Blog

Brief uit het Tuchthuis

“G. van Giessen, Het Tucht- of Spinhuis aan de Prinsegracht, 1725, Collectie Haags Gemeentearchief,” Haags Gemeentearchief, geraadpleegd op 9 september 2020, https://bit.ly/3m4jbrA

Op 9 december 1755 ontving Anna van Hannover een verzoek van de negen kinderen van de zestigjarige Anna Catharina Werdin. Ze vroegen in het zogenaamde ‘request’ Anna gratie te verlenen aan hun doodzieke moeder die zat opgesloten in het tuchthuis van Den Haag. Dit was mogelijk het Tucht- of Spinhuis aan de Prinsegracht te zien op bovenstaande prent uit 1735. Dit was het eerste tuchthuis van Den Haag.

De afzender van de brief, Rozina Werdin, die namens de negen kinderen de brief schreef aan Anna van Hannover, vertelde dat hun moeder haar misdaden had begaan vanwege de armoede waarin zij en haar kinderen leefden. Ze wilde ‘slechts’ instaat zijn om haar drie nog minderjarige kinderen te voeden. De zestigjarige Anna Catharina Werdin werd in april 1755 verbannen naar het tuchthuis voor vier jaar en zat al negen maanden opgesloten op het moment dat één van haar dochters de brief schreef. Rozina richtte zich tot Anna nadat de baljuw en de schepenen haar verzoek hadden afgewezen. In de brief stelde ze dat haar moeder ziek was en waarschijnlijk in het tuchthuis zou komen te overlijden. Ze deed een beroep op de ‘menselijkheid’ van Anna en vroeg haar het mogelijk te maken om haar moeder met haar kinderen te herenigen. Ook schreef Rozina dat drie van haar kinderen in het leger als soldaat en tamboer gediend hadden. De kinderen zouden “gedreven door een kinderlijken liefdendrift voor haere moeder, die met zorge hen onder ’t her gedragen gequeekt en gevoet heeft” Anna willen vragen hun moeder uit het tuchthuis te ontslaan. 

Anna van Hannover wees het verzoek dezelfde dag nog, op 9 december 1755, af. 

Transcriptie:
“Aen Haere Koninklijke Mevrouwe de Princesse Gouvernante.

Geven met verschulde eerbied, zeer onderdanig te kennen de Negen kinderen van Anna Catharina Werdin, welke Anna Catharina Werdin althans volgens vonnisse van Heeren Scheepenen van s’Gravenhage is geconfineert of gebannen in het Tugthuis alhier. Dat dezelve haere moeder een vrou van zestig jaeren zijnde, uit hoogen noot en armoede, aparent to voeding van haere Drie nog minderjarige kinderen, zich met zaeken tegens de Burgerlijke Samenleving in het logeeren van vrouluijden, gemelleert heeft, dog zoo, dat noit Buuren overlast van haere Huishouding gehad hebben, en zij noit bij weeten van de supplten eenige jonge vrouluijden vervoert heeft, op ordre van Heeren Bailliu en Scheepenen dezer Stede, in de Maend April dezes Jaers geapprehendeert in ’t Tuchthuis gebragt en sekerlijk op consessie voor den tijdt van vier jaeren aldaer gebannen is. Dat derzelver moeder althans krank en van droefheit over haer Drie Jonge kinderen zeer hertsmertende aengedaen is, zekerlijk aldaer na allen oogenschijn, sterven zal; ten zij, menschelijker wijze daer inne voorzien, en zij weder bij haere kinderen gelaten werd. Dat ook boven die, drie van de supplten in den militairen dienst onder de guardes uwer koninklijke hoogheit, als soldaeten en tamboer dienen welke het niet alleen chagrinant valt, maer ook, somtijdts tot verwijt strekt dat haere moeder in het Tuchthuis gebannen zit, en dat bovendien met drie minderjarige kinderen al verre over de Zeven maenden belast is, nadien die buiten staet zijn om haer brood te winnen.

