Blog

In de voetsporen van Diederik van Sonoy

Op uitnodiging van baron Bernard de Snoy et d’Oppuers togen wij naar het kasteel Bois-Seigneur-Isaac in de gemeente Eigenbrakel (België) om onderzoek te doen in het gigantische archief van de familie Snoy, in het bijzonder in de papieren nalatenschap van geuzenleider Diederik van Sonoy (1529-1597). Ons bezoek aan deze prachtige historische omgeving had tot doel om vanuit onze een eigen interesse te kijken of we iets van onze gading konden vinden: Nina Lamal (Huygens Instituut/NL-Lab): boekgeschiedenis en vroegmoderne diplomatieke relaties; Clodagh Murphy (Universiteit Leiden): het secretariaat van de Engelse koningin Elizabeth I Tudor; Ineke Huysman (Huygens Instituut/NL-Lab): correspondentie Willem van Oranje en in het bijzonder de echtgenotes van stadhouders zoals die van Willem van Oranje.

Josse van Sonoy, Anoniem, kasteel Bois-Seigneur-Isaac. Foto: Ineke Huysman

Diederik van Sonoy had een oudere broer, Joost of Josse (1523-1584), die katholiek bleef tijdens de Opstand en van wie de huidige baron Bernard de Snoy et d’Oppuers een directe nazaat is. Zo kwam het dat de papieren van Diederik en zijn verwanten in het privé-archief van de familie Snoy op het Kasteel Bois-Seigneur-Isaac in België worden bewaard en wij de gelegenheid kregen om in diens archief onderzoek te doen. Reeds eerder werden twaalf brieven gewisseld tussen Willem van Oranje (1533-1584) en Diederik van Sonoy gevonden in dit archief, waarvan er in 2022 één werd gepubliceerd in Willem van Oranje in brieven. De opstand in 1572 (red. Marianne Eekhout, Ineke Huysman, Henk van Nierop, Judith Pollmann en Johan Visser).

Diederik van Sonoy

Diederik van Sonoy was een belangrijke militaire en bestuurlijke figuur uit de Nederlandse Opstand. Zijn rol in de verdediging van Alkmaar in 1573 wordt vaak geroemd als een keerpunt in de strijd tegen de Spaanse overheersing tijdens de Tachtigjarige Oorlog.

Geboren rond 1529 in Kalkar, Duitsland, ondertekende Sonoy het smeekschrift der Edelen en vocht hij al in 1568 voor de opstandelingen en Willem van Oranje tegen het Spaanse leger. Oranje benoemde  Sonoy in 1572 tot gouverneur van het Noorderkwartier en bezorgde hem hiermee een belangrijke strategische positie in de strijd. Sonoy speelde een actieve rol in het veroveren van Medemblik in 1572 en het ontzet van Alkmaar (1573). Sonoy was een vastberaden verdediger van het protestantisme in de strijd, maar hij was bovenal ook een meedogenloze krijgsheer die enorm repressief te werk ging tegen katholieken en andere tegenstanders.

Diederik van Sonoy, Anoniem, kasteel Bois-Seigneur-Isaac. Foto: Ineke Huysman

Naarmate de situatie in de Nederlanden veranderde, raakte Sonoy politiek geïsoleerd. Nadat hij samen met Leicester een mislukte coup had gepland, werd hij in 1588 afgezet als gouverneur van het Noorderkwartier. Hij trok zich terug uit het openbare leven en overleed in 1597 in Pieterburen, waar hij begraven ligt in de Petruskerk. Van deze belangrijke figuur uit de Opstand bestaat er nog geen moderne biografie.

Verder lezen: Henk van Nierop, Het verraad van het Noorderkwartier (1999).

Archief

Omdat wij alle drie vroeg-modernisten zijn, beperkte ons onderzoek zich vooral tot de papieren en boeken rondom Diederik van Sonoy. Wat troffen wij bijvoorbeeld aan tussen de honderden documenten van Diederik en zijn tijdgenoten? Een kleine selectie met enkele hoogtepunten, die uitnodigen tot veel meer verder onderzoek:

  • Een brief van Charlotte de Bourbon (1546/47-1582), de derde echtgenote van Willem van Oranje, uit Delft van 19 maart 1576 aan Maria van Malsen (?-1584), eerste echtgenote van Diederik van Sonoy. Charlotte bedankt Maria voor de haar toegezonden ‘toile de Hollande’, het zogenaamde ‘Haarlems wit’: ruw, veelal geïmporteerd linnen dat in de blekerijen rondom Haarlem gebleekt werd.
  • Brieven van Robert Dudley (1532-1588), graaf van Leicester aan Diederik van Sonoy (originelen en contemporaine kopieën). Na de moord op Willem van Oranje in 1584 was Leicester in 1585 door koningin Elizabeth I van Engeland naar de Nederlanden gestuurd als haar speciale gezant en opperbevelhebber van de Engelse troepen die de Nederlanders moesten bijstaan in hun strijd tegen de Spaanse overheersing. Dit liep min of meer uit op een fiasco. Na het gedwongen vertrek van Leicester uit de Nederlanden in 1587 weigerde Diederik Sonoy trouw te zweren aan Maurits als nieuwe stadhouder.
  • Brieven van Maurits van Nassau (1567-1625) aan Diederik van Sonoy. In 1585 werd de 18-jarige Maurits van Nassau benoemd tot stadhouder van Holland en Zeeland en kapitein-generaal van de troepen. De brieven van Maurits aan Sonoy, ondertekend met ‘uw goede vrunt’, dateren uit de periode 1586- februari 1588, dus nog vóór het Beleg van Medemblik, toen prins Maurits namens de Staten van Holland vocht tegen Sonoy, die werd geassisteerd door Engelse soldaten.
  • Brieven van Christiaan Huygens senior (1551-1624) aan Diederik van Sonoy. Christiaan Huygens senior (de vader van Constantijn Huygens) stuurde zijn brieven aan Sonoy in zijn hoedanigheid van secretaris van stadhouder Maurits en van de Raad van State.
  • Brieven van koningin Elizabeth I van Engeland aan Diederik van Sonoy (contemporaine kopieën). Dankzij zijn eerdere verdiensten en vooral de bemiddeling door koningin Elizabeth I van Engeland ontving Diederik van Sonoy van de Staten van Holland na zijn ontslag toch nog een jaarlijks pensioen van 1.000 pond. Na zijn overgave bij Medemblik in 1588 stak hij met zijn familie over naar Engeland, waar hij enige tijd verbleef om wat land dat hem door Elizabeth I was toegekend te ontginnen. De brieven van Elizabeth aan Sonoy zijn kopieën vervaardigd door jonkheer Lambert IV van Sonoy (1574-1640), een zoon van Josse. Lambert was kanunnik te Utrecht en had een grote historische en genealogische belangstelling. Lambert kopieerde niet alleen zorgvuldig de briefwisseling tussen Elizabeth en Diederik aan de hand van bekende contemporaine geschiedenissen over de Nederlandse Opstand zoals Pieter Bor, hij compileerde ook zorgvuldig eigen overzichten van de militaire acties en het leven van zijn oom.

  • Tenslotte verdient ook een bijzonder exemplaar van La genealogie des illustres comtes de Nassau, samengesteld en uitgegeven door Jan Orlers in Leiden in 1615 aandacht. Onderdeel van de laurierkrans was dit werk bedoeld als een lofzang op Maurits van Nassau en zijn vele militaire overwinningen, waarin onder andere ook het Beleg van Medemblik in 1588 wordt beschreven. Dit specifieke deel van het werk is uitgebreid door Lambert geannoteerd met handgeschreven opmerkingen en rode onderstrepingen (zie de twee onderstaande afbeeldingen). Met zijn annotaties probeert Lambert het narratief te corrigeren en aan te geven dat Diederik geen opstandige verrader was van de Republiek maar altijd eerlijk en eervol had gehandeld.  

Nieuw onderzoek

Dit waren maar enkele voorbeelden uit het archief van de familie Snoy. Alleen al rond Diederik van Sonoy zijn er honderden nog niet eerder bestudeerde documenten die bij nadere bestudering nieuw inzicht kunnen geven in de geschiedenis van de laatste decennia van de 16e eeuw en ook het netwerk van Diederik van Sonoy beter in kaart kunnen brengen. Bovendien zijn deze brieven  en andere teksten van en over Diederik in dit familiearchief geen toevallig overgeleverde documenten maar met zorg door Lambert samengebracht en gebonden in volumes, al drie jaar na de dood van Diederik. Het is erg interessant om verder te onderzoeken hoe Lambert te werk ging als historicus en na te gaan hoe zijn verschillende identiteiten, als een katholiek en familielid, met elkaar verzoende om zijn streng gereformeerde oom Diederik te rehabiliteren.

Wij hebben ons nu beperkt tot Diederik van Sonoy, maar in dit archief bevinden zich tienduizenden documenten van de familie Snoy-Oppuers, een ware goudmijn en voor elk wat wils. Onlangs verscheen er van de hand van Jean-François Houtart een prachtig boek over de geschiedenis van de familie Snoy, een echte aanrader voor iedereen die geïnteresseerd is in deze belangrijke adellijke familie.

La Famille Snoy, tôme I et II, Jean-François Houtart (Bois-Seigneur-Isaac 2021)

Rondleiding

Daarnaast genoten wij van de gastvrijheid van baron en zijn echtgenote en kregen we een speciale rondleiding in en rond de bezittingen van de familie de Snoy-Oppuers: het eeuwenoude kasteel van Bois-Seigneur-Isaac, de kerk Notre-Dame de Grâce et de Consolation et du Saint Sang en het klooster Saint-Charbel.

Ineke Huysman, Nina Lamal en Clodagh Murphy, juli 2023

Werken met Transkribus: de brieven van Douwe Sirtema van Grovestins aan Maria Louise van Hessen-Kassel

In de periode april tot en met juni 2023 liep Lotte van der Linden (masterstudent aan de Radboud Universiteit Nijmegen) stage bij het stadhoudersvrouwen project. In dit artikel schrijft zij over het werken met de EMLO database en het gebruik van Transkribus. Eerder schreef zij een blog over de briefwisseling van Anna van Hannover en Willem IV.

Gedurende mijn stage heb ik me mogen verdiepen in de correspondenties van Anna van Hannover (1709-1759) en Maria Louise van Hessen Kassel (1688-1765), respectievelijk de vrouw en moeder van stadhouder Willem IV. Mijn voornaamste taak daarbij was het invoeren van de metadata van hun inkomende en uitgaande brieven. Beide stadhoudersvrouwen correspondeerden met een groot aantal hoogstaande Europese edelen: van eigen gezinsleden tot secretarissen en legerleiders. Maria Louise werd 77 jaar en was tot het einde van haar leven nauw betrokken bij staatszaken: tweemaal oefende zij de functie van regentes van de Republiek uit: eerst toen haar man, Johan Willem Friso van Nassau-Dietz, vroegtijdig stierf terwijl ze zwanger was van haar zoon, de latere stadhouder Willem IV. Vanaf Willems geboorte in 1711 tot 1731 nam ze de bestuurlijke taken van de stadhouder over. Maria Louises tweede regentschap ging in toen zowel haar zoon Willem, als diens vrouw Anna, stierven voordat haar kleinzoon Willem Batavus (de latere stadhouder Willem V) meerderjarig was. Deze functie voerde ze uit tot haar dood in 1765. Maria Louises correspondentie was dus vanzelfsprekend erg groot.

Early Modern Letters Online

Veel van Maria Louises correspondentie was al gedigitaliseerd, dat wil zeggen, de scans van de oorspronkelijke documenten waren al gemaakt. Deze kon ik vanaf mijn eigen laptop oproepen als PDF-bestand. Op basis hiervan kon ik aan de slag met het invoeren van de metadata in EMLO, Early Modern Letters Online. Met metadata wordt simpelweg de basisinformatie in een brief bedoeld: de afzender, geadresseerde, datum, plaats, taal, het inventarisnummer op basis waarvan de brief gevonden kan worden in het Koninklijk Huisarchief, en de link naar een online PDF-bestand. Dit wordt allemaal met de hand ingevoerd zodat onderzoekers de beschikbare brieven makkelijk kunnen filteren op het onderwerp van hun interesse: een bepaalde auteur, een bepaald tijdsbestek, enzovoort.

Douwe Sirtema van Grovestins

Soms kwam het voor dat een correspondent slechts één enkele brief gestuurd had naar Maria Louise. Bij een moeilijk leesbaar handschrift was het dan nog best wel eens puzzelen wie deze correspondent precies was. Soms kwam het echter ook voor dat een correspondent wel meer dan honderd brieven stuurde of ontving. Het ging dan vaak om functionarissen aan het hof van Maria Louise of aan dat van haar zoon en schoondochter. Eén van die functionarissen was Douwe Sirtema van Grovestins (1710-1778). In de correspondentie van Maria Louise bevonden zich wel 245 ingekomen brieven van Grovestins.

