Door brieven verbonden: De vriendschap van Maria Stuart II en Agnes van Wassenaer Obdam

De relatie tussen Maria Stuart II (1662–1695) en haar hofdame Agnes van Wassenaer Obdam (1635–1698) is in het verleden al door historici aangehaald, maar heeft nog niet de aandacht gekregen die zij verdient. Hun correspondentie laat zien dat vriendschap in de zeventiende eeuw niet alleen een persoonlijke, maar ook een maatschappelijke betekenis kon hebben. Zo ondersteunden zij elkaar én een bredere groep vrouwen: gevluchte hugenoten die in de Republiek een toevluchtsoord zochten. Dit blogartikel duikt in deze bijzondere briefwisseling en biedt een unieke inkijk in de manier waarop het werd ingezet om vriendschap te benutten.

Afscheid van de Republiek

Zware tegenwind verhinderde Maria Stuart II in februari 1689 om met haar schip naar Engeland te vertrekken. Terwijl ze wachtte op een gunstige wind om haar reis voort te zetten, schreef ze een brief aan haar Nederlandse hofdame Agnes van Wassenaer Obdam: ‘Het is zo’n groot verdriet voor mij om een land te verlaten waar ik zo gelukkig ben geweest’.[1] Deze overtocht markeerde namelijk het einde van haar tijd in de Republiek en bracht haar terug naar haar geboorteland, waar zij in april dat jaar tot koningin werd gekroond.

In de jaren die volgden schreef Maria vanuit Engeland uitvoerig aan haar voormalige hofdame over wat de Republiek voor haar had betekend. Ze beschreef het als een land ‘dat ik liefheb als het mijne, waar ik geboren ben’ en waar ze de gelukkigste jaren van haar leven had doorgebracht.[2] Maria verlangde ernaar om nog eens terug te keren naar deze geliefde plek: ‘Wat een voldoening zal het voor mij zijn, wat een vreugde om een land terug te zien dat mij zo dierbaar is’.[3] Maar wat Maria niet met zekerheid kon weten op het moment dat ze in 1689 op het schip stapte, was dat ze de Republiek nooit meer zou terugzien.

Vertrek van Maria Stuart II uit Holland naar Engeland op 20 februari 1689. Gezicht op de vloot met rechts het schip waarop Maria zich bevindt, prent door Johannes van den Aveele (ca. 1689–1691). Rijksmuseum, Amsterdam, inv.nr. RP-P-AO-11-4C.

Maria’s kring in de Republiek

Ruim twee decennia eerder was Maria in de Republiek aangekomen, nadat ze in 1677 was uitgehuwelijkt aan haar neef, stadhouder Willem III, prins van Oranje (1650–1702). Daar bouwde ze vanaf haar vijftiende levensjaar een nieuw bestaan op. Ze verbleef onder meer op Huis ten Bosch en Huis Honselaarsdijk, en samen met Willem liet ze het zomerpaleis Het Loo bouwen. Ze vulde haar dagen met wandelen, borduren, lezen en, zoals later beschreven zal worden, religieuze bezigheden.[4]

Maria omringde zich met Nederlandse contacten met wie ze haar activiteiten kon delen. Zo ontstonden er vriendschappen tussen haar en verschillende adellijke dames. Een eerste voorbeeld hiervan was Johanna Margaretha van Arnhem (1635–1721). Zij correspondeerde regelmatig met Maria en ontving, na Maria’s overtocht naar Engeland, een uiterst persoonlijke gift, namelijk een haarlok. Het was voor Maria gebruikelijk haar vrouwelijke kennissen geschenken te geven om de onderlinge loyaliteit te versterken.[5] Dat gold ook voor een tweede voorbeeld uit Maria’s kring van Nederlandse vriendinnen: de hofdame aan wie zij de eerder geciteerde brieven schreef. Maria schonk in 1686 aan Mlle [Mademoiselle] d’Obdam – zoals Maria haar aanschreef – een hartvormige hanger als getuigenis van hun band.

Hartvormige hanger van Agnes van Wassenaer Obdam, met een briefje waaruit blijkt dat zij deze in 1686 van Maria Stuart II ontving. Kasteel Twickel, Delden, inv.nr. G00825.

Mlle d’Obdam en haar netwerk

Mlle d’Obdam groeide waarschijnlijk op in Heusden, in de adellijke familie Van Wassenaer Obdam. Door de welgestelde positie van haar familie had ze een zekere mate van opleiding genoten – iets wat in de vroegmoderne periode voor vrouwen slechts aan een klein aantal was voorbehouden.[6] Vanaf haar zestiende vertrok ze naar Den Haag, waarheen haar ouders, luitenant-admiraal Jacob baron van Wassenaer Obdam (1610–1665) en Agnes van Renesse van der Aa (1610–1661), waren verhuisd. In Den Haag verkeerde Mlle d’Obdam in invloedrijke adellijke kringen van de Republiek, die nauwe relaties onderhielden met het stadhouderlijk hof. Binnen deze context kreeg zij vermoedelijk haar aanstelling als hofdame van Maria. Ze trouwde nooit, maar had – in tegenstelling tot de meeste ongehuwde vrouwen in die tijd – voldoende vermogen om een eigen huishouden te voeren.[7]

Dankzij haar banden met het hof en de Haagse adel had Mlle d’Obdam toegang tot een breed informatienetwerk, zoals blijkt uit haar bewaarde documentatie in het Huisarchief van Kasteel Twickel in Delden.[8] Daar ligt onder meer een stapel met ‘verslagen van nieuwtjes’ uit Den Haag die zij tussen 1688 en 1690 ontving tijdens haar jaarlijkse verblijf in de herfstmaanden op Paleis Het Loo. Via deze berichten bleef zij op de hoogte van de politieke en militaire gebeurtenissen rond de machtsovername van Willem en Maria in Engeland, Schotland en Ierland – bekend als de Glorious Revolution (1688–1689). In een brief van 8 september 1689 werd bijvoorbeeld vermeld dat de afgezette Engelse koning Jacobus II (1633–1701), de vader van Maria, zich uit Dublin had teruggetrokken en zijn toevlucht zocht in Limerick, in het westen van Ierland.[9] Dit laat zien dat Mlle d’Obdam beschikte over contacten die haar informeerden over internationale aangelegenheden die ook voor de Republiek van belang waren, zelfs wanneer zij zich niet in Den Haag bevond.