Om alle welke redenen, en vooral om de krankheit, en vreeze dat hunlieder moeder tot nog meerder schande voor hen in het gemelde Tuchthuis sterven zal, supplten gedreven door een kinderlijken liefdendrift voor haere moeder, die met zorge hen onder ’t her gedragen gequeekt en gevoet heeft, volgens hunnen plicht zich keeren tot uwe Koninklijke Hoogheit (als zijnde nog laestelijk op den 2den dezer maend december, door heeren Scheepenen voorn ’t op hun verzoek afgeslagen) Ootmoedig verzoekende dat het uwe Koninklijke Hoogheit alleen uit gracie en mededogen voor de negen supplten en haere kinderen die twaelf in getaele en dus 21 personen uitmaeken; behage door derzelver goede recommandatie aen heeren Bailliu en Scheepenen dezer stede ’s Gravenhage, der supplten gemelde kranke moeder te doen ontslaen ten einde zij in de armen haerer kinderen sterve moge. 

’T Welk doende Rozina Werdin

Gepresenteert 9 dec 1755 en afgeslagen”

Door Tessa Stalenburg, 14 september 2020.

#OnThisDay in 1748..

Hollandsche Historische Courant, 10 september 1748 (Koninklijke Verzamelingen, Den Haag, A28-442)

Op deze dag, 10 september 2020, is het 272 jaar geleden dat er in de krant berichten stonden met het nieuws uit allerlei omstreken: ziekte uitbraken in Amerika, droogte en schaarste in Groot-Brittannië en opstanden in Italië! C.E. van Sanden, werkzaam op de griffie van de Staten-Generaal, stuurde Maria Louise van Hessen-Kassel wekelijkse (en soms wel dagelijkse!) brieven met nieuws uit binnen- en buitenland en van het hof in Den Haag, samen met een uitgave van de Hollandsche Historische Courant van die week. Op die manier hoorde ze van Van Sanden wat er in de Republiek speelde, en via de krant vernam ze wat er in het buitenland gebeurde. Zo kon de douairière, ondanks dat ze in Leeuwarden verbleef, toch nog een oogje in het zeil houden.

De onderstaande brief gaat in het bijzonder over het welzijn van haar zoon stadhouder Willem IV. De Amsterdamse bevolking protesteerde omdat ze het niet eens was met het beleid van de regering. Van Sanden maakte zich druk over de mogelijk ‘quadaerdige geesten te Amsterdam’, die de prins ’s nachts niet met rust lieten. Waar de Amsterdammers precies zo boos over waren, wordt helaas niet genoemd. Verder informeert hij Maria Louise over de reacties op een aantal wijzigingen in Oost-Indië. Een aantal zeelieden was het niet eens met de huishouding van de admiraliteiten en de reformatie van het magistraat. Als laatste krijgt Maria Louise informatie over plunderingen in Haarlem, maar volgens Van Sanden had dit ‘geen relatie van ongenoegen tegens de regering’.

 Hieronder de brief die hij schreef:

Vijftig nieuwe brieven uit 1646 van Constantijn Huygens aan Amalia van Solms

Constantijn Huygens aan Amalia van Solms, Assenede, 24 juli 1646:

Zijne Hoogheid [stadhouder Frederik Hendrik], teruggekomen van het uitstapje [een bezoek aan het Franse leger], voelde zich een beetje vermoeid, na enkele uren te paard te zijn geweest. Daardoor heeft hij vannacht niet goed geslapen en is hij om 4 uur opgestaan om in een stoel te gaan zitten, waarom begrijp ik niet. Om 7 uur is hij weer terug op bed gaan liggen en heeft twee à drie uur zo diep geslapen dat alle trompetten van de Franse troepen die gezamenlijk onder zijn raam hebben staan blazen, hem niet hebben kunnen wekken. Na dit slaapje voelde hij zich totaal niet verfrist.

