Een toegewijde en ambitieuze echtgenote: de brieven van Anna van Hannover aan stadhouder Willem IV

Ondanks de politieke huwelijksovereenkomst tussen de Britse kroonprinses Anna van Hannover en de Nederlandse Willem Karel Hendrik Friso, de latere stadhouder Willem IV, bloeide er al gauw iets moois op tussen de twee. Vanaf het moment van hun verloving schreven de twee geregeld brieven naar elkaar, die inzicht geven in een bloeiende, liefdevolle verbintenis. Hun relatie was bovendien bijzonder omdat ze naast liefde ook een intellectuele en politieke bondgenoot in elkaar vonden. Anna stond Willem bij in zijn stadhouderlijke verplichtingen tot zijn vroegtijdige en onverwachte dood na een bezoek aan kuuroord Aken.

Een strategisch huwelijk

Anna en Willem trouwden op 25 maart 1734 op respectievelijk 24- en 22-jarige leeftijd. Willem was op dat moment alleen nog stadhouder van Friesland, Groningen, Gelre en Drenthe. De huwelijksovereenkomst werd gesloten uit politieke overwegingen. Als de eerstgeboren dochter van het Britse koningspaar George II en Caroline van Brandenburg-Ansbach was het van groot belang dat Anna trouwde met een man van prominente adellijke status in Europa. Anna, die met haar 23 jaar al behoorlijk op leeftijd was toen de huwelijksonderhandelingen goed op gang kwamen, had vier jongere zusjes die traditiegetrouw geen man mochten trouwen wiens status de status van Anna’s huwelijkspartner overtrof. Bovendien moest er gedacht worden aan de religieuze achtergrond van haar potentiële huwelijkspartner: aangezien het Huis Hannover dankzij protestantse geloofsovertuigingen aan de macht was gekomen in Groot-Brittannië, was het wenselijk dat ook Anna’s partner protestants opgevoed was.

Een vooraanstaande protestantse edelman werd gevonden in Willem Karel Hendrik Friso, stadhouder van Friesland en zoon van de overleden Johan Willem Friso van Nassau-Dietz en Maria Louise van Hessen-Kassel. De adellijke status van Willem was niet zo voornaam als die van een eerdere potentiële huwelijkskandidaat: de jonge koning Lodewijk XV van Frankrijk. In tegenstelling tot Lodewijk, een katholiek, was Willem echter protestant en bovendien lid van een familie die volgens Anna’s vader George II altijd geliefd was bij de Engelse natie. De Oranjes hadden inderdaad al een lange, vrij stabiele geschiedenis met het Engelse koningshuis. Bovendien was Anna’s eigen motivatie om te trouwen groot. Haar leeftijd, politieke ambities en afstandelijke relatie met haar vader maakten dat ze zich graag verbond met de Nederlandse prins. Dit alles ondanks de waarschuwingen die ze van alle kanten kreeg over het uiterlijk en het gestel van Willem.

Anna als jonge vrouw. ‘Portret van Anna van Hannover, prinses van Oranje-Nassau’, prentmaker: Wouter Jongman, naar schilderij van: H. Hyning, schrijver gedicht: J.D.R., ca. 1712-1744, Rijksmuseum, via http://hdl.handle.net/10934/RM0001.COLLECT.130039.

Liefdevolle correspondentie

Ondanks het feit dat Anna en Willems huwelijk uit politieke overwegingen gesloten werd, ontstond er tussen de twee al gauw een hechte, liefdevolle relatie. Wanneer de één op reis vertrok, duurde het vaak niet lang voordat de ander in de pen klom om de ander op de hoogte te stellen van de gang van zaken. De twee gebruikten liefdevolle koosnaampjes voor elkaar. Anne noemde Willem Pip of Pepin en Willem verwees naar Anna als Annin. Anna opende haar brieven bijna standaard met de woorden ‘mon cher Pepin’ of ‘mon cher Ange’. Ze schreef regelmatig over haar liefde voor Willem of over hoe erg ze hem miste wanneer ze niet samen waren. Anna, die een grote liefhebber van muziek, kunst en literatuur was, schreef zelfs dat al deze dingen maar saai waren zonder hem aan haar zijde.

Fragment brief van Anna van Hannover aan Willem IV uit 1741, Koninklijke Verzamelingen (Den Haag), A29-171.

Politieke ambitie

Naast haar liefdesbetuigingen hield Anna zich niet afzijdig van staatkundige zaken in haar brieven. Al van kinds af aan had ze interesse getoond voor de politiek. Ze zou zelfs op jonge leeftijd tegen haar moeder gezegd hebben dat ze wenste dat ze geen broers had gehad, zodat ze zelf koningin van Engeland had kunnen worden. De prinses zou de band met haar thuisland bovendien altijd in het oog blijven houden bij haar politieke betrekkingen. Dit terwijl haar relatie met haar Britse familie moeizaam was, wat te zien is in haar brieven aan Willem: meer dan eens klaagt Anna over de vervelende of saaie brieven uit Londen.