Verslag van nieuwtjes uit Den Haag van 8 september 1689, ontvangen door Agnes van Wassenaer Obdam. Huisarchief Twickel, Delden, inv.nr. 1.5.09.1.335 (L); Stapel met brieven van Maria Stuart II aan Agnes van Wassenaer Obdam. Huisarchief Twickel, Delden, inv.nr. 1.5.09.1.331.15 (R).

Daarnaast bevindt zich in het archief van Twickel correspondentie van Mlle d’Obdam. Ondanks hun uitsluiting van formeel bestuur gebruikten veel adellijke vrouwen in de vroegmoderne tijd briefcorrespondentie om via netwerken relaties aan te wenden en zo hun eigen positie te versterken.[10] Dit gold ook voor Mlle d’Obdam, die door haar opleiding in staat was gesteld brieven in het Frans te schrijven. Zij onderhield briefwisseling met verschillende mannen en vrouwen, onder wie Sophia van de Palts, keurvorstin van Hannover (1630–1714).

De correspondentie van Maria en Mlle d’Obdam

Mlle d’Obdam correspondeerde ook met Maria. Voor zover bekend zijn er achttien brieven bewaard gebleven in Twickel die Maria aan Mlle d’Obdam schreef in de periode vanaf haar vertrek naar Engeland tot aan haar dood in 1695, alsook één kopie van een brief van Mlle d’Obdam aan Maria uit 1693. In 1880 werden deze brieven gepubliceerd in Lettres et mémoires de Marie, Reine d’Angleterre, samengesteld door Caroline Mechthild, gravin van Bentinck (1826–1899).[11] Links naar scans van deze uitgave zijn opgenomen in de brievencollectie van Maria in Early Modern Letters Online. Een vergelijking met het originele materiaal laat echter zien dat de getranscribeerde versies niet geheel overeenkomen met de oorspronkelijke brieven.[12]

De inhoud van de brieven wijst op een uitgebreidere correspondentie tussen deze vrouwen. Maria verwees namelijk naar tal van brieven die door Mlle d’Obdam werden gestuurd en verontschuldigde zich meermaals dat zij te weinig tijd had om haar sneller en uitvoeriger te antwoorden. Maria had in Engeland minder tijd voor persoonlijke bezigheden dan in de Republiek, zoals ze zelf aan Mlle d’Obdam liet weten op 20 augustus 1689.[13] Dit lijkt vooral te maken te hebben gehad met haar verantwoordelijkheden als koningin-regentes, aangezien zij de uitvoerende macht uitoefende wanneer Willem niet in Engeland was. In totaal was Willem tot aan Maria’s overlijden tweeëndertig maanden afwezig.[14]

De betekenis van vriendschap

De brieven van Maria zijn rijkelijk gevuld met verwijzingen naar haar ‘oprechte vriendschap’ voor Mlle d’Obdam. Zo schreef zij op 1 juli 1692: ‘u zult in mij altijd een oprechte vriend vinden’, en op 17 november 1693: ‘Wees er altijd van verzekerd dat, of ik nu schrijf of niet, ik altijd met grote oprechtheid uw vriendin ben’.[15] Een hedendaagse lezer zou dit kunnen interpreteren als uitingen van persoonlijke intimiteit, terwijl dergelijke verwijzingen in de vroegmoderne tijd niet noodzakelijk emotionele uitdrukkingen waren.

De vorm en inhoud van brieven werden destijds namelijk sterk beïnvloed door sociale en retorische regels, oftewel de epistolaire conventies. Formuleringen van vriendschap, genegenheid en oprechtheid vormden in verschillende contexten een belangrijk onderdeel daarvan. Ze dienden bijvoorbeeld om de lezer te overtuigen van de betrouwbaarheid van de boodschap, aangezien persoonlijke ontmoetingen als geloofwaardiger werden beschouwd dan schriftelijke communicatie. Om het gebrek aan fysiek contact te compenseren, moesten dergelijke formuleringen vertrouwen wekken bij de ontvanger.[16] Daarnaast konden verwijzingen naar vriendschap fungeren als middel om de statusverhouding tussen correspondenten te communiceren: de afzender gebruikte die om zijn of haar gelijkwaardige dan wel hogere positie binnen de sociale hiërarchie te benadrukken. In die context waren het dus geen vertoningen van intimiteit.[17]

Dit roept de vraag op of de uitdrukkingen van Maria aan Mlle d’Obdam onderdeel waren van briefconventies. Een vergelijking met haar andere briefmateriaal biedt tot op zekere hoogte meer inzicht. Net als Mlle d’Obdam correspondeerde Maria met haar nicht Sophia van de Palts. Vier brieven van Maria aan haar zijn bewaard gebleven en tevens gepubliceerd in Lettres et mémoires de Marie, Reine d’Angleterre. In alle brieven schrijft Maria over vriendschap en genegenheid, zoals in die van 3 juni 1689: ‘Hoewel ik niet de eer heb u te kennen, koester ik toch een achting voor u die ik vriendschap durf te noemen’.[18] Dit laat zien dat het benoemen van vriendschap voor Maria niet automatisch een persoonlijke band betekende; ze had haar nicht immers nog nooit ontmoet. De uitingen aan Mlle d’Obdam maakten dus vermoedelijk deel uit van briefceremonieel, wat tot de vraag leidt in hoeverre zij laten zien of de relatie tussen Maria en Mlle d’Obdam getuigde van intimiteit.

Portret van Maria II Stuart, prent door John Smith (ca. 1689–1691). Rijksmuseum, Amsterdam, inv.nr. RP-P-OB-104.600 (L); Portret van Sophia van de Palts, prent door John Smith (ca. 1700–1740). Royal Collection Trust, Londen, inv.nr. RCIN 610361 (R).

Een andere bron biedt meer inzicht in Mlle d’Obdams opvatting over hun band. Voor Maria schreef zij een onafgemaakt zelfportret, waarin ze noteerde dat hun vriendschap een van de grootste gelukken van haar leven was. Ze beschreef hoe het haar pijn deed dat haar vriendin de Republiek had verlaten, en dat hun enige troost bestond in het delen van hun ‘wederzijdse verdriet via brieven’. Zij typeerde hun vriendschap als een relatie gebaseerd op wederzijds vertrouwen, die haar ‘zekerheid gaf over de oprechtheid’ van elkaars intenties. In Maria vond zij een ‘bewonderenswaardige welwillendheid en een voortdurende zorg’ om haar ‘de grootsheid van haar vriendschap te tonen’. [19]

Dat laatste weerspiegelt de voornaamste functie van vriendschap in de vroegmoderne tijd. In tegenstelling tot een relatie die op persoonlijke affectie was gebaseerd, was vriendschap een vorm van onderlinge toewijding, gericht op het leveren van inspanningen waarmee individuen hun maatschappelijke en economische positie konden versterken.[20] Het onderhouden van deze band via correspondentie was daarom van groot belang. Hoewel Maria’s uitingen van bereidheid om iets voor haar vriendin te doen – zoals in haar brief van 21 september 1694: ‘u zult mij echter altijd bereid vinden om u bij elke gelegenheid mijn vriendschap te tonen’ – mogelijk conventioneel waren, beschouwde Mlle d’Obdam wederzijdse inspanningen als kenmerkend voor hun onderlinge relatie.[21] Zoals verder zal blijken, biedt de inhoud van de correspondentie voorbeelden van de manier waarop beide vrouwen zich actief voor elkaar inspanden.