Dit vrij vertaalde fragment is afkomstig uit één van de vijftig teruggevonden brieven van Constantijn Huygens aan Amalia van Solms die zijn toegevoegd aan de online database met de correspondentie van Constantijn Huygens. De verloren gewaande brieven zijn afkomstig uit het Landeshauptarchiv in Dessau en vrijwel allemaal geschreven in 1646. Ze zijn een belangrijke aanwinst voor de digitale brievencollectie van Constantijn Huygens, in het bijzonder voor zijn correspondentie met Amalia van Solms, de echtgenote van stadhouder Frederik Hendrik. In zijn functie van secretaris van de stadhouder hield Constantijn Amalia vanuit het leger, dat ieder jaar van april tot en met oktober op veldtocht was, vrijwel dagelijks op de hoogte van de militaire vorderingen, maar ook van de gezondheid van haar echtgenoot. In totaal zijn er tussen Huygens en Amalia 1.018 brieven gewisseld. Hij schreef er 834 aan haar en zij schreef 184 brieven aan hem. Op de genoemde vijftig brieven na, bevindt deze briefwisseling zich vrijwel geheel bij Koninklijke Verzamelingen onder signatuur KHA, A14a-XIII-18C-1. Dat deze correspondentie zo compleet is, is te danken aan de afspraak die Constantijn met een van Amalia’s hofdames had gemaakt dat zij al zijn brieven aan Amalia voor hem zou bewaren.

Correspondentie Constantijn Huygens met Amalia von Solms: lichtblauw zijn de brieven áán haar; donkerblauw de brieven van haar

Edities

De belangrijkste gedrukte editie van Huygens’ brieven is op dit moment nog steeds die van J.A. Worp, uitgegeven in de periode 1911-1916 in de Rijks Geschiedkundige Publicatiën, de serie bronnenpublicaties van het Huygens ING. In de algemene inleiding bij deel I stelde Worp dat de volledige uitgave van de correspondentie van Constantijn Huygens 25 tot 30 delen zou vergen. Dat zou natuurlijk veel te veel worden en daarom beperkte hij de omvang tot zes delen, want niet alles was volgens Worp even belangrijk. Die werkwijze is echter niet meer van deze tijd. De huidige onderzoeker wil over het volledige materiaal kunnen beschikken en niet afhankelijk zijn van de selectie en parafrases van een 19e-eeuwse historicus. En dat kan: het Huygens ING heeft een database ingericht met per brief enkele kerngegevens.

Hieraan zijn de bewerkingen van Worp gekoppeld en het geheel is op het web gepubliceerd en doorzoekbaar. Aan de brieven is extra materiaal toegevoegd, zoals de digitale afbeelding van de originele brief, maar ook verwijzingen naar andere edities dan die van Worp, en dikwijls een transcriptie of vertaling.

En zo worden ook nieuwe, niet door Worp uitgegeven brieven worden aan de database toegevoegd. Daar zijn deze vijftig brieven van Constantijn Huygens aan Amalia van Solms een voorbeeld van. De brieven bevinden zich in het Landeshauptarchiv Sachsen-Anhalt, Abteilung Dessau, A7b, nr. 109 A met als opschrift: ‘Relation de la Campagne 1646’ (Eindelijk weer samen. Inventaris van de archieven van stadhouder Willem II en Amalia van Solms en enige verwanten, samengesteld door J.N. Fernhout (Den Haag) 86). Het was bekend dat de brieven uit 1646 van Huygens aan Amalia ontbraken, maar tot voor kort wist men niet dat ze zich in Dessau bevonden. Ze zijn daar waarschijnlijk ooit terechtgekomen door een beslissing van stadhouder Willem II. Die was tamelijk ongelukkig met de Vrede van Munster, die een einde had gemaakt aan de Tachtigjarige Oorlog. Liever had hij samen met de Fransen de strijd tegen de Spanjaarden willen voortzetten. Kort na het overlijden van zijn vader Frederik Hendrik (maart 1647) besloot hij een aantal documenten uit het archief van zijn vader naar zijn eigen administratie over te brengen om zo goed mogelijk op de hoogte te zijn van zijn vaders contacten met Frankrijk. Zo liet hij 270 folio’s met ingekomen stukken over de voorbereiding van de veldtochten tegen Spanje uit zijn vaders archief lichten (Fernhout, 22 en 98).