Grovestins was een zoon van Jan of Johannes Sirtema van Grovestins, een Friese jonker die dienst had gedaan in het leger van de Republiek en bovendien kamerheer was geweest aan het hof van Maria Louise. Grovestins trad in de voetsporen van zijn vader en werd kamerheer aan het Stadhouderlijk Hof van prins Willem IV. Na Willems dood bleef hij in dienst bij zijn weduwe Anna. Hij was een belangrijk lid van de Friese adel en was voornamelijk populair bij Anna. Tijdens Willems stadhouderschap en na zijn dood was hij een van haar meest naaste vertrouwelingen. Grovestins is ook een interessante figuur omdat er wilde geruchten de ronde deden over zijn band met Anna. Volgens sommigen zou niet Willem, maar hij de vader zijn van Anna’s zoon en de latere stadhouder Willem V. Het is onduidelijk door wie, wanneer en op basis waarvan de geruchten verspreid werden. Wat zeker is, is dat Grovestins niet bij iedereen geliefd was. Ondanks dat verschillende historici geprobeerd hebben om de geruchten te ontkrachten dan wel bevestigen, leveren sommige details van Grovestins’ leven voor historici nog altijd veel vraagtekens op.

Detail van een portret van Douwe Sirtema van Grovestins (1710-1778), Rijksbureau voor Kunsthistorische Documentatie, Public domain, via Wikimedia Commons

Om meer inzicht in Grovestins’ levensloop en karakter te verkrijgen, is het nuttig om zijn correspondentie in meer detail te bekijken dan slechts de metadata. Zijn correspondentie kan bovendien veel informatie bevatten over het stadhouderspaar en hun hofhouding, gezien zijn nauwe samenwerking en hechte band met Anna en Willem. Daarbij kan de correspondentie tussen Maria Louise en Grovestins licht werpen op de rol van Maria Louise als moeder en oma, gezien het feit dat zij bekend stond als zeer betrokken bij haar gezin. Tussen de familieleden bestond enige afstand omdat Willem vaak op reis was. Bovendien was hij na zijn benoeming tot stadhouder van alle Nederlandse gewesten met zijn gezin naar Den Haag verhuisd, terwijl Maria Louise zich in het Princessehof te Leeuwarden gevestigd had. Logischerwijs was ze dan ook maar al te benieuwd hoe het haar zoon, schoondochter en kleinkinderen in Den Haag verging.

Transkribus

Het lezen van 245 brieven is tijdrovend en bovendien had Grovestins niet het makkelijkst leesbare handschrift. Toch was ik benieuwd naar de inhoud en naar de werking van een handschrift- en tekstherkenningsprogramma zoals Transkribus. Transkribus is een platform dat door middel van AI-technieken handgeschreven tekst kan transcriberen met één muisklik. Voor onderzoekers is dit een praktisch hulpmiddel, omdat het brieven in allerlei verschillende talen en handschriften leesbaar kan maken en bovendien handige databases kan creëren waarin in één oogopslag duidelijk wordt wat voor onderwerpen en wat voor taalgebruik gebruikt werden door een bepaalde correspondent. Dit kan interessante resultaten opleveren voor kwalitatief en kwantitatief onderzoek, zoals blijkt uit dit onderzoeksartikel ‘Balancing between Mother and Wife: The Private Correspondence of Stadtholder Willem IV of Orange-Nassau (1711-1751)’, dat inzicht biedt in het verschil in taalgebruik tussen correspondentie van Willem met zijn moeder en correspondentie met zijn vrouw.

In de praktijk is het werken met Transkribus wel iets ingewikkelder dan die ene muisklik. Het praktische aan Transkribus is dat er binnen het programma al verschillende tekstherkenningsmodellen bestaan die je kan gebruiken voor jouw onderzoek. Zo zijn er bijvoorbeeld algemene ‘18th century French’ modellen, of modellen voor verschillende vormen van het ingewikkelde Duitse Kurrentschrift. Echter, niet al deze modellen kunnen zomaar van iedere brief foutloze transcripties fabriceren. Voor specifieke handschriften is het daarom het meest nuttig om zelf een model te ontwerpen en te trainen om tot bruikbare en correcte transcripties te komen. Dat gaat als volgt: van een groot aantal brieven, kies je er een aantal uit die je handmatig transcribeert. Zo leert het programma – en jijzelf tegelijkertijd – het handschrift kennen. Op basis hiervan maak je een model dat je kan projecteren op de rest van de brieven.

Het proces

Zelf transcribeerde ik bij de eerste poging tien brieven (samen ongeveer 35 pagina’s), verdeeld over de periode dat er brieven van Grovestins zijn. Een aantal lastige kwesties deden zich al direct voor. Vroegmodern Frans – Grovestins en Maria Louise correspondeerden uitsluitend in het Frans – is natuurlijk anders dan het moderne Frans dat ik geleerd heb. Ik moest wennen aan veel vroegmoderne spellingswijzen, zoals het gebruik van de y in plaats van de i die in de moderne Franse taal gebruikt wordt (‘aussy’ in plaats van ‘aussi’). Of het gebruik van oi in plaats van ai (‘avoit’ in plaats van ‘avait’). Bovendien was er in de achttiende eeuw nog niet zoiets als een officieel erkende spelling en was Grovestins ook niet consistent in de spelling die hij gebruikte. Hij gebruikte accenten, zoals het accent aigu (é), soms wel en soms niet. Soms schreef hij een woord met een dubbele klinker, maar soms vond hij eentje genoeg: zoals bij het woord ‘l’honneur’, dat Grovestins in totaal 129 keer spelde als ‘lhoneur’ en 125 keer als ‘lhonneur’. Grovestins maakte het daarbij erg moeilijk omdat zijn handschrift soms echt te slordig was. Gaandeweg leerde ik zijn uitgeschoten krulletjes en onafgemaakte letters wel kennen, maar bepaalde woorden bleven lastig. Ook Transkribus had het hier moeilijk mee. Het eerste model aan de hand van de tien brieven was daarom ook niet goed genoeg. Dit eerste model ben ik daarom gaan verbeteren door de gemaakte transcripties te verbeteren en nog eens tien brieven, waar het eerste model alvast op geprojecteerd was, te transcriberen en verbeteren. Op basis hiervan werd er een tweede model gemaakt.

Mijn beeldscherm terwijl ik werk in de webversie van Transkribus. Met de achttiende-eeuwse spelling die Grovestins gebruikte omcirkeld (accenten en het gebruik van ‘oi’ in plaats van ‘ai’). Voor de gehele brief, zie https://resources.huygens.knaw.nl/media/stadhoudersvrouwen/mlvanhessenkassel/A28-106_026.pdf.

Resultaten

Het tweede model was beter dan het eerste: de character error rate (CER) was nu maar 1,6% vergeleken met het eerdere percentage van 11,9% van het eerste model. Het CER percentage laat zien hoeveel karakters (dat wil zeggen: letters, interpunctie, spaties) het tekstherkenningsmodel in verhouding verkeerd heeft getranscribeerd. Het model was echter nog steeds niet perfect, zo laten de resultaten van de transcripties zien. Aan de hand van een geëxporteerde lijst van de gebruikte woorden in de brieven, leken veel woorden vrij accuraat getranscribeerd te zijn. De meest voorkomende woorden waren sowieso makkelijk herkenbaar voor Transkribus. Zo had Grovestins bijvoorbeeld een vaste afsluiting voor zijn brieven, waar hij maar zelden van afweek: ‘Madame, De VAS [Votre Altesse Sérénissime], le très humble et tres obéïssant serviteur, Grovestins.’

Fragment uit een brief van Grovestins aan Maria Louise, met zijn vaste afsluiting, onnauwkeurig gedateerd, via https://resources.huygens.knaw.nl/media/stadhoudersvrouwen/mlvanhessenkassel/A28-106_008.pdf.

Ook waren er veel zaken waar Grovestins zodanig vaak verslag over uit bracht, dat Transkribus hier weinig moeite mee had. De woorden ‘Altesses’ (hoogheden), ‘Prince’ en ‘Princesse’ kwamen bijvoorbeeld vaak voor. Ook de naam van Maria Louises kleindochter ‘Caroline’ (ook wel Carolina) kwam ook terug in de lijst met meest voorkomende woorden. Ook locaties werden meestal accuraat herkend door Transkribus: La Haye (Den Haag), Leyde (Leiden) en Breda bijvoorbeeld. Soms ging dit ook nog wel eens mis: bij Bergen op Zoom dacht Transkribus vaak nog iets anders te lezen: ‘Bergenoploom’, ‘Bergenepoom’, ‘Bergengloom’ en zelfs ‘Bergen qu doom’ kwamen voorbij. Naarmate meer nauwelijks voorkomende woorden bekeken werden, bleek dat daar ook nog veel foutjes in zaten, vooral bij moeilijk voorspelbare zaken of namen. In de lijst stonden bijvoorbeeld achtereenvolgens de woorden ‘Wolfabattel’, ‘Wolfembile’ en ‘Wolfembutte’: woorden die in eerste instantie wartaal lijken. Hoe slim AI tegenwoordig ook is, Transkribus kon hier niet achterhalen dat Grovestins het hier waarschijnlijk had over de familienaam Van Brunswijk-Wolfenbüttel-Bevern, een adellijke familie die door heel Europa connecties had. De invloedrijke hertog Lodewijk Ernst van Brunswijk-Wolfenbüttel, die Grovestins in ten minste één van de brieven noemt, werd na de dood van Willem IV opperbevelhebber van het leger van de Republiek en na Anna’s dood voogd van de toekomstige Willem V. De hertog van Brunswijk zou rond het jaar 1760 een grote rol gespeeld hebben in het vertrek van het hof van Grovestins. Dit alles komt echter niet ter sprake in de brieven aan Maria Louise; waarschijnlijk omdat de brieven voor deze tijd geschreven en verstuurd werden. Naast de hertog (duc) wordt ook een prince (ook wel foutief getranscribeerd door Transkribus als pance) van Wolfenbüttel genoemd; waarmee niet alleen Lodewijk Ernst bedoeld kan worden, maar ook één van zijn broers.

Een woordwolk van de woorden die Grovestins gebruikte in zijn brieven aan Maria Louise. Hoe groter een woord, hoe vaker het gebruikt werd. Via wordclouds.com.

De inhoud van de brieven

Op basis van de meest voorkomende woorden – te vinden in een tabel aan het einde van dit artikel – kunnen we stellen dat Grovestins op een respectvolle en beleefde manier correspondeerde met Maria Louise. De complete transcripties bieden meer inzicht. Hierin viel op dat Grovestins een grote variëteit aan nieuwtjes deelde met Maria Louise. Wanneer hij zich bevond aan het hof, rapporteerde hij over de gezondheid van het stadhoudersgezin: over het gestel van Willem IV, zwangerschappen van Anna en, toen hun kinderen eenmaal geboren waren, werd ook de ontwikkeling van kleine Carolina en Willem besproken. Grovestins was voor Maria Louise echter ook een bron voor militaire nieuwtjes. Regelmatig schreef hij over troepen die gestationeerd waren in de Republiek, vaak in Breda of Bergen op Zoom. Omdat Grovestins zijn brieven helaas bijna nooit accuraat dateerde – überhaupt niet of met enkel de dag en maand, zonder jaartal – is dit soort informatie zeer bruikbaar voor het maken van een schatting voor de datering en contextualisering van de brief. De regio bij Breda en Bergen op Zoom was een belangrijk strijdtoneel ten tijde van de Oostenrijkse Successieoorlog (1740-1748). Het is dus aannemelijk dat een aantal van de brieven deze periode beschreven of in ieder geval in deze periode geschreven werden.

‘Afbeelding van de bombardeering der stad Bergen op den Zoom, door de Franschen, op den 1e. Augustus des jaar 1747’. Onderdeel van de reeks met tien gezichten van de ruïnes na het beleg en de verwoesting van Bergen op Zoom door de Fransen in juni-september 1747. Door Simon Fokke, 1772. Rijksmuseum, via http://hdl.handle.net/10934/RM0001.COLLECT.110963.

Naast internationale oorlogen rapporteerde Grovestins ook over binnenlandse onrust. In 1748, net na de geboorte van Willem, brak in Groningen een opstand uit die zich zou verspreiden naar andere steden in de Republiek. De opstand kwam bekend te staan als het Pachtersoproer, waarin de bevolking in opstand kwam tegen de hoge en ongelijk verdeelde belastingen die geïnd werden door zogenaamde belastingpachters. Ook werd er door de opstandelingen onvrede uitgesproken over de grote macht van de regenten. Verschillende steden richtten zich tot de stadhouder voor bescherming. Grovestins speelde zelf ook een rol in het bestrijden van de opstanden. Toen de onrust zich van het noorden van het land ook verspreid had naar Holland, werd hij naar Haarlem gestuurd om de rust te herstellen. In deze brief, waarschijnlijk geschreven tijdens of vlak na deze periode, vertelt Grovestins Maria Louise onder andere over de ontwikkelingen omtrent het oproer:

Madame,

Non obstant la grande foiblesse S.A.S. cest fait porter mercredi passé dans lassemble dhollande pour y donner son avis pour les troubles presentes. Elle ne en été qu’un moment et c’est recouché l’instant après, fort fatigué. Depui ce temps S.A.S. continue a se remettre est sans fièvre, mais l’apetit va pas encor bien. Elle est pourtant levé presque toute les journées et a quantité de diares à essuier. La tranquillité est renus à La Haye mais les maisons de la pluspart des pagters abatu. Cependant on continue a payer les pagten à dautres pour que le bien public n’en souffre pas. S.A.S. ira peut-être coucher cette nuit à la maison Du Bois affin d’y être plus tranquil et à son aise à cause de la grande chaleur qu’il fait. S.A.R. et le jeun prince et princesse se portent très bien.

Dans Leyde les pagten sont abolli provisionellement. Dans Amsterdam et Rotterdam on est encor tranquil.