Maria’s religieuze overtuigingen

Gedurende Maria’s leven was er internationale politiek-religieuze onrust in West-Europa. Al vanaf haar jeugd werd zij geconfronteerd met deze spanningen, waarbinnen zijzelf een aanzienlijke rol zou spelen. Hoewel haar vader, Jacobus, hertog van York, katholiek was, had Maria’s oom, de Engelse koning Karel II (1630–1685), haar protestants laten opvoeden en aan de Church of England gebonden. Haar oom huwelijkte haar uit aan de protestantse Willem van Oranje en gebruikte haar daarmee als een strategisch middel om een protestants blok te vormen tegen de Franse koning. Lodewijk XIV (1638–1715) voerde binnen Frankrijk een strikt katholiek beleid en probeerde met zijn buitenlandse politiek de Franse invloed in Europa te vergroten. Toen Maria’s oom kinderloos stierf in 1685, volgde haar vader hem op als koning Jacobus II. Zijn katholieke beleid leidde tot groeiende tegenstand van het parlement en de Anglicaanse Kerk in Engeland. Deze spanningen mondden uiteindelijk uit in zijn afzetting en de machtsovername door Willem en Maria, die de protestantse monarchie herstelden.[22]

Maria was ervan overtuigd dat zij door God was voorbestemd om een groter religieus doel te vervullen, namelijk het veiligstellen van de Reformatie. Dat zij diende ter versterking van het protestantisme in Europa, was haar al van jongs af aan duidelijk gemaakt door haar uithuwelijking. In de loop der jaren raakte zij er echter steeds meer van doordrongen dat zij zich samen met haar man moest verzetten tegen het katholicisme en de aanhangers van haar vader. Deze religieus-politieke overtuiging legitimeerde haar betrokkenheid bij de overname in 1689.[23] 

Willem III neemt voor zijn reis naar Engeland afscheid van zijn vrouw, Maria Stuart II, prent door Jacob Gole (1688). Rijksmuseum, Amsterdam, inv.nr. RP-P-1952-646.

Een belangrijke katalysator hiervoor was een gebeurtenis die plaatsvond in de jaren tachtig van de zeventiende eeuw. In 1598 was in Frankrijk het Edict van Nantes ondertekend, dat een beperkte mate van godsdienstvrijheid bood voor protestanten. Vanaf omstreeks 1680 werden protestanten, ook wel hugenoten, echter steeds meer vervolgd in Frankrijk. Toen Lodewijk XIV in 1685 het edict herriep, eindigde de periode van beperkte godsdienstvrijheid. Als gevolg vond een massale emigratie van hugenoten uit Frankrijk plaats, waarbij velen hun toevlucht zochten in Brandenburg en de Republiek.[24]

De Republiek vormde voor deze Franse vluchtelingen een toevluchtsoord, aangezien zij een plek bood waar de publieke kerk protestants was en er afkeer bestond van Lodewijk XIV’s religieuze beleid.[25] De vluchtelingen werden verwelkomd door Willem en Maria, die het als hun taak zagen deze protestanten op te vangen. Veel kooplieden en fabrikanten trokken naar steden als Amsterdam, Rotterdam en Leiden, terwijl Franse edelen zich vestigden in Den Haag, de hofstad.[26]

In Engeland werden Franse vluchtelingen daarentegen niet ontvangen door de katholieke Jacobus II.[27] Na hun troonsbestijging vaardigden Willem en Maria dan ook direct een verklaring uit, waarin zij de Franse hugenoten bescherming beloofden in hun pas veroverde koninkrijk:

We do hereby Declare, That all French Protestants that shall seek their Refuge in, and Transport themselves into this Our Kingdom, shall not only have Our Royal Protection […] But We will also do Our Endeavour in all reasonable ways and means, so to Support, Aid, and Assist them.[28]

Maria’s religieuze opvattingen en praktijken werden gevormd tijdens haar jaren in de relatief tolerante religieuze omgeving van de Republiek. Daar omringde zij zich met een groep geestelijken die, net als zijzelf, het latitudinarisme aanhingen. Dit hield in dat zij geloofden in een praktisch christendom, waarin het leiden van een christelijk leven – bijvoorbeeld het tonen van naastenliefde jegens andere protestanten – belangrijker werd geacht dan louter ceremoniële manifestaties van het geloof. Maria uitte dit onder meer door weldoenster te worden van de Engelse Kerk in Den Haag, waar zij regelmatig kerkdiensten bijwoonde.[29] Haar betrokkenheid bij de opvang van vervolgde protestanten weerspiegelde zowel haar latitudinaristische overtuiging als haar geloof dat zij door God geroepen was om een groter protestants doel te dienen.

Sociétés des Dames Françaises

In de Republiek werden verenigingen opgericht om Franse protestanten op te vangen, waaronder enkele specifiek voor adellijke, ongehuwde vrouwen en weduwen. In 1683 nam Charles Gourjault, markies de Venours, het initiatief om zo’n vrouwenvereniging, oftewel Société des Dames Françaises, in Haarlem te stichten. In datzelfde jaar keurden de Staten van Holland en de Prins van Oranje de opening van een opvanghuis in Haarlem goed. Er ontstonden vervolgens meerdere soortgelijke sociëteiten in steden als Den Haag, Rotterdam en Schiedam. Vanaf juni 1686 besteedde het Haagse bestuur jaarlijks 500 gulden aan de huur van Huis ter Noot aan de Bezuidenhoutseweg, waar Franse dames konden verblijven tot 1696. Daarnaast bevonden zich in de stad opvanghuizen achter de Kloosterkerk en aan het Westeinde.[30]

Gezicht op Kasteel Ter Noot, prent door Cornelis Elandts (1663–1670). Rijksmuseum, Amsterdam, inv.nr. RP-P-1887-A-12079.