De prinses was daarnaast altijd al geïnteresseerd in geschiedenis en internationale betrekkingen. Toen ze na haar bruiloft in Londen bij Willem introk in het Stadhouderlijk Hof in Leeuwarden, verdiepte ze zich in haar nieuwe thuisland en schreef ze uitgebreide opstellen over de geschiedenis van het Nederlandse staatsbestel. Ook was ze actief betrokken bij Willems stadhouderschap. Ze ontwikkelde zich tot belangrijk politiek adviseur van haar man, die haar graag betrok in zijn beslissingen. Anna was dan ook maar al te blij dat Willem in 1747 benoemd werd tot stadhouder van alle Nederlandse gewesten. De hofhouding verhuisde van Leeuwarden naar Den Haag, waar Anna zich meer thuis zou voelen. Maison du Bois – Paleis Huis ten Bosch – werd een locatie vanuit waar Anna vele brieven naar Willem zou sturen gedurende zijn reizen.

‘Gezicht op de voorzijde van het Paleis Huis ten Bosch te Den Haag’, uitgever: Hendrik Scheurleer, door anonieme maker, ca. 1734-1768, Rijksmuseum, via: http://hdl.handle.net/10934/RM0001.COLLECT.402098.

In voor- en tegenspoed

De voorspoed in de liefde was voor Anna en Willem helaas geen garantie voor een lang en gelukkig huwelijk. Willem kampte al sinds zijn jeugd met gezondheidsproblemen, deels veroorzaakt door een val van zijn paard toen hij nog maar een kind was. Na hun verloving kreeg Anna al direct te maken met de gevolgen hiervan toen hun bruiloft, die gepland stond voor november 1733, een paar maanden uitgesteld werd door een aanhoudende periode van ziekte. Willem, die al afgereisd was naar Groot-Brittannië voor de heuglijke aangelegenheid, was genoodzaakt een aantal weken in Bath te verblijven en gebruik te maken van het helende water uit de bronnen. Willem herstelde, maar zijn zwakke gezondheid bleef een grote rol spelen in de jaren hierna. In de zomer van 1751 verergerden Willems klachten zo sterk dat hij voor een tweede keer naar een kuuroord vertrok. Niet naar Bath, zoals in 1733, maar naar Aken. Ook daar bevonden zich geneeskrachtige baden, die tot op de dag van vandaag in gebruik zijn. De staat van Willems gezondheid werd als zodanig zorgelijk geacht dat prinses Anna uit voorzorg al een paar maanden voor zijn vertrek al meer betrokken werd bij staatszaken.

De laatste brieven

Anna en Willem correspondeerden veel met elkaar tijdens Willems verblijf in Aken. Vanaf Paleis Huis ten Bosch bracht ze verslag uit van belangrijke staatszaken, zoals onderhandelingen over de koop van Pruisische domeinen. Hiervoor onderhandelde ze samen met raadpensionaris Pieter Steyn, diplomaat Thomas Isaac de Larrey en Frederik de Grote, de koning van Pruisen. Ook fungeerde ze als tussenpersoon tussen Willem en belangrijke politici en ambtenaren wanneer Willem haar verzocht iets namens hem door te geven. Ook uit Anna’s politieke verslagen blijkt de hechte band tussen de twee, bijvoorbeeld wanneer ze vertelt over een grappige situatie waarin een buitenlandse ambassadeur bijna in huilen was uitgebarsten. Ze blijkt echter niet bang te zijn om Willem op zijn vingers te tikken wanneer hij volgens haar de fout in gaat, bijvoorbeeld in haar advies over een financiële kwestie waarbij Willem een gewaardeerd lid van de adellijke familie Bentinck te hulp wilde schieten. Anna, die erom bekend stond voorzichtiger om te gaan met financiën dan Willem, wees hem op het feit dat hun eigen financiën al vrij kwetsbaar waren en de raadpensionaris bovendien had afgeraden om Bentinck financieel te steunen.

De kinderen van Anna en Willem. ‘Portret van Willem V, prins van Oranje-Nassau, en Carolina, prinses van Oranje-Nassau’, door Pieter Tanjé, 1751, Rijksmuseum, via: http://hdl.handle.net/10934/RM0001.COLLECT.529880.

In bijna al haar brieven naar Aken stelt Anna haar man op de hoogte van de gezondheid van hun kinderen, kleine ‘Caroline’ en ‘Guillaume’ (de latere stadhouder Willem V). Op dat moment, in de zomer van 1751, zijn de kinderen nog erg jong, respectievelijk acht en drie jaar oud. De kleine Willem is volgens Anna vrolijk en eet goed – ‘le petit garçon est gaye, & mange tous les jours ses carottes’. Volgens Anna gedraagt Carolina zich als een goedgemanierd lief prinsesje: zelfs wanneer Carolina een slechts kortdurende, maar hevige griep oploopt. De ziekte baart Anne grote zorgen, waarover ze uitgebreid verslag doet aan Willem. Gelukkig verbeterde Carolina’s gezondheid al gauw en verkondigt Anna aan Willem dat ze geheel de oude zou worden, als ze haar maar warm aankleedden, haar veel fruit lieten eten en haar de wateren van Bristol, vergelijkbaar met de wateren van Bath, lieten gebruiken. Ze geeft toe blij te zijn dat Willem al deze bezorgdheid niet direct mee hoefde te maken.