Jai l’honneur d’être avec un profond respect,

Madame, de VAS,

le très humble et tres obéïssant serviteur,

Grovestins

Vertaling:

Mevrouw,

Ondanks zijn zwakte kwam Zijne Doorluchtige Hoogheid afgelopen woensdag naar de Statenvergadering in Holland om zich daar uit te spreken over de huidige onrust. Hij was er slechts kort en ging daarna onmiddellijk terug naar bed, oververmoeid. Sindsdien is hij herstellende en heeft geen koorts meer, maar met de eetlust gaat het nog steeds niet goed. Toch komt hij bijna elke dag uit bed en heeft hij veel diarree. In Den Haag is de rust wedergekeerd, maar de huizen van de meeste pachters zijn vernield. Intussen blijft men de pachten aan anderen  betalen, zodat het algemeen belang er niet onder lijdt. Zijne Doorluchtige Hoogheid zal vannacht misschien in Huis ten Bosch gaan slapen, zodat hij meer op zijn gemak zal zijn en rustiger kan slapen vanwege de extreme hitte. Met Hare Koninklijke Hoogheid en de prins en prinses gaat het heel goed.

In Leiden zijn de pachten voorlopig afgeschaft. In Amsterdam en Rotterdam is het nog rustig.

Het is mij een eer uw zeer nederige en getrouwe dienaar te zijn,

Grovestins

Hoe nu verder?

De resultaten van de training van het model laten zien dat er nog veel aan te verbeteren valt. Het transcriberen van meer brieven en het verbeteren van de brieventranscripties waar het model al op geprojecteerd was, zouden kunnen leiden tot een nog nauwkeuriger model. Toch zullen sommige brieven waarschijnlijk blijvend problemen opleveren voor Transkribus, gezien de grammaticale fouten en onnauwkeurigheden die Grovestins zelf maakte. Deze zijn moeilijk te voorspellen voor een AI programma. Echter, nu er een begin gemaakt is aan een model voor de herkenning van Grovestins’ handschrift, wordt het des te interessanter om ook de rest van zijn correspondentie te bekijken. Zijn correspondentie met Anna van Hannover wekt bovenal interesse, gezien de geruchten over hun intieme relatie. De mogelijkheden die Transkribus biedt zouden wellicht ingezet kunnen worden om nieuw licht te werpen op de band tussen Anna en Grovestins. Daarnaast zou het waardevol zijn om alle andere bekende correspondentie van Grovestins met dit Transkribusmodel van zijn handschrift te ontsluiten, te verbeteren en te annoteren.

Bijlage: de 100 meest voorkomende woorden in de brieven van Grovestins aan Maria Louise.

 WoordVerbeterde/ hedendaagse spellingVertalingAantal keer gebruikt
1.trestrèsheel662
2.madamemevrouw468
3.vasV.A.S. (Votre Altesse Sérénissime)Uwe Doorluchtige/ Serene Hoogheid (aanspreekvorm voor Maria Louise)439
4.jaij’aiik heb315
5.sasS.A.S. (Son Altesse Serenissime)Zijne Doorluchtige/ Serene Hoogheid (aanspreekvorm voor Willem IV)304
6.princeprins299
7.leurshun, hunne252
8.detred’êtreom te zijn224
9.grovestinsGrovestins(eigen naam)222
10.biengoed215
11.humblenederig211
12.obeissantobéissantonderdanig, trouw, gehoorzaam187
13.plusmeer175
14.serviteurdienaar170
15.altesseshoogheden, vorsten163
16.eteétégeweest (ww), (of: zomer (znw))158
17.haye(La) Haye(Den) Haag155
18.uneeen153
19.encorencorenog152
20.hiergisteren134
21.lhoneurl’honneurde eer129
22.onthebben (derde persoon meervoud)126
23.lhonneurl’honneurde eer125
24.fairedoen, maken118
25.quilqu’ildat hij115
26.profonddiep, diepgaand112
27.duned’unevan een111
28.respectrespect111
29.serazal, zal zijn, wordt109
30.fortzeer, sterk, fort (znw), kracht (znw)108
31.cestc’esthet is104
32.deuxtwee101
33.heuresuur, uren97
34.sarS.A.R. (Son Altesse Royale)Hare Koninklijke Hoogheid (aanspreekvorm voor Anna van Hannover)97
35.joursdagen95
36.matinochtend88
37.beaucoupveel87
38.dieugod85
39.jusquestot82
40.tempstijd, weer (znw)82
41.soiravond81
42.avoitavaithad78
43.cettedeze (v)77
44.apresaprèsna, nadat76
45.princesseprinses76
46.etoitétaitwas75
47.jouissentgenieten (derde persoon meervoud)73
48.graces (a Dieu)grâce a Dieugoddank, godzijdank72
49.suisben (ww)71
50.mememêmezelfs, zelfde70
51.jourdag69
52.v.asV.A.S. (Votre Altesse Sérénissime)Uwe Doorluchtige/Serene Hoogheid69
53.(se) portentzich gedragen, het (goed/slecht) maken68
54.ainsievenals, zoals, aldus67
55.etatsétatsstaten64
56.jesperej’espèreik hoop64
57.bonnegoed (v)63
58.etreêtrezijn62
59.resteblijft (ww), rest (znw)62
60.toutealle62
61.courhof61
62.luihem60
63.(se) porte/portevoltooid deelwoord porter: portégedraagt zich, maakt het (goed/slecht) / draagt, gedragen, brengt, gebracht59
64.quelqueeen, enkele59
65.villestad59
66.carolineCarolineeigen naam, kleindochter van Maria Louise57
67.femmevrouw57
68.nestn’estis niet57
69.nouvellesnieuws (znw), nieuwe (bnw)57
70.parfaiteperfect57
71.voirzien57
72.auxaan, op, tot56
73.santégezondheid56
74.passévorige, afgelopen55
75.aurazal hebben, zal zijn54
76.respectueusementeerbiedig, met alle respect54
77.affin (que)afin quezodat, opdat53
78.maisonhuis53
79.presprèsdichtbij, bijna53
80.royroikoning51
81.demainmorgen50
82.mieuxbeter50
83.postepost50
84.causeoorzaak49
85.cetdeze49
86.grandgroot (m)49
87.arivéarrivéaankomst (znw), gearriveerd (ww)47
88.dejadéjàal, reeds47
89.grandegroot (v)47
90.francoisfrançoisFrans43
91.voiagevoyagereis43
92.mrs (messieurs)heren (afkorting)42
93.croisgeloof (ww), denk41
94.quonqu’ondat men41
95.santesantégezondheid40
96.made (madame)mevrouw (afkorting)39
97.contecomtegraaf38
98.lettrebrief38
99.mandeverzoek (znw), verzoek (ww)38
100.nouveaunieuw37

Literatuur

Beaufort, Willem Hendrik de, ‘De Hertog van Brunswijk’, De Gids 56 (1892), 311-362, geraadpleegd van DBNL via https://www.dbnl.org/tekst/_gid001189201_01/_gid001189201_01_0013.php

Ineke Huysman, ‘Balancing between Mother and Wife: The Private Correspondence of Stadtholder Willem IV of Orange-Nassau’ in: Michaël Green en Ineke Huysman (eds.), Private Life and Privacy in the Early Modern Low Countries (wordt gepubliceerd in 2023, Brepols, Turnhout).

Jagtenberg, Fred, Willem IV. Stadhouder in roerige tijden, 1711-1751 (Nijmegen 2018).

Prak, Maarten R., ‘Burgers in beweging. Ideaal en werkelijkheid van de onlusten te Leiden in 1748’, BMGN-Low Countries Historical Review 106:3 (1991), 365-393.

Lotte van der Linden, juli 2023


Een toegewijde en ambitieuze echtgenote: de brieven van Anna van Hannover aan stadhouder Willem IV

Ondanks de politieke huwelijksovereenkomst tussen de Britse kroonprinses Anna van Hannover en de Nederlandse Willem Karel Hendrik Friso, de latere stadhouder Willem IV, bloeide er al gauw iets moois op tussen de twee. Vanaf het moment van hun verloving schreven de twee geregeld brieven naar elkaar, die inzicht geven in een bloeiende, liefdevolle verbintenis. Hun relatie was bovendien bijzonder omdat ze naast liefde ook een intellectuele en politieke bondgenoot in elkaar vonden. Anna stond Willem bij in zijn stadhouderlijke verplichtingen tot zijn vroegtijdige en onverwachte dood na een bezoek aan kuuroord Aken.

Een strategisch huwelijk

Anna en Willem trouwden op 25 maart 1734 op respectievelijk 24- en 22-jarige leeftijd. Willem was op dat moment alleen nog stadhouder van Friesland, Groningen, Gelre en Drenthe. De huwelijksovereenkomst werd gesloten uit politieke overwegingen. Als de eerstgeboren dochter van het Britse koningspaar George II en Caroline van Brandenburg-Ansbach was het van groot belang dat Anna trouwde met een man van prominente adellijke status in Europa. Anna, die met haar 23 jaar al behoorlijk op leeftijd was toen de huwelijksonderhandelingen goed op gang kwamen, had vier jongere zusjes die traditiegetrouw geen man mochten trouwen wiens status de status van Anna’s huwelijkspartner overtrof. Bovendien moest er gedacht worden aan de religieuze achtergrond van haar potentiële huwelijkspartner: aangezien het Huis Hannover dankzij protestantse geloofsovertuigingen aan de macht was gekomen in Groot-Brittannië, was het wenselijk dat ook Anna’s partner protestants opgevoed was.

Een vooraanstaande protestantse edelman werd gevonden in Willem Karel Hendrik Friso, stadhouder van Friesland en zoon van de overleden Johan Willem Friso van Nassau-Dietz en Maria Louise van Hessen-Kassel. De adellijke status van Willem was niet zo voornaam als die van een eerdere potentiële huwelijkskandidaat: de jonge koning Lodewijk XV van Frankrijk. In tegenstelling tot Lodewijk, een katholiek, was Willem echter protestant en bovendien lid van een familie die volgens Anna’s vader George II altijd geliefd was bij de Engelse natie. De Oranjes hadden inderdaad al een lange, vrij stabiele geschiedenis met het Engelse koningshuis. Bovendien was Anna’s eigen motivatie om te trouwen groot. Haar leeftijd, politieke ambities en afstandelijke relatie met haar vader maakten dat ze zich graag verbond met de Nederlandse prins. Dit alles ondanks de waarschuwingen die ze van alle kanten kreeg over het uiterlijk en het gestel van Willem.

Anna als jonge vrouw. ‘Portret van Anna van Hannover, prinses van Oranje-Nassau’, prentmaker: Wouter Jongman, naar schilderij van: H. Hyning, schrijver gedicht: J.D.R., ca. 1712-1744, Rijksmuseum, via http://hdl.handle.net/10934/RM0001.COLLECT.130039.

Liefdevolle correspondentie

Ondanks het feit dat Anna en Willems huwelijk uit politieke overwegingen gesloten werd, ontstond er tussen de twee al gauw een hechte, liefdevolle relatie. Wanneer de één op reis vertrok, duurde het vaak niet lang voordat de ander in de pen klom om de ander op de hoogte te stellen van de gang van zaken. De twee gebruikten liefdevolle koosnaampjes voor elkaar. Anne noemde Willem Pip of Pepin en Willem verwees naar Anna als Annin. Anna opende haar brieven bijna standaard met de woorden ‘mon cher Pepin’ of ‘mon cher Ange’. Ze schreef regelmatig over haar liefde voor Willem of over hoe erg ze hem miste wanneer ze niet samen waren. Anna, die een grote liefhebber van muziek, kunst en literatuur was, schreef zelfs dat al deze dingen maar saai waren zonder hem aan haar zijde.

Fragment brief van Anna van Hannover aan Willem IV uit 1741, Koninklijke Verzamelingen (Den Haag), A29-171.

Politieke ambitie

Naast haar liefdesbetuigingen hield Anna zich niet afzijdig van staatkundige zaken in haar brieven. Al van kinds af aan had ze interesse getoond voor de politiek. Ze zou zelfs op jonge leeftijd tegen haar moeder gezegd hebben dat ze wenste dat ze geen broers had gehad, zodat ze zelf koningin van Engeland had kunnen worden. De prinses zou de band met haar thuisland bovendien altijd in het oog blijven houden bij haar politieke betrekkingen. Dit terwijl haar relatie met haar Britse familie moeizaam was, wat te zien is in haar brieven aan Willem: meer dan eens klaagt Anna over de vervelende of saaie brieven uit Londen.

De prinses was daarnaast altijd al geïnteresseerd in geschiedenis en internationale betrekkingen. Toen ze na haar bruiloft in Londen bij Willem introk in het Stadhouderlijk Hof in Leeuwarden, verdiepte ze zich in haar nieuwe thuisland en schreef ze uitgebreide opstellen over de geschiedenis van het Nederlandse staatsbestel. Ook was ze actief betrokken bij Willems stadhouderschap. Ze ontwikkelde zich tot belangrijk politiek adviseur van haar man, die haar graag betrok in zijn beslissingen. Anna was dan ook maar al te blij dat Willem in 1747 benoemd werd tot stadhouder van alle Nederlandse gewesten. De hofhouding verhuisde van Leeuwarden naar Den Haag, waar Anna zich meer thuis zou voelen. Maison du Bois – Paleis Huis ten Bosch – werd een locatie vanuit waar Anna vele brieven naar Willem zou sturen gedurende zijn reizen.