Deze sociëteiten waren streng georganiseerde religieuze gemeenschappen die dienden als een veilig onderkomen voor vrouwen. De sociëteit in Haarlem bood plaats aan dertig Franse dames, die werden voorzien van brood, wijn, bier en verwarming, maar ook zelf bepaalde middelen moesten meebrengen, zoals een eigen bed en beddengoed, én een inleg van 4.000 Franse livres. Wie de sociëteit verliet, moest een kwart van haar inleg bij de gemeenschap achterlaten. Vrouwen zonder middelen konden worden opgenomen tegen een jaarlijkse bijdrage van 125 gulden.[31]

De sociëteiten waren georganiseerd volgens nauwgezette reglementen en een hiërarchisch bestuur. Alle opgevangen dames dienden zich te conformeren aan strenge regels en hun dagelijkse routine was gestructureerd. Tot elf uur konden zij zich klaarmaken voor de dag en tijd besteden aan hun persoonlijke devoties, waarna zij gezamenlijk baden en het middagmaal nuttigden. In de middag waren de dames verplicht handwerk te verrichten in de gemeenschappelijke zaal van het huis – zoals het maken van linnen en zijden stoffen voor meubilair – of te helpen bij de opvoeding van jonge meisjes. Elke avond was er om zeven uur avondeten, gevolgd door vroomheidsoefeningen en gebeden.

De leiding van de gemeenschap bestond uit een directrice, die werd bijgestaan door een coadjutrix en drie intendantes. De directrice had de hoogste positie binnen het huis. Zo bezat zij de sleutels van alle kamers en moest zij – of bij haar afwezigheid de coadjutrix – aanwezig zijn wanneer de vrouwen mannelijk bezoek ontvingen dat niet tot de familie behoorde. Daarnaast stond de sociëteit onder toezicht van het stedelijk bestuur en de Waalse Kerk.[32]

Maria en Mlle d’Obdam voor de Haagse sociëteit

Maria nam de sociëteiten in Haarlem en Den Haag onder haar bescherming. Ook na haar vertrek bleef zij betrokken bij de opvangpraktijken in de Republiek, zo blijkt uit haar briefwisseling met Mlle d’Obdam. Zij correspondeerden meermaals over de opvang van protestantse vluchtelingen, een zaak waarvoor ook Mlle d’Obdam zich in Den Haag inzette. Mlle d’Obdam verbleef in haar vertrekken in het huis van haar familie op de hoek van de Kneuterdijk en het Lange Voorhout, waardoor zij enerzijds dicht bij de verschillende Haagse vluchtelingenhuizen was gepositioneerd en anderzijds bij de Haagse adel. Dankzij haar netwerk en toegang tot informatie was zij de ideale contactpersoon voor Maria.[33]

Het Lange Voorhout, gezien naar de Kneuterdijk en de Heulstraat. Rechts de Kloosterkerk, door Jan van Call (ca. 1690). Haags Gemeentearchief, Den Haag, inv.nr. 8088-01.kl.A427.

In de eerste plaats droeg Maria financieel bij door jaarlijks 1.000 gulden te schenken aan de verenigingen om hen in hun voortbestaan te ondersteunen.[34] De correspondentie laat zien dat Maria ook na 1689 financieel betrokken bleef. In Maria’s brief van 12 mei 1692 is te lezen dat zij van Mlle d’Obdam, die haar op de hoogte hield van de ontwikkelingen rond de opvang, had vernomen dat er een tekort aan middelen in de sociëteit was ontstaan. Maria schreef dat dit haar verdriet deed en dat zij ‘zo veel medelijden met deze arme vluchtelingen’ had.[35] In 1693 stuurde Mlle d’Obdam aan Maria eenzelfde soort bericht, zoals te lezen is in de bewaarde kopiebrief van Mlle d’Obdam. Hieruit blijkt dat Maria nog steeds jaarlijks de 1000 gulden betaalde en deze aan Mlle d’Obdam toevertrouwde, opdat zij het geld kon verdelen voor de benodigdheden van de opvang.[36]

Ditmaal schreef Mlle d’Obdam over de stijgende kosten en de honger onder de vluchtelingen, veroorzaakt door de hogere voedselprijzen. Daarom deed zij een beroep op haar vriendschap met Maria: ‘Alleen het welbehagen van Uwe Majesteit en de hoop op de verlichting die ik hen kan bieden’ zouden haar kunnen helpen.[37] Zij beschreef dat het bedrag dat Maria al schonk niet langer toereikend was en vroeg haar daarom het jaarlijkse bedrag te verhogen, zodat het de vereniging in tijden van schaarste zou kunnen ondersteunen. Het is niet duidelijk of Mlle d’Obdam daadwerkelijk een hogere schenking ontving, maar uit de toenadering blijkt dat zij het als een mogelijkheid zag om bij Maria op medeleven en vrijgevigheid te rekenen. Dat juist Mlle d’Obdam verantwoordelijk was voor het verdelen van Maria’s bijdrage, toont aan dat zij een echte vertrouwelinge van haar was.

Mlle d’Obdam vroeg Maria regelmatig op andere manieren om hulp. Op 15 maart 1689 schreef Maria: ‘ik heb nog geen tijd gehad om met de koning te spreken over uw gevluchte dame […] die u in het appartement van Monsieur Ménard wilt onderbrengen’.[38] Mlle d’Obdam had blijkbaar aan Maria gevraagd om haar hiermee te helpen. Jean Ménard was een hugenotenpredikant die naar de Republiek was gevlucht en na het vertrek van Willem eveneens naar Engeland trok, waar hij zich in Londen inzette voor Franse kerkelijke gemeenschappen en contact onderhield met Maria.[39] Maria beschreef in haar brief dat zij haar best zou doen om de zaak met de koning te bespreken, omdat ‘alles wat zich in Holland afspeelt [mij] zo na aan het hart ligt, dat ik niets zal vergeten, althans ik zal mijn best doen om dat te voorkomen’.[40]

Bijna twee jaar later, op 15 december 1690, schreef de koningin een vergelijkbaar bericht: ‘Ik zal niet nalaten, wanneer de koning vertrekt, hem de kwestie van de gevluchte dames aan te bevelen’.[41] Wat zij precies aan de koning wilde aanbevelen, is niet geheel duidelijk, omdat de inkomende brieven van Mlle d’Obdam niet bewaard zijn gebleven. Wel blijkt dat Maria opnieuw haar bereidheid uitsprak om als voorspraak bij Willem op te treden ten behoeve van Mlle d’Obdam en de vluchtelingen.