Willem II, Prins van Oranje, door Jean I Petitot, naar schilderij van Gerard van Honthorst, Koninklijke Verzamelingen, Den Haag

Vermoedelijk om dezelfde reden zijn ook de vijftig brieven van Constantijn aan Amalia uit het jaar 1646 in het archief van Willem II ondergebracht. Na diens dood in 1650 is dit deel van het archief bij zijn moeder Amalia terechtgekomen. Toen Amalia op haar beurt in 1675 overleed, werd haar oudste nog levende dochter Albertine Agnes, weduwe van de Friese stadhouder Willem Frederik, executeur-testamentair. Na haar dood is het archief van Willem II, evenals een deel van dat van Amalia en veel Friese stukken in Duitsland, beland bij de enige nog levende zuster Henriette Catharina, de weduwe van de vorst van Anhalt-Dessau. De documenten, maar ook schilderijen en sieraden, stonden daar bekend als Nassauische Erbschaft (Fernhout, 42). Deze verzameling is niet compleet. Het verhaal wil dat Henriette Catharina veel persoonlijke stukken met zich mee heeft genomen in haar graf. De kerk waar zij begraven lag, is in de Tweede Wereldoorlog plat gebombardeerd, dus die stukken moeten als voorgoed verloren worden beschouwd.

De archieven van Willem II en Amalia van Solms zijn aldus verspreid geraakt over het Landseshauptarchiv in Dessau en het Koninklijk Huisarchief in Den Haag. Dankzij een initiatief van beide archieven zijn ze virtueel weer bij elkaar gebracht door middel van de eerder genoemde inventaris, samengesteld door J.N. Fernhout, die in 2011 door het Koninklijk Huisarchief is gepubliceerd. Het Koninklijk Huisarchief beschikt over microfilms en scans en heeft deze, met bereidwillige medewerking van het archief te Dessau, aan het Huygens ING beschikbaar gesteld. Vervolgens zijn de vijftig relevante brieven uit het digitale materiaal gelicht, bewerkt, van metadata voorzien, getranscribeerd en aan de digitale brievencollectie van Constantijn Huygens gekoppeld.

Inhoud

Deze brieven van Constantijn aan Amalia uit 1646 zijn voor de geschiedschrijving een waardevolle toevoeging. Zo was 1646 het laatste jaar waarin stadhouder Frederik Hendrik nog actief was en met het leger op veldtocht ging. Van half juni tot half september van dat jaar verbleef hij met het leger in Oost-Vlaanderen en in de maand oktober was hij gelegerd voor Venlo, dat hij tevergeefs probeerde in te nemen. In zijn brieven doet Constantijn Amalia uitgebreid verslag over de verstandhouding en de ontmoetingen met de geallieerde Fransen, waarin kopstukken zoals legerleiders Condé, Grammont en Orléans figureren. Verder schrijft hij in detail over de verplaatsingen van het leger, de schermutselingen met de vijand en de activiteiten van de vloot bij Duinkerken. Maar ook de verveling die vaak toeslaat terwijl men wacht op instructie, is onderwerp van schrijven. Zo bericht hij over Willem II die, tot ergernis van zijn vader, regelmatig bij de Fransen te vinden is, waarbij er flink wordt gedronken en gekaart om de tijd te doden. Ook de voorbereidingen op de Vrede van Munster zijn in volle gang en er komt er vaak afvaardiging naar het leger om Frederik Hendrik van de onderhandelingen op de hoogte brengen.

Beleg van Venlo in 1646 door Lambert de Hondt de Oudere, Wikimedia Commons

Frederik Hendrik zou op 14 maart 1647 overlijden. Het jaar daarvoor, in 1646, was hij reeds zwak en ziekelijk, vaak mentaal instabiel en lastig in de omgang. Ook hierover doet Constantijn op gepaste maar ook ontroerende wijze verslag. Vaak beschrijft hij tot in detail wat zijn werkgever wel en niet wil eten, hoe hij heeft geslapen, en of en hoe lang hij op zijn paard heeft gezeten. Maar ook Constantijns persoonlijke beslommeringen, waaronder zijn soms moeilijke verstandhouding met Amalia van Solms, komen aan de orde.

De vijftig brieven maken deel uit van een nog steeds groeiende digitale collectie die op dit moment uit 9.188 brieven bestaat. 