Fragment uit een brief van Anna van Hannover aan Willem IV uit 1751, Koninklijke Verzamelingen (Den Haag), A29-171.

Ondanks het feit dat hij de spanning rondom Carolina’s ziekte niet persoonlijk meemaakte, bestond Willems kuur niet alleen uit ontspanning en herstel: hij ging gewoon door met werken en woonde bals en diners bij. Hoewel Willem zich niet fit voelde,was er niets dat deed vermoeden dat hij in levensgevaar verkeerde. Anna’s brieven geven dan ook meer blijk van hoopvolle liefdesbetuigingen dan van grote zorgen. Het gros van haar brieven opent ze door Willem te bedanken voor zijn brieven en hem mee te delen hoeveel plezier ze ervaart in het lezen ervan. In verschillende brieven geeft ze toe opgelucht te zijn dat de artsen, in het bijzonder professor Frederik Winter, positief lijken te spreken over het verloop van Willems schijnbaar herstel. Ze toont zich echter ook bezorgd en geeft Willem zelfs een keer op zijn kop: hij moest niet meer zulke lange brieven schrijven want volgens professor Winter zou dit een veel te grote inspanning zijn. Bovenal spreekt ze haar hoop uit over het spoedige herstel van haar geliefde man: ‘Je languis de l’apprendre de luy que la cure est en bon train.’

Overlijden van prins Willem IV, 1751, ‘Afbeelding van ’t Sterf en Parade-Bed van Zyne Doorluchtige Hoogheid W.C.H. Friso, in ’t Jaar 1751’, door anonieme maker, 1751, Rijksmuseum, via http://hdl.handle.net/10934/RM0001.COLLECT.483892.

Een ontroostbare vrouw en moeder

Anna telt de dagen tot ze elkaar terug zullen zien. In één van haar laatste brieven voorspelt ze hoopvol dat ze nog maar twee brieven zal sturen tot ze Willem weer zal ontmoeten: ‘J’espere qu’encore deux lettres feront l’affaire et qu’après cela nous aurons l’honneur de vous entretenir en haute personne.’ Anna’s brieven aan Willem, die vrijwel allemaal onnauwkeurig gedateerd zijn, hielden abrupt op, waarschijnlijk begin oktober 1751. Toen keerde Willem terug naar Den Haag, slechts half hersteld. Ondanks Anna’s hoopvolle aanmoedigingen en beterschapswensen, verergerde Willems toestand na zijn terugkomst opnieuw. Op 22 oktober 1751 kwam hij te overlijden, op slechts 40-jarige leeftijd. Anna was ontroostbaar. Uit een brief die zij schreef aan haar schoonmoeder, Maria Louise van Hessen-Kassel, uitte zij haar verdriet:

Le malheur qui m’est arrivé me rend presque incapable d’écrire; mais les égards que j’aurés toujours pour la mère du plus digne des hommes, & le plus tendre des maris m’oblige a vous assurer de mes sentimens à cet egard. Mes enfans, & le besoin qu’ils ont encore de moy m’engage a travailler avec zèle à leur bonheur, cela seul fera ma seule occupation, après quoy je serés trop heureuse de pouvoir rejoindre mon cher Prince qui ne peut qu’être heureux.

Vertaling:

De ellende die mij is overkomen, maakt dat ik bijna niet meer kan schrijven; maar de achting die ik altijd heb gehad voor de moeder van de meest waardige en meest tedere man, verplicht mij om u te verzekeren van mijn gemoedstoestand in dat opzicht. Mijn kinderen, en de behoefte die zij nog steeds aan mij hebben, maken dat ik me met hart en ziel wil inzetten voor hun geluk, dat zal mijn enige ambitie zijn, waarna ik mezelf maar al te graag zal kunnen herenigen met mijn geliefde Prins, die alleen maar gelukkig kan zijn.

Brief van Anna van Hannover aan haar schoonmoeder Maria Louise van Hessen-Kassel van 15 november 1751, Koninklijke Verzamelingen (Den Haag), A28-011a.

Een volhardende gouvernante

Ondanks Anna’s verdriet gingen de verplichtingen door. Anna’s zoon Willem was pas drie jaar toen zijn vader overleed: te jong om als de volgende stadhouder te regeren. Daarom accepteerde Anna de positie van gouvernante, een ietwat bijzondere naam voor een regentessenfunctie. Anna oefende deze functie uit tot aan haar dood in 1759. Op 49-jarige leeftijd kwam de hereniging met haar geliefde prins waar ze in haar brief aan Maria Louise naar verwees: helaas wel zeven jaar vóór haar zoon meerderjarig verklaard werd en zijn vader opvolgde als stadhouder Willem V.

Overlijden van prinses Anna, 1759, Rijnier Vinkeles, ca. 1780-1795, Rijksmuseum.