De correspondentie laat daarnaast zien dat Maria zich bemoeide met het bestuur van de Haagse vereniging. In november 1693 schreef zij aan Mlle d’Obdam dat zij van Jean Ménard had vernomen dat:

De dames van de Haagse sociëteit zouden u graag vragen om hun directrice te worden. Ik vind dat ze gelijk hebben en ik ben ervan overtuigd dat hun zaken er alleen maar beter op zouden worden.[42]

Maria sprak hiermee haar steun uit voor dit plan, omdat zij in Mlle d’Obdam iemand zag die gezag kon uitoefenen op de vrouwen die bij het bestuur betrokken waren.

Brief van Maria Stuart II aan Agnes van Wassenaer Obdam. Huisarchief Twickel, Delden, inv.nr. 1.5.09.1.331.15.

De directrice bekleedde een sleutelpositie in de vereniging, aangezien zij de hoogste functie binnen het bestuur had. Uit Maria’s volgende brief van december 1693 blijkt dat deze functie onderwerp was van rivaliteit onder de dames en dat er ‘enige jaloezie’ over was ontstaan.[43] Zij schreef dat zij contact had gehad met twee andere dames uit de sociëteit, die haar vertelden dat zij Mlle d’Obdam eveneens een geschikte kandidaat vonden als directrice, maar dat er ook vrouwen waren die daar anders over dachten. Maria wilde Mlle d’Obdam hierover informeren en haar waarschuwen voor de onderlinge jaloezie die haar positie binnen de groep kon ondermijnen.

Diezelfde maand gebruikte Mlle d’Obdam deze informatie om de dames van de vereniging toe te spreken. In een bewaard gebleven mémoire van 18 december verklaarde zij dat zij op de hoogte was van het gerucht dat zij directrice wilde worden, en dat sommige vrouwen zich daartegen verzetten. Zij ontkende dit en benadrukte dat zij de functie al meerdere jaren had geweigerd. Mlle d’Obdam riep de dames op hun onderlinge ruzies te beëindigen en herinnerde hen eraan dat hun werk slechts mogelijk was dankzij ‘de liefdadigheid van Hare Britse Majesteit’.[44] Ze vroeg de dames om de naastenliefde die hun werk kenmerkte ook jegens elkaar te tonen.

Hoewel de brieven geen uitsluitsel geven over de afloop van de kwestie, blijkt dat Maria de functie van directrice graag aan Mlle d’Obdam had willen toevertrouwen. In april 1694 onderstreepte Maria opnieuw haar vertrouwen in Mlle d’Obdams beoordelingsvermogen, door te schrijven dat zij het best kon inschatten wie binnen de vereniging hulp behoefde.[45]

Het feit dat het onderwerp van de vluchtelingen zo vaak in hun correspondentie terugkeert, laat zien dat het voor beide vrouwen van groot belang was en dat zij zich er actief voor inzetten. Mlle d’Obdam fungeerde voor Maria als tussenpersoon: zij hield haar op de hoogte van de situatie in Den Haag en beheerde haar financiële bijdrage. Zo wist Maria na haar vertrek een zekere mate van invloed binnen de Haagse vereniging te behouden. Voor Mlle d’Obdam was de vriendschap met Maria op haar beurt essentieel om hulp te vragen, onder meer via voorspraak bij de koning, en om financiële steun veilig te stellen. Daarnaast wisselde Maria informatie met haar uit, bijvoorbeeld verkregen van Jean Ménard, om haar positie binnen de vereniging te versterken.[46]

Vriendschap en correspondentie

Briefcorrespondentie was dus een belangrijk middel voor Maria en Mlle d’Obdam om hun vriendschap in te zetten: zij wisselden informatie uit, steunden elkaar en werkten aan een gemeenschappelijk doel. De nabijheid tot de koningin bood Mlle d’Obdam de mogelijkheid haar positie te versterken, terwijl Maria via haar juist haar idealen kon verwezenlijken. Maria’s nieuwjaarswens aan Mlle d’Obdam van december 1692 – ‘Ik wens u op mijn beurt alle spirituele en wereldlijke voldoening toe. Als mijn vriendschap op enigerlei wijze kan bijdragen aan het laatste, kunt u daar voor altijd zeker van zijn’ – was dan ook geen loze belofte.[47]

Fien Jordaens, 10 november 2025


Voetnoten:

Alle citaten zijn vrij vertaald uit het Frans en afkomstig uit de primaire bronnen waarnaar wordt verwezen. De originele tekst wordt in de voetnoten weergegeven. De datering van de primaire bronnen wordt in Nieuwe Stijl vermeld.

[1] Maria Stuart II aan Agnes van Wassenaer Obdam, 19 februari 1689, Huisarchief Twickel (Delden) [hierna: HAT], inv.nr. 1.5.09.1.331.15: ‘c’est une si grand chagrin pour moi de quiter une pais ou j’ay este si heureux’.

[2] Maria Stuart II aan Agnes van Wassenaer Obdam, 15 maart 1689–1691, HAT, inv.nr. 1.5.09.1.331.15: ‘une pais que j’aime comme le mien ou je suis nee’; idem, 17 november 1693.

[3] Maria Stuart II aan Agnes van Wassenaer Obdam, 15 december 1690, HAT, inv.nr. 1.5.09.1.331.15: ‘Quel satisfaction sera ce pour moi, quel joy, de revoir une pais qui m’est si chere’. Zie ook: idem, 30 december 1692.

[4] Donald Haks, ‘Maria Stuart II’, Digitaal Vrouwenlexicon van Nederland (2016).

[5] Zie het werk van Holly Marsden, assistent-conservator bij Kensington Palace. Marsden promoveerde in 2024 op een onderzoek naar de persoonlijke en publieke identiteiten van koningin Maria Stuart II. Tijdens mijn bezoek aan het archief in Twickel wees zij mij op de betekenis van de bredere kring van Maria’s Nederlandse vriendinnen. Voor de haarlok, zie: Van koningin Mary van Engeland. Met een aan haar toegeschreven haarlok, geschonken aan de vrouwe van Rosendael, 1689, Gelders Archief (Arnhem), inv.nr. 0525.52.