Ineke Huysman, 4 september 2020.

Een kijkje achter de schermen!

Eén van de leukste taken die je een historicus kan geven is het ontcijferen van oude brieven: dichter dan dat kom je haast niet tot het verleden. Bij dit project worden onze paleografische vaardigheden aardig op de proef gesteld. Maria Louise van Hessen-Kassel (1688-1765), de echtgenote van Johan Willem Friso, correspondeerde vaak in het Duits met haar familie. Duits werd in deze tijd echter opgeschreven in een zogeheten ‘Kurrentschrift’, een bijzonder gecompliceerd (zeg maar gerust onleesbaar) schrift. Voor dit project verzamelen we veelal metadata (afzender, ontvanger, locatie, datum, taal) van deze brieven, en zo waren wij afgelopen week uren aan het puzzelen op welke locaties Karl von Hessen-Kassel (Maria Louise’s vader) zich nou precies bevond tijdens het schrijven van de brieven aan zijn dochter. Na eeuwig staren naar de letters, Google afspeuren voor eventuele plaatsnamen en geografische kaartjes van Hessen onder de loep leggen voor mogelijke hints, waren we het spoor bijster. Het konden allerlei plaatsen zijn, voor alles viel wel wat te zeggen, maar tegelijkertijd waren we door geen van de plaatsen écht overtuigd. Zou Karl wel in Brandenburg zitten als hij de rest van zijn brieven allemaal in of rondom Hessen heeft geschreven? Is die locatie een klooster? Maar wat had Karl daar te zoeken? Hij was immers niet katholiek. Maar welke locatie is het dan wel? Waarom was Karl in Venetië in 1713 en een paar weken later weer in een onbenullig dorpje ergens in de buurt van Marburg? Is dit nou een R of een A? Of misschien een H? En zo ging het maar door!

Na flink wat speurwerk en met hulp van de rest van de groep hadden we nog steeds niet alle locaties kunnen achterhalen, dus zetten we de hanenpoten van Karl op Twitter, wellicht dat iemand het daar wel zou kunnen ontcijferen. En wat bleek? Er waren super veel mensen die mee wilden denken en met allerlei suggesties kwamen. Naast een heleboel grappige suggesties (zou het niet kunnen dat Karl von Hessen-Kassel zijn zomer in 1708 spendeerde in Julianadorp bij Den Helder?), werden er ook een heleboel serieuze mogelijkheden opgeworpen. Dankzij de hulp van de #twitterstorians is het gelukt om veel plaatsnamen te achterhalen! Het is niet gelukt om álles te achterhalen helaas. Heb jij zin om nog een poging te wagen? Hieronder hebben we nog een aantal plaatsnamen om uit te zoeken. Laat het ons via Twitter weten als je de oplossing hebt gevonden via @stadholderswife. 

Een sarcastische condoleancebrief voor Anna van Hannover

Allegorie op de dood prins Willem IV, 1751, Jan Caspar Philips, naar Hieronymus van der Mij, 1751 – 1752, Rijksmuseum, RP-P-1908-3667, http://hdl.handle.net/10934/RM0001.COLLECT.387480

Op 9 december 1751 stuurde een anonieme afzender Anna van Hannover een brief met, wat lijkt op, een cynische condoleanceboodschap. De brief, gericht aan Anna, was geschreven ter gelegenheid van het overlijden van haar echtgenoot Willem IV van Oranje op 22 oktober 1751. De brief was volgens de anonieme afzender bedoeld voor wat hij of zij gekscherend “uwe koninklijke familie van pligtsversuym” noemde. In de brief gebruikte de anonieme zender een hartstochtelijk sarcasme om zijn of haar verdriet om het overlijden van de Koninklijke Majesteit kenbaar te maken aan Anna van Hannover. “Ik smolt in traanen voor zijn gesigt, ik soude mijn lievde voor s’Lands welstant, en voor de vorst met mijn doodt bevestigen, en dus mijne onvoorsigtigheden uytwisschen, die ik wijt een drift voor s’Lands welstand, wijt een drift voor s’Prinsens glori.” Ook schreef deze anonieme afzender dat het een ‘allernoodste misdaadt” was van God, en dat God  met dit “onherroepelijke vonnis” “Deze landen in een poel van de allernaarste rampzaligheyt ter nederstorten.”