De brieven waaruit fragmenten in dit artikel zijn bijgevoegd, zijn vooralsnog niet online te raadplegen. Op vrijdag 29 september 2023 zal de gedigitaliseerde correspondentie van Anna van Hannover openbaar en raadpleegbaar worden via Early Modern Letters Online. Dit zal feestelijk worden gevierd met een symposium op Kasteel Duivenvoorde met lezingen over het veelzijdige leven van Anna en omlijst met muziek uit haar tijd. De kaartverkoop is vanaf begin juli via de site van Kasteel Duivenvoorde.

Lotte van der Linden, masterstudent aan de Radboud Universiteit Nijmegen, 31 mei 2023.


Bibliografie

Blok, P.J., Geschiedenis van het Nederlandsche volk, deel 3 (Leiden 1925).

Feron, Vera, ‘Into the Archive of Anne of Hanover, Princess Royal and Princess of Orange’, (16 januari 2023).

Ineke Huysman, ‘Balancing between Mother and Wife: The Private Correspondence of Stadtholder Willem IV of Orange-Nassau’ in: Michaël Green en Ineke Huysman (eds.), Private Life and Privacy in the Early Modern Low Countries (wordt gepubliceerd in 2023, Brepols, Turnhout).

Hall, Mrs. Matthew, The Royal Princesses of England: From the Reign of the George the First (Londen en New York 1871).

Jagtenberg, Fred, Willem IV. Stadhouder in roerige tijden, 1711-1751 (Nijmegen 2018).

Nieuwenbroek, Simone, ‘Een ruk naar Brits: De internationale politiek van Anna van Hannover, 1756-17571’, Virtus 27 (2020), 115-132, https://doi.org/10.21827/virtus.27.115-132.

Schutte, G.J., Oranje in de achttiende eeuw (Amsterdam 1999).

Een opmerkelijke aanhef

Hoe Twitter bijdroeg aan de identificering van een correspondent

Madame et trè cher frère generis feminini” – “Mevrouw en zeer dierbare broer van het vrouwelijk geslacht” – met deze woorden begint een brief gericht aan Marie-Louise van Hessen-Kassel. De brief is geschreven op 17 april 1732, ondertekend door een zekere Adolpfina, en verzonden vanuit het Duitse Dahme. Deze brief wekte mijn aandacht vanwege de opmerkelijke aanhef; een gebruikelijke aanhef aan de vorstin is bijvoorbeeld “Madame” of “Doorluchtige Vorstin”. Is de brief geschreven aan meerdere ontvangers of enkel Marie-Louise? En wie is Adolpfina, de afzender? Wat is de relatie tussen Marie-Louise en Adolpfina? Daarbij roepen niet alleen de aanhef en de afzender verschillende vragen op, ook de inhoud van de brief bleek boeiend.

Afbeelding 1: Marie-Louise van Hessen-Kassel (schilderij van Louis Volders, 1709-1711. Fries Museum.

Marie-Louise van Hessen-Kassel (1688-1765), die ook wel bekend is onder haar bijnaam Marijke Meu, was de vrouw van de Friese stadhouder Johan-Willem-Friso van Nassau-Dietz (1687-1711). Zij is een van de vrouwen naar wie onderzoek wordt gedaan binnen het Stadhoudersvrouwen Brievenproject, onder leiding van dr. Ineke Huysman. Marie-Louise is geboren in 1688 in Kassel en trouwde op eenentwintigjarige leeftijd met Johan-Willem-Friso. Kort na hun huwelijk raakte zij zwanger van hun dochter Anna Charlotte Amalie (1710-1777). En niet veel later kregen zij samen ook een zoon, Willem IV Karel-Hendrik-Friso (1711-1751), de toekomstige stadhouder Willem IV.

Marie-Louise speelde een belangrijke rol in de Nederlandse geschiedenis. Zij was tweemaal regentes. Eerst toen haar man overleed in 1711, enkele weken voor de geboorte van hun zoon. De tweede keer vervulde zij deze rol toen haar zoon overleed in 1751, terwijl zijn kinderen nog minderjarig waren. Dit ging gepaard met verscheidene dynastieke plichten. Haar correspondentie geeft een inkijk in haar verplichtingen en de zaken waarmee zij zich bezighield. Deze correspondentie bevindt zich in het Koninklijk Huisarchief in Den Haag en wordt nu gedigitaliseerd.

De correspondentie

In haar archief, te vinden onder het inventarisnummer A28, is ook de hierboven geïntroduceerde brief te vinden, evenals duizenden andere documenten. De map waarin deze brief zich bevindt, is geclassificeerd als ‘brieven, ingekomen van niet geïdentificeerde personen (voornamelijk vorsten), 1722, 1730, 1732 en z.j.’.[1] Het bleek dat in deze map met zes brieven een tweede brief zat met een soortgelijke aanhef “Madame et tres chère frère” – “Mevrouw en zeer dierbare broer” – zoals te lezen is op afbeelding 3.[2] De brief was wel ondertekend door de afzender, maar diens naam was enigszins moeilijk te lezen (zie afbeelding 5).

