Grootmoeders gift: munten voor Willem V

Willem V van Oranje-Nassau werd in 1748 geboren als erfstadhouder van de Nederlandse Republiek. Zijn vader, Willem IV, stierf toen hij drie jaar oud was. Eerst trad zijn moeder Anna van Hannover op als regentes. Na haar dood namen zijn grootmoeder Maria Louise van Hessen-Kassel en de hertog van Brunswijk het bestuur over. Pas op 8 maart 1766, toen hij meerderjarig werd, trad hij zelf aan.

De jonge prins ontwikkelde zich tot een echte liefhebber van oudheden, munten, fossielen, stenen, schilderijen, boeken en zelfs levende dieren. Zijn collecties liggen aan de basis van verschillende musea en bibliotheken die we nu nog kennen, waaronder Galerij Prins Willem V en de Koninklijke Bibliotheek. Die verzamelwoede van Willem werd al vroeg aangemoedigd door zijn grootmoeder in Leeuwarden.

Een bezorgde grootmoeder

Allegorisch medaillon ter gelegenheid van het herstel van stadhouder Willem V na een korte ziekte, 15 april 1763. Waakzaamheid en de Hollandse Maagd bij een altaar waarop een portret van de prins smeken Hygieia de prins te genezen, naar tekening van Jacob van der Schley, 1763, Rijksmuseum.

In april 1763 was Willem V vijftien jaar oud en herstellende van een flinke ziekte. Wat begon als een ‘rhume’, een verkoudheid, was in de loop van de maand uitgegroeid tot iets ernstigs, genoeg om hem wekenlang uit te schakelen. Dat het geen kleinigheid was, blijkt ook uit het feit dat het herstel publiekelijk werd herdacht: op 15 april 1763 verscheen een allegorisch gedenkmedaillon van de graveur Jacob van der Schley.

Terwijl men in Den Haag behoorlijk bezorgd was om de zieke prins, schreef zijn grootmoeder Maria Louise van Hessen-Kassel vanuit Leeuwarden op 2 april 1763 een briefje. Ze verontschuldigde zich voor de fouten in haar schrijven, ze had het in haast opgesteld. Ze hoopte dat Willem volledig hersteld zou zijn van zijn kwaal, en ze had iets voor hem: een handjevol antieke Spaanse munten die kort daarvoor waren gevonden bij graafwerkzaamheden voor de tuin van stadsbestuurder Reneman. De aardewerken pot was al grotendeels weggegooid, maar een scherf bleef bewaard en die stuurde ze mee als bewijs van herkomst.

Het geheel zou met het eerstvolgende beurtschip naar Den Haag vertrekken. De munten waren niet bijzonder zeldzaam, schreef ze, en waarschijnlijk minder indrukwekkend dan wat haar kleinzoon al in bezit had. Maar misschien vond hij het toch leuk ze te hebben en had hij er een plaatsje voor in zijn verzameling.

Eind april antwoordde Willem. Hij schreef dat dit zijn eerste brief was sinds zijn ziekte. In het eveneens bewaarde kladconcept schreef hij dat de lucht nog wat koud was en dat hij daarom nog niet naar buiten ging, maar dat hij hoopte binnenkort weer een rijtoer te maken en de zondag daarop de kerk te bezoeken. In de definitieve brief had hij die hele passage geschrapt. Wat overbleef was een hoffelijke prins die zijn grootmoeder bedankt. Hij zou de munten zou opnemen in zijn collectie als stukken die hem zeer kostbaar waren, omdat ze van haar kwamen.

Muntenverzameling

Al eerder, in juni 1762, had Maria Louise haar kleinzoon enkele Indische munten toegestuurd, die hij met trots een plek had gegeven in zijn eigen kabinet, zoals hij haar zelf liet weten. En in maart 1764 stuurde Maria Louise hem nog een Friese penning. Ze schreef dat ze, omdat het een zeldzaam stuk betrof, direct had gedacht dat het wel iets voor hem zou zijn.

De verzameling die de jonge prins opbouwde en waaraan zijn grootmoeder zo attent bijdroeg, bleef niet bijeen. In 1766 bracht Willem V zijn collectie onder in diverse panden rondom het Binnenhof. Toen het Franse leger in januari 1795 Nederland binnenviel, werd het grootste deel als oorlogsbuit naar Parijs afgevoerd. Wat achterbleef werd geveild. Een deel van de muntenverzameling keerde na 1815 terug en vormde de basis van het Koninklijk Penningkabinet. Via latere institutionele veranderingen maakt dit materiaal nu deel uit van de Nationale Numismatische Collectie bij De Nederlandsche Bank. Of die Spaanse munten uit Leeuwarden uit april 1763 ooit hun weg in deze verzamelingen hebben gevonden, is onbekend.


De correspondentie van Marie-Louise van Hessen-Kassel komt binnenkort online in het kader van het digitaliseringsproject brieven van de Hollandse en Friese stadhoudersvrouwen, een samenwerking tussen het Huygens Instituut en Koninklijke Verzamelingen Den Haag.