Transcriptie
“Koninklijke Prinses,

Dogter des Hare edelmoedige weduwe van den allerbraafsten Prins. Bedroevde moeder van telgen, zoo doorlugtig als den aardbodem draagt. Naaderende, vreese ik uwe K.M. (Koninklijke Majesteit) te mishaagen te rug blijvende, beschuldigt mij mijne lievde tot den vorst tot uwe K.M. uwe hoogvorstelijke spruijten en uwe koninklijke familie van pligtsversuym gun deze letteren, wijl het mij niet mag gebeuren een weynig geduldt, het behaagde uwe K.M. zulks eertijds te vergunnen.

K.P. (Koninklijke Prinses) gun mij dat ik mijn boezem overlaaden met droefheyt voor u eenigermate ontlast kust ik met sugten en traanen den vorst in ’t leeven herroepen, ik soude mij verstouten voor ze te verschijnen, ik smolt in traanen voor zijn gesigt, ik soude mijn lievde voor s’Lands welstant, en voor de vorst met mijn dood bevestigen, en dus mijne onvoorsigtigheden uitwisschen, die ik wijt een drift voor s’Lands welstand, wijt een drift voor s’Prinsen glorie begaan heb.

Zaal met praalbed van prins Willem IV, Simon Fokker, Rijksmuseum RP-P-OB-50.792 via http://hdl.handle.net/10934/RM0001.COLLECT.111130

Was heden een Elisa oft een Peterus te vinden die door een wonderwerk den Prins kosten opwekken, ik roude niet alleen bedroevde weduwen maar ook mannen wier harten Cynau onbeweeglijk sijn, opspeuren, ik soude hen ’s Vorsten heerlijke hoedanigheden ’s Vorsten lievde voor deze Republiek zoo levenig afmaaken, ik soude hen to schreynen dwingen, en hun dus aanvoeren, ik soude zoo een Elisa oft Peterus zijne knieën omhelze, schreyende en snikkende, niet loslaaten voordat ik mijnen wensch bekoomen hadt.

Maar neer de goddelijke regtvaardigheyt lang getergt door ondankbaarheyt die allersnoodste misdaadt, en die Cynau in alle nederlanderen harten heuren Petel gevestigt heeft, heeft ons den Prins ontrukt dat vonnis is niet alleen onherroepelijk, maar zoo die misdaadt, dus voorgoet en aangroeyt sal godt deze landen in een Poel van de allernaarste rampzaligheyt ter nederstorten. Agh dat de almagtige de barmhartige godt van hemel en aarde uwe K.M.  en uwe hoogvorstelijke spruiten tot een man, een vaader, een eeuwige hoeder en Leydsman verstrekke hij redde hij zegene dit landt, onder uwe gelukkige regeringe en neeme de spaade sijn eeuwige heerlijkheyt om met uwe gemaal syne onvolprijsbare goedtheyt, heerlijkheyt en Majesteyt eeuwiglijk te prijzen en loven.”

> Tessa Stalenburg, 28 augustus 2020.

Smokkelbriefjes

Een minuscuul briefje van Constantijn Huygens aan Amalia van Solms van 11 juli 1635, afkomstig uit de Huygens-brievendatabase, speelt de hoofdrol in een online video van het Letterlocking project dat zich bezighoudt met de reconstructie van het vouwen en verzegelen van vroegmoderne brieven.

Jana Dambrogio, Nadine Akkerman, and the Unlocking History Research Group. “Tiny Spy Letter: Constantijn Huygens to Amalia von Solms, Neer (1635),” Letterlocking Instructional Videos. Unlocking History number 0023/Letterlocking Unique Video number: 0023. Duration: 4:43.Video URL: https://www.youtube.com/watch?v=PePWd-h679c. Date accessed: August 27, 2020.