Dat er een tweede brief is verstuurd naar Marie-Louise met een soortgelijke aanhef is een interessante ontdekking. Opvallend is dan ook dat beide brieven van dezelfde hand lijken te komen. Zoals te zien is op afbeelding 2 en 3 zijn, afgezien van enkele verschillen in de spelling, er zichtbare overeenkomsten. Zo heeft de letter ‘d’ een herkenbare lus en, worden de ‘c’ en ‘h’ op dezelfde manier met elkaar verbonden. Daarbij zijn beide brieven ondertekend door de afzender, ondanks dat deze brieven zich bevinden in een map die duidelijk is geclassificeerd als ‘brieven ingekomen van niet geïdentificeerde personen’. Wie is deze niet geïdentificeerde afzender?

Het bleek lastig om te achterhalen wie de afzender was, met name vanwege de leesbaarheid van de achternaam. Met behulp van het academische netwerk op Twitter, werd een antwoord geboden op de identiteit van de afzender.[3] Drs. K. van der Hoek, conservator bij Allard Pierson, de afdeling Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, droeg aan dat het mogelijk Johann Adolph II van Saksen-Weißenfels (1685-1746) zou kunnen zijn, de laatste hertog van Saksen-Weißenfels, Saksisch generaal en maarschalk. Door het vergelijken van brieven die van zijn hand kwamen, leek deze suggestie zeer aannemelijk (afbeelding 4 en 5).

Het geschonken porselein

Daarnaast bleek de hertog van Saksen-Weißenfels om een tweede reden een passende correspondent. Het gaat om de inhoud van de brief met inventarisnummer A28-051_005.[4] De afzender schrijft namelijk het volgende:

Dame le 17 avril 1732

Madame et trè(s) cher frère generis feminini

Je suis charmé si la porcelaine que jay envoyé à Votre Alttesse a eu son approbation, mais pour en ettre d’autant plus assuré et de savoire que j’ay rencontré le gout de Votre Alttesse, elle me fera eune grase très partuculieure en me donnant de nouveaus la comission pour lui en faire envoire, de telle sorte qu’elle en voudra, et alors je ne manquerai point non plus d’envoyer le conte de ce qu’elle contera. Mais par rapport à la porcelaine que j’ay eu l’honeur d’envoyeur déjà, elle ne me refusera pas la grasse que je lui demande de l’accepter pour une petite Lepsiger Messe, et moy je le regarderai comme une marque de distinction et d’amitié qu’elle daigne avoir pour eune seur qui est toujour sa serveante et serviteur en même temps come aussi à toute la meson de Cassel. J’attendray les order pour l’avénir si elle m’en jugera digne et caballe, estant avec eune vénération très bartculieure et parfaite,

de mon cher frère,

la très hubble et très supmisse serveante

Adolpfina

Vertaling

Dahme 17 april 1732

Mevrouw en zeer dierbare broer van het vrouwelijk geslacht,

Ik ben verheugd wanneer het porselein dat ik naar Uwe Hoogheid heb gestuurd zijn goedkeuring heeft gekregen, maar om des te zekerder te zijn en om te weten dat ik aan de smaak van Uwe Hoogheid heb voldaan, zal zij mij een bijzonder plezier doen door mij opnieuw de opdracht te geven het toe te zenden, op zo’n manier waarop zij het zou willen, en dan zal ik het ook niet nalaten het verhaal te sturen dat ze zal vertellen. Maar wat betreft het porselein waarvan ik reeds de eer had het te verzenden, zal zij mij de genade niet weigeren die ik haar vraag te accepteren voor een kleine Leipziger Messe, en ik zal het beschouwen als een teken van onderscheiding en vriendschap die zij zich verwaardigt te hebben voor een zuster die altijd haar dienares en dienaar is voor het hele Huis van Kassel. Ik zal wachten op de orders voor de toekomst als ze me waardig en ‘kabaal’ acht, met een zeer bijzondere en perfecte verering,

van mijn dierbare broer

de meest nederige en zeer onderdanige dienares

Adolphina

In deze brief schrijft de afzender dat hij porselein heeft gestuurd naar Marie-Louise, te weten Leipziger Messe, ook wel bekend als Meissen porselein. Dit was het eerste echte porselein dat in Europa werd gefabriceerd. Johann Friedrich Böttger (1682-1719) was degene die het Meissen porselein heeft ontwikkeld, met dank aan financiering door August II van Polen (1670-1733). Kort na deze uitvinding van Europees porselein, werd in 1710 Meissen Porselein Manufactuur opgericht. De eerdergenoemde hertog van Saksen-Weißenfels was de neef van August II van Polen en diende als generaal in zijn leger gedurende verschillende oorlogen. Verder is er rond 1744 een speciale porseleinserie uitgebracht, die in opdracht werd gemaakt van de Meissen-fabriek door de hertog van Saksen-Weißenfels. Deze hertog van Weißenfels-serie bestaat waarschijnlijk uit 18 tafelfiguren, die zijn geïnspireerd door gravures van François Joullain.[5] Dit wijst erop dat de hertog in nauw contact stond met de Meissen Porseleinfabriek.