[6] Ineke Huysman, ‘Inleiding’ in: Ineke Huysman en Roosje Peters eds., Vrouwen rondom Johan de Witt (Soest 2024) 15: ‘Meisjes uit welgestelde families kregen thuis onderwijs in vaardigheden die als ‘vrouwelijk’ werden beschouwd, zoals borduren en muziek, maar soms ook rekenen, lezen (in de Bijbel) en schrijven in het Nederlands en Frans’.

[7] Anne-Marieke van Schaik, ‘Agnes van Wassenaer Obdam (1635–1698)’ in: Hans Brokken ed., Heren van stand. Van Wassenaer 1200–2000. Achthonderd jaar Nederlandse adelsgeschiedenis (Zoetermeer 2001) 263-266; Evelyn Ligtenberg, ‘‘Le marriage m’a toujours fait peur’. Ongehuwde adellijke vrouwen in de zeventiende en achttiende eeuw’, Virtus 26 (2019) 27-54; Thera Wijsenbeek-Olthuis en Vibeke Kingma, ‘Politieke kringen’ in: Thera Wijsenbeek-Olthuis ed., Het Lange Voorhout, monumenten, mensen en macht (Zwolle 1998) 62.

[8] Van Schaik, ‘Agnes van Wassenaer Obdam’, 263-266. Kasteel Twickel werd van de zeventiende tot de achttiende eeuw geërfd door het geslacht Van Wassenaer Obdam. Voor meer over de relatie tussen de tak Van Wassenaer Obdam en Twickel, zie: Inleiding van de inventaris, HAT, inv.nr. 2.1.3.

[9] Verslag van nieuwtjes uit Den Haag van 8 september 1689, ingekomen bij Agnes van Wassenaer Obdam, HAT, inv.nr. 1.5.09.1.335: ‘tout se declare deia en faveur du roy guillaume et dela reine marie depuis que le roy s’est retiré de dublin pour aller dit on au fort de limmerick qui est a l’oüest de l’irlande’.

[10] Huysman, ‘Inleiding’, 15.

[11] Mechthild Bentinck, Lettres et mémoires de Marie, Reine d’Angleterre, Épouse de Guillaume III (Den Haag 1880).

[12] In de eerder geciteerde brief van Maria van 15 maart 1689–1691 schreef zij bijvoorbeeld ‘une pais que j’aime comme le mien’, terwijl er in de getranscribeerde versie ‘un païs que j’estime comme le mien’ staat. In dit geval zorgen de wijzigingen voor een betekenisverandering.

[13] Maria Stuart II aan Agnes van Wassenaer Obdam, 20 augustus 1689, HAT, inv.nr. 1.5.09.1.331.15.

[14] Melinda Zook, ‘An Incomparable Queen: Mary II, the Protestant International, and the Church of England’ in: idem, Protestantism, Politics, and Women in Britain, 1660–1714 (New York 2013) 145.

[15] Maria Stuart II aan Agnes van Wassenaer Obdam, 1 juli 1692, Bentinck, Lettres et mémoires de Marie, 133-134: ‘vous me trouverez tousjours une amie sincère’; idem, 17 november 1693, Bentinck, Lettres et mémoires de Marie, 136-138: ‘Soyez tousjours assurée que, si j’escris ou non, je suis tousjours avec beaucoup de sincérité vostre amie’.

[16] Carolyn James en Jessica O’Leary, ‘Letter-Writing and Emotions’ in: Susan Broomhall en Andrew Lynch eds., The Routledge History of Emotions in Europe: 1100–1700 (Londen 2019) 256, 267.

[17] Giora Sternberg: ‘Epistolary Ceremonial: Corresponding Status at the Time of Louis XIV’, Past and Present 204:1 (Oxford 2009) 33-88. Voor meer over vroegmoderne brieven en epistolaire stijl en conventies, zie: Jane Couchman, ‘‘Give birth quickly and then send us your good husband’: Informal Political Influence in the Letters of Louise de Coligny’ in: Jane Couchman en Ann Crab eds., Women’s Letters Across Europe, 1400–1700. Form and Persuasion (Londen 2005) 163-184; James Daybell, Early Modern Women’s Letter Writing, 1450–1700 (Basingstoke 2001); Gary Schneider, ‘An Introduction to Early Modern Epistolarity’ in: idem, The Culture of Epistolarity: Vernacular Letters and Letter Writing in Early Modern England, 1500–1700 (Cranbury 2005) 22-74.

[18] Maria Stuart II aan Sophia van de Palts, 3 juni 1689, Bentinck, Lettres et mémoires de Marie, 104-105: ‘Quoique je n’aye pas l’honneur de vous connoître, je ne laisse pas d’avoir une estime pour vous que j’ose nommer amitié’.

[19] Zelfportret van Agnes van Wassenaer Obdam, z.j., HAT, inv.nr. 1.5.09.1.338: ‘toutte nostre consolation estoit de nous communiquer notre mutuelle douleur par lettres […] fidelle amie […] une confidence reciproque […] une profonde conscience ce vous donne seuretee de la candeur de son ame et de sa fermetee […] je trouvois dans mon amie me confidence entiere une complaisance admirable et un soin continuel a me tesmogner sa grandeur de son amitie’.

[20] Edwina Hagen en Lisa Bakhuizen van den Brink, ‘De emotionele diplomatie van vriendschap: De correspondentie van Madame Van der Goes, informeel gezante aan het Deense hof, 1787–1793’, BMGN – Low Countries Historical Review 140:3 (2025) 50.

[21] Maria Stuart II aan Agnes van Wassenaer Obdam, 21 september 1694, Lettres et mémoires de Marie, 149-150: ‘cependant vous me trouverez tousjours preste à vous témoigner mon amitié en toutes occasions’.

[22] Wout Troost, ‘James II, William III and Louis XIV (1685–88)’ in: idem, William III the Stadholder-king: A Political Biography (Londen 2005) 187; Zook, ‘An Incomparable Queen’, 130, 133; Haks, ‘Maria Stuart II’.

[23] Zook, ‘An Incomparable Queen’, 130, 133.

[24] Troost, ‘James II, William III and Louis XIV’, 176, 179. Voor meer over de migratie van hugenoten naar de Republiek na de herroeping van het Edict van Nantes, zie: Willem Frijhoff, ‘Vanishing Fatherlands and Moving Identities: Walloons and Huguenots in the Dutch Republic’ in: Yosef Kaplan ed., Early Modern Ethnic and Religious Communities in Exile (Newcastle upon Tyne 2017) 117-142; Lionel Laborie, ‘Religious Persecution in Eighteenth-Century France’, Leidschrift 38:1 (Leiden 2023) 65-77.