Het leger van stadhouder Frederik Hendrik was ieder jaar van april tot en met oktober op veldtocht. Constantijn, in zijn functie van secretaris van de stadhouder, reisde mee en hield Amalia dagelijks op de hoogte van de militaire vorderingen en ook van de gezondheid van haar echtgenoot. Soms was het nodig een briefje zo klein te maken dat het door de vijandelijke linies naar Den Haag kon worden gesmokkeld. Het briefje in de video, waarvan het origineel wordt bewaard bij Koninklijke Verzamelingen, is een van de kleinste bewaarde briefjes ter wereld.

Constantijn Huygens aan Amalia van Solms, 11 juli 1635, Koninklijke Verzamelingen, Archief Amalia van Solms, A14a-XIII-18c-1

Over de noodzaak van het verzenden van de kleine briefjes schrijft Constantijn in zijn Mémoires pour mes enfants, pp. 131-132 ed. Th. Jorissen (Den Haag, 1873):

Une autre peine que j’avois à cette correspondence réglée dont j’entretenois Madame la Princesse, ce fut la difficulté que souvent je rencontrois aux adresses de mes lettres, quand les dangers des passages se mettoyent entre la Hollande et nous: pour à quoy remédier, force que me fut d’inventer tous les jours nouveaux expédiens, et entre autres m’exercer la veue sure une sorte de petite escriture, qui en fort peu d’espaces contenoit quantité d’histoire, et bien souvent pliée n’excédoit pasa le bout d’une plume, ou le grosseur d’un poix, pour ainsi estre cachée en quelqu’endroit [sic], par des femmes ou petits garçons, qu’il y falloit disposer.

Constantijn vervolgt zijn relaas met de mededeling dat Amalia de gekunstelde kleine briefjes als uitsloverij opvatte en hem had verzocht daar onmiddellijk mee op te houden en haar normale brieven te schrijven. Dat vatte hij op als stank voor dank, het was immers geen ijdelheid maar noodzakelijkheid: Amalia had er op gestaan dat Constantijn haar zoveel mogelijk over alles op de hoogte zou houden, ook als verzending lastig was. Daarom had hij zijn best gedaan ze zo klein mogelijk te schrijven en ze zo op te vouwen dat ze niet groter waren dan een erwt. De datums en de plaatsen van verzending op de briefjes tonen aan dat ze verstuurd zijn op momenten dat het leger in lastige omstandigheden verkeerde, zo liet hij zijn zoons weten. Toen Constantijn zijn Mémoires schreef, was zijn hele correspondentie met Amalia via een van haar hofdames weer in zijn bezit gekomen, zodat zijn kinderen die met eigen ogen konden zien. Wrang detail: via een 19e-eeuwse veiling zijn alle brieven van Constantijn Huygens aan Amalia van Solms weer naar haar eigen archief teruggekeerd. 

En nu zijn deze kleine smokkelbriefjes dus ook in gedigitaliseerde vorm raadpleegbaar. In totaal zijn er 27 bewaard en onlangs zijn er in het Landeshauptarchiv Dessau ook nog twee opgedoken naast 48 ‘normale’ brieven van Huygens aan Amalia. 

Ineke Huysman, 27 augustus 2020.

Werken op het Koninklijk Huis Archief!

Afgelopen maandag liep ik voor het eerst richting het Koninklijk Huis Archief, pal naast Paleis Noordeinde in Den Haag. Ik werd bij het hek begroet door de marechaussee en mocht doorlopen naar het archief. Daar ging ik als onderdeel van mijn stage aan de slag met het helpen digitaliseren van de briefwisselingen van de stadhoudersvrouwen, en wat vond ik het leuk om even van dit moment gebruik te mogen maken! Niet alleen was het snikheet op mijn studentenkamer en bood het archief een aangename verkoeling, maar daarnaast vond ik het natuurlijk hartstikke spannend om op zo’n mooie plek te mogen werken. Eenmaal binnen stond ik versteld van alle pracht en praal: chique rode vloerbekleding, prachtig glas in lood en overal waar je kon kijken indrukwekkende schilderijen van voormalige vorsten. 