‘Gezicht op de voorzijde van het Paleis Huis ten Bosch te Den Haag’, uitgever: Hendrik Scheurleer, door anonieme maker, ca. 1734-1768, Rijksmuseum, via: http://hdl.handle.net/10934/RM0001.COLLECT.402098.

In voor- en tegenspoed

De voorspoed in de liefde was voor Anna en Willem helaas geen garantie voor een lang en gelukkig huwelijk. Willem kampte al sinds zijn jeugd met gezondheidsproblemen, deels veroorzaakt door een val van zijn paard toen hij nog maar een kind was. Na hun verloving kreeg Anna al direct te maken met de gevolgen hiervan toen hun bruiloft, die gepland stond voor november 1733, een paar maanden uitgesteld werd door een aanhoudende periode van ziekte. Willem, die al afgereisd was naar Groot-Brittannië voor de heuglijke aangelegenheid, was genoodzaakt een aantal weken in Bath te verblijven en gebruik te maken van het helende water uit de bronnen. Willem herstelde, maar zijn zwakke gezondheid bleef een grote rol spelen in de jaren hierna. In de zomer van 1751 verergerden Willems klachten zo sterk dat hij voor een tweede keer naar een kuuroord vertrok. Niet naar Bath, zoals in 1733, maar naar Aken. Ook daar bevonden zich geneeskrachtige baden, die tot op de dag van vandaag in gebruik zijn. De staat van Willems gezondheid werd als zodanig zorgelijk geacht dat prinses Anna uit voorzorg al een paar maanden voor zijn vertrek al meer betrokken werd bij staatszaken.

De laatste brieven

Anna en Willem correspondeerden veel met elkaar tijdens Willems verblijf in Aken. Vanaf Paleis Huis ten Bosch bracht ze verslag uit van belangrijke staatszaken, zoals onderhandelingen over de koop van Pruisische domeinen. Hiervoor onderhandelde ze samen met raadpensionaris Pieter Steyn, diplomaat Thomas Isaac de Larrey en Frederik de Grote, de koning van Pruisen. Ook fungeerde ze als tussenpersoon tussen Willem en belangrijke politici en ambtenaren wanneer Willem haar verzocht iets namens hem door te geven. Ook uit Anna’s politieke verslagen blijkt de hechte band tussen de twee, bijvoorbeeld wanneer ze vertelt over een grappige situatie waarin een buitenlandse ambassadeur bijna in huilen was uitgebarsten. Ze blijkt echter niet bang te zijn om Willem op zijn vingers te tikken wanneer hij volgens haar de fout in gaat, bijvoorbeeld in haar advies over een financiële kwestie waarbij Willem een gewaardeerd lid van de adellijke familie Bentinck te hulp wilde schieten. Anna, die erom bekend stond voorzichtiger om te gaan met financiën dan Willem, wees hem op het feit dat hun eigen financiën al vrij kwetsbaar waren en de raadpensionaris bovendien had afgeraden om Bentinck financieel te steunen.

De kinderen van Anna en Willem. ‘Portret van Willem V, prins van Oranje-Nassau, en Carolina, prinses van Oranje-Nassau’, door Pieter Tanjé, 1751, Rijksmuseum, via: http://hdl.handle.net/10934/RM0001.COLLECT.529880.

In bijna al haar brieven naar Aken stelt Anna haar man op de hoogte van de gezondheid van hun kinderen, kleine ‘Caroline’ en ‘Guillaume’ (de latere stadhouder Willem V). Op dat moment, in de zomer van 1751, zijn de kinderen nog erg jong, respectievelijk acht en drie jaar oud. De kleine Willem is volgens Anna vrolijk en eet goed – ‘le petit garçon est gaye, & mange tous les jours ses carottes’. Volgens Anna gedraagt Carolina zich als een goedgemanierd lief prinsesje: zelfs wanneer Carolina een slechts kortdurende, maar hevige griep oploopt. De ziekte baart Anne grote zorgen, waarover ze uitgebreid verslag doet aan Willem. Gelukkig verbeterde Carolina’s gezondheid al gauw en verkondigt Anna aan Willem dat ze geheel de oude zou worden, als ze haar maar warm aankleedden, haar veel fruit lieten eten en haar de wateren van Bristol, vergelijkbaar met de wateren van Bath, lieten gebruiken. Ze geeft toe blij te zijn dat Willem al deze bezorgdheid niet direct mee hoefde te maken.

Fragment uit een brief van Anna van Hannover aan Willem IV uit 1751, Koninklijke Verzamelingen (Den Haag), A29-171.

Ondanks het feit dat hij de spanning rondom Carolina’s ziekte niet persoonlijk meemaakte, bestond Willems kuur niet alleen uit ontspanning en herstel: hij ging gewoon door met werken en woonde bals en diners bij. Hoewel Willem zich niet fit voelde,was er niets dat deed vermoeden dat hij in levensgevaar verkeerde. Anna’s brieven geven dan ook meer blijk van hoopvolle liefdesbetuigingen dan van grote zorgen. Het gros van haar brieven opent ze door Willem te bedanken voor zijn brieven en hem mee te delen hoeveel plezier ze ervaart in het lezen ervan. In verschillende brieven geeft ze toe opgelucht te zijn dat de artsen, in het bijzonder professor Frederik Winter, positief lijken te spreken over het verloop van Willems schijnbaar herstel. Ze toont zich echter ook bezorgd en geeft Willem zelfs een keer op zijn kop: hij moest niet meer zulke lange brieven schrijven want volgens professor Winter zou dit een veel te grote inspanning zijn. Bovenal spreekt ze haar hoop uit over het spoedige herstel van haar geliefde man: ‘Je languis de l’apprendre de luy que la cure est en bon train.’

Overlijden van prins Willem IV, 1751, ‘Afbeelding van ’t Sterf en Parade-Bed van Zyne Doorluchtige Hoogheid W.C.H. Friso, in ’t Jaar 1751’, door anonieme maker, 1751, Rijksmuseum, via http://hdl.handle.net/10934/RM0001.COLLECT.483892.

Een ontroostbare vrouw en moeder

Anna telt de dagen tot ze elkaar terug zullen zien. In één van haar laatste brieven voorspelt ze hoopvol dat ze nog maar twee brieven zal sturen tot ze Willem weer zal ontmoeten: ‘J’espere qu’encore deux lettres feront l’affaire et qu’après cela nous aurons l’honneur de vous entretenir en haute personne.’ Anna’s brieven aan Willem, die vrijwel allemaal onnauwkeurig gedateerd zijn, hielden abrupt op, waarschijnlijk begin oktober 1751. Toen keerde Willem terug naar Den Haag, slechts half hersteld. Ondanks Anna’s hoopvolle aanmoedigingen en beterschapswensen, verergerde Willems toestand na zijn terugkomst opnieuw. Op 22 oktober 1751 kwam hij te overlijden, op slechts 40-jarige leeftijd. Anna was ontroostbaar. Uit een brief die zij schreef aan haar schoonmoeder, Maria Louise van Hessen-Kassel, uitte zij haar verdriet:

Le malheur qui m’est arrivé me rend presque incapable d’écrire; mais les égards que j’aurés toujours pour la mère du plus digne des hommes, & le plus tendre des maris m’oblige a vous assurer de mes sentimens à cet egard. Mes enfans, & le besoin qu’ils ont encore de moy m’engage a travailler avec zèle à leur bonheur, cela seul fera ma seule occupation, après quoy je serés trop heureuse de pouvoir rejoindre mon cher Prince qui ne peut qu’être heureux.

Vertaling:

De ellende die mij is overkomen, maakt dat ik bijna niet meer kan schrijven; maar de achting die ik altijd heb gehad voor de moeder van de meest waardige en meest tedere man, verplicht mij om u te verzekeren van mijn gemoedstoestand in dat opzicht. Mijn kinderen, en de behoefte die zij nog steeds aan mij hebben, maken dat ik me met hart en ziel wil inzetten voor hun geluk, dat zal mijn enige ambitie zijn, waarna ik mezelf maar al te graag zal kunnen herenigen met mijn geliefde Prins, die alleen maar gelukkig kan zijn.

Brief van Anna van Hannover aan haar schoonmoeder Maria Louise van Hessen-Kassel van 15 november 1751, Koninklijke Verzamelingen (Den Haag), A28-011a.

Een volhardende gouvernante

Ondanks Anna’s verdriet gingen de verplichtingen door. Anna’s zoon Willem was pas drie jaar toen zijn vader overleed: te jong om als de volgende stadhouder te regeren. Daarom accepteerde Anna de positie van gouvernante, een ietwat bijzondere naam voor een regentessenfunctie. Anna oefende deze functie uit tot aan haar dood in 1759. Op 49-jarige leeftijd kwam de hereniging met haar geliefde prins waar ze in haar brief aan Maria Louise naar verwees: helaas wel zeven jaar vóór haar zoon meerderjarig verklaard werd en zijn vader opvolgde als stadhouder Willem V.

Overlijden van prinses Anna, 1759, Rijnier Vinkeles, ca. 1780-1795, Rijksmuseum.

De brieven waaruit fragmenten in dit artikel zijn bijgevoegd, zijn vooralsnog niet online te raadplegen. Op vrijdag 29 september 2023 zal de gedigitaliseerde correspondentie van Anna van Hannover openbaar en raadpleegbaar worden via Early Modern Letters Online. Dit zal feestelijk worden gevierd met een symposium op Kasteel Duivenvoorde met lezingen over het veelzijdige leven van Anna en omlijst met muziek uit haar tijd. De kaartverkoop is vanaf begin juli via de site van Kasteel Duivenvoorde.

Lotte van der Linden, masterstudent aan de Radboud Universiteit Nijmegen, 31 mei 2023.


Bibliografie

Blok, P.J., Geschiedenis van het Nederlandsche volk, deel 3 (Leiden 1925).

Feron, Vera, ‘Into the Archive of Anne of Hanover, Princess Royal and Princess of Orange’, (16 januari 2023).

Ineke Huysman, ‘Balancing between Mother and Wife: The Private Correspondence of Stadtholder Willem IV of Orange-Nassau’ in: Michaël Green en Ineke Huysman (eds.), Private Life and Privacy in the Early Modern Low Countries (wordt gepubliceerd in 2023, Brepols, Turnhout).

Hall, Mrs. Matthew, The Royal Princesses of England: From the Reign of the George the First (Londen en New York 1871).

Jagtenberg, Fred, Willem IV. Stadhouder in roerige tijden, 1711-1751 (Nijmegen 2018).

Nieuwenbroek, Simone, ‘Een ruk naar Brits: De internationale politiek van Anna van Hannover, 1756-17571’, Virtus 27 (2020), 115-132, https://doi.org/10.21827/virtus.27.115-132.

Schutte, G.J., Oranje in de achttiende eeuw (Amsterdam 1999).

Een opmerkelijke aanhef

Hoe Twitter bijdroeg aan de identificering van een correspondent

Madame et trè cher frère generis feminini” – “Mevrouw en zeer dierbare broer van het vrouwelijk geslacht” – met deze woorden begint een brief gericht aan Marie-Louise van Hessen-Kassel. De brief is geschreven op 17 april 1732, ondertekend door een zekere Adolpfina, en verzonden vanuit het Duitse Dahme. Deze brief wekte mijn aandacht vanwege de opmerkelijke aanhef; een gebruikelijke aanhef aan de vorstin is bijvoorbeeld “Madame” of “Doorluchtige Vorstin”. Is de brief geschreven aan meerdere ontvangers of enkel Marie-Louise? En wie is Adolpfina, de afzender? Wat is de relatie tussen Marie-Louise en Adolpfina? Daarbij roepen niet alleen de aanhef en de afzender verschillende vragen op, ook de inhoud van de brief bleek boeiend.

Afbeelding 1: Marie-Louise van Hessen-Kassel (schilderij van Louis Volders, 1709-1711. Fries Museum.

Marie-Louise van Hessen-Kassel (1688-1765), die ook wel bekend is onder haar bijnaam Marijke Meu, was de vrouw van de Friese stadhouder Johan-Willem-Friso van Nassau-Dietz (1687-1711). Zij is een van de vrouwen naar wie onderzoek wordt gedaan binnen het Stadhoudersvrouwen Brievenproject, onder leiding van dr. Ineke Huysman. Marie-Louise is geboren in 1688 in Kassel en trouwde op eenentwintigjarige leeftijd met Johan-Willem-Friso. Kort na hun huwelijk raakte zij zwanger van hun dochter Anna Charlotte Amalie (1710-1777). En niet veel later kregen zij samen ook een zoon, Willem IV Karel-Hendrik-Friso (1711-1751), de toekomstige stadhouder Willem IV.

Marie-Louise speelde een belangrijke rol in de Nederlandse geschiedenis. Zij was tweemaal regentes. Eerst toen haar man overleed in 1711, enkele weken voor de geboorte van hun zoon. De tweede keer vervulde zij deze rol toen haar zoon overleed in 1751, terwijl zijn kinderen nog minderjarig waren. Dit ging gepaard met verscheidene dynastieke plichten. Haar correspondentie geeft een inkijk in haar verplichtingen en de zaken waarmee zij zich bezighield. Deze correspondentie bevindt zich in het Koninklijk Huisarchief in Den Haag en wordt nu gedigitaliseerd.