In 1731 verhuist Marie-Louise naar Leeuwarden en doet zij haar intrede in het Princessehof. Haar taak als regentes heeft zij dan volbracht omdat haar zoon op dat moment meerderjarig is. Zoals eerder genoemd, dateert de brief aan Marie-Louise uit 1732. Dit zou kunnen betekenen dat het porselein dat is geschonken een gift was vanwege de aankoop van en haar intrede in het Princessehof. Anderzijds zou het porselein ook een gift kunnen zijn vanwege het vervullen van haar taak als regentes. Echter kan dit niet met zekerheid gezegd worden, omdat de brief daar geen eenduidig antwoord op biedt. Wel wordt uit de brief duidelijk dat de afzender eerder porselein heeft gestuurd naar Marie-Louise.

Juist de verwijzing naar dit porselein spreekt tot de verbeelding. In haar leven heeft Marie-Louise namelijk een van de belangrijkste porseleincollecties verzameld,[6] die tegenwoordig te bewonderen is in het Princessehof. Ook worden enkele stukken bewaard in het Koninklijk Huisarchief. In de collectie van de Koninklijke Verzamelingen bevindt zich een koffieservies van Marie-Louise met een bijbehorende reiskoffer. Dit servies is een Meissenservies (afbeelding 6 en 7), en ondanks dat het niet exact gedateerd kan worden, lijkt het erop dat het servies rond 1730 is gemaakt en het is daarmee een van de vroegste Europese porseleinen. Het is niet bekend welke persoon of personen dit servies aan Marie-Louise hebben geschonken. Naar aanleiding van de brief – ervan uitgaande dat deze is geschreven door de hertog – en de geschatte datering is er een mogelijkheid dat het koffieservies geschonken is door de hertog van Saksen-Weißenfels. Er zijn echter tot op heden nog geen concrete aanwijzingen hiervoor gevonden en daarmee blijft dit een hypothese.

Adolph of Adolpfina

In adellijke kringen bestonden er verschillende ordes, waaronder schertsordes. Een kenmerk van deze ordes is dat de genderrollen en gerelateerde taken werden omgedraaid. Zo werden deze ordes vaak geleid door vrouwen. De schoonmoeder van Marie-Louise, Henriëtte-Amalia van Anthalt-Dessau (1666-1726), richtte de Ordre de la Fidélité op. In het Koninklijk Huisarchief liggen verschillende stukken met betrekking tot deze orde.[7] Toch is er binnen de Ordre de la Fidélité geen link gevonden tussen Marie-Louise en hertog van Saksen-Weißenfels. Verder is er binnen het archief van Marie-Louise ook geen bewijs gevonden dat zijzelf een dergelijke orde opgericht heeft, of er lid van één was.

Toch geven de laatste twee zinnen van de brief mogelijk een aanwijzing voor een dergelijke orde: “[…] en ik zal het beschouwen als een teken van onderscheiding en vriendschap die zij zich verwaardigt te hebben voor een zuster die altijd haar dienares en dienaar is voor het hele Huis van Kassel. Ik zal wachten op de orders voor de toekomst als ze me waardig en ‘kabaal’ [‘caballe’] acht, met een zeer bijzondere en perfecte verering […].” De hertog kan het woord ‘caballe’ genoemd hebben als een verwijzing naar een ander geheim genootschap in verband met de aan het begin van deze paragraaf genoemde ordes.

Johan Adolf van Saksen-Weißenfels, Wikimedia Commons

In 1699 vertrok de jonge hertog van Saksen-Weißenfels op zijn grand tour en bezocht hij verschillende plekken in de Nederlanden en Frankrijk. Een doel van deze reis was het verbeteren van zijn Franse taalvaardigheid, evenals zijn ridderlijke kwaliteiten. Speciaal hiervoor bracht hij meerdere keren een bezoek aan Den Haag en Paleis het Loo, dat in het bezit was van koning-stadhouder Willem III. Ondanks dat Marie-Louise nog niet in de Nederlanden was tijdens de reis van de hertog, heeft hij ongetwijfeld verschillende ontmoetingen gehad met de (Oranje-)Nassaus, die hem in zijn latere leven ook in contact hebben gebracht met haar. Het is zelfs mogelijk dat hij met de term ‘caballe’ verwijst naar het Fries Cabaal, de Friese pro-Oranje adel die het stadhouderschap steunde. De dood van de kinderloze Willem III luidde immers het Tweede Stadhouderloze Tijdperk (1702-1747) in. Ook voor Friesland en Groningen was er geen stadhouder meer nadat Johan-Willem-Friso kwam te overlijden in 1711. Zoals eerder genoemd werd in eerste instantie zijn echtgenote Marie-Louise van Hessen-Kassel regentes voor hun minderjarige zoon, en hij zou tenslotte als Willem IV de stadhouder van de hele Republiek der Nederlanden worden.