[25] Troost, ‘James II, William III and Louis XIV’, 176, 179.

[26] Laurens van den Bergh, ‘De Fransche Dames’ in: idem, ‘s Gravenhaagsche Bijzonderheden (Den Haag 1859) 49; David Lambert, The Protestant International and the Huguenot Migration to Virginia (New York 2010) 32; Michael Walker, La Grande Arche des Fugitifs? Huguenots in the Dutch Republic After 1685 (MA Thesis Brigham Young University 2011).

[27] Troost, ‘James II, William III and Louis XIV’, 176, 179.

[28] ‘By the King and Queen, a declaration for the encouraging of French Protestants to transport themselves into this kingdom’, 25 april 1689, geprint door Charles Bill en Thomas Newcomb, Londen. Geraadpleegd op 8 november 2025: Oxford Text Archive.

[29] Zook, ‘An Incomparable Queen’, 127, 129, 137-138, 141; Haks, ‘Maria Stuart II’.

[30] Elizabeth Hamilton, William’s Mary: A Biography of Mary II (New York 1972) 132-134; D. Allégret, ‘Société des Dames Françaises de Harlem’, Bulletin Historique et Littéraire 27:7 (1878) 319-320; Van den Bergh, ‘De Fransche Dames’, 49-50; Lambert, The Protestant International and the Huguenot Migration to Virginia, 32.

[31] Hamilton, William’s Mary, 132-134; Allégret, ‘Société des Dames Françaises de Harlem’, 319-320.

[32] Ibidem.

[33] Wijsenbeek-Olthuis, ‘Politieke kringen’, 62.

[34] Hamilton, William’s Mary, 132-134; Zook, ‘An Incomparable Queen’, 141, 153.

[35] Maria Stuart II aan Agnes van Wassenaer Obdam, 12 mei 1692, HAT, inv.nr. 1.5.09.1.331.15: ‘Ces pauvres refugies me font si grande pitie. […] le peu de moyens m’afflige’.

[36] Agnes van Wassenaer Obdam aan Maria Stuart II, 1 december 1693, HAT, inv.nr. 1.5.09.1.331.15.

[37] Ibidem: ‘Il ni a que le bon plaisir de vostre M.té et l’esperance du soulagement que je pourrai leur procurer qui pourroit les disposer d’avoir quelque consideration pour moy’.

[38] Maria Stuart II aan Agnes van Wassenaer Obdam, 15 maart 1689–1691, Lettres et mémoires de Marie, 116-118: ‘mais je n’ay pas encore eu le temps de parler au Roy pour vostre dame réfugiée, dont il faut pourtant advouer que j’ay oublié le nom. Je veus dire celle que vous voudriez loger dans l’appartement de M. Menard’.

[39] In de brieven van Maria verwijst zij meermaals naar Jean Ménard; Hamilton, William’s Mary, 132-134.

[40] Maria Stuart II aan Agnes van Wassenaer Obdam, 15 maart 1689–1691, Lettres et mémoires de Marie, 116-118: ‘J’ay si fort à coeur tout ce qui est en Hollande, que je n’oublieray rien, du moins je feray mon mieux pour cela’.

[41] Maria Stuart II aan Agnes van Wassenaer Obdam, 15 december 1690, HAT, inv.nr. 1.5.09.1.331.15: ‘Je ne manqueres pas quand le Roi ira de lui recomander l’afaire des dammes refugies’.

[42] Maria Stuart II aan Agnes van Wassenaer Obdam, 17 november 1693, Lettres et mémoires de Marie, 136-138: ‘les dames de la société de la Haye voudroient bien vous prier d’estre leur directrice. Pour moi je trouve qu’elles ont raison, et je crois assurément que leurs affaires n’yroient que mieux; vostre authorité les empêcheroit d’avoir des disputes, qui arrivent quelques-fois parmi tant de personnes de nostre sexe’.

[43] Maria Stuart II aan Agnes van Wassenaer Obdam, 11 december 1693, HAT, inv.nr. 1.5.09.1.331.15: ‘mais il semble quil y a quelque jalousie’.

[44] Mémoire van Agnes van Wassenaer Obdam, 18 december 1693, HAT, inv.nr. 1.5.09.1.331.15: ‘la charité de sa Mté Britannique’.

[45] Maria Stuart II aan Agnes van Wassenaer Obdam, 28 april 1694, HAT, inv.nr. 1.5.09.1.331.15.

[46] Er zijn meerdere voorbeelden in de brieven waarin blijkt dat Maria en Mlle d’Obdam samen met andere vrouwen een netwerk vormden waarin zij informatie uitwisselden. Zie bijvoorbeeld: Maria Stuart II aan Agnes van Wassenaer Obdam, 15 maart 1689–1691, HAT, inv.nr. 1.5.09.1.331.15; idem, 30 mei 1690; idem, 13 juli 1693.

[47] Maria Stuart II aan Agnes van Wassenaer Obdam, 30 december 1692, HAT, inv.nr. 1.5.09.1.331.15: ‘Je vous souhaite a mon tour toute sorte de satisfaction spirituel et temporeles, si mon amitie peut en quelque sort contribuer au dernier vous en pouvez estre assuree pour tousjour’.

Literatuur:

Allégret, D., ‘Société des Dames Françaises de Harlem’, Bulletin Historique et Littéraire 27:7 (1878) 315-322.

Bergh, Laurens van den, ‘De Fransche Dames’ in: idem, ‘s Gravenhaagsche Bijzonderheden (Den Haag 1859) 47-58.

Couchman, Jane, ‘‘Give birth quickly and then send us your good husband’: Informal Political Influence in the Letters of Louise de Coligny’ in: Jane Couchman en Ann Crab eds., Women’s Letters Across Europe, 1400–1700. Form and Persuasion (Londen 2005) 163-184. DOI: https://doi.org/10.4324/9781315233512.

Daybell, James, Early Modern Women’s Letter Writing, 1450–1700 (Basingstoke 2001).

Frijhoff, Willem, ‘Vanishing Fatherlands and Moving Identities: Walloons and Huguenots in the Dutch Republic’ in: Yosef Kaplan ed., Early Modern Ethnic and Religious Communities in Exile (Newcastle upon Tyne 2017) 117-142.

Hagen, Edwina, en Lisa Bakhuizen van den Brink, ‘De emotionele diplomatie van vriendschap: De correspondentie van Madame Van der Goes, informeel gezante aan het Deense hof, 1787–1793’, BMGN – Low Countries Historical Review 140:3 (2025) 48-80. DOI: https://doi.org/10.51769/bmgn-lchr.18974.