De correspondentie

In haar archief, te vinden onder het inventarisnummer A28, is ook de hierboven geïntroduceerde brief te vinden, evenals duizenden andere documenten. De map waarin deze brief zich bevindt, is geclassificeerd als ‘brieven, ingekomen van niet geïdentificeerde personen (voornamelijk vorsten), 1722, 1730, 1732 en z.j.’.[1] Het bleek dat in deze map met zes brieven een tweede brief zat met een soortgelijke aanhef “Madame et tres chère frère” – “Mevrouw en zeer dierbare broer” – zoals te lezen is op afbeelding 3.[2] De brief was wel ondertekend door de afzender, maar diens naam was enigszins moeilijk te lezen (zie afbeelding 5).

Dat er een tweede brief is verstuurd naar Marie-Louise met een soortgelijke aanhef is een interessante ontdekking. Opvallend is dan ook dat beide brieven van dezelfde hand lijken te komen. Zoals te zien is op afbeelding 2 en 3 zijn, afgezien van enkele verschillen in de spelling, er zichtbare overeenkomsten. Zo heeft de letter ‘d’ een herkenbare lus en, worden de ‘c’ en ‘h’ op dezelfde manier met elkaar verbonden. Daarbij zijn beide brieven ondertekend door de afzender, ondanks dat deze brieven zich bevinden in een map die duidelijk is geclassificeerd als ‘brieven ingekomen van niet geïdentificeerde personen’. Wie is deze niet geïdentificeerde afzender?

Het bleek lastig om te achterhalen wie de afzender was, met name vanwege de leesbaarheid van de achternaam. Met behulp van het academische netwerk op Twitter, werd een antwoord geboden op de identiteit van de afzender.[3] Drs. K. van der Hoek, conservator bij Allard Pierson, de afdeling Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, droeg aan dat het mogelijk Johann Adolph II van Saksen-Weißenfels (1685-1746) zou kunnen zijn, de laatste hertog van Saksen-Weißenfels, Saksisch generaal en maarschalk. Door het vergelijken van brieven die van zijn hand kwamen, leek deze suggestie zeer aannemelijk (afbeelding 4 en 5).

Het geschonken porselein

Daarnaast bleek de hertog van Saksen-Weißenfels om een tweede reden een passende correspondent. Het gaat om de inhoud van de brief met inventarisnummer A28-051_005.[4] De afzender schrijft namelijk het volgende:

Dame le 17 avril 1732

Madame et trè(s) cher frère generis feminini

Je suis charmé si la porcelaine que jay envoyé à Votre Alttesse a eu son approbation, mais pour en ettre d’autant plus assuré et de savoire que j’ay rencontré le gout de Votre Alttesse, elle me fera eune grase très partuculieure en me donnant de nouveaus la comission pour lui en faire envoire, de telle sorte qu’elle en voudra, et alors je ne manquerai point non plus d’envoyer le conte de ce qu’elle contera. Mais par rapport à la porcelaine que j’ay eu l’honeur d’envoyeur déjà, elle ne me refusera pas la grasse que je lui demande de l’accepter pour une petite Lepsiger Messe, et moy je le regarderai comme une marque de distinction et d’amitié qu’elle daigne avoir pour eune seur qui est toujour sa serveante et serviteur en même temps come aussi à toute la meson de Cassel. J’attendray les order pour l’avénir si elle m’en jugera digne et caballe, estant avec eune vénération très bartculieure et parfaite,

de mon cher frère,

la très hubble et très supmisse serveante

Adolpfina

Vertaling

Dahme 17 april 1732

Mevrouw en zeer dierbare broer van het vrouwelijk geslacht,

Ik ben verheugd wanneer het porselein dat ik naar Uwe Hoogheid heb gestuurd zijn goedkeuring heeft gekregen, maar om des te zekerder te zijn en om te weten dat ik aan de smaak van Uwe Hoogheid heb voldaan, zal zij mij een bijzonder plezier doen door mij opnieuw de opdracht te geven het toe te zenden, op zo’n manier waarop zij het zou willen, en dan zal ik het ook niet nalaten het verhaal te sturen dat ze zal vertellen. Maar wat betreft het porselein waarvan ik reeds de eer had het te verzenden, zal zij mij de genade niet weigeren die ik haar vraag te accepteren voor een kleine Leipziger Messe, en ik zal het beschouwen als een teken van onderscheiding en vriendschap die zij zich verwaardigt te hebben voor een zuster die altijd haar dienares en dienaar is voor het hele Huis van Kassel. Ik zal wachten op de orders voor de toekomst als ze me waardig en ‘kabaal’ acht, met een zeer bijzondere en perfecte verering,

van mijn dierbare broer

de meest nederige en zeer onderdanige dienares

Adolphina

In deze brief schrijft de afzender dat hij porselein heeft gestuurd naar Marie-Louise, te weten Leipziger Messe, ook wel bekend als Meissen porselein. Dit was het eerste echte porselein dat in Europa werd gefabriceerd. Johann Friedrich Böttger (1682-1719) was degene die het Meissen porselein heeft ontwikkeld, met dank aan financiering door August II van Polen (1670-1733). Kort na deze uitvinding van Europees porselein, werd in 1710 Meissen Porselein Manufactuur opgericht. De eerdergenoemde hertog van Saksen-Weißenfels was de neef van August II van Polen en diende als generaal in zijn leger gedurende verschillende oorlogen. Verder is er rond 1744 een speciale porseleinserie uitgebracht, die in opdracht werd gemaakt van de Meissen-fabriek door de hertog van Saksen-Weißenfels. Deze hertog van Weißenfels-serie bestaat waarschijnlijk uit 18 tafelfiguren, die zijn geïnspireerd door gravures van François Joullain.[5] Dit wijst erop dat de hertog in nauw contact stond met de Meissen Porseleinfabriek.

In 1731 verhuist Marie-Louise naar Leeuwarden en doet zij haar intrede in het Princessehof. Haar taak als regentes heeft zij dan volbracht omdat haar zoon op dat moment meerderjarig is. Zoals eerder genoemd, dateert de brief aan Marie-Louise uit 1732. Dit zou kunnen betekenen dat het porselein dat is geschonken een gift was vanwege de aankoop van en haar intrede in het Princessehof. Anderzijds zou het porselein ook een gift kunnen zijn vanwege het vervullen van haar taak als regentes. Echter kan dit niet met zekerheid gezegd worden, omdat de brief daar geen eenduidig antwoord op biedt. Wel wordt uit de brief duidelijk dat de afzender eerder porselein heeft gestuurd naar Marie-Louise.

Juist de verwijzing naar dit porselein spreekt tot de verbeelding. In haar leven heeft Marie-Louise namelijk een van de belangrijkste porseleincollecties verzameld,[6] die tegenwoordig te bewonderen is in het Princessehof. Ook worden enkele stukken bewaard in het Koninklijk Huisarchief. In de collectie van de Koninklijke Verzamelingen bevindt zich een koffieservies van Marie-Louise met een bijbehorende reiskoffer. Dit servies is een Meissenservies (afbeelding 6 en 7), en ondanks dat het niet exact gedateerd kan worden, lijkt het erop dat het servies rond 1730 is gemaakt en het is daarmee een van de vroegste Europese porseleinen. Het is niet bekend welke persoon of personen dit servies aan Marie-Louise hebben geschonken. Naar aanleiding van de brief – ervan uitgaande dat deze is geschreven door de hertog – en de geschatte datering is er een mogelijkheid dat het koffieservies geschonken is door de hertog van Saksen-Weißenfels. Er zijn echter tot op heden nog geen concrete aanwijzingen hiervoor gevonden en daarmee blijft dit een hypothese.

Adolph of Adolpfina

In adellijke kringen bestonden er verschillende ordes, waaronder schertsordes. Een kenmerk van deze ordes is dat de genderrollen en gerelateerde taken werden omgedraaid. Zo werden deze ordes vaak geleid door vrouwen. De schoonmoeder van Marie-Louise, Henriëtte-Amalia van Anthalt-Dessau (1666-1726), richtte de Ordre de la Fidélité op. In het Koninklijk Huisarchief liggen verschillende stukken met betrekking tot deze orde.[7] Toch is er binnen de Ordre de la Fidélité geen link gevonden tussen Marie-Louise en hertog van Saksen-Weißenfels. Verder is er binnen het archief van Marie-Louise ook geen bewijs gevonden dat zijzelf een dergelijke orde opgericht heeft, of er lid van één was.

Toch geven de laatste twee zinnen van de brief mogelijk een aanwijzing voor een dergelijke orde: “[…] en ik zal het beschouwen als een teken van onderscheiding en vriendschap die zij zich verwaardigt te hebben voor een zuster die altijd haar dienares en dienaar is voor het hele Huis van Kassel. Ik zal wachten op de orders voor de toekomst als ze me waardig en ‘kabaal’ [‘caballe’] acht, met een zeer bijzondere en perfecte verering […].” De hertog kan het woord ‘caballe’ genoemd hebben als een verwijzing naar een ander geheim genootschap in verband met de aan het begin van deze paragraaf genoemde ordes.

Johan Adolf van Saksen-Weißenfels, Wikimedia Commons

In 1699 vertrok de jonge hertog van Saksen-Weißenfels op zijn grand tour en bezocht hij verschillende plekken in de Nederlanden en Frankrijk. Een doel van deze reis was het verbeteren van zijn Franse taalvaardigheid, evenals zijn ridderlijke kwaliteiten. Speciaal hiervoor bracht hij meerdere keren een bezoek aan Den Haag en Paleis het Loo, dat in het bezit was van koning-stadhouder Willem III. Ondanks dat Marie-Louise nog niet in de Nederlanden was tijdens de reis van de hertog, heeft hij ongetwijfeld verschillende ontmoetingen gehad met de (Oranje-)Nassaus, die hem in zijn latere leven ook in contact hebben gebracht met haar. Het is zelfs mogelijk dat hij met de term ‘caballe’ verwijst naar het Fries Cabaal, de Friese pro-Oranje adel die het stadhouderschap steunde. De dood van de kinderloze Willem III luidde immers het Tweede Stadhouderloze Tijdperk (1702-1747) in. Ook voor Friesland en Groningen was er geen stadhouder meer nadat Johan-Willem-Friso kwam te overlijden in 1711. Zoals eerder genoemd werd in eerste instantie zijn echtgenote Marie-Louise van Hessen-Kassel regentes voor hun minderjarige zoon, en hij zou tenslotte als Willem IV de stadhouder van de hele Republiek der Nederlanden worden.

Met enige zekerheid kan worden gesteld dat hertog Adolph II van Saksen-Weißenfels de afzender is van beide brieven. Maar, waarom is één van de brieven dan ondertekend met de naam Adolpfina? Een mogelijke verklaring zou dus een schertsorde kunnen zijn, maar zoals vermeld is, is er geen duidelijke link gevonden tussen Marie-Louise en de hertog in het archief met betrekking tot een dergelijke orde. Op deze vraag kwamen ook een aantal suggesties naar aanleiding van de eerdergenoemde oproep op Twitter. Zo stelde iemand voor dat Adolpfina mogelijk de dochter zou kunnen zijn van de hertog. De hertog heeft zes kinderen, waaronder een dochter. Deze suggestie leek in eerste instantie aannemelijk. Toch werd duidelijk dat dit niet het geval kon zijn. Zijn dochter Friederike Adolphine van Saksen-Weißenfels werd geboren in 1741, bijna een decennium na het versturen van de brief. Hoewel een schertsorde een mogelijke verklaring zou kunnen zijn voor een dergelijke aanhef en slot van de brief, blijven de exacte redenen dus onzeker.

Conclusie

Binnen het Stadhoudersvrouwen Brievenproject heb ik de kans gehad om in het Koninklijk Huisarchief een deel van de werkzaamheden te mogen uitvoeren. Dit gaf mij de mogelijkheid om de brieven in het archief van Marie-Louise zelf te kunnen lezen, aan te raken en te ervaren. Ook heb ik gebruik kunnen maken van andere items die tot de bibliotheek van Koninklijke Verzamelingen behoren, zoals werken over porselein en uit het archief de correspondentie en documenten van andere hooggeplaatste personen in de Nederlandse geschiedenis. Daarnaast heb ik waardevolle suggesties gekregen op vragen via Twitter, een plek waar men – in ieder geval ikzelf – dit mogelijk niet zou verwachten. Toch blijkt dat er een groot academisch netwerk te bereiken is via dit platform.

Het is opmerkelijk dat, afgezien van de twee brieven die in deze blogpost ter sprake zijn gekomen, er geen verdere correspondentie tussen Marie-Louise en hertog van Saksen-Weißenfels in haar archief is. Mocht er verdere correspondentie zijn geweest tussen beiden, kan het zijn dat deze in een ander archief bewaard is gebleven, of dat deze verloren is gegaan. Wat wel bekend is, is dat de hertog Paleis het Loo heeft bezocht en dat hij meermaals in Den Haag is geweest.

Verder heeft deze blogpost een aantal vragen opgeworpen, hoewel er op sommige slechts suggesties als antwoord verschaft kunnen worden. Wel heeft dit onderzoek de afzender met redelijke zekerheid kunnen identificeren van twee brieven in het archief van Marie-Louise, die in eerste instantie niet bekend was. Bijzonder is ook dat er een mogelijke schenker is geïdentificeerd voor het Meissen koffieservies met bijbehorende reiskoffer van Marie-Louise. Hopelijk kan vervolgonderzoek hier een definitief antwoord op bieden.

Demi Storm (Master Student Ancient and Medieval Mediterranean Worlds, Radboud University Nijmegen/Master Student Ancient History, Leiden University), 21 maart 2023


Bibliografie

Cassidy-Geiger, M., ‘Afterthoughts of Fragile Diplomacy: Meissen Porcelain for European Courts, c. 1710-1763’ in: The Court Historian vol. 14, no. 2 (2009) 199-205.