Met enige zekerheid kan worden gesteld dat hertog Adolph II van Saksen-Weißenfels de afzender is van beide brieven. Maar, waarom is één van de brieven dan ondertekend met de naam Adolpfina? Een mogelijke verklaring zou dus een schertsorde kunnen zijn, maar zoals vermeld is, is er geen duidelijke link gevonden tussen Marie-Louise en de hertog in het archief met betrekking tot een dergelijke orde. Op deze vraag kwamen ook een aantal suggesties naar aanleiding van de eerdergenoemde oproep op Twitter. Zo stelde iemand voor dat Adolpfina mogelijk de dochter zou kunnen zijn van de hertog. De hertog heeft zes kinderen, waaronder een dochter. Deze suggestie leek in eerste instantie aannemelijk. Toch werd duidelijk dat dit niet het geval kon zijn. Zijn dochter Friederike Adolphine van Saksen-Weißenfels werd geboren in 1741, bijna een decennium na het versturen van de brief. Hoewel een schertsorde een mogelijke verklaring zou kunnen zijn voor een dergelijke aanhef en slot van de brief, blijven de exacte redenen dus onzeker.

Conclusie

Binnen het Stadhoudersvrouwen Brievenproject heb ik de kans gehad om in het Koninklijk Huisarchief een deel van de werkzaamheden te mogen uitvoeren. Dit gaf mij de mogelijkheid om de brieven in het archief van Marie-Louise zelf te kunnen lezen, aan te raken en te ervaren. Ook heb ik gebruik kunnen maken van andere items die tot de bibliotheek van Koninklijke Verzamelingen behoren, zoals werken over porselein en uit het archief de correspondentie en documenten van andere hooggeplaatste personen in de Nederlandse geschiedenis. Daarnaast heb ik waardevolle suggesties gekregen op vragen via Twitter, een plek waar men – in ieder geval ikzelf – dit mogelijk niet zou verwachten. Toch blijkt dat er een groot academisch netwerk te bereiken is via dit platform.

Het is opmerkelijk dat, afgezien van de twee brieven die in deze blogpost ter sprake zijn gekomen, er geen verdere correspondentie tussen Marie-Louise en hertog van Saksen-Weißenfels in haar archief is. Mocht er verdere correspondentie zijn geweest tussen beiden, kan het zijn dat deze in een ander archief bewaard is gebleven, of dat deze verloren is gegaan. Wat wel bekend is, is dat de hertog Paleis het Loo heeft bezocht en dat hij meermaals in Den Haag is geweest.

Verder heeft deze blogpost een aantal vragen opgeworpen, hoewel er op sommige slechts suggesties als antwoord verschaft kunnen worden. Wel heeft dit onderzoek de afzender met redelijke zekerheid kunnen identificeren van twee brieven in het archief van Marie-Louise, die in eerste instantie niet bekend was. Bijzonder is ook dat er een mogelijke schenker is geïdentificeerd voor het Meissen koffieservies met bijbehorende reiskoffer van Marie-Louise. Hopelijk kan vervolgonderzoek hier een definitief antwoord op bieden.

Demi Storm (Master Student Ancient and Medieval Mediterranean Worlds, Radboud University Nijmegen/Master Student Ancient History, Leiden University), 21 maart 2023


Bibliografie

Cassidy-Geiger, M., ‘Afterthoughts of Fragile Diplomacy: Meissen Porcelain for European Courts, c. 1710-1763’ in: The Court Historian vol. 14, no. 2 (2009) 199-205.

Cassidy-Geiger, M., Meissen Porcelain for Sophie Dorothea of Prussia and the Exchange of Visits between the Kings of Poland and Prussia in 1728’ in: Metropolitan Museum Journal vol. 37 (Chicago 2002) 133-166.

Chalmot, H.A., de, Afkomst, Godvrugtig Leven en Zalige Dood van Hare Doorlugtigste Hoogheid Maria Louise, Princesse Douairiere van oranje en Nassau, Geboregn Landgravin van Hessen-Kassel, etc. etc. etc. Uit Echte Stukken Zamengestelt (Leeuwarden 1765).

Chilton, M., ‘The Duke of Weissenfels Series’, in: Reinhard Jansen (eds.),Commedia dell’Arte: Carnival of Comedy Players (Stuttgart 2001) 16-20.

Gabler, G.T., Die Fürstengruft auf Neu-Augustusburg, oder: die Herzöge von Sachsen-Weißenfels und Querfurt (1844).

Jagtenberg, F.J.A., Willem IV. Stadhouder in roerige tijden 1711-1751 (Nijmegen 2018).

Jagtenberg, F.J.A., Marijke Meu 1688-1765. Stammoeder van ons Vorstenhuis (Amsterdam 1994).

Königlich Sächsische Porzellanmanufaktur Meissen, Festschrift zur 200jährigen Jubelfeier 1910 (Leipzig 1911).

Krul, S., et al. (eds.), Historisch Tijdschrift Fryslân. Maria Louise vol. 21, no. 3 (2015).

Schutte, G.J., Oranje in de Achttiende Eeuw (Amsterdam 1999).

Walcha, O., Meissner Porzellan. Von den Anfängen bis zur Gegenwart (Dresden 1975).


