and means to learn the ins and outs of such a script. In terms of research, Transkribus offers the possibility to create databases of fully searchable letters. To illustrate the potential of this, one only has to look at the research done by Ineke Huysman. This research used this method to examine the difference in the language used by Stadtholder William IV of Orange-Nassau in his letters to his wife and his mother.[2]  


Needless to say, the publication of Anne of Hanover’s letters on a platform like EMLO enables more researchers than ever before to research this fascinating woman. However, with more than 4,100 letters in this database alone, it can seem daunting or even downright impossible to know where to start. Therefore, this text serves as an introduction to the digitized archive, giving both an impression of the general layout of the archive as well as highlighting interesting letters that serve as an accessible starting point for new research. The correspondence has been published online on 29 September 2023. The full inventory will be made available by the Royal Collections at the same time.     

Biographical information about Anne of Hanover

Image 1. Self Portrait by Anne of Hanover, 1740, Royal Collections The Hague.

Anne of Hanover was born on the second of November 1709 in the Herrenhausen Palace near Hanover in the Holy Roman Empire to Georg August, duke of Brunswick-Lüneburg (1683-1760) and Caroline of Ansbach (1683-1737).[3] At that time, the dynasty of Georgian kings that would give her high standing and the title of Princess Royal of England had yet to take shape. Her grandfather, Georg Ludwig, the elector of Hanover (1660-1727), ascended the British throne in 1714 after his second cousin, Queen Anne of Great Britain (1665-1714), died childless. As the granddaughter of king George I, Anne moved to St. James’s Palace in the heart of London along with the rest of her family at the age of five. The relationship between her father, Georg August (1683-1760), and her grandfather quickly deteriorated. George was allegedly jealous of his son’s popularity at court, though the irritations between the two came to a head after the king appointed the Duke of Newcastle as godfather to Georg’s new-born son, his own grandchild. Georg, who vehemently disliked the duke, was enraged by his father’s decision, and tensions between the two rose to the point where Georg and his wife both left the English court.[4] Anne, along with the rest of her siblings, was left in the care of her grandfather, where she was raised by her governess, Jane Temple. She was exceptionally educated and showed great promise in several different arts, most notably painting. The self-portrait she painted in 1740 shows her talent in this area.

     
In 1727, with the death of her grandfather, Anne’s life shifted again. Her father now ascended to the throne, and as the eldest daughter of King George II she was granted the title of Princess Royal. Anne, now also freshly eighteen, was in need of a husband. Marriage negotiations had been under way for a few years for a marriage to the Frisian Stadtholder William Charles Henry Friso of Orange (1711-1751), but he was considered of a not quite high enough position for the Princess Royal. At the same time, a potential marriage between Anne and King Louis XV of France was also being considered. However, these negotiations eventually ran aground on religious disagreements, as Louis insisted Anne convert to Catholicism, which she refused. In the meantime, William had officially gained the title of Prince of Orange, closing the difference in position between himself and princess Anne. The pair married on March 25, 1734, in the chapel of St. James’s Palace in London.[5]


The pair travelled to Holland after the wedding festivities ended, where Anne was received coldly. The elite in the Dutch Republic favoured neutrality in the turbulent international politics of Europe at that time and did not approve of these new ties that now connected them to England. The newlyweds moved into the stadtholderly apartments at the Princessehof court in Leeuwarden, Frisia, but when William left on a military expedition, Anne promptly sailed back to England. She was eventually persuaded to return to the Republic, where she re-joined her husband and became personally involved in the day-to-day politics of the provinces he ruled: Frisia, Groningen, Drenthe and Guelders. When he became Stadtholder of all seven of the United Provinces of the Netherlands in 1747, his wife was right by his side. Although the two did not marry for love, they grew very fond of each other. Many love letters were sent back and forth between the two throughout the entire seventeen-year duration of their marriage, until William’s sudden death in 1751. He had only been Stadtholder of the United Provinces for four years, and now left this title to his three-year-old son, William Batavus (1748-1806).[6]

Image 2. Sketch of Anne of Hanover with her husband William and their children, made shortly before her husband’s death, approx., 1750, by Pieter Tanjé, Royal Collections The Hague.

For Anne, the death of her husband meant not only the loss of a man she dearly loved: it also made her a powerful political player in the Dutch Republic, which was quite unusual for a woman in this period. Unlike previous Stadtholder’s wives, Anne was not made regent of her son, but instead “Gouvernante en Vooghdesse”, Governess and Guardian, of all seven provinces. This meant she received all the prerogatives usually held by the stadtholder of the Dutch Republic, the only exception being the military positions her husband had held. Anne became an active and important player in the Dutch political landscape of the 1750s. Through both formal channels, like her seat on the Council of State, and more informal channels, like her expansive network of correspondences with other powerful figures, Anne ventured to implement her own politics.[7]

International developments made the desire for neutrality from the Dutch elite impossible to uphold, and Anne used her position to steer the Dutch Republic towards on a decidedly pro-British and anti-French course. She surrounded herself with likeminded individuals, the most notable of these being William Bentinck, lord of Rhoon (1704-1774). The two shared an important connection—William had frequented the British court at St. James’s Palace as a child. His mother was none other than Jane Temple, the same governess who had raised Anne in her formative years. For half a decade, Anne battled the pro-French factions of the Dutch political landscape, until her fragile health forced her to retreat to the Loo and Soestdijk palaces for longer and longer stretches of time.[8] Eventually, she passed away at the start of 1759. Her last utterances illustrate just how deeply she cared for the work she had done in the Republic, as she told those present at the time of her passing, ‘come now, get back to your work.’[9]

Image 3. Portrait of William Bentinck, lord of Rhoon by Jean-Étienne Liotard. Source: Wikimedia Commons.

The Archive

The archive of Anne of Hanover’s correspondence is split into five different sections, each containing a different category of letters. The first, which is marked with the letter “A” in all inventory numbers, contains all incoming letters from family members, from her siblings and her parents in England to her aunts, uncles, and cousins in several different German territories. These letters have a more personal character. The second category, marked by the letter “B”, encompasses all incoming letters from other monarchs and nobles, from the king of Sardinia to the duke of Saxony and beyond. The “C” category is by far the largest, containing all letters from private persons. These range from clockmakers and writers to mayors, vicars, and naval captains. In contrast to this, the “D” category is the smallest. These are Anne’s outgoing letters. The recipients range from her father and other family members to governors and council members. The last category, marked with “E”, contains letters from the secretariat of the stadtholderly cabinet. These date mostly from the 1750s, when Anne was fulfilling her duties as governess of the Seven United Provinces. For those interested in the political life of Anne of Hanover, this category holds a treasure trove of rarely used information. Although the Stadtholders wives project only incorporates letters into its databases, it should be noted the Royal House Archive contains other documents as well, such as contracts, minutes of political conferences, and address books.

A – Incoming letters from family members

Category A offers an insight into Anne’s relationship with the people closest to her. There are a total of 229 letters in this category, spread out over a total of nineteen correspondents, from Anne’s closest family members to many aunts, uncles, and cousins. This section uses a handful of examples to illustrate what kind of letters one can expect to find in category A.

Image 4. Letters from William to Anne before their marriage (1733) and after (1742). Source: KV, inv. no. A30-VIa-1.

The letters from her husband William span the almost two decades of their marriage, and through them it is unmistakable how their relationship flourished over the time they spent as husband and wife. In his earlier letters, his tone is respectful and withdrawn, addressing her as ‘Madame’ and ‘your royal highness.’ Even in the formatting of his letters one can read the distance still present between the pair: he leaves open spaces at the top of each page and signs his name so large it takes up almost an entire sheet of paper.[10] Compare this to the letters he sends her later on in their marriage—every inch of paper is covered in his writing, as though he can hardly fit all of his thoughts on the page. (See image 4) There is no more mention of titles or formalities. Anne has become his ‘chère Annin’, his ‘heart’, his ‘angel’. William no longer calls himself the Prince of Orange but instead signs his letters as ‘Pépin’ or ‘Pip’, Anne’s pet name for him.

In his letters, William keeps his wife updated on his travels, his health and often mentions their children, asking her to give them a hug or a kiss in his absence. Though the subjects of his letters vary, he never fails to include a passage or a paragraph on his love for his wife. This needs no further explanation when reading the passage below, written in 1742:

Je reprends dans ce moment la plume mon cher cœur pour vous marquer toute ma sensibilité et toute ma reconnaissance de votre bonne gracieuse et tendre lettre que Stirum m’a porté hier au soir. Je n’ai pu la lire d’un oeuill sec et tous les jours je m’aperçois d’avantage combien je vous suis attaché et combien il m’est impossible d’être heureux sans vous.
[I’m taking up my pen again at this moment, my dear heart, to show you all my tenderness and all my gratitude for your kind and tender letter which Stirum brought to me yesterday evening. I could not read it with a dry eye and every day I realise more how much I am attached to you and how it is impossible for me to be happy without you.] [11]

The 150 letters from William to his wife make a heart-warming read, chronicling the ups and downs up their marriage until his death in 1751. For those interested in Anne as a wife and mother, these letters are a treasure trove of information.[12]

Unfortunately, few letters are available from any of the couple’s children addressed to Anne, though one note from her son, William Batavus, did find its way into the archive. At the time of writing the little prince was ten years old, addressing his mother quite formally to inform her that he’s suffering not only from a cold but also from torticollis—a stiff neck. Still, he reassures her that his ailments will not prevent him from going to see her. His young age is visible in the shakiness of the letters and the ornate curls under his name.[13] William Batavus would grow up to become William V, the last Stadtholder of the Netherlands.

Image 5. Letter from William Batavus to his mother. Source: KV, inv. no. A30-VIa-4.

Many of Anne’s family members still lived in England, and many of the letters in this category came to her from across the pond. She had a particularly close relationship to her two oldest sisters, Amelia and Caroline, whom she had grown up with in St. James’s Palace. Anne was the only one of the three sisters who married during her lifetime. Caroline (1713-1757) is believed to have been in love with courtier John Hervey, a close friend of her oldest brother Frederick. Hervey, however, was already married, and Caroline was left unmarried until her death in 1757. [14]

 Amelia (1711-1786), however, fiercely opposed marriage, and made no secret of this in her letters to Anne. After receiving a letter from Anne which contained some mention of a possible marriage match for either Amelia or Caroline, she retorted as follows:

I have declar’d a thousand Times to you that marriage is the dreadfullest thing & the worst friend that I have in the world. […] Now I will tell you that as long as I have breath I shall do everything in the world to hinder Caro[line] as well as myself from doing [such] a thing.[15]

Image 6. Princess Amelia of Great Britain by Jean-Baptiste van Loo. Source: Wikimedia Commons.

Amelia also mentions Anne’s happy marriage to William: ‘I sometimes believe you think that unmarried women have no places in Heaven, for you think nobody can have the least happiness without it.’ She even goes as far as to threaten her: ‘Make no match for Caro[line] or me, Royeaux, for I shall move all the engines in life to get you divorced if you do’.[16] The nickname “Royeaux” here refers to Anne’s position as Princes Royal of England. Of course, Amelia’s threats held no real malice, and the letter was more an expression of frustration than of anger towards her older sister. Still, the difference in opinion between the two sisters is noteworthy to say the least. Amelia’s letter serves as an insight into her genuine, unadulterated opinion on marriage, juxtaposed with Anne’s happy, loving marriage.   

B – Incoming letters from other nobles

Although Category B is one of the smaller categories in the archive, containing only 68 letters from eighteen correspondents, the documents within offer a unique blend of the personal and the political. The section contains letters from kings and countesses, some of which are purely diplomatic relationships while others are distant relatives on the side of Anne’s husbands. Take for instance Countess Charlotte Frederika of Nassau-Siegen (1702-1785), a distant German cousin of William, who wrote to Anne in the autumn of 1742. The two had never met before, as Charlotte also mentions in her letter, but the countess was clearly very aware of the political power Anne wielded even in those early days. She begins her letter by flattering Anne, mentioning ‘her love of justice and her natural goodness towards everyone’. Charlotte then asks Anne for her help with a family affair, pleading for her to persuade her husband to offer his help. ‘What glory,’ she writes, ‘and what blessing can Monsieur le Prince not achieve by willingly granting them what is due to them!’[17]           

Image 7. Portrait of Countess Charlotte Frederika of Nassau-Siegen by Christoph Gottfried Ringe, Royal Collections The Hague.

The fact that Charlotte sent her letter to Anne instead of to her husband, is noteworthy. Surely, she writes, the prince will not be able to disagree with Anne’s wise council! Charlotte understood, as did many others, that Anne already held quite a lot of influence over her husband and his politics and she was not to be underestimated as a political player, years before she came to rule on her own.     

This category is also home to a set of condolence letters, which Anne received after the death of her husband in 1751. These letters are eye-catching, as they have been adorned with a thick black rim around the outline of the page, and the seals with which they have been secured are pressed into a black wax, as opposed to the customary red. (see image 8) Anne received many of these during her period of mourning, and any of them could have been selected as an example. The host of insights into how death, grief and loss were dealt with in this period is certainly an interesting topic. As both a young widow and a mother who lost multiple of her children during infancy, Anne is a fitting subject for such a study.

Image 8. Condolence letter sent to Anne of Hanover by Countess Wilhelmine Friederike of Leiningen Westerburg, with black-rimmed edges and seal. Source: KV, inv. no. A30-VIb-12.

Anne received one of these letters from Countess Wilhelmine Friederike of Leiningen Westerburg (1688-1775), another German noble. Wilhelmine, too, had lost her husband at a young age, and was thus able to empathize with Anne. Still, her letter, which she sent in December of 1751, a few months after William’s death in October, contains a silver-lining:

The Almighty, whose providence has made the last period of the year, which is drawing to a close, a time of sorrow and sadness through one of the most painful bereavements; may He make the entry into the new year a cheerful dawn of joyful days, and may He, together with His most illustrious house, point to a blessed future in uninterrupted, supreme happiness.[18]

C – Incoming Letters from Private persons

The most colourful blend of characters can be found in category C—anyone from Anne’s closest and most trusted friends to administrators and mayors from all over the Republic and beyond. Some of these names include Wybrand van Itsma (1693-1759), a member of the States-General, Augustus Schutz (1689-?), the Master of the Robes at the British court, and Frederik Vaster, a writer.  In total, there are 1,110 letters from 280 different correspondents. It goes without saying this category is the biggest of the five, and it is impossible to give a complete impression of all it contains within the length of this text.     

Perhaps the most touching of these letters was sent to Anne by Jane Temple (1672-1751), her old governess: the woman who had raised her since she was a child in the absence of her parents. She wrote to Anne in February of 1750, a mere year before her own death. She was already 78 years old at the time, but her fondness for Anne shines through on every page. The old governess expresses how touched she is that Anne mentioned her to her sister Amelia, whom she also helped raise. ‘I can affirm strongly,’ she writes, ‘that there is nobody whatsoever, more jealously devoted, not with more sincere affection, to [Your Royal Highness] and the Prince, then [sic] myself, and my sons, and I need not add more, from the many occasions, there has been, for the proof of this.’[19]

Image 9. Portrait of Jane Temple in her youth by Michael Dahl, National Trust Collection. Source: Wikimedia Commons.

In stating this, Jane was most certainly correct. Her oldest son was one of Anne’s most important allies and friends and would become even more important in the decade after Anne received Jane’s letter, though his mother would not live to see her son rise to such heights. As mentioned previously, William Bentinck stood by Anne’s side in her struggle to manoeuvre the Dutch Republic into an alliance with the British against the French. During Anne’s reign as Governess of the Seven United Provinces she received countless reports, summaries, and letters from him, all discussing the political landscape of the Republic and beyond. In some cases, she gave Bentinck instructions in secret, like she did in January of 1753. The letter she received from him from Brussels read as follows:

Madame, Demain matin, je pars d’ici, et je me rendrai à la Haye avec toute la diligence possible. Je crois que je suis à présent en état de donner des lumières suffisantes sur la véritable état des choses et là sur la disposition des esprits. Par le rapport que j’aurai l’honneur de faire en personne à Votre Altesse Royale, elle se trouvera, je crois, en état de se décider sur le parti qu’il faudra prendre.[20]

[Madam, Tomorrow morning I leave here, and I shall go to the Hague with all possible speed. I believe that I am now in a position to give sufficient insight into the true state of things and the disposition of minds. By the report which I will have the honour of making in person to your Royal Highness, she will, I believe, be in a position to decide on the course of action which should be taken.]

The information he gathered in Brussels is evidently quite sensitive, as he insists on reporting his findings to her in person. About forty-three of Bentinck’s letters have been preserved in the archive, stretching from 1747, when Anne’s husband was still alive, to 1756, when she was ruling on her own.[21] The letters portray the changing of the Republic’s political landscape, and how Anne’s position within it shifted over time.

The unsavoury side of the Dutch Republic in the eighteenth century is also present in Anne’s archive. Though the pieces are fewer in number, these documents discussing the trade in enslaved peoples on the coast of modern-day Ghana are certainly relevant and interesting. The letters from Nicolaas Mattheus van der Noot de Gieter (1715-1755), the director-general of the Dutch West India Company (WIC), were sent to Anne from Fort St. George, Elmina. This castle was a central hub in the slave trade in West Africa, as it acted as a depot where enslaved people from all over West Africa were gathered before they were sold to Dutch traders. Van der Noot de Gieter writes to Anne about the decline of the slave trade on the coast of Guinea (as Ghana is being referred to in the letters), which results in fewer enslaved people arriving at the Dutch forts on the West-African coast.[22]

One more letter deserves a brief mention. It was sent to Anne by Gerrit Cramer (1696-1755), who achieved great fame with the timepieces and microscopes he crafted during his life. The most notable of these is the Sundial in the Prinsentuin in Groningen, which he crafted for William a few years before his marriage to Anne. Cramer continued to work for the Oranges during his career, and Anne took a great liking to him. The letter that has made its way into the archive is quite a personal one. In it, Cramer updates her on his health, as he had fallen ill and was no longer able to produce clocks for his clients, Anne among them.[23] Evidently, Anne held a deep appreciation for the arts, and cared deeply for the people producing it.

Image 10. Sundial in the Prinsentuin in Groningen, crafted by Gerrit Cramer for William IV. Photo by Bouwe Brouwer, 2006. Source: Wikimedia Commons.

D – Outgoing Letters

Letters from Anne’s own hand are a minority in the archive. There are 131 letters with about as many different recipients. Most are short drafts or minutes that briefly mention the intended recipient and the date on which the letter was written. Still, these letters give an impression of Anne in all the roles she fulfilled— the Governess of the Dutch Republic, who dealt with both domestic and international affairs, and well as the Princess Royal of England. The latter of these roles has not been mentioned often so far, but even from across the sea Anne remained a respected and beloved member of the British royal family for her entire life.  

Most of the outgoing letters in Anne’s archive concern the domestic politics of the Dutch Republic, with letters from Anne to figures as the Treasurer-General Jan de la Bassecour (1696-1753), foreign envoy and governor of Willemstad Franciscus Cornabé (1706-1762), the mayors of several Dutch cities, and of course her dear friend William Bentinck, whom she kept in frequent contact with.[24] Take this letter:

N’ayant sçu qu’lier que le requête du Kerkenraad savait présentée aux Etats d’Hollande, je n’ai pas eue le temps de vous avertir et n’en ai parlé qu’au Pensionaire qui m’a promis de veiller à ce qu’elle fut traitée comme il faut, comprenant avec moi qu’elle est de la dernière importance pour le gouvernement stadhoudérien, je ne doute pas de vos attentions pour le même effet mon bon monsieur de Bentinck,
étant toujours votre bonne amie
Anna

[Having only heard that the Kerkenraad’s request was presented to the Dutch States, I did not have the time to inform you and only spoke of it to the Pensionairy who promised to see to it that it was treated as it should be, understanding with me that it is of the utmost importance for the Stadholderly government, I do not doubt your attentions for the same effect my good Mr. Bentinck,
being always your good friend       
Anne][25]

Image 11. Letter from Anne’s own hand, adressed to the Duke of Newcastle. Source: KV, inv. no. A30-VId-4.

Anne was diligent in keeping her ally up to date, even with matters that she would have the chance to discuss with him at a later moment.