Cassidy-Geiger, M., Meissen Porcelain for Sophie Dorothea of Prussia and the Exchange of Visits between the Kings of Poland and Prussia in 1728’ in: Metropolitan Museum Journal vol. 37 (Chicago 2002) 133-166.

Chalmot, H.A., de, Afkomst, Godvrugtig Leven en Zalige Dood van Hare Doorlugtigste Hoogheid Maria Louise, Princesse Douairiere van oranje en Nassau, Geboregn Landgravin van Hessen-Kassel, etc. etc. etc. Uit Echte Stukken Zamengestelt (Leeuwarden 1765).

Chilton, M., ‘The Duke of Weissenfels Series’, in: Reinhard Jansen (eds.),Commedia dell’Arte: Carnival of Comedy Players (Stuttgart 2001) 16-20.

Gabler, G.T., Die Fürstengruft auf Neu-Augustusburg, oder: die Herzöge von Sachsen-Weißenfels und Querfurt (1844).

Jagtenberg, F.J.A., Willem IV. Stadhouder in roerige tijden 1711-1751 (Nijmegen 2018).

Jagtenberg, F.J.A., Marijke Meu 1688-1765. Stammoeder van ons Vorstenhuis (Amsterdam 1994).

Königlich Sächsische Porzellanmanufaktur Meissen, Festschrift zur 200jährigen Jubelfeier 1910 (Leipzig 1911).

Krul, S., et al. (eds.), Historisch Tijdschrift Fryslân. Maria Louise vol. 21, no. 3 (2015).

Schutte, G.J., Oranje in de Achttiende Eeuw (Amsterdam 1999).

Walcha, O., Meissner Porzellan. Von den Anfängen bis zur Gegenwart (Dresden 1975).


[1] Koninklijke Verzamelingen, Den Haag, Archief: Maria Louise, landgravin van Hessen-Kassel (1688-1765), echtgenote van Johan Willem Friso, prins van Oranje, regentes in Friesland voor haar zoon prins Willem IV van 1711-1731 en van 1759-1765 voor haar kleinzoon prins Willem V, inventarisnummer A28-051.

[2] KV Archief: Maria Louise, landgravin van Hessen-Kassel (1688-1765), inv.nr. A28-051_006.

[3] Zie de tweet van 21 juni 2022: https://twitter.com/stadholderswife/status/1539153365485211648?cxt=HHwWgMC-yZj1ldwqAAAA.

[4] KV Archief: Maria Louise, landgravin van Hessen-Kassel (1688-1765), inv.nr. A28-051_005. Transcript en vertaling door auteur.

[5] Zie: Meredith Chilton, ‘The Duke of Weissenfels Series’, in: Reinhard Jansen (eds.),Commedia dell’Arte: Carnival of Comedy Players (Stuttgart 2001) 16-20. Echter is het niet mogelijk geweest voor mij om het gehele artikel te lezen.

[6] In het Koninklijk Huisarchief is tevens een inventaris te vinden van haar porselein, zie: [6] KV Archief: Maria Louise, landgravin van Hessen-Kassel (1688-1765), inv.nr. A28-380.

[7] Koninklijke Verzamelingen, Den Haag, Archief: Hendrik Casimir II, vorst van Nassau-Dietz (1657-1696), stadhouder en kapitein-generaal van Friesland, inventarisnummer A26a-001.

Into the Archive of Anne of Hanover, Princess Royal and Princess of Orange

An Exploration of the Correspondence as Listed in the EMLO Database

Tucked away on the grounds of palace Noordeinde in the Hague sits the Royal House Archive, a gorgeous building which houses The Royal Collections of the Netherlands. These archives are vast, spanning from the mid thirteenth century all the way to the present. The correspondences of the wives of the Stadtholders of the Dutch Republic, which make up a sizeable chunk of the Stadtholder’s wives’ archives, have hardly been studied. These women influenced social, cultural, and political processes within the Republic and beyond during their lifetimes and deserve dedicated study. However, until recently, researchers could only study these documents within the study room of the Royal House Archive. This significantly restricted accessibility has caused these sources to be underutilised.     

     
Enter the Stadtholders’ Wives Project, a collaboration between the Huygens Institute, the Royal Collections and Oxford University’s (Women) Early Modern Letters Online, (W)EMLO. This project aims to digitize the letters of these women, allowing researchers all over the world to work with sources that would otherwise only be accessible to the select few who have the time and means to travel to the Hague to visit the archive in person. Anne of Hanover’s letters have been the latest addition to the EMLO catalogue. EMLO already contains the correspondence of Anna of Egmond (1533-1558)Anna of Saxony (1544-1577)Charlotte of Bourbon (1546/7-1582)Louise de Coligny (1555-1620)Amalia of Solms-Braunfels (1602-1675)Mary Stuart I (1631-1660) and Mary Stuart II (1662-1694)Sophia Hedwig of Brunswick Lüneburg (1592-1642)Albertine Agnes of Orange-Nassau (1634-1696) and Henriëtte Amalia of Anhalt-Dessau (1666-1726). All correspondence of the Stadholders’ wives can also be consulted simultaneously. [1]


In addition to easier access, the digitizing of these sources pushes the boundaries of possibility beyond what can be achieved by using physical paper sources, in terms of accessibility and research potential. One example of this is Transkribus. This AI-powered platform is capable of reading handwritten text and transcribing it with the click of a button. This makes letters written in written in German cursive or secretary hand more accessible to a wider range of researchers, rather than exclusively to those who have the time and means to learn the ins and outs of such a script. In terms of research, Transkribus offers the possibility to create databases of fully searchable letters. To illustrate the potential of this, one only has to look at the research done by Ineke Huysman. This research used this method to examine the difference in the language used by Stadtholder William IV of Orange-Nassau in his letters to his wife and his mother.[2]  


Needless to say, the publication of Anne of Hanover’s letters on a platform like EMLO enables more researchers than ever before to research this fascinating woman. However, with more than 4,100 letters in this database alone, it can seem daunting or even downright impossible to know where to start. Therefore, this text serves as an introduction to the digitized archive, giving both an impression of the general layout of the archive as well as highlighting interesting letters that serve as an accessible starting point for new research. The correspondence has been published online on 29 September 2023. The full inventory will be made available by the Royal Collections at the same time.     

Biographical information about Anne of Hanover

Image 1. Self Portrait by Anne of Hanover, 1740, Royal Collections The Hague.

Anne of Hanover was born on the second of November 1709 in the Herrenhausen Palace near Hanover in the Holy Roman Empire to Georg August, duke of Brunswick-Lüneburg (1683-1760) and Caroline of Ansbach (1683-1737).[3] At that time, the dynasty of Georgian kings that would give her high standing and the title of Princess Royal of England had yet to take shape. Her grandfather, Georg Ludwig, the elector of Hanover (1660-1727), ascended the British throne in 1714 after his second cousin, Queen Anne of Great Britain (1665-1714), died childless. As the granddaughter of king George I, Anne moved to St. James’s Palace in the heart of London along with the rest of her family at the age of five. The relationship between her father, Georg August (1683-1760), and her grandfather quickly deteriorated. George was allegedly jealous of his son’s popularity at court, though the irritations between the two came to a head after the king appointed the Duke of Newcastle as godfather to Georg’s new-born son, his own grandchild. Georg, who vehemently disliked the duke, was enraged by his father’s decision, and tensions between the two rose to the point where Georg and his wife both left the English court.[4] Anne, along with the rest of her siblings, was left in the care of her grandfather, where she was raised by her governess, Jane Temple. She was exceptionally educated and showed great promise in several different arts, most notably painting. The self-portrait she painted in 1740 shows her talent in this area.

     
In 1727, with the death of her grandfather, Anne’s life shifted again. Her father now ascended to the throne, and as the eldest daughter of King George II she was granted the title of Princess Royal. Anne, now also freshly eighteen, was in need of a husband. Marriage negotiations had been under way for a few years for a marriage to the Frisian Stadtholder William Charles Henry Friso of Orange (1711-1751), but he was considered of a not quite high enough position for the Princess Royal. At the same time, a potential marriage between Anne and King Louis XV of France was also being considered. However, these negotiations eventually ran aground on religious disagreements, as Louis insisted Anne convert to Catholicism, which she refused. In the meantime, William had officially gained the title of Prince of Orange, closing the difference in position between himself and princess Anne. The pair married on March 25, 1734, in the chapel of St. James’s Palace in London.[5]


The pair travelled to Holland after the wedding festivities ended, where Anne was received coldly. The elite in the Dutch Republic favoured neutrality in the turbulent international politics of Europe at that time and did not approve of these new ties that now connected them to England. The newlyweds moved into the stadtholderly apartments at the Princessehof court in Leeuwarden, Frisia, but when William left on a military expedition, Anne promptly sailed back to England. She was eventually persuaded to return to the Republic, where she re-joined her husband and became personally involved in the day-to-day politics of the provinces he ruled: Frisia, Groningen, Drenthe and Guelders. When he became Stadtholder of all seven of the United Provinces of the Netherlands in 1747, his wife was right by his side. Although the two did not marry for love, they grew very fond of each other. Many love letters were sent back and forth between the two throughout the entire seventeen-year duration of their marriage, until William’s sudden death in 1751. He had only been Stadtholder of the United Provinces for four years, and now left this title to his three-year-old son, William Batavus (1748-1806).[6]

Image 2. Sketch of Anne of Hanover with her husband William and their children, made shortly before her husband’s death, approx., 1750, by Pieter Tanjé, Royal Collections The Hague.

For Anne, the death of her husband meant not only the loss of a man she dearly loved: it also made her a powerful political player in the Dutch Republic, which was quite unusual for a woman in this period. Unlike previous Stadtholder’s wives, Anne was not made regent of her son, but instead “Gouvernante en Vooghdesse”, Governess and Guardian, of all seven provinces. This meant she received all the prerogatives usually held by the stadtholder of the Dutch Republic, the only exception being the military positions her husband had held. Anne became an active and important player in the Dutch political landscape of the 1750s. Through both formal channels, like her seat on the Council of State, and more informal channels, like her expansive network of correspondences with other powerful figures, Anne ventured to implement her own politics.[7]

International developments made the desire for neutrality from the Dutch elite impossible to uphold, and Anne used her position to steer the Dutch Republic towards on a decidedly pro-British and anti-French course. She surrounded herself with likeminded individuals, the most notable of these being William Bentinck, lord of Rhoon (1704-1774). The two shared an important connection—William had frequented the British court at St. James’s Palace as a child. His mother was none other than Jane Temple, the same governess who had raised Anne in her formative years. For half a decade, Anne battled the pro-French factions of the Dutch political landscape, until her fragile health forced her to retreat to the Loo and Soestdijk palaces for longer and longer stretches of time.[8] Eventually, she passed away at the start of 1759. Her last utterances illustrate just how deeply she cared for the work she had done in the Republic, as she told those present at the time of her passing, ‘come now, get back to your work.’[9]

Image 3. Portrait of William Bentinck, lord of Rhoon by Jean-Étienne Liotard. Source: Wikimedia Commons.

The Archive

The archive of Anne of Hanover’s correspondence is split into five different sections, each containing a different category of letters. The first, which is marked with the letter “A” in all inventory numbers, contains all incoming letters from family members, from her siblings and her parents in England to her aunts, uncles, and cousins in several different German territories. These letters have a more personal character. The second category, marked by the letter “B”, encompasses all incoming letters from other monarchs and nobles, from the king of Sardinia to the duke of Saxony and beyond. The “C” category is by far the largest, containing all letters from private persons. These range from clockmakers and writers to mayors, vicars, and naval captains. In contrast to this, the “D” category is the smallest. These are Anne’s outgoing letters. The recipients range from her father and other family members to governors and council members. The last category, marked with “E”, contains letters from the secretariat of the stadtholderly cabinet. These date mostly from the 1750s, when Anne was fulfilling her duties as governess of the Seven United Provinces. For those interested in the political life of Anne of Hanover, this category holds a treasure trove of rarely used information. Although the Stadtholders wives project only incorporates letters into its databases, it should be noted the Royal House Archive contains other documents as well, such as contracts, minutes of political conferences, and address books.

A – Incoming letters from family members

Category A offers an insight into Anne’s relationship with the people closest to her. There are a total of 229 letters in this category, spread out over a total of nineteen correspondents, from Anne’s closest family members to many aunts, uncles, and cousins. This section uses a handful of examples to illustrate what kind of letters one can expect to find in category A.

Image 4. Letters from William to Anne before their marriage (1733) and after (1742). Source: KV, inv. no. A30-VIa-1.

The letters from her husband William span the almost two decades of their marriage, and through them it is unmistakable how their relationship flourished over the time they spent as husband and wife. In his earlier letters, his tone is respectful and withdrawn, addressing her as ‘Madame’ and ‘your royal highness.’ Even in the formatting of his letters one can read the distance still present between the pair: he leaves open spaces at the top of each page and signs his name so large it takes up almost an entire sheet of paper.[10] Compare this to the letters he sends her later on in their marriage—every inch of paper is covered in his writing, as though he can hardly fit all of his thoughts on the page. (See image 4) There is no more mention of titles or formalities. Anne has become his ‘chère Annin’, his ‘heart’, his ‘angel’. William no longer calls himself the Prince of Orange but instead signs his letters as ‘Pépin’ or ‘Pip’, Anne’s pet name for him.