Haks, Donald, ‘Maria Stuart II’ in: Digitaal Vrouwenlexicon van Nederland (2016). Geraadpleegd op 8 november 2025: https://resources.huygens.knaw.nl/vrouwenlexicon/lemmata/data/MariaStuartII.

Hamilton, Elizabeth, William’s Mary: A Biography of Mary II (New York 1972).

Huysman, Ineke, ‘Inleiding’ in: Ineke Huysman en Roosje Peters eds., Vrouwen rondom Johan de Witt (Soest 2024) 13-29.

James, Carolyn, en Jessica O’Leary, ‘Letter-Writing and Emotions’ in: Susan Broomhall en Andrew Lynch eds., The Routledge History of Emotions in Europe: 1100–1700 (Londen 2019) 256-268. DOI: https://doi.org/10.4324/9781315190778.

Laborie, Lionel, ‘Religious Persecution in Eighteenth-Century France’, Leidschrift 38:1 (Leiden 2023) 65-77.

Lambert, David, The Protestant International and the Huguenot Migration to Virginia (New York 2010).

Ligtenberg, Evelyn, ‘‘Le marriage m’a toujours fait peur’. Ongehuwde adellijke vrouwen in de zeventiende en achttiende eeuw’, Virtus 26 (2019) 27-54. DOI: https://doi.org/10.21827/5e02102bac826.

Lougee, Carolyn, Facing the Revocation: Huguenot Families, Faith, and the King’s Will (New York 2016).

McClain, Molly, en Alessa Ellefson, ‘A Letter from Carolina, 1688: French Huguenots in the New World’, The William and Mary Quarterly 64:2 (2007) 377-394.

Schaik, Anne-Marieke van, ‘Agnes van Wassenaer Obdam (1635–1698)’ in: Hans Brokken ed., Heren van stand. Van Wassenaer 1200–2000. Achthonderd jaar Nederlandse adelsgeschiedenis (Zoetermeer 2001) 263-266.

Schneider, Gary, ‘An Introduction to Early Modern Epistolarity’ in: idem, The Culture of Epistolarity: Vernacular Letters and Letter Writing in Early Modern England, 1500–1700 (Cranbury 2005) 22-74.

Sternberg, Giora, ‘Epistolary Ceremonial: Corresponding Status at the Time of Louis XIV’, Past and Present 204:1 (Oxford 2009) 33-88. DOI: https://doi.org/10.1093/pastj/gtp018.

Wijsenbeek-Olthuis, Thera, Het Lange Voorhout, monumenten, mensen en macht (Zwolle 1998).

Troost, Wout, ‘James II, William III and Louis XIV (1685–88)’ in: idem, William III the Stadholder-king: A Political Biography (Londen 2005) 173-194.

Walker, Michael, La Grande Arche des Fugitifs? Huguenots in the Dutch Republic After 1685 (MA Thesis Brigham Young University 2011).

Zook, Melinda, ‘An Incomparable Queen: Mary II, the Protestant International, and the Church of England’ in: idem, Protestantism, Politics, and Women in Britain, 1660–1714 (New York 2013) 125-158.

Zuylen van Nyevelt, Suzette van, Court Life in the Dutch Republic 1638–1689 (Londen 1906).

Primaire bronnen:

‘By the King and Queen, a declaration for the encouraging of French Protestants to transport themselves into this kingdom’, 25 april 1689, geprint door Charles Bill en Thomas Newcomb, Londen. Geraadpleegd op 8 november 2025: Oxford Text Archive.

Agnes van Wassenaer Obdam aan Maria Stuart II, 1 december 1693, Huisarchief Twickel (Delden) [hierna: HAT], inv.nr. 1.5.09.1.331.15.

Inleiding van de inventaris, HAT, inv.nr. 2.1.3.

Maria Stuart II aan Agnes van Wassenaer Obdam, 19 februari 1689, HAT, inv.nr. 1.5.09.1.331.15.

Maria Stuart II aan Agnes van Wassenaer Obdam, 15 maart 1689–1691, HAT, inv.nr. 1.5.09.1.331.15.

Maria Stuart II aan Agnes van Wassenaer Obdam, 20 augustus 1689, HAT, inv.nr. 1.5.09.1.331.15.

Maria Stuart II aan Agnes van Wassenaer Obdam, 30 mei 1690, HAT, inv.nr. 1.5.09.1.331.15.

Maria Stuart II aan Agnes van Wassenaer Obdam, 15 december 1690, HAT, inv.nr. 1.5.09.1.331.15.

Maria Stuart II aan Agnes van Wassenaer Obdam, 1 juli 1692, HAT, inv.nr. 1.5.09.1.331.15.

Maria Stuart II aan Agnes van Wassenaer Obdam, 30 december 1692, HAT, inv.nr. 1.5.09.1.331.15.

Maria Stuart II aan Agnes van Wassenaer Obdam, 13 juli 1693, HAT, inv.nr. 1.5.09.1.331.15.

Maria Stuart II aan Agnes van Wassenaer Obdam, 17 november 1693, HAT, inv.nr. 1.5.09.1.331.15.

Maria Stuart II aan Agnes van Wassenaer Obdam, 11 december 1693, HAT, inv.nr. 1.5.09.1.331.15.

Maria Stuart II aan Agnes van Wassenaer Obdam, 28 april 1694, HAT, inv.nr. 1.5.09.1.331.15.

Maria Stuart II aan Agnes van Wassenaer Obdam, 21 september 1694, HAT, inv.nr. 1.5.09.1.331.15.

Maria Stuart II aan Sophia van de Palts, 3 juni 1689, Mechthild Bentinck ed., Lettres et mémoires de Marie, Reine d’Angleterre, Épouse de Guillaume III (Den Haag 1880) 104-105.

Mémoire van Agnes van Wassenaer Obdam, 18 december 1693, HAT, inv.nr. 1.5.09.1.331.15.

Van koningin Mary van Engeland. Met een aan haar toegeschreven haarlok, geschonken aan de vrouwe van Rosendael, 1689, Gelders Archief (Arnhem), inv.nr. 0525.52.

Verslag van nieuwtjes uit Den Haag van 8 september 1689, ingekomen bij Agnes van Wassenaer Obdam, HAT, inv.nr. 1.5.09.1.335.

Zelfportret van Agnes van Wassenaer Obdam, z.j., HAT, inv.nr. 1.5.09.1.338.