[1] Koninklijke Verzamelingen, Den Haag, Archief: Maria Louise, landgravin van Hessen-Kassel (1688-1765), echtgenote van Johan Willem Friso, prins van Oranje, regentes in Friesland voor haar zoon prins Willem IV van 1711-1731 en van 1759-1765 voor haar kleinzoon prins Willem V, inventarisnummer A28-051.

[2] KV Archief: Maria Louise, landgravin van Hessen-Kassel (1688-1765), inv.nr. A28-051_006.

[3] Zie de tweet van 21 juni 2022: https://twitter.com/stadholderswife/status/1539153365485211648?cxt=HHwWgMC-yZj1ldwqAAAA.

[4] KV Archief: Maria Louise, landgravin van Hessen-Kassel (1688-1765), inv.nr. A28-051_005. Transcript en vertaling door auteur.

[5] Zie: Meredith Chilton, ‘The Duke of Weissenfels Series’, in: Reinhard Jansen (eds.),Commedia dell’Arte: Carnival of Comedy Players (Stuttgart 2001) 16-20. Echter is het niet mogelijk geweest voor mij om het gehele artikel te lezen.

[6] In het Koninklijk Huisarchief is tevens een inventaris te vinden van haar porselein, zie: [6] KV Archief: Maria Louise, landgravin van Hessen-Kassel (1688-1765), inv.nr. A28-380.

[7] Koninklijke Verzamelingen, Den Haag, Archief: Hendrik Casimir II, vorst van Nassau-Dietz (1657-1696), stadhouder en kapitein-generaal van Friesland, inventarisnummer A26a-001.

Een nieuwjaarsbericht van Pepin voor Annin

Het huwelijk tussen stadhouder Willem IV van Oranje-Nassau en Anna van Hannover was niet uit liefde aangegaan, maar uit deze brief (en véle andere, ook van Anna) blijkt dat er wel degelijk iets moois tussen beiden was opgebloeid. Willem, die zichzelf Pip of Pepin noemt in zijn brieven aan Anna (Annin), is op nieuwjaarsdag 1742 in de buurt van Kassel en mist haar vreselijk.

Willem IV aan Anna van Hannover, 1 januari 1742, Koninklijke Verzamelingen, A30-VIa-1.

De honderden brieven van Willem aan Anna en aan zijn moeder Maria-Louise van Hessen-Kassel zijn met behulp van Transkribus ontsloten. Vrij vertaald schrijft hij:

Kassel, 1 januari [1742]

Ik schrijf u, mijn lieve hart, deze paar woordjes om u te verzekeren van mijn tederheid en mijn liefde. Ik had extreem veel spijt u te moeten achterlaten. Ik zou dit alles niet kunnen verdragen, als ik mezelf niet zou troosten met de gedachte dat Pip al het mogelijke zal doen om zich zo snel mogelijk bij zijn geliefde Annin te kunnen voegen. Goede God wat een saaiheid om het kleine koetsje zonder haar te zien die het zo plezierig maakt, evenals de andere geneugten in mijn leven. Mijn hart is zo vervuld, en mijn gedachten zo bezeten van u dat ik nooit zal kunnen stoppen met alles te zeggen wat in me opkomt. Boemer [Herman Jansen Boemer, een dienaar] is bij me sinds ik in Kassel ben om een beetje te praten en de droefenis te verdrijven van het ontbreken van uw Hagel [een codewoord voor liefdevol?] gezelschap en waardevolle gesprekken. Goedenavond het is zes uur, ik vertrek en geef je duizend kussen, Pepin.

Binnenkort verschijnt de volledige correspondentie van Anna van Hannover zoals die bij Koninklijke Verzameling wordt bewaard, online. Wordt vervolgd.

Ineke Huysman, 1 januari 2023

Brieven van de vrouwen van Willem van Oranje gedigitaliseerd

V.ln.r.: Inger Leemans (NL-LAB/Huygens ING), Claudia Hörster (Koninklijke Verzamelingen) Cheraldine Osepa (gemeente Delft) en Hester Schölvinck (museum Prinsenhof) tijdens de lancering van de online brieveneditie en opening van de tentoonstelling Historische Vrouwen.

Sinds 30 september 2021 zijn de correspondenties van de vier vrouwen van Willem van Oranje: Anna van Egmond, Anna van Saksen, Charlotte de Bourbon en Louise de Coligny digitaal raadpleegbaar bij Oxford’s Early Modern Letters Online (EMLO).

Ineke Huysman (Huygens ING/NL-LAB) en Julia van Marissing (Museum Prinsenhof) vertellen aan David de Haan (Museum Prinsenhof) over de totstandkoming van de tentoonstelling.

Op die dag organiseerden Museum Prinsenhof Delft, Huygens ING en Koninklijke Verzamelingen een openingsmiddag met betrekking tot de vrouwen rondom Willem van Oranje met onder meer lezingen van Femke Deen en René van Stipriaan. De live-stream die daarvan werd opgenomen is hier terug te zien. Ook zette Miranda Lewis, editor van EMLO, via een blog en via onderstaande videoboodschap uiteen hoe de stadhoudersvrouwenbrieven deel uitmaken van de online catalogus:

Miranda Lewis van EMLO Online licht het project via een filmpje toe.