In his letters, William keeps his wife updated on his travels, his health and often mentions their children, asking her to give them a hug or a kiss in his absence. Though the subjects of his letters vary, he never fails to include a passage or a paragraph on his love for his wife. This needs no further explanation when reading the passage below, written in 1742:

Je reprends dans ce moment la plume mon cher cœur pour vous marquer toute ma sensibilité et toute ma reconnaissance de votre bonne gracieuse et tendre lettre que Stirum m’a porté hier au soir. Je n’ai pu la lire d’un oeuill sec et tous les jours je m’aperçois d’avantage combien je vous suis attaché et combien il m’est impossible d’être heureux sans vous.
[I’m taking up my pen again at this moment, my dear heart, to show you all my tenderness and all my gratitude for your kind and tender letter which Stirum brought to me yesterday evening. I could not read it with a dry eye and every day I realise more how much I am attached to you and how it is impossible for me to be happy without you.] [11]

The 150 letters from William to his wife make a heart-warming read, chronicling the ups and downs up their marriage until his death in 1751. For those interested in Anne as a wife and mother, these letters are a treasure trove of information.[12]

Unfortunately, few letters are available from any of the couple’s children addressed to Anne, though one note from her son, William Batavus, did find its way into the archive. At the time of writing the little prince was ten years old, addressing his mother quite formally to inform her that he’s suffering not only from a cold but also from torticollis—a stiff neck. Still, he reassures her that his ailments will not prevent him from going to see her. His young age is visible in the shakiness of the letters and the ornate curls under his name.[13] William Batavus would grow up to become William V, the last Stadtholder of the Netherlands.

Image 5. Letter from William Batavus to his mother. Source: KV, inv. no. A30-VIa-4.

Many of Anne’s family members still lived in England, and many of the letters in this category came to her from across the pond. She had a particularly close relationship to her two oldest sisters, Amelia and Caroline, whom she had grown up with in St. James’s Palace. Anne was the only one of the three sisters who married during her lifetime. Caroline (1713-1757) is believed to have been in love with courtier John Hervey, a close friend of her oldest brother Frederick. Hervey, however, was already married, and Caroline was left unmarried until her death in 1757. [14]

 Amelia (1711-1786), however, fiercely opposed marriage, and made no secret of this in her letters to Anne. After receiving a letter from Anne which contained some mention of a possible marriage match for either Amelia or Caroline, she retorted as follows:

I have declar’d a thousand Times to you that marriage is the dreadfullest thing & the worst friend that I have in the world. […] Now I will tell you that as long as I have breath I shall do everything in the world to hinder Caro[line] as well as myself from doing [such] a thing.[15]

Image 6. Princess Amelia of Great Britain by Jean-Baptiste van Loo. Source: Wikimedia Commons.

Amelia also mentions Anne’s happy marriage to William: ‘I sometimes believe you think that unmarried women have no places in Heaven, for you think nobody can have the least happiness without it.’ She even goes as far as to threaten her: ‘Make no match for Caro[line] or me, Royeaux, for I shall move all the engines in life to get you divorced if you do’.[16] The nickname “Royeaux” here refers to Anne’s position as Princes Royal of England. Of course, Amelia’s threats held no real malice, and the letter was more an expression of frustration than of anger towards her older sister. Still, the difference in opinion between the two sisters is noteworthy to say the least. Amelia’s letter serves as an insight into her genuine, unadulterated opinion on marriage, juxtaposed with Anne’s happy, loving marriage.   

B – Incoming letters from other nobles

Although Category B is one of the smaller categories in the archive, containing only 68 letters from eighteen correspondents, the documents within offer a unique blend of the personal and the political. The section contains letters from kings and countesses, some of which are purely diplomatic relationships while others are distant relatives on the side of Anne’s husbands. Take for instance Countess Charlotte Frederika of Nassau-Siegen (1702-1785), a distant German cousin of William, who wrote to Anne in the autumn of 1742. The two had never met before, as Charlotte also mentions in her letter, but the countess was clearly very aware of the political power Anne wielded even in those early days. She begins her letter by flattering Anne, mentioning ‘her love of justice and her natural goodness towards everyone’. Charlotte then asks Anne for her help with a family affair, pleading for her to persuade her husband to offer his help. ‘What glory,’ she writes, ‘and what blessing can Monsieur le Prince not achieve by willingly granting them what is due to them!’[17]           

Image 7. Portrait of Countess Charlotte Frederika of Nassau-Siegen by Christoph Gottfried Ringe, Royal Collections The Hague.

The fact that Charlotte sent her letter to Anne instead of to her husband, is noteworthy. Surely, she writes, the prince will not be able to disagree with Anne’s wise council! Charlotte understood, as did many others, that Anne already held quite a lot of influence over her husband and his politics and she was not to be underestimated as a political player, years before she came to rule on her own.     

This category is also home to a set of condolence letters, which Anne received after the death of her husband in 1751. These letters are eye-catching, as they have been adorned with a thick black rim around the outline of the page, and the seals with which they have been secured are pressed into a black wax, as opposed to the customary red. (see image 8) Anne received many of these during her period of mourning, and any of them could have been selected as an example. The host of insights into how death, grief and loss were dealt with in this period is certainly an interesting topic. As both a young widow and a mother who lost multiple of her children during infancy, Anne is a fitting subject for such a study.

Image 8. Condolence letter sent to Anne of Hanover by Countess Wilhelmine Friederike of Leiningen Westerburg, with black-rimmed edges and seal. Source: KV, inv. no. A30-VIb-12.

Anne received one of these letters from Countess Wilhelmine Friederike of Leiningen Westerburg (1688-1775), another German noble. Wilhelmine, too, had lost her husband at a young age, and was thus able to empathize with Anne. Still, her letter, which she sent in December of 1751, a few months after William’s death in October, contains a silver-lining:

The Almighty, whose providence has made the last period of the year, which is drawing to a close, a time of sorrow and sadness through one of the most painful bereavements; may He make the entry into the new year a cheerful dawn of joyful days, and may He, together with His most illustrious house, point to a blessed future in uninterrupted, supreme happiness.[18]

C – Incoming Letters from Private persons

The most colourful blend of characters can be found in category C—anyone from Anne’s closest and most trusted friends to administrators and mayors from all over the Republic and beyond. Some of these names include Wybrand van Itsma (1693-1759), a member of the States-General, Augustus Schutz (1689-?), the Master of the Robes at the British court, and Frederik Vaster, a writer.  In total, there are 1,110 letters from 280 different correspondents. It goes without saying this category is the biggest of the five, and it is impossible to give a complete impression of all it contains within the length of this text.     

Perhaps the most touching of these letters was sent to Anne by Jane Temple (1672-1751), her old governess: the woman who had raised her since she was a child in the absence of her parents. She wrote to Anne in February of 1750, a mere year before her own death. She was already 78 years old at the time, but her fondness for Anne shines through on every page. The old governess expresses how touched she is that Anne mentioned her to her sister Amelia, whom she also helped raise. ‘I can affirm strongly,’ she writes, ‘that there is nobody whatsoever, more jealously devoted, not with more sincere affection, to [Your Royal Highness] and the Prince, then [sic] myself, and my sons, and I need not add more, from the many occasions, there has been, for the proof of this.’[19]

Image 9. Portrait of Jane Temple in her youth by Michael Dahl, National Trust Collection. Source: Wikimedia Commons.

In stating this, Jane was most certainly correct. Her oldest son was one of Anne’s most important allies and friends and would become even more important in the decade after Anne received Jane’s letter, though his mother would not live to see her son rise to such heights. As mentioned previously, William Bentinck stood by Anne’s side in her struggle to manoeuvre the Dutch Republic into an alliance with the British against the French. During Anne’s reign as Governess of the Seven United Provinces she received countless reports, summaries, and letters from him, all discussing the political landscape of the Republic and beyond. In some cases, she gave Bentinck instructions in secret, like she did in January of 1753. The letter she received from him from Brussels read as follows:

Madame, Demain matin, je pars d’ici, et je me rendrai à la Haye avec toute la diligence possible. Je crois que je suis à présent en état de donner des lumières suffisantes sur la véritable état des choses et là sur la disposition des esprits. Par le rapport que j’aurai l’honneur de faire en personne à Votre Altesse Royale, elle se trouvera, je crois, en état de se décider sur le parti qu’il faudra prendre.[20]

[Madam, Tomorrow morning I leave here, and I shall go to the Hague with all possible speed. I believe that I am now in a position to give sufficient insight into the true state of things and the disposition of minds. By the report which I will have the honour of making in person to your Royal Highness, she will, I believe, be in a position to decide on the course of action which should be taken.]

The information he gathered in Brussels is evidently quite sensitive, as he insists on reporting his findings to her in person. About forty-three of Bentinck’s letters have been preserved in the archive, stretching from 1747, when Anne’s husband was still alive, to 1756, when she was ruling on her own.[21] The letters portray the changing of the Republic’s political landscape, and how Anne’s position within it shifted over time.

The unsavoury side of the Dutch Republic in the eighteenth century is also present in Anne’s archive. Though the pieces are fewer in number, these documents discussing the trade in enslaved peoples on the coast of modern-day Ghana are certainly relevant and interesting. The letters from Nicolaas Mattheus van der Noot de Gieter (1715-1755), the director-general of the Dutch West India Company (WIC), were sent to Anne from Fort St. George, Elmina. This castle was a central hub in the slave trade in West Africa, as it acted as a depot where enslaved people from all over West Africa were gathered before they were sold to Dutch traders. Van der Noot de Gieter writes to Anne about the decline of the slave trade on the coast of Guinea (as Ghana is being referred to in the letters), which results in fewer enslaved people arriving at the Dutch forts on the West-African coast.[22]

One more letter deserves a brief mention. It was sent to Anne by Gerrit Cramer (1696-1755), who achieved great fame with the timepieces and microscopes he crafted during his life. The most notable of these is the Sundial in the Prinsentuin in Groningen, which he crafted for William a few years before his marriage to Anne. Cramer continued to work for the Oranges during his career, and Anne took a great liking to him. The letter that has made its way into the archive is quite a personal one. In it, Cramer updates her on his health, as he had fallen ill and was no longer able to produce clocks for his clients, Anne among them.[23] Evidently, Anne held a deep appreciation for the arts, and cared deeply for the people producing it.

Image 10. Sundial in the Prinsentuin in Groningen, crafted by Gerrit Cramer for William IV. Photo by Bouwe Brouwer, 2006. Source: Wikimedia Commons.

D – Outgoing Letters

Letters from Anne’s own hand are a minority in the archive. There are 131 letters with about as many different recipients. Most are short drafts or minutes that briefly mention the intended recipient and the date on which the letter was written. Still, these letters give an impression of Anne in all the roles she fulfilled— the Governess of the Dutch Republic, who dealt with both domestic and international affairs, and well as the Princess Royal of England. The latter of these roles has not been mentioned often so far, but even from across the sea Anne remained a respected and beloved member of the British royal family for her entire life.  

Most of the outgoing letters in Anne’s archive concern the domestic politics of the Dutch Republic, with letters from Anne to figures as the Treasurer-General Jan de la Bassecour (1696-1753), foreign envoy and governor of Willemstad Franciscus Cornabé (1706-1762), the mayors of several Dutch cities, and of course her dear friend William Bentinck, whom she kept in frequent contact with.[24] Take this letter:

N’ayant sçu qu’lier que le requête du Kerkenraad savait présentée aux Etats d’Hollande, je n’ai pas eue le temps de vous avertir et n’en ai parlé qu’au Pensionaire qui m’a promis de veiller à ce qu’elle fut traitée comme il faut, comprenant avec moi qu’elle est de la dernière importance pour le gouvernement stadhoudérien, je ne doute pas de vos attentions pour le même effet mon bon monsieur de Bentinck,
étant toujours votre bonne amie
Anna

[Having only heard that the Kerkenraad’s request was presented to the Dutch States, I did not have the time to inform you and only spoke of it to the Pensionairy who promised to see to it that it was treated as it should be, understanding with me that it is of the utmost importance for the Stadholderly government, I do not doubt your attentions for the same effect my good Mr. Bentinck,
being always your good friend       
Anne][25]

Image 11. Letter from Anne’s own hand, adressed to the Duke of Newcastle. Source: KV, inv. no. A30-VId-4.

Anne was diligent in keeping her ally up to date, even with matters that she would have the chance to discuss with him at a later moment.

Despite Anne’s focus on domestic politics taking up a large chunk of this part of the archive, her attention for the rest of the world is clearly present. In her letters expresses concern over the appointment of the captains who sail to the Indies on behalf of the Republic and even writes letters to her own father, king George II of England, which are purely political in nature.[26] This isn’t a surprise as she was trying to connect her native England with the Dutch Republic in a new allegiance. Anne wore two hats when writing letters to persons in England: the Princess Royal and the ruler of a different nation. She balanced these roles admirably, as is visible in the aforementioned letter to her father as well as in several other letters to British nobles. In a letter she wrote to the Duke of Newcastle, for instance, she does not mention her position in the Dutch Republic at all. Anne writes to him because the Duke is leaving the English royal court and her father’s service as minister, thanking him for his loyalty to the British crown. ‘I do not doubt,’ she writes, ‘that you will always think of your old Friends even of this side off the water.’[27]

Anne’s outgoing letters from her own hand thus show the diverse set of roles she had during her lifetime and how she juggled her many responsibilities.

E – Secretariat

Category E is one of the larger sections of the correspondence of the archive of Anne of Hanover, it contains many of the documents sent to her during the decade she reigned as Governess over the Dutch Republic. There are 606 letters from 436 recipients. These letters vary from appeals and request to notices of death and information from various branches of the Dutch military. For instance, there is a letter from Jacob Grauwers (fl. 1757), a naval captain, as well as letters from Hendrik Heijningen (fl. 1757) and Jacob Kley (1721-1785) asking Anne from a variety of different favours.  For those studying Anne’s politics, however, the correspondence between Anne and Jan de Back (1698-1766) might be the most interesting of all. He wrote 157 of these letters—over a quarter of the entire section. De Back had been a member of William IV’s secret council and secretary of the Stadtholderly secretariat. He continued to fulfil this role after the Stadtholder had passed, making him a frequent correspondent of Anne. De Back had often worked with William Bentinck during his time under William IV, but a rift formed between the two around 1750 when it became more and more clear Bentinck sought an allegiance with England, whereas De Back favoured rapprochement with France. This made him not only an adversary of Bentinck, but it meant he diametrically opposed Anne as well.[28] De Back handled the myriad requests sent to Anne and sent her many letters summarizing them. Both these letters and Anne’s responses have been preserved in this section of the archive.[29] Due to the rising favour of the protestant Thomas Isaac de Larrey (1703-1795), whose father had fled from France to avoid prosecution, and De Back’s clandestine relations with the French envoy D’Affry he was eventually fired from his post in 1758.[30] Of course, this is only one of the threads of political discourse that can be traced through this section of the archive.

What Comes Next?

The publication of the correspondence of Anne of Hanover this coming autumn marks the end of one of the parts of the Stadtholder’s Wives project. However, there is more work to be done. Great progress has already been done on the next part, which involves the letters of Marie-Louise of Hessen-Kassel (1688-1765), wife of John William Friso of Nassau-Dietz and mother of William IV.[31] As Anne’s mother-in-law, she took over her duties after her death in 1759 and took care of the upbringing and education of William Batavus. William Batavus’s wife, Wilhelmina of Prussia (1751-1820), is also next on the list for the project.[32]

The finalization of Anne of Hanover’s database at the Stadtholder’s wives project absorbed the largest amount of time during my internship. Through adjusting, supplementing, and revising the work done by my predecessors, I became familiar with Anne, the archive, and the many letters she received and composed during her lifetime. I selected the letters I deemed the most interesting and fruitful for future research, as well as those that stood out to me for their intimate, personal nature. It has been a privilege to glimpse into the past in this way. Though there is much work that still needs to be done, I am extremely proud of the result of Anne’s database, and I am excited to see how other researchers will use these sources in their own work once they become widely accessible.

Vera Feron (Master Student Historical Studies, Radboud University Nijmegen)

Updated 29 September 2023


[1] Research is already being done with these databases. PhD candidate Lidewij Nissen uses the resources created by the Stadtholder’s wives project in her PhD project ‘The ‘First Ladies’ of the Dutch Republic: The Political Agency of the Stadtholders’ Wives in the Seventeenth Century’. See also: Lidewij Nissen, ‘“De bron van alle goeds.” Willem Lodewijk als vaderfiguur in de zeventiende-eeuwse Nassaudynastie’, in: Hanno Brand and Joop W. Koopmans (eds.), Willem Lodewijk: stadhouder en strateeg (1560-1620-2020) (Hilversum 2020) 113-130.

[2] Ineke Huysman, ‘Balancing between Mother and Wife: The Private Correspondence of Stadtholder Willem IV of Orange-Nassau’ in: Private Life and Privacy in the Early Modern Low Countries, to be published in 2023 (Brepols, Turnhout).

[3] For more in-depth information about Anne of Hanover, see: Veronica P.M. Baker-Smith, ‘The daughters of George II: marriage and dynastic politics’, in: Clarissa Campbell Orr red., Queenship in Britain 1660-1837. Royal patronage, court culture and dynastic politics (Manchester 2002) 193-206; Richard G. King, ‘Anne of Hanover and Orange (1709-59) as patron and practitioner of the arts’, in: Clarissa Campbell Orr red., Queenship in Britain 1660-1837. Royal patronage, court culture and dynastic politics (Manchester 2002) 162-192; Veronica P.M. Baker-Smith, A life of Anne of Hanover, princess royal (Leiden 1995); Simone Nieuwenbroek, ‘Een ruk naar Brits De internationale politiek van Anna van Hannover, 1756-1757’, Virtus 27 (2020) 115-132.

[4] John van der Kiste, King George II and Queen Caroline (New York 2013) 49-52.

[5] Frans Willem Lantink, ‘Anna van Hannover (1709-1759)’,  https://resources.huygens.knaw.nl/vrouwenlexicon/lemmata/data/AnnavanHannover (consulted 29 November 2022)

[6] Ibidem.

[7] Nieuwenbroek, ‘Een ruk naar Brits’, 115, 118.

[8] Ibidem, 131.

[9] As cited in: Nieuwenbroek, ‘Een ruk naar Brits’, 131.

[10] Royal House Archive (KHA), A30 Anna van Hanover (AvH), inv. no. A30-VIa-1, Letter from William IV, husband of Anne of Hanover, 13 October 1733.

[https://resources.huygens.knaw.nl/media/stadhoudersvrouwen/annavanhannover/A30-430a_005.PDF]

[11] Ibidem, 31 January 1742. [https://resources.huygens.knaw.nl/media/stadhoudersvrouwen/annavanhannover/A30-430a_050.PDF]

[12] Anne’s letters to William are also available to view, see: KHA, A29 Willem IV, Prins Van Oranje, Vorst Van Nassau, inv. no. A29-171.

[13] KHA, AvH, inv. no. A30-VIa-4, Letter from William V, son of Anne of Hanover, 6 November 1758. [https://resources.huygens.knaw.nl/media/stadhoudersvrouwen/annavanhannover/A30-430a_146.PDF]

[14] Van der Kiste, King George II and Queen Caroline, 133.

[15] KHA, AvH, inv. no. A30-VIa-11, Letter from Amelia, Princess of England, sister of Anne of Hanover, 24 October n.d.  https://resources.huygens.knaw.nl/media/stadhoudersvrouwen/annavanhannover/A30-430c_004.PDF

[16] Ibidem.

[17] Note that the letter was originally written in French; KHA, AvH, inv. no. A30-VIb-12, Letter from Charlotte Frederika van Nassau-Siegen, 19 November 1742. [https://resources.huygens.knaw.nl/media/stadhoudersvrouwen/annavanhannover/A30-430A1_014.PDF]

[18] Note that the letter was originally written in French; KHA, C40 Duitse Kanselarij (DK), inv. no. C40-21-22, Letter from Wilhelmine Friederike of Leiningen Westerburg, 24 December 1751. Although this letter has been moved out of Anne of Hanover’s archive following a restructuring of said archive, it is still included in the database and is therefore also still mentioned in this text.  [https://resources.huygens.knaw.nl/media/stadhoudersvrouwen/annavanhannover/A30-432-I_049.pdf]

[19] KHA, AvH, inv. no. A30-VIcXIX-2, Martha Jane Temple, Countess of Portland, 15 February 1750. [https://resources.huygens.knaw.nl/media/stadhoudersvrouwen/annavanhannover/A30-431-08-016.pdf]

[20] KHA, AvH, inv. no. A30-VIcII-10, William Bentinck, lord of Rhoon, 26 January n.d., [https://resources.huygens.knaw.nl/media/stadhoudersvrouwen/annavanhannover/A30-431-02_054.pdf]

[21] Additional letters from Anne to Bentinck are available in Bentinck’s collection. See: KHA, G002 Collection of William Bentinck, lord of Rhoon and Pendrecht, inv. nr. G002-B-10.

[22] KHA, AvH, inv. no. A30-VIcXIV-3, Copy of a letter from Nicolaas Mattheus van der Noot de Gietere, director-general of the WIC, 25 September 1754. [https://resources.huygens.knaw.nl/media/stadhoudersvrouwen/annavanhannover/A30-431-08-004.pdf]

[23] KHA, AvH, inv. no. A30-VIcIII-13, Letter from Gerrit Cramer, microscope and clockmaker, April 22 1755. [https://resources.huygens.knaw.nl/media/stadhoudersvrouwen/annavanhannover/A30-431-03_013.pdf]

[24] KHA, AvH, inv. no. A30-VId-1, Photocopies of two letters to Jan de la Bassecour, Treasurer General of the Dutch Republic.

[25] KHA, AvH, inv. no. A30-VId-4, Letter to William Bentinck, 1 December 1756. [https://resources.huygens.knaw.nl/media/stadhoudersvrouwen/annavanhannover/A30-449_119.pdf]

[26] KHA, AvH, inv. no. A30-VId-4, Letter to Mr. de Haren, Deputy at the Admiralty of Amsterdam, 15 January 1756; KHA, AvH, inv. no. A30-VId-4, Letter to King George II of England, 12 November 1756.  [https://resources.huygens.knaw.nl/media/stadhoudersvrouwen/annavanhannover/A30-449_060.pdf] ; [https://resources.huygens.knaw.nl/media/stadhoudersvrouwen/annavanhannover/A30-449_111.pdf]

[27] KHA, AvH, inv. no. A30-VId-4, Letter to  the Duke of Newcastle, 30 November n.d. [https://resources.huygens.knaw.nl/media/stadhoudersvrouwen/annavanhannover/A30-449_117.pdf]

[28] P.C. Molhuysen and P.J. Blok eds.  Nieuw Nederlandsch Biografisch Woordenboek Vol. 1 (Leiden 1911) 208.

[29] KHA, AvH, inv. no. A30-VIe-28-29, Correspondence between Jan de Back, privy councilor and secretary, and Anne of Hanover, 1747-1756.

[30] Molhuysen and Blok, Nieuw Nederlandsch Biografisch Woordenboek, 208.

[31] KHA, A28 Marie-Louise van Hessen-Kassel.

[32] KHA, A32 Wilhelmina van Pruisen.

Een nieuwjaarsbericht van Pepin voor Annin

Het huwelijk tussen stadhouder Willem IV van Oranje-Nassau en Anna van Hannover was niet uit liefde aangegaan, maar uit deze brief (en véle andere, ook van Anna) blijkt dat er wel degelijk iets moois tussen beiden was opgebloeid. Willem, die zichzelf Pip of Pepin noemt in zijn brieven aan Anna (Annin), is op nieuwjaarsdag 1742 in de buurt van Kassel en mist haar vreselijk.

Willem IV aan Anna van Hannover, 1 januari 1742, Koninklijke Verzamelingen, A30-VIa-1.

De honderden brieven van Willem aan Anna en aan zijn moeder Maria-Louise van Hessen-Kassel zijn met behulp van Transkribus ontsloten. Vrij vertaald schrijft hij:

Kassel, 1 januari [1742]

Ik schrijf u, mijn lieve hart, deze paar woordjes om u te verzekeren van mijn tederheid en mijn liefde. Ik had extreem veel spijt u te moeten achterlaten. Ik zou dit alles niet kunnen verdragen, als ik mezelf niet zou troosten met de gedachte dat Pip al het mogelijke zal doen om zich zo snel mogelijk bij zijn geliefde Annin te kunnen voegen. Goede God wat een saaiheid om het kleine koetsje zonder haar te zien die het zo plezierig maakt, evenals de andere geneugten in mijn leven. Mijn hart is zo vervuld, en mijn gedachten zo bezeten van u dat ik nooit zal kunnen stoppen met alles te zeggen wat in me opkomt. Boemer [Herman Jansen Boemer, een dienaar] is bij me sinds ik in Kassel ben om een beetje te praten en de droefenis te verdrijven van het ontbreken van uw Hagel [een codewoord voor liefdevol?] gezelschap en waardevolle gesprekken. Goedenavond het is zes uur, ik vertrek en geef je duizend kussen, Pepin.

Binnenkort verschijnt de volledige correspondentie van Anna van Hannover zoals die bij Koninklijke Verzameling wordt bewaard, online. Wordt vervolgd.

Ineke Huysman, 1 januari 2023

Brieven van de vrouwen van Willem van Oranje gedigitaliseerd

V.ln.r.: Inger Leemans (NL-LAB/Huygens ING), Claudia Hörster (Koninklijke Verzamelingen) Cheraldine Osepa (gemeente Delft) en Hester Schölvinck (museum Prinsenhof) tijdens de lancering van de online brieveneditie en opening van de tentoonstelling Historische Vrouwen.

Sinds 30 september 2021 zijn de correspondenties van de vier vrouwen van Willem van Oranje: Anna van Egmond, Anna van Saksen, Charlotte de Bourbon en Louise de Coligny digitaal raadpleegbaar bij Oxford’s Early Modern Letters Online (EMLO).

Ineke Huysman (Huygens ING/NL-LAB) en Julia van Marissing (Museum Prinsenhof) vertellen aan David de Haan (Museum Prinsenhof) over de totstandkoming van de tentoonstelling.

Op die dag organiseerden Museum Prinsenhof Delft, Huygens ING en Koninklijke Verzamelingen een openingsmiddag met betrekking tot de vrouwen rondom Willem van Oranje met onder meer lezingen van Femke Deen en René van Stipriaan. De live-stream die daarvan werd opgenomen is hier terug te zien. Ook zette Miranda Lewis, editor van EMLO, via een blog en via onderstaande videoboodschap