Ik kan met zekerheid zeggen dat werken op het Koninklijk Huis Archief mijn verwachtingen over een archief en werkplaats van een historicus op alle gebieden overtrof. Mijn werkplek bleek een prachtig oud gebouw vol met mooie schilderijen en andere chique decoraties, omringd een heerlijk rustige omgeving uitkijkend op de paleistuin, het mooiste plafond waar ik ooit onder heb mogen werken, en niet te vergeten natuurlijk: kilometers aan historisch bronnenmateriaal. De brieven zitten allemaal in gecategoriseerde mappen, verdeeld over archiefdozen. De brieven zijn stuk voor stuk prachtig: van het ingewikkelde handschrift tot de chique zegel op de envelop. Daarnaast is de inhoud van de brieven ook erg boeiend: briefwisselingen tussen roddelende familieleden, brieven van en naar boeren over landdisputen en allerlei aktes en politieke verslagen, het zat er allemaal tussen! Dat maakt het werk heel uitdagend maar ook spannend: je leest eigenlijk mee met iemands vertrouwelijke uitspattingen. Heerlijk voor iemand die zo nieuwsgierig is als ik!

Post uit Sint-Petersburg

In 1754 ontving Anna van Hannover deze bijzondere brief uit Sint-Petersburg. De brief is afkomstig van Tsarina Elisabeth en bevat een blijde gebeurtenis. Elisabeth schrijft aan Anna dat hun nicht, Catharina, grootvorstin van alle Russen, rond de voormiddag is bevallen van een zoontje, Paulus. Paulus zou in 1796 Tsaar van Rusland worden als Paul I. Zijn moeder zou ook een stempel op de geschiedenis achterlaten als Tsarina van Rusland, zij stond later bekend als Catharina de Grote. De brief is volledig geschreven in het Russisch, de bijgeleverde Duitse vertaling maakt het gelukkig een stuk makkelijker om de inhoud te ontraadselen.

Maria Louise van Hessen-Kassel en Johan Willem Friso

In de aanloop naar het huwelijk tussen Johan Willem Friso van Nassau-Dietz en Maria Louise van Hessen-Kassel vond er al veel briefcontact plaats tussen de aanstaanden. In deze brieven is goed terug te zien dat de vonk tussen de twee al was overgeslagen. In deze brief van 25 januari 1709, schrijft Johan Willem Friso dat hij hoopt de perfecte liefde en passie te geven aan de persoon met wie hij de rest van zijn leven zal delen. Op 26 april 1709 is het moment daar en kan hij deze wens in vervulling laten gaan.

Anna van Hannover: ‘Votre bon père, George R.’

In het archief van Anna van Hannover (1709-1751) in de Koninklijke Verzamelingen liggen zeven brieven van haar vader, George II van Groot-Brittannië (1683-1760). Deze brieven geven een bijzondere inkijk in de relatie tussen vader en dochter. 

De relatie tussen Anna en haar vader verliep van begin af aan stroef. “‘She was glad of opportunities to point out his [George II] faults and wherever these were small enough to admit it, she would magnify them and deepen the colours without caution’, zo schreef hoveling John Hervey (1696-1743) in zijn memoires over de koning. En deze gevoelens leken wederzijds: “I know I did not love my children when they were young”, zo schreef de koning aan een van zijn vertrouwelingen, “I hated to have them running into my room”. 

Hoewel deze gevoelens onderling bleven zouden beiden later toch op elkaar zijn aangewezen. Juist toen Anna’s echtgenoot, prins Willem IV (1711-1751), in oktober 1751 overleed en de prinses formeel werd benoemd tot eminent hoofd van de Republiek. 

Enkele dagen na het overlijden van de prins uitte George zijn medeleven aan zijn dochter in twee brieven die hij haar kort na elkaar schreef. “Twijfel niet aan het grote deel dat ik heb in uw leed (…) Houd altijd van mij, mijn lieve Anna, en wees altijd overtuigd dat u in mij een vader zal vinden die u innig koestert”. Hij schroomde echter niet hier toch ook een politieke noot aan toe te voegen: “U kunt verzekerd zijn”, zo schreef hij, “dat, omdat ik uw belangen zie als de mijne, ik altijd klaar sta om die te steunen”. 

-Simone Nieuwenbroek