Despite Anne’s focus on domestic politics taking up a large chunk of this part of the archive, her attention for the rest of the world is clearly present. In her letters expresses concern over the appointment of the captains who sail to the Indies on behalf of the Republic and even writes letters to her own father, king George II of England, which are purely political in nature.[26] This isn’t a surprise as she was trying to connect her native England with the Dutch Republic in a new allegiance. Anne wore two hats when writing letters to persons in England: the Princess Royal and the ruler of a different nation. She balanced these roles admirably, as is visible in the aforementioned letter to her father as well as in several other letters to British nobles. In a letter she wrote to the Duke of Newcastle, for instance, she does not mention her position in the Dutch Republic at all. Anne writes to him because the Duke is leaving the English royal court and her father’s service as minister, thanking him for his loyalty to the British crown. ‘I do not doubt,’ she writes, ‘that you will always think of your old Friends even of this side off the water.’[27]

Anne’s outgoing letters from her own hand thus show the diverse set of roles she had during her lifetime and how she juggled her many responsibilities.

E – Secretariat

Category E is one of the larger sections of the correspondence of the archive of Anne of Hanover, it contains many of the documents sent to her during the decade she reigned as Governess over the Dutch Republic. There are 606 letters from 436 recipients. These letters vary from appeals and request to notices of death and information from various branches of the Dutch military. For instance, there is a letter from Jacob Grauwers (fl. 1757), a naval captain, as well as letters from Hendrik Heijningen (fl. 1757) and Jacob Kley (1721-1785) asking Anne from a variety of different favours.  For those studying Anne’s politics, however, the correspondence between Anne and Jan de Back (1698-1766) might be the most interesting of all. He wrote 157 of these letters—over a quarter of the entire section. De Back had been a member of William IV’s secret council and secretary of the Stadtholderly secretariat. He continued to fulfil this role after the Stadtholder had passed, making him a frequent correspondent of Anne. De Back had often worked with William Bentinck during his time under William IV, but a rift formed between the two around 1750 when it became more and more clear Bentinck sought an allegiance with England, whereas De Back favoured rapprochement with France. This made him not only an adversary of Bentinck, but it meant he diametrically opposed Anne as well.[28] De Back handled the myriad requests sent to Anne and sent her many letters summarizing them. Both these letters and Anne’s responses have been preserved in this section of the archive.[29] Due to the rising favour of the protestant Thomas Isaac de Larrey (1703-1795), whose father had fled from France to avoid prosecution, and De Back’s clandestine relations with the French envoy D’Affry he was eventually fired from his post in 1758.[30] Of course, this is only one of the threads of political discourse that can be traced through this section of the archive.

What Comes Next?

The publication of the correspondence of Anne of Hanover this coming autumn marks the end of one of the parts of the Stadtholder’s Wives project. However, there is more work to be done. Great progress has already been done on the next part, which involves the letters of Marie-Louise of Hessen-Kassel (1688-1765), wife of John William Friso of Nassau-Dietz and mother of William IV.[31] As Anne’s mother-in-law, she took over her duties after her death in 1759 and took care of the upbringing and education of William Batavus. William Batavus’s wife, Wilhelmina of Prussia (1751-1820), is also next on the list for the project.[32]

The finalization of Anne of Hanover’s database at the Stadtholder’s wives project absorbed the largest amount of time during my internship. Through adjusting, supplementing, and revising the work done by my predecessors, I became familiar with Anne, the archive, and the many letters she received and composed during her lifetime. I selected the letters I deemed the most interesting and fruitful for future research, as well as those that stood out to me for their intimate, personal nature. It has been a privilege to glimpse into the past in this way. Though there is much work that still needs to be done, I am extremely proud of the result of Anne’s database, and I am excited to see how other researchers will use these sources in their own work once they become widely accessible.

Vera Feron (Master Student Historical Studies, Radboud University Nijmegen)

Updated 29 September 2023


[1] Research is already being done with these databases. PhD candidate Lidewij Nissen uses the resources created by the Stadtholder’s wives project in her PhD project ‘The ‘First Ladies’ of the Dutch Republic: The Political Agency of the Stadtholders’ Wives in the Seventeenth Century’. See also: Lidewij Nissen, ‘“De bron van alle goeds.” Willem Lodewijk als vaderfiguur in de zeventiende-eeuwse Nassaudynastie’, in: Hanno Brand and Joop W. Koopmans (eds.), Willem Lodewijk: stadhouder en strateeg (1560-1620-2020) (Hilversum 2020) 113-130.

[2] Ineke Huysman, ‘Balancing between Mother and Wife: The Private Correspondence of Stadtholder Willem IV of Orange-Nassau’ in: Private Life and Privacy in the Early Modern Low Countries, to be published in 2023 (Brepols, Turnhout).

[3] For more in-depth information about Anne of Hanover, see: Veronica P.M. Baker-Smith, ‘The daughters of George II: marriage and dynastic politics’, in: Clarissa Campbell Orr red., Queenship in Britain 1660-1837. Royal patronage, court culture and dynastic politics (Manchester 2002) 193-206; Richard G. King, ‘Anne of Hanover and Orange (1709-59) as patron and practitioner of the arts’, in: Clarissa Campbell Orr red., Queenship in Britain 1660-1837. Royal patronage, court culture and dynastic politics (Manchester 2002) 162-192; Veronica P.M. Baker-Smith, A life of Anne of Hanover, princess royal (Leiden 1995); Simone Nieuwenbroek, ‘Een ruk naar Brits De internationale politiek van Anna van Hannover, 1756-1757’, Virtus 27 (2020) 115-132.

[4] John van der Kiste, King George II and Queen Caroline (New York 2013) 49-52.

[5] Frans Willem Lantink, ‘Anna van Hannover (1709-1759)’,  https://resources.huygens.knaw.nl/vrouwenlexicon/lemmata/data/AnnavanHannover (consulted 29 November 2022)

[6] Ibidem.

[7] Nieuwenbroek, ‘Een ruk naar Brits’, 115, 118.

[8] Ibidem, 131.

[9] As cited in: Nieuwenbroek, ‘Een ruk naar Brits’, 131.

[10] Royal House Archive (KHA), A30 Anna van Hanover (AvH), inv. no. A30-VIa-1, Letter from William IV, husband of Anne of Hanover, 13 October 1733.

[https://resources.huygens.knaw.nl/media/stadhoudersvrouwen/annavanhannover/A30-430a_005.PDF]

[11] Ibidem, 31 January 1742. [https://resources.huygens.knaw.nl/media/stadhoudersvrouwen/annavanhannover/A30-430a_050.PDF]

[12] Anne’s letters to William are also available to view, see: KHA, A29 Willem IV, Prins Van Oranje, Vorst Van Nassau, inv. no. A29-171.

[13] KHA, AvH, inv. no. A30-VIa-4, Letter from William V, son of Anne of Hanover, 6 November 1758. [https://resources.huygens.knaw.nl/media/stadhoudersvrouwen/annavanhannover/A30-430a_146.PDF]

[14] Van der Kiste, King George II and Queen Caroline, 133.

[15] KHA, AvH, inv. no. A30-VIa-11, Letter from Amelia, Princess of England, sister of Anne of Hanover, 24 October n.d.  https://resources.huygens.knaw.nl/media/stadhoudersvrouwen/annavanhannover/A30-430c_004.PDF

[16] Ibidem.

[17] Note that the letter was originally written in French; KHA, AvH, inv. no. A30-VIb-12, Letter from Charlotte Frederika van Nassau-Siegen, 19 November 1742. [https://resources.huygens.knaw.nl/media/stadhoudersvrouwen/annavanhannover/A30-430A1_014.PDF]

[18] Note that the letter was originally written in French; KHA, C40 Duitse Kanselarij (DK), inv. no. C40-21-22, Letter from Wilhelmine Friederike of Leiningen Westerburg, 24 December 1751. Although this letter has been moved out of Anne of Hanover’s archive following a restructuring of said archive, it is still included in the database and is therefore also still mentioned in this text.  [https://resources.huygens.knaw.nl/media/stadhoudersvrouwen/annavanhannover/A30-432-I_049.pdf]

[19] KHA, AvH, inv. no. A30-VIcXIX-2, Martha Jane Temple, Countess of Portland, 15 February 1750. [https://resources.huygens.knaw.nl/media/stadhoudersvrouwen/annavanhannover/A30-431-08-016.pdf]

[20] KHA, AvH, inv. no. A30-VIcII-10, William Bentinck, lord of Rhoon, 26 January n.d., [https://resources.huygens.knaw.nl/media/stadhoudersvrouwen/annavanhannover/A30-431-02_054.pdf]

[21] Additional letters from Anne to Bentinck are available in Bentinck’s collection. See: KHA, G002 Collection of William Bentinck, lord of Rhoon and Pendrecht, inv. nr. G002-B-10.

[22] KHA, AvH, inv. no. A30-VIcXIV-3, Copy of a letter from Nicolaas Mattheus van der Noot de Gietere, director-general of the WIC, 25 September 1754. [https://resources.huygens.knaw.nl/media/stadhoudersvrouwen/annavanhannover/A30-431-08-004.pdf]

[23] KHA, AvH, inv. no. A30-VIcIII-13, Letter from Gerrit Cramer, microscope and clockmaker, April 22 1755. [https://resources.huygens.knaw.nl/media/stadhoudersvrouwen/annavanhannover/A30-431-03_013.pdf]

[24] KHA, AvH, inv. no. A30-VId-1, Photocopies of two letters to Jan de la Bassecour, Treasurer General of the Dutch Republic.

[25] KHA, AvH, inv. no. A30-VId-4, Letter to William Bentinck, 1 December 1756. [https://resources.huygens.knaw.nl/media/stadhoudersvrouwen/annavanhannover/A30-449_119.pdf]

[26] KHA, AvH, inv. no. A30-VId-4, Letter to Mr. de Haren, Deputy at the Admiralty of Amsterdam, 15 January 1756; KHA, AvH, inv. no. A30-VId-4, Letter to King George II of England, 12 November 1756.  [https://resources.huygens.knaw.nl/media/stadhoudersvrouwen/annavanhannover/A30-449_060.pdf] ; [https://resources.huygens.knaw.nl/media/stadhoudersvrouwen/annavanhannover/A30-449_111.pdf]

[27] KHA, AvH, inv. no. A30-VId-4, Letter to  the Duke of Newcastle, 30 November n.d. [https://resources.huygens.knaw.nl/media/stadhoudersvrouwen/annavanhannover/A30-449_117.pdf]

[28] P.C. Molhuysen and P.J. Blok eds.  Nieuw Nederlandsch Biografisch Woordenboek Vol. 1 (Leiden 1911) 208.

[29] KHA, AvH, inv. no. A30-VIe-28-29, Correspondence between Jan de Back, privy councilor and secretary, and Anne of Hanover, 1747-1756.

[30] Molhuysen and Blok, Nieuw Nederlandsch Biografisch Woordenboek, 208.

[31] KHA, A28 Marie-Louise van Hessen-Kassel.

[32] KHA, A32 Wilhelmina van Pruisen.

Werken aan de brieven van de stadhoudersvrouwen!

Aan het werk op het Koninklijk Huis Archief in augustus.

Hoe is het om te werken bij het stadhoudersvrouwenproject? Vandaag vertelt onze stagiaire hier meer over in een podcast met projectleider Ineke Huysman. Ze hebben het onder meer over de werkzaamheden van dit project, en wat ze tot nu toe hebben gevonden!

Je hoort meer over de stadhoudersvrouwen, wie waren zij en waarom is het belangrijk dat hun brieven worden gedigitaliseerd? Verder hoor je meer over het onderzoek dat momenteel wordt uitgevoerd naar de brieven van Willem IV aan Maria Louise van Hessen-Kassel met betrekking tot hun gezondheid.

Marie Louise van Hessen-Kassel (1688-1766) door Louis Volders, te zien in Kasteel Middachten, De Steeg, via nrc.nl

Bovendien hoor je verschillende blogs aan bod komen die de afgelopen weken online zijn gezet. Hier vind je een overzicht van alle blogs terug. Meer weten over de stadhoudersvrouwen of zelf stage lopen bij dit project? Kijk verder op de website of neem contact met ons op!

Een liefhebbende, belangstellende grootmoeder met een zwakke gezondheid

Tessa Stalenburg deed onderzoek naar de correspondenties tussen Maria Louise van Hessen-Kassel en haar kleinkinderen. In deze blogpost presenteren we haar bevindingen.

Maria Louise van Hessen-Kassel onderhield veel contact met haar kleinkinderen. Zij correspondeerde veelvuldig met de kleine Willem V van Oranje-Nassau en zijn zus Carolina van Nassau-Weilburg. 

Carolina bedankt in haar brieven haar grootmoeder vaak voor de geschenken die zij hen met grote regelmaat geeft, schrijft dat ze hoopt dat haar oma in goede gezondheid verkeert en bericht geregeld dat haar jongere broertje gezond is en snel groeit. Op 21 januari 1751 schrijft ze dat haar broertje, op het moment van schrijven bijna drie jaar oud, al veel praatjes heeft: ‘Ik stuur u de zakdoek, mijn lieve grootmoeder, die ik u heb beloofd en ik hoop dat u hem in goede staat zult ontvangen. Het gaat allemaal goed met ons. Mijn broertje heeft de hele dag gebabbeld en ik hou nog steeds veel van u.’ Willem V zelf bedankt in een van zijn eerste briefjes op bijna vijfjarige leeftijd in kraaienpoten zijn grootmoeder Maria Louise voor een brief die zij hem eerder had geschreven.

Trots als ze waren op de brief van de jonge prins, hebben zijn naasten een kopie van zijn brief gemaakt met de context: ‘Copie missive zonder behulp van iemand, ontworpen, en eigenhandig geschreven door sijne doortastelijke hoogheid Willem, Prince van Orange en Nassau, erfstadhouder, capitein generaal en admiraal generaal der Verenigde Nederlanden.’ 

Ook de prestaties en ontwikkelingen van haar andere kleinkind, Carolina, worden op de voet gevolgd door Marie Louise van Hessen-Kassel. Op 30 november 1753 stuurt Carolina haar grootmoeder haar Duitse schrift (‘mon écriture Allemande’) dat ze in Soestdijk aan haar grootmoeder beloofd had. Ze hoopt dat haar oma het met veel plezier zal lezen en stelt dat ze al complimenten van haar moeder ontvangen heeft voor haar werk. Uit andere brieven van Carolina blijkt dat zij en haar grootmoeder elkaar geregeld geschenken stuurden, onder andere theekruiden en kleine gebakjes. 

Het is vooral Carolina die haar grootmoeder dikwijls schrijft in de jaren vijftig van de achttiende eeuw, maar in 1759 begint ook de jonge Willem V actiever aan zijn oma te schrijven. Hij feliciteert haar met haar verjaardag op 13 februari 1759 en hij wenst haar een plezierige reis op 18 maart 1759. Op 14 augustus en op 14 oktober 1759 vraagt hij naar haar gezondheid. Van Maria Louise van Hessen-Kassel is bekend dat zij rond deze periode kampte met gezondheidsproblemen. Nadat haar schoondochter en de moeder van haar kleinkinderen, Anna van Hannover, net als haar zoon Willem IV was komen te overlijden nam zij het regentschap voor de minderjarige Willem V op zich en kreeg zij gedeeltelijk de voogdij over de kinderen. Op 9 december 1760 schreef Maria Louise aan haar kleinzoon dat het haar speet dat ze hem niet frequenter kon schrijven vanwege haar gezondheid: ‘Ik voelde me gevleid dat ik me vandaag van de drang kon verlossen om op Uwe hoogheid te antwoorden met mijn liefste toewijding middels een brief van mijn hand. Maar mijn zwakte ontzegt me dit plezier nog steeds, het is onmogelijk voor mij om mijn oprechte dank uit te spreken voor de rol die mijn lieve jongen op zich neemt tijdens mijn zwakke gesteldheid, wat niet alleen een grote troost is, maar ook een oprechte hartelijkheid. Ik hoop dat ik snel zelf kan schrijven en je dan de tederheid en gehechtheid kan tonen waarin ik verblijf.’ 

> Tessa Stalenburg, 11 december 2020.

Transcriptie brief Willem V aan Maria Louise van Hessen-Kassel
Grot mama, ick daenkie vor dat ghi min ennen brief heft gescreven hept. 
Prins van Orange
Willem [C.D’Orange]

Transcriptie brief Carolina aan Maria Louise van Hessen-Kassel
Ma très chère grand maman,
Je prens la Liberté de vous envoyer du thé, j’espère qu’il seras de votre gout, est qu’il vous fera souvenir de moi, qui vous aime toujours sincèrements. Ma très chère maman, vous fait ces compliments elle ce porte Dieu mera en merveille, et mon frère aussi, il ne vous oublie pas.

Je suis, 
ma très chère grandmaman,
votre très obéissante petite fille
C.P. D’Orange Nassau

La Haije, 4 xber 
1751

Transcriptie brief Maria Louise van Hessen-Kassel aan Willem V
Monsieur mon très cher fils,
Je m’étois flatteé que je serois aujourd’hui en état de m’aquiter de mon plus doux devoir en répondant a Votre Altesse par une lettre de ma main. Mais ma foiblesse me refusant encore ce plaisir, il m’est impossible de différer plus longtems mes rémercimens les plus sincère pour la part que mon très cher fils prend à mon indisposition; ce qui m’est non seulement une grande consolation, mais aussi un vrai cordial. J’espère de pouvoir bientôt écrire moi-même et de témoigner alors la tendresse et l’attachement avec lesquels je suis. 

Signée de la main de S.A. 
Monsieur mon tres cheri Fils, 
de Votre Altesse
votre très dévouée et très tèndre
grand-mère

Ma très chère mère,

In een eerdere blogpost schreven we al over het wereldwijde correspondentienetwerk van Maria Louise van Hessen-Kassel, maar in dit blog willen we graag inzoomen op de correspondentie die zij onderhield met haar zoon, de latere stadhouder Willem IV. Hoewel Maria Louise’s standplaats heel lang stabiel Leeuwarden was, schreef Willem zijn moeder brieven uit plaatsen in heel het land en zelfs daarbuiten! 

Portret van stadhouder Willem IV, schilder onbekend, via: Wikipedia.org

Zijn eerste brief aan zijn moeder schreef Willem in augustus 1719. Hij was toen bijna 8 jaar oud. Hij schrijft de brief vanuit Paleis Soestdijk aan zijn moeder, die in Leeuwarden woonde. In zijn brief schrijft hij dat hij zich verheugt op haar komst en dat hij hoopt dat het goed met haar gaat. Het is een korte en formele, maar desondanks lieve brief van haar jonge zoon. 

Brief van Willem IV aan zijn moeder Maria Louise van Hessen-Kassel, Koninklijke Verzamelingen (Den Haag), via: https://bit.ly/36C327d

In de jaren daarna volgt er sporadisch een brief, dit komt ook omdat Willem nog jong was en bij zijn moeder woonde. Pas vanaf 1726 en weer later in 1728 begon Willem veel brieven aan haar te schrijven. Dit zijn dan ook de jaren wanneer hij in Franeker (1726) en Utrecht (1728) ging studeren. Later spendeerde hij veel tijd in Dieren, aan het Hof te Dieren, een jachtslot in handen van de Oranjes.

Hof te Dieren, schilder onbekend, bron: wikipedia.org

In 1733 reisde Willem IV naar Engeland voor zijn huwelijk met Anna van Hannover. Doordat hij zich snel na zijn aankomst onwel voelde, werd het huwelijk een paar maanden uitgesteld. In het voorjaar van 1734 is Willem voldoende hersteld om het huwelijk te laten plaatsvinden. Gedurende die tijd schrijft hij zijn moeder veel over zijn gezondheid vanuit Bath, waar hij zijn kuren onderging, en Kensington Palace, waar zijn aanstaande bruid Anna van Hannover resideerde. Zijn gezondheid, die altijd al zwak was geweest door een val die hij in zijn jeugd had gemaakt, baarde zijn moeder Maria Louise altijd zorgen. Als enige zoon uit het huwelijk met Johan Willem Friso was hij de enige mogelijkheid was voor het voortzetten van het huis Oranje-Nassau.

Reizen van Willem IV aan de hand van de brieven aan zijn moeder, via NodeGoat

Hierboven hebben we in beeld gebracht waar Willem zoal zijn brieven aan zijn moeder Maria Louise schreef. De rode cirkel is Leeuwarden, waar Maria Louise gedurende deze periode woonde. De meeste brieven schreef hij vanuit Den Haag, hier was Willem vanwege de politiek het vaakst en hij woonde er vanaf 1747. Toch is het interessant om te zien op hoeveel verschillende plaatsen de stadhouder was door de jaren heen. In het filmpje hieronder is precies te zien in welk jaar hij op welke locatie was.

Na de huwelijkssluiting verhuisden Willem en Anna naar het stadhouderlijk hof in Leeuwarden, maar Willem was daarna vaak op veldtocht met het leger. Hij schrijft vanuit verschillende Nederlandse en Duitse steden, maar komt ook in België en af en toe zelfs in Frankrijk. Uiteindelijk spendeerde Willem de meeste tijd in Den Haag, waar hij vaak voor politieke zaken moest zijn. Al helemaal vanaf 1747, wanneer hij officieel erfstadhouder werd van de gehele Republiek. Helaas kon hij deze functie maar korte tijd vervullen. In oktober 1751 kwam de stadhouder te overlijden. In zijn laatste brief aan Maria Louise schrijft hij over het slechte weer en de mogelijkheden wanneer hij weer naar Friesland zou kunnen komen. Hij hoopte in het voorjaar een toer door Friesland te kunnen maken en dan ook zijn moeder weer te kunnen zien. Inmiddels weten we dat hij deze toer nooit heeft kunnen maken. Hij schrijft namelijk ook over zijn verkoudheid, waarvan hij hoopt dat hij er snel van geneest. Helaas was dit niet het geval, want Willem zou slechts zes dagen na het versturen van deze brief overlijden. De erfstadhouder werd opgevolgd door zijn dan drie jaar oude zoon, de latere stadhouder Willem V. Anna van Hannover nam de landszaken waar tot haar dood in 1759; Friesland benoemde haar schoonmoeder Maria Louise van Hessen-Kassel, die de functie van regentes uitoefende tot haar dood in 1765.

Omdat de ruim 1100 brieven van Willem aan zijn moeder allemaal eigenhandig geschreven zijn, lenen deze zich bij uitstek voor automatische transcriptie met behulp van de software-tool Transkribus. Hoe we dat hebben gedaan en wat de resultaten waren, zal in een volgende blogpost worden behandeld.

Transcripties:
Eerste brief van Willem IV aan Maria Louise: https://bit.ly/36C327d

Madame, 
Je suis dans l’impatience d’aprendre l’arrivée de Votre Altesse à Buren, que je souhaitte de tout mon cœur qui soit heureuse. Je la suplie très humblement de m’en faire avoir des nouvelles, y prenant tout l’intérêt que je dois. Je fais mille vœux pour sa conservation et pour son heureux retour. Je me porte fort bien, et suis avec un profond respect. 
Madame
De Votre Altesse Sérénissime, 
Très humble et très Obéissant
Serviteur et Fils, 
G.C.H.Fr. Pr. D’Orange
Soesdijk ce 22 Aout 1719

Laatste brief van Willem IV aan Maria Louise: https://bit.ly/3qtHmSr
La Haie, ce 16 d’8bre 1751
Madame ma très chère mère, 
J’ai pris avec bien du plaisir par celle que j’ai eu l’honneur de recevoir de Votre Altesse Sérénissime par la dernière poste qu’elle se portoit si bien qu’elle comptait, même d’aller diner à Marienburg. Je souhaite fort qu’à la fin le mauvais temps et les pluies nous laissent encore jouir de quelque beau jours d’automne. Je voudrais même pouvoir me flater que les chemins puisent se raccommoder et qu’ainsi nous eusions l’avantage de voir V:A:S:, soit à Loo, soit en Frise, mais je ne prévois que trop que la saison est déjà trop avancée pour cela, et que nous n’osons espérer de voir V:A:S: ici. Nous serions pourtant peut-être allé à Loo pour nous rapprocher d’elle, et régler à sa commodité l’entrevue, mais les nouvelles confirmée que les petites véroles & même pas de la meilleure sorte ij régnoit, vous en retient, joint à cela que je ne puis après cinq semaines d’absence, ni m’absenter de nouveau pour longtemps, et même avec tout ce que je trouve à faire ici en partir de cette assemblée, sans parler du projet de la réduction des troupes, tout cela me fait à regret conclure qu’il faudra remettre malgré moi le bonheur de rejoindre Votre Altesse Sérénissime, et de lui montrer les enfants jusqu’au printems prochain, et avoir pour vous en dédommager deux foi cet avantage l’année prochaine. Je souhaiterais si je le puis ainsi effectuer si je vis et s’il plait à Dieu tacher de faire un tour en Frise au mois de mars en famille et y rester quelques semaines, & nous pourrions après cela dans l’été avoir le bonheur de posséder V:A:S:, soit ici ou à Loo, celon qu’elle l’aimeroit le mieux. La Princesse assure V:A:S: de ses amitiés, Caroline & Guillaume de leurs devoirs. Ils se portent tous, grâces à Dieu, à merveilles, mon Rhume est presque passé, mais c’est moins un rhume qu’une fluxion, ou humeur prise par quelque froid, et je crois même encore un jour à Aix aux je suives [ ?]  du moins quand je ne sers pas la fête embarrassée, cela se jette à la gorge, et quand cella là est libre la fête est prise. Mais j’espère en être quitte dans peu, d’ailleurs j’ai tout lieu de rendre, grâces à Dieu, du succès de ma cure, & mon sommeil et meilleur que depuis longtemps. J’ai l’honneur d’être avec le plus sincère & le plus respectueux attachement, 
de Votre Altesse Sérénissime 
le très humble très obéissant 
serviteur & fils
Prince D’Orange & Nassau

Annin & Pepin

Anna van Hannover werd geboren als dochter van Georg August van Hannover (1683-1760), hertog van Brunswijk-Lüneburg en vanaf 1727 als George II koning van Groot-Brittannië en Ierland, en Carolina, markgravin van Brandenburg-Anspach (1683-1737). Toen haar vader de Britse troon besteeg in 1727, mocht Anna de titel van Princess Royal voerenDe onderhandelingen over haar huwelijk waren toen al enige jaren aan de gang. 

Portret Anna van Hannover, Johann Valentin Tischbein, 1753, Rijksmuseum: SK-A-406 via: https://bit.ly/36dOYAK

Anne was al ruim de twintig gepasseerd, en met vier jongere zussen had haar huwelijk prioriteit. Als oudste kind moest ze de eerste zijn die trouwde en ook nog eens met een betere partner dan haar jongere zussen. De vereniging van Engeland en Hannover in 1714 had echter een dynastiek probleem veroorzaakt: de kleine Duitse prinselijke families die de echtgenoot voor de dochter van een keurvorst zouden kunnen leveren, waren te onbeduidend voor de Princess Royal van Engeland. Er waren maar weinig andere opties. Hoewel de toekomstige Franse koning Lodewijk XV (1710-1774)  in eerste instantie nog werd overwogen als huwelijkskandidaat, viel deze al snel af, evenals de koningshuizen van Spanje en Italië. Dit was voornamelijk uit angst dat hun religieuze verschillen problemen zouden kunnen veroorzaken. (1)  

Pas in 1732 werd er serieus over Willem IV van Oranje-Nassau als huwelijkskandidaat voor Anna gedacht. Dit was omdat de erfeniskwestie van de in 1702 overleden koning-stadhouder Willem III inmiddels was afgerond en de Friese stadhouders nu ook officieel de prinselijke Oranje-titel mochten voeren. Daarmee werd het verschil in stand tussen Anna en Willem aanzienlijk verminderd. (2) 

Huwelijk van Willem IV met prinses Anna, J. Rigaud naar ontw. William Kent. Rijksmuseum, Amsterdam.

Al twee keer eerder in de zeventiende eeuw waren Engelse prinsessen in het Huis van Oranje getrouwd en een Nederlandse alliantie leek nu de enige mogelijkheid voor Anna, maar toch waren er voor haar ook nadelen. Willems titel kon niet langer in verband worden gebracht met zijn macht. (2) In 1702, toen koning-stadhouder Willem III overleed, verbraken de meeste Nederlandse provincies hun banden met de familie door geen opvolger als stadhouder aan te wijzen: het ‘Tweede Stadhouderloze Tijdperk’.  Daarnaast was het uiterlijk van de jonge prins aangetast. Door een val uit zijn jeugd had Willem een vergroeide rug, maar Anna was overtuigd dat ze met hem wilde trouwen, ‘zelfs als hij een baviaan was’. (3) Haar voornaamste reden hiervoor was dat ze niet alleen wilde eindigen aan het hof van haar vader en broer, met wie ze het beide niet goed kon opschieten. De Nederlandse prins was nagenoeg de enige overgebleven kandidaat als protestantse huwelijkspartner, aangezien de lagere Duitse adel geen geschikte optie was voor een huwelijk met een Engelse prinses. In 1733 werd het huwelijk na jarenlange onderhandelingen uiteindelijk door beide partijen goedgekeurd. Na dit heugelijke nieuws schreef Willem zijn toekomstige bruid een liefdevolle brief: 

Het huwelijk stond gepland voor het najaar van 1733, maar bij aankomst in Engeland werd Willem IV, die altijd al een zwakke gezondheid had gehad, ziek, waardoor de ceremonie moest worden uitgesteld. In maart 1734 was hij voldoende hersteld om de bruiloft te laten plaatsvinden. Toen het stel na hun huwelijk en huwelijksreis in de Republiek aankwam, wachtte hen geen warm onthaal. De regenten waren niet enthousiast over zijn huwelijk met een Engelse prinses, omdat Engeland de grootste handelsconcurrent was. Bovendien zou deze verbintenis het prestige van het stadhouderschap vergroten en het Nederlandse volk mogelijk opwarmen voor een eventuele terugkeer van de stadhouder. 

Gerard van Swieten zoals afgebeeld op het Kaiserbild in het Naturhistorisches Museum te Wenen, bron: wikipedia.org

Uit het huwelijk kwamen vijf kinderen, van wie er drie kort na de geboorte stierven. In 1743 kwam in Leeuwarden Carolina Wilhelmina ter wereld en zij werd in 1747 gevolgd door een zoon, de latere stadhouder Willem V. In maart 1745 schrijft Willem in een brief aan zijn moeder Maria Louise van Hessen-Kassel over zijn zorgen over de zwangere Anna die veel bloedverlies heeft. Omdat men vreesde voor een miskraam, werd Gerard van Swieten, de latere lijfarts van Maria Theresia van Oostenrijk, geconsulteerd. 

Pagina uit brief van Willem IV aan zijn moeder Maria Louise van Hessen-Kassel, Koninklijke Verzamelingen (Den Haag), A28-010 via: https://bit.ly/3mgsDIb
Detail van een brief van Willem IV aan zijn echtgenote Anna van Hannover, Koninklijke Verzamelingen (Den Haag), A30-430a via: https://bit.ly/3mesKE2

Hoewel het in eerste instantie geen verbinding was die uit liefde was ontstaan, pakte het huwelijk goed uit. Er bloeide genegenheid tussen de twee, die elkaar in hun brieven liefkozend Anin en Pepin noemden. Willems vroege dood in 1751 was dan ook moeilijk voor Anna. Naar het schijnt bleef ze zelfs na de begrafenis nog een paar nachten slapen op de treden van het podium waar haar echtgenoot lag opgebaard.  (4) In de onderstaande brief condoleert haar vader koning George II haar met het verlies van haar echtgenoot. 

Portret Koning George II van Groot-Brittannië, Thomas Hudson, circa 1744, National Portrait Gallery, via: Wikipedia.org 
Brief van koning George II van Groot-Brittannië aan zijn dochter Anna van Hannover, Koninklijke Verzamelingen (Den Haag), A30-430c via: https://bit.ly/3m85EPs

Transcriptie brief Willem IV aan Anna van Hannover: https://bit.ly/33oGAMG
Madame, 

La liberté que je prends d’assurer Votre Altesse Roiale de mes respects par ses lignes sans lui en avoir préalablement fait demender la permission, me fera peut-être passer pour trop téméraire dans son esprit, mais j’ai plutôt voulu encourir ce blâme, que de pêcher du coté l’empressement. D’ailleurs, Madame, je l’avoue ce ne serait pas sans me faire une extrême violence que je garderois le silence, que ce même empressement que les sentiments dont mon cœur est rempli et pénétré pour Votre Alt. Roiale fassent mon apologie, et serve d’excuse à mon trop de hardiesse. 
Leurs Majestez m’ont fait la grâce de me nommer pour avoir le bonheur de devenir votre époux, puis je me flatter, Madame, que ce choix ne vous déplaît pas entièrement, et que V.A.R. voudra bien augmenter ma joie par son aveu. Je sçai bien que je suis infiniment au-dessous du bonheur qui m’attend, mais rien ne me sera difficile et je ne négligerai rien pour le mériter, c’est à me rendre digne de vous que j’emploierai tout ma vie et tout mes efforts. C’est à la possession de votre cœur, Madame, que j’aspire, c’est là que je fixe tout mon bonheur, je m’estimerai le plus heureux des mortels quand je l’aurai obtenu. Les mommens me paraîtront des siècles jusqu’à ce que j’aie le bonheur de vous le demander à vos pieds et de vous y témoigner par mes assiduité combien je vous aime. Ce mot m’est échappé, pardonné-le Madame. Pardonné aussi la longueur de ma lettre, le bonheur que j’ai de vous écrire, et la douce satisfaction que j’exressens et telle que ce n’est qu’avec peine que je finis, en assurant V.A.R. que je serai jusqu’au dernier soupir de ma vie avec tout l’attachement le zèle et le respect possible,

de Votre Altesse Roiale,
le très humble et très obéissant serviteur 
G.C.H.F. Prince D’Orange
À La Haie, ce 26 mai 1733

Transcriptie derde bladzijde brief Willem IV aan Maria Louise van Hessen-Kassel: https://bit.ly/3mgsDIb
[…] Heureusement la Mehlbaum est arrivé de Cassel dimanche & elle et moi avons persuadé la Princesse de voir et de parler à une sagefemme, qui n’assure pas que la fausse couche se fera, mais ne peut pas dire aussi qu’elle n’aura point lieu. Ce qu’il y a de singulier, c’est que la perte de sang diminué un peu hier & aujourd’ui a été assez forte les deux jours précédents, et quelle ne sent cependant aucune douleur. Le fameux Van Swieten, qui es le second Boerhaeven, ne sçavoit vendredi qu’en augurer. Nous attendrons le neuvième jour pour consulter ultérieurement, et j’espère en Dieu que quoiqu’il arrive la santé de la Princesse n’en sera pas exposée ni altérée. […]

Transcriptie George II aan Anna van Hannover:
Kensington 17/28 oct. 1751

Vous ne doutés pas, ma chère fille, de la part très sincère que je prends à votre juste affliction. Mais quelque grande qu’elle soit, j’espère que la situation de votre famille, le bien public, et votre intérêt propre vous feront faire des efforts pour la surmonter, et pour conserver votre santé qui m’intéresse très particulièrement. Le l. d’Holdernesse, qui vous rendra cette lettre, vous donnera toutes les assurances de ma tendresse, et des efforts que je ferai pour vous soutenir. Aimés-moy toujours, ma chère Anne, et soyez persuadée que vous trouverez toujours en moy un père qui vous chérit tendrement,

George R.

Bronvermelding:
(1): Veronica Baker-Smith, in red. Clarissa Campbell Orr: Queenship in Britain: Royal Patronage, Court Culture and Dynastic Politics (Bath 2002), 193-206, aldaar 193. 
(2) Frans Willem Lantink, Anna van Hannover, in: Digitaal Vrouwenlexicon van Nederland. 30 januari 2014, via: https://bit.ly/3lbBjhJ
(3): John van der Kiste, George II and Queen Caroline (Gloucestershire 1997)
(4): Trudie Rosa Carvalho, De Trouwjapon van prinses Anna van Hannover, 30 maart 2018, via: https://bit.ly/39iRfwn

Brieven aan grootmama

Maria Louise schreef vaak met haar familieleden die door heel Europa woonden. Ze schreef echter ook veel met haar (klein)kinderen in Den Haag. Zo hebben we al eens eerder geschreven over de brieven die Willem IV als kind aan zijn moeder schreef, maar ook haar kleinkinderen zijn terug te vinden in de correspondenties. Hieronder is de eerste brief die haar kleinzoon, de toekomstige stadhouder Willem V, op bijna vijfjarige leeftijd eigenhandig aan zijn oma Maria Louise van Hessen-Kassel schreef: 

Brief van Willem V aan zijn grootmoeder Maria Louise van Hessen-Kassel, Koninklijke Verzamelingen (Den Haag), A28-14 via: https://bit.ly/35ILqWG

Transcriptie: 
Grot mama, ick daenkie vor dat ghi min ennen brief heft gescreven hept. 
Prins van Orange
Willem [C.D’Orange]

Portret van de jonge Willem V, omstreeks 1750, ongeïdentificeerde schilder, bron: wikipedia.org

Willem V werd in Den Haag geboren als zoon van Anna van Hannover en erfstadhouder Willem IV. In 1751, toen Willem V pas drie jaar oud was, overleed zijn vader Willem IV. Hij werd hierna opgevoed door zijn moeder Anna, maar ook zij zou komen te overlijden in 1759. Zijn oma, de ruim 70-jarige Maria Louise van Hessen-Kassel, nam het regentschap, ondanks haar zwakke gezondheid, over van haar schoondochter Anna van Hannover. Dit was al in 1755 bepaald. Marie Louise en de Engelse koning George II zouden als toeziende voogden optreden totdat Willem V in 1766 de achttienjarige leeftijd zou bereiken. Praktisch gezien zou de voogdij in handen liggen van de hertog Lodewijk Ernst van Brunswijk-Wolfenbüttel (1718-1788), die al gedurende de jaren dat Anna gouvernante was de militaire ambten die verbonden waren aan het erfstadhouderschap had waargenomen. Door middel van een regelmatige briefwisseling bleven Maria Louise en de hertog in contact. (1)

Lodewijk Ernst van Brunswijk-Wolfenbüttel, ongeïdentificeerde schilder, bron: wikipedia.org

Vanaf 1762 begon Willem zijn grootmoeder regelmatig te schrijven. In totaal zijn er 90 brieven uit de correspondentie met haar kleinzoon bewaard gebleven. Het ging hierbij het vaak om formele brieven, waarin hij hoopte dat het goed ging met zijn oma en hij haar bijvoorbeeld een gelukkig nieuwjaar of een fijne verjaardag wenste, zoals hieronder:

Brief van Willem V aan zijn grootmoeder Maria Louise van Hessen-Kassel, Koninklijke Verzamelingen (Den Haag), A28-14 via: https://bit.ly/3kJB9xW

Transcriptie: 
Ma tres chère Grand-mère,
j’espère que vous vous portiés bien toujours, & je vous félicite sur votre jour de naisance. 
Ma tres chère Grandmère,
votre tres cher petit-fils
& votre très humble & obéissant serviteur

À La Haje, ce 18 février
Prince d’Orange

Portret van Maria Louise, prinses van Oranje-Nassau, Jacob Houbraken, naar Hendrik Pothoven, naar Bernardus Accama (I), 1751,Rijksmuseum via: https://bit.ly/35INFJA

In latere jaren bleef deze toon min of meer gelijk, al werden de brieven wel iets gedetailleerder. Zo vroeg Willem zijn grootmoeder wanneer ze richting Den Haag zou komen, informeerde hij haar over zijn eigen reizen en familienieuws en hij vroeg vaak naar haar gezondheid. In de correspondentie lezen we ook de antwoorden van Maria Louise. Op haar beurt hield Maria Louise zich op afstand bezig met de opvoeding van haar kleinkinderen en vertelde ze Willem over haar gezondheid. De briefwisseling met haar kleinkinderen, maar ook met andere familieleden en haar medewerkers, was er in de loop der jaren niet makkelijker op geworden voor Maria Louise. In de onderstaande brief verontschuldigt zij zich tegenover haar kleinzoon, omdat ze hem niet eerder kon schreven vanwege ziekte. Ze is alleen in staat om de brief te ondertekenen, maar ze belooft de volgende keer weer zelf te schrijven.

Brief van Maria Louise van Hessen-Kassel aan haar kleinzoon Willem V, Koninklijke Verzamelingen (Den Haag), A28-14 via: https://bit.ly/3kM8Rmf

Transcriptie:
Monsieur mon très cher fils,
Je m’étois flatteé que je serois aujourd’hui en état de m’aquiter de mon plus doux devoir en répondant a Votre Altesse par une lettre de ma main. Mais ma foiblesse me refusant encore ce plaisir, il m’est impossible de différer plus longtems mes rémercimens les plus sincère pour la part que mon très cher fils prend à mon indisposition; ce qui m’est non seulement une grande consolation, mais aussi un vrai cordial. J’espère de pouvoir bientôt écrire moi-même et de témoigner alors la tendresse et l’attachement avec lesquels je suis. 

Signée de la main de S.A. 
Monsieur mon tres cheri Fils, 
de Votre Altesse
votre très dévouée et très tèndre
grand-mère

Haar zwakke gezondheid eiste veel van haar, maar desondanks bleef ze in de laatste jaren van haar leven veel corresponderen met haar kleinkinderen en met de hertog van Brunswijk. Op de zaterdag voor Pasen in 1765 had ze die morgen nog eigenhandig de brieven getekend die moesten worden verzonden, maar vlak hierna werd ze erg benauwd en kreeg ze te maken met koortsaanvallen. De koorts hield twee etmalen aan en uiteindelijk overleed ze die dinsdag, op 9 april 1765 op 77-jarige leeftijd in Leeuwarden.

(1) G.J. Schutte, Oranje in de achttiende eeuw (Amsterdam 1999), 33.

Een wereldwijde correspondentie

Zoals we al eerder schreven in de blogpost over Maria Louise van Hessen-Kassels broer Wilhelm VIII, correspondeerde zij gedurende haar tijd in Leeuwarden veel met haar Duitse familie. Oorspronkelijk kwam zij uit Hessen, waar haar familie regeerde over het landgraafschap Hessen-Kassel. Zo schreef ze veel met haar broers en zussen in Kassel, maar door de vele adellijke huwelijken had ze door heel Duitsland (en zelfs in Zweden en Denemarken) familie wonen. 

Wij waren benieuwd hoe het totale plaatje van Maria Louises correspondentie eruitzag. Met wie correspondeerde ze nog meer, behalve met haar familie? Waarom en waarover schreven ze zoal? Die vragen kunnen we pas echt beantwoorden wanneer de digitalisering van haar correspondentie afgerond zal zijn, pas dan kan onderzoek worden gedaan op briefniveau. Wel kunnen we al een uitspraak doen over de categorieën van correspondenten en de plaatsen waarvandaan zij hun brieven schreven. Daarom hebben we het correspondentienetwerk van Marie-Louise in kaart gebracht met behulp van Nodegoat. (1)

Portret van Maria Louise van Hessen-Kassel, door Johann Philip Behr, circa 1756, Rijksmuseum Amsterdam 

Maria Louises correspondentienetwerk was enorm groot! Haar volledige briefwisseling is eerder geïnventariseerd door medewerkers van Koninklijke Verzamelingen in Den Haag en Tresoar in Leeuwarden. (2) In totaal onderhield zij zo’n 300 correspondenties met onder meer haar familie in Duitsland, belangrijke politieke figuren in Leeuwarden, Den Haag en Amsterdam en vaak ook met predikanten. Maria Louise had van haar moeder geleerd zo godvruchtig mogelijk te leven. Haar geloof was haar houvast en daarom schreef ze veel met predikanten over het geloof. Daarnaast waren er ook ‘reguliere’ burgers die haar schreven met specifieke verzoeken, bijvoorbeeld voor aanbevelingen van hun zoon of dochter voor een functie.

Conceptbrief van Maria Louise van Hessen-Kassel aan Charles Emilius Henri de Cheusses, Koninklijke Verzamelingen (Den Haag) A28-190, via: https://bit.ly/3eQs7Oa

Vogels uit Suriname
Toch reikte Marie-Louises correspondentie verder dan alleen de Nederlandse Republiek of Europa. Ze stuurde ook brieven naar Java en ze voerde een briefwisseling met de toenmalige gouverneur-generaal van Suriname, Charles Emilius Henri de Cheusses (1702-1734). De gouverneur-generaal had haar vogels gestuurd, te weten twee ‘pauwise’ twee ‘phesans de la coste de Guinée’ en een zeldzame ‘cojakkie’. De ‘pauwise’ betrof een powisi wat waarschijnlijk de zwarte hokko is, de ‘phesan de la coste de Guinée’ was vermoedelijk een hoatzin of stinkvogel, en de ‘cojakkie’ zal waarschijnlijk een roodsnaveltoekan zijn geweest. Marie-Louise schreef hem een bedankbrief, waarin zij helaas ook moest melden dat alleen de twee powisi’s de reis hadden overleefd.

De afbeelding hieronder brengt haar volledige correspondentie in kaart met daaronder nog een ingezoomde afbeelding van specifiek Europa. Een belangrijke noot is dat het bij deze kaarten slechts gaat om individuele personen, hierbij wordt dus niet gekeken hoe vaak zij met deze personen correspondeerde. Zo zal ze veel meer met haar zoon stadhouder Willem IV hebben gecorrespondeerd dan met een adellijke heer die eenmalig een verzoek had aan Maria Louise, maar dat laten deze kaarten niet zien. De visualisatie is gebaseerd op de woonplaatsen van de correspondenten. Zij zullen echter ook vanuit andere plaatsen aan Maria Louise hebben geschreven. Die gegevens kunnen pas worden verwerkt als de metadata van de individuele brieven zijn ingevoerd.

De focus van Maria Louises correspondenties lag natuurlijk voornamelijk op de Nederlandse Republiek – en daarbinnen voornamelijk Friesland – en de omliggende gebieden waar veel familie van Maria Louise woonde. Ze had veel contact met politieke figuren uit verschillende Friese steden, maar ze had ook veel relaties in Amsterdam en Den Haag die haar op de hoogte hielden van de laatste politieke ontwikkelingen. Als laatste valt Londen op. Daar had ze contact met koning George II van Groot-Brittannië en zijn familie. Dit betrof vooral de huwelijksonderhandelingen over het aanstaande huwelijk tussen haar zoon, de latere stadhouder Willem IV, en de dochter van de Britse koning Anna van Hannover. 

Ingezoomde kaart met daarop de verzendplaatsen uit Nederland en Duitsland. Voor de leesbaarheid zijn hier de lijnen weggehaald, zodat de steden beter zichtbaar zijn.

(1) Deze visualisaties zijn mogelijk gemaakt met behulp van nodegoat: Bree, P. van, Kessels, G., (2013). nodegoat: a web-based data management, network analysis & visualisation environment, https://nodegoat.net from LAB1100, https://lab1100.com
(2) Arie Pieter van Nienes en Marijke Bruggeman, Archieven van de Friese Stadhouders: inventarissen van de archieven van de Friese Stadhouders van Willem Lodewijk tot en met Willem V, 1584-1795 (Hilversum 2003), 295-335.
(3) Met dank aan Frank Kanhai.

Transcriptie brief van Maria Louise aan de gouverneur-generaal van Suriname:
À monsieur de Cheusses à Suriname
Monsieur,
J’ai bien reçu vôtre lettre du 3e d’avril dernier et quelque jours après les deux ‘pauwise’ que le capitaine Jean Lambreghse Hogendorp m’a envoyé, mais par raport aux autres oiseaux le dit capitaine a dit qu’ils étaient morts en chemin. Je vous suis bien obligée, monsieur, de la peine que vous avez prise. J’ai vu par là vôtre intention à me faire plaisir; je vous prie d’être persuadé de ma bienveillance envers vous; et je tâcherai dans toutes les occasions de vous rendre quelque service, et de vous témoigner combien je suis avec beaucoup d’estime, 

Monsieur,
vôtre très affectionneé

Mary Stuart I, Princess Royal & Prinses van Oranje

Maria Henrietta (Mary) Stuart (1631-1660) schrijft in de eerste jaren van haar verblijf aan het Haagse Hof vaak aan haar hofdame Katherine Stanhope. Deze brief van Mary Stuart is een van de bijna vierduizend brieven uit de online brievencatalogus van de zes zeventiende-eeuwse Hollandse en Friese stadhoudersvrouwen. De veertienjarige Mary Stuart schrijft Lady Stanhope over een jurk die zij via mademoiselle La Garde, een andere hofdame, in Frankrijk wil bestellen. Verder spreekt er eenzaamheid uit haar brief. Verontwaardigd schrijft ze dat haar schoonouders haar alleen hebben achtergelaten en dat ze ernaar uitziet Lady Stanhope weer terug te zien:

For the Lady Stanhope
My deare Lady, 
Before I came from The Hage I hed at mind to send for a goune into France and now I send you the letter I have wret to Lagard about it to pray you to send my mesure with it end if there bee anything els that is nessesere that I have not sent for I pray you to writ for it and pray send this letter as soone as you can. I pass my time well anouf heer, butt I confesse I touk it very onkindly that the prince and princesse of Orange were abrod la[st] sonday and left me all alone at home. My deare lady I should bee very glade to see you againe, meenewhyle assure yourselfe that I am and evere shall bee, your most faithfull and loving freand,
Marie
16 avril 1646 (1)

De brief aan Lady Stanhope staat symbool voor de boodschap achter de publicatie van álle brieven van Mary Stuart: aan de ene kan zien we hier een persoonlijk briefje van een eenzaam meisje, maar aan de andere kant markeert deze brief het begin van een belangrijke dynastieke Stuart-Oranje relatie. Ook betekent het de start van een lange correspondentie die Mary Stuart zou voeren, eerst als echtgenote van de Hollandse stadhouder Willem II (1626-1650) en later als zijn weduwe en moeder van de toekomstige stadhouder-koning Willem III (1650-1702). 

Correspondentie van de stadhoudersvrouwen
Gendervooroordelen hebben vrouwen lang uit de geschiedschrijving gehouden. Brieven van vrouwen werden vaak genegeerd of zelfs vernietigd. En hoewel vrouwen lang zijn weerhouden van het uitoefenen van directe politieke macht, zochten ze actief naar andere middelen om hun invloed uit te oefenen; een belangrijk middel daarbij was het voeren van correspondenties. Al in 1998 pleitte historica Els Kloek voor meer onderzoek naar de prinsessen van Oranje. Tot nu toe zijn onafhankelijke onderzoeken naar de echtgenotes van de Hollandse en Friese leiders en hun kringen echter zeldzaam, omdat hun correspondentie nooit volledig is uitgegeven. De opkomst van vrouwengeschiedenis als vakgebied heeft nu ook zijn uitwerking op de groeiende belangstelling voor vrouwencorrespondenties.

In samenwerking met Koninklijke Verzamelingen Den Haag, waar de meeste brieven van de stadhoudersvrouwen worden bewaard, hebben het Huygens Instituut voor Nederlandse Geschiedenis (ING) en Oxford University’s Cultures of Knowledge de correspondenties van de echtgenotes van de zes zeventiende-eeuwse Hollandse en Friese stadhouders gedigitaliseerd en ontsloten via de catalogi van Early Modern Letters Online (afgekort: EMLO). Kleinere porties brieven zijn opgespoord in de Koninklijke Bibliotheek, het Nationaal Archief, Landeshauptarchiv Sachsen-Anhalt en de Bodleian Libraries. Intussen wordt nog gewerkt aan de toevoeging van de correspondenties van de zestiende- en achttiende-eeuwse stadhoudersvrouwen. 

De collectie van de Stadhoudersvrouwen is overkoepelend doorzoekbaar of individueel per vrouw. De bestudering van deze brieven zal het bestaande beeld van deze stadhoudersvrouwen gaan veranderen: vanaf nu kunnen we niet alleen kennisnemen van de inhoud van hun brieven, maar ook hun netwerken in beeld gaan brengen. 

De correspondentie van Mary Stuart I maakt deel uit van deze online catalogus en beslaat momenteel 353 brieven. Hoewel Mary haar meeste brieven schreef nadat zij weduwe was geworden, richt dit artikel zich op twee brieven die Mary schreef in de periode daaraan voorafgaand.

Willem II en zijn bruid Maria Stuart, Anthony van Dyck, 1641. Collectie Rijksmuseum, Amsterdam.

Een vorstelijk huwelijk
Op 4 november 1631 kwam Mary ter wereld als het tweede kind van de Engelse koning Karel I en diens echtgenote Henriette Maria. Haar eerste levensjaren bracht ze tamelijk onbezorgd door met haar broers Karel, James, Henry en zusjes Elizabeth en Anne. De sterke band die toen met haar broers ontstond, zou Mary haar hele leven koesteren.

Nadat stadhouder Frederik Hendrik en zijn echtgenote Amalia von Solms eerder al een vergeefse poging hadden gewaagd hun zoon prins Willem uit te huwelijken aan Karel Stuarts dochter Elizabeth, kwam de Engelse koning hier begin 1640 op terug. Omdat zijn positie in Engeland in de aanloop naar de Eerste Engelse Burgeroorlog begon te kenteren, kwam hem een alliantie door middel van een huwelijksmatch met een vorst uit een bevriend buurland bij nader inzien goed uit. Nadat Frederik Hendrik en Amalia dit positieve signaal hadden vernomen, stuurden zij een delegatie met de drie hoogste Edelen naar Engeland. De afvaardiging maakte Karel duidelijk dat het stadhouderlijk paar deze keer alleen genoegen nam met een huwelijk van hun zoon met Karels oudste dochter Mary. Haar katholieke moeder Henriette Maria verzette zich hier heftig tegen omdat zij plannen had Mary uit te huwelijken aan de Spaanse koning Filips IV. Ook koning Karel aarzelde, maar de door de Oranjes verzekerde hulp bij mogelijke toekomstige binnenlandse problemen en de toezegging om steun bij de restitutie van de Palts voor zijn zuster Elizabeth Stuart, die in Den Haag in ballingschap verbleef, trokken de Engelse koning over de streep. 

 Zo reisde de vijftienjarige prins Willem in april 1641 af naar Engeland om op 2 mei in de Royal Chapel van Whitehall in het huwelijk te treden met de negenjarige Mary. Zonder het huwelijk te hebben geconsummeerd, conform de voorwaarden, vertrok de prins weer naar het vasteland. Behalve dat voor Mary een bruidschat van veertigduizend pond zou worden betaald –  een bedrag dat uiteindelijk pas in 1679 zou worden uitgekeerd – was ook overeengekomen dat zij de gelegenheid kreeg in de Republiek de godsdienst te kunnen beoefenen volgens de riten van de Anglicaanse Kerk. Verder was er onder meer bedongen dat zij een maximum aantal van 26 mannelijke en 14 vrouwelijke door haar vader uitgekozen Engelse dienaren mee mocht nemen.

Fragment uit de lijst met het gevolg van Mary Stuart. Collectie Koninklijke Verzamelingen,  A15-II-8.

In maart 1642 zou Henrietta Maria haar dochter Mary met haar hofhouding in de Republiek bij haar echtgenoot en zijn familie afleveren. Deze gelegenheid combineerde de koningin met een rondreis door de Republiek om steun in de vorm van geld en wapens voor haar echtgenoot te krijgen tegen de Engelse opstandelingen. Zo nu en dan vergezelden Mary en haar kersverse echtgenoot Willem en diens vader Frederik Hendrik koningin Henriette Maria met haar gevolg van meer dan driehonderd dienaren op haar tournee. De meeste tijd verbleef de kleine Mary echter aan het hof van haar schoonmoeder Amalia von Solms in Den Haag. 

De Heenvliets
Vanaf het moment dat Mary in de Republiek aankwam, begon zij brieven te schrijven. De meeste correspondentie die uit de eerste periode van haar huwelijk dateert, bevindt zich in de collectie van Johan Polyander van den Kerckhoven, in Engelse en Hollandse kringen bekend onder de naam van heer van Heenvliet. Hij was een gunsteling van Frederik Hendrik en had al een belangrijke rol gespeeld in de huwelijksonderhandelingen tussen Mary en prins Willem. Zijn invloedrijke positie bleef gehandhaafd toen Heenvliet aangesteld werd als Mary’s secretaris en hofmeester. Om nog meer controle te hebben, zou Heenvliets tweede echtgenote Lady Katherine Stanhope worden benoemd tot haar gouvernante en eerste hofdame. Het briefje aan het begin van dit artikel is gericht aan deze Lady Stanhope en bevindt zich in Heenvliets collectie. Na de dood van haar echtgenoot Heenvliet verleende koning Karel II haar de titel ‘gravin van Chesterfield’. Zij bleef prinses Mary dienen tot haar overlijden op 24 december 1660. 

Heenvliets brieven worden bewaard in de Bodleian Library. De collectie bevat niet alleen brieven van Mary aan Heenvliet en diens echtgenote, maar ook Mary’s correspondentie met haar vader Karel I en haar moeder Henrietta Maria. Verder zijn er brieven van haar broers Karel (de latere koning Karel II), James, hertog van York, Henry, hertog van Gloucester en haar jong gestorven zusje Elizabeth.

Frederik Hendrik en Amalia
Met haar schoonvader Frederik Hendrik had Mary een goede band. Er is bekend dat hij een zwak voor haar had. Van Mary aan Frederik Hendrik zijn twaalf brieven bewaard gebleven. De eerste, keurig in het Frans geschreven brief die zij meegaf aan haar kersverse echtgenoot op zijn terugreis naar de Republiek, zal bij de stadhouder goede aarde zal zijn gevallen. De brief is ongedateerd, maar Constantijn Huygens, secretaris van Frederik Hendrik, noteerde linksboven de datum van ontvangst: 25 juni 1641.

Brief van Mary Stuart aan haar schoonvader Frederik Hendrik, 25 juni 1641. Collectie Koninklijke Verzamelingen, A14–XIA, fol. 34.

Met haar schoonmoeder Amalia kon Mary het niet goed vinden. Amalia vertrouwde haar schoondochter niet en die gevoelens waren wederzijds. Mary had meer op met haar tante Elizabeth Stuart, de Winterkoningin. Amalia, die voor haar huwelijk met de stadhouder hofdame van Elizabeth was geweest, ergerde zich mateloos aan het feit dat er nu twee concurrerende Stuart-hoven in Den Haag waren. Toen Amalia’s echtgenoot Frederik Hendrik overleed en haar zoon Willem stadhouder werd en Mary daardoor de titel van prinses van Oranje mocht dragen, bekoelde de relatie tussen moeder en schoondochter nog meer.

Brievenboek
Op 6 november 1650 zou stadhouder Willem II plotseling overlijden aan de pokken. Een week later beviel Mary van hun enige kind: toekomstig stadhouder-koning Willem III. De onenigheid tussen Mary en Amalia die hierna volgde over de voogdij van de erfopvolger zou de komende jaren hoog oplopen en de rivaliteit tussen moeder en schoondochter verergeren.

Vrijwel meteen de dood van haar echtgenoot begon Mary zich in te zetten voor de belangen van haar zoon. Dat deed ze vooral door te corresponderen met de vorsten en instellingen waarmee haar man eerder in contact had gestaan. Koninklijke Verzamelingen Den Haag bewaart een brievenboek met 275 brieven die Mary schreef in de periode van 1651 tot en met 1661. Veel van die brieven handelen over de geschillen die zij had met haar schoonmoeder Amalia von Solms over de voogdij en de opvoeding van haar zoon en de belangen die ze voor hem behartigde met betrekking tot het prinsdom van Orange in Frankrijk. Dit brievenboek is gedigitaliseerd en ook online raadpleegbaar via de catalogus van Early Modern Letters Online.

In de Engelse geschiedschrijving werd Mary’s trouw aan haar Engelse familie geroemd. De Nederlandse historiografie heeft Mary Stuart echter altijd een negatieve reputatie toebedeeld, die al door haar tijdgenoten in de Republiek werd gedeeld. Omdat haar correspondentie nu volledig beschikbaar is, kan de lezer daar zelf opnieuw een oordeel over vormen.

> Ineke Huysman

Transcriptie brief Mary Stuart aan Frederik Hendrik:
R[eçu] 25 juni 1641 

Monsieur mon beau-père,

Puisque monsieur le prince Guillaume vous donnera sette lettre, je me remeteray à luy assurer du désir que j’ay de vous pouvoir faire voir par mes actions l’estime que je fais de vos bonnes grâces et le soing que je aporteray toujours à les conserver comme une chose qui m’est très chère, ce que j[e] vous suplie de croyre, comme estant, 

monsieur mon beau-père, 
vostre très affectionnée et obéïsante fille,
Marie

Bronnen
(1) Bodleian Library, University of Oxford: MS Rawl. Letters 115, fols 167–169.
(2) Dit artikel is eerder verschenen in een uitgave van de Nederlandse Maatschappij der Letteren, zie: Ineke Huysman, ‘Mary I Stuart, Princess Royal en Prinses van Oranje’, Nieuw Letterkundig Magazijn 36 (2018) 10-13.