
Op 9 december 1751 stuurde een anonieme afzender Anna van Hannover een brief met, wat lijkt op, een cynische condoleanceboodschap. De brief, gericht aan Anna, was geschreven ter gelegenheid van het overlijden van haar echtgenoot Willem IV van Oranje op 22 oktober 1751. De brief was volgens de anonieme afzender bedoeld voor wat hij of zij gekscherend “uwe koninklijke familie van pligtsversuym” noemde. In de brief gebruikte de anonieme zender een hartstochtelijk sarcasme om zijn of haar verdriet om het overlijden van de Koninklijke Majesteit kenbaar te maken aan Anna van Hannover. “Ik smolt in traanen voor zijn gesigt, ik soude mijn lievde voor s’Lands welstant, en voor de vorst met mijn doodt bevestigen, en dus mijne onvoorsigtigheden uytwisschen, die ik wijt een drift voor s’Lands welstand, wijt een drift voor s’Prinsens glori.” Ook schreef deze anonieme afzender dat het een ‘allernoodste misdaadt” was van God, en dat God met dit “onherroepelijke vonnis” “Deze landen in een poel van de allernaarste rampzaligheyt ter nederstorten.”
Transcriptie
“Koninklijke Prinses,
Dogter des Hare edelmoedige weduwe van den allerbraafsten Prins. Bedroevde moeder van telgen, zoo doorlugtig als den aardbodem draagt. Naaderende, vreese ik uwe K.M. (Koninklijke Majesteit) te mishaagen te rug blijvende, beschuldigt mij mijne lievde tot den vorst tot uwe K.M. uwe hoogvorstelijke spruijten en uwe koninklijke familie van pligtsversuym gun deze letteren, wijl het mij niet mag gebeuren een weynig geduldt, het behaagde uwe K.M. zulks eertijds te vergunnen.
K.P. (Koninklijke Prinses) gun mij dat ik mijn boezem overlaaden met droefheyt voor u eenigermate ontlast kust ik met sugten en traanen den vorst in ’t leeven herroepen, ik soude mij verstouten voor ze te verschijnen, ik smolt in traanen voor zijn gesigt, ik soude mijn lievde voor s’Lands welstant, en voor de vorst met mijn dood bevestigen, en dus mijne onvoorsigtigheden uitwisschen, die ik wijt een drift voor s’Lands welstand, wijt een drift voor s’Prinsen glorie begaan heb.

Was heden een Elisa oft een Peterus te vinden die door een wonderwerk den Prins kosten opwekken, ik roude niet alleen bedroevde weduwen maar ook mannen wier harten Cynau onbeweeglijk sijn, opspeuren, ik soude hen ’s Vorsten heerlijke hoedanigheden ’s Vorsten lievde voor deze Republiek zoo levenig afmaaken, ik soude hen to schreynen dwingen, en hun dus aanvoeren, ik soude zoo een Elisa oft Peterus zijne knieën omhelze, schreyende en snikkende, niet loslaaten voordat ik mijnen wensch bekoomen hadt.
Maar neer de goddelijke regtvaardigheyt lang getergt door ondankbaarheyt die allersnoodste misdaadt, en die Cynau in alle nederlanderen harten heuren Petel gevestigt heeft, heeft ons den Prins ontrukt dat vonnis is niet alleen onherroepelijk, maar zoo die misdaadt, dus voorgoet en aangroeyt sal godt deze landen in een Poel van de allernaarste rampzaligheyt ter nederstorten. Agh dat de almagtige de barmhartige godt van hemel en aarde uwe K.M. en uwe hoogvorstelijke spruiten tot een man, een vaader, een eeuwige hoeder en Leydsman verstrekke hij redde hij zegene dit landt, onder uwe gelukkige regeringe en neeme de spaade sijn eeuwige heerlijkheyt om met uwe gemaal syne onvolprijsbare goedtheyt, heerlijkheyt en Majesteyt eeuwiglijk te prijzen en loven.”
> Tessa Stalenburg, 28 augustus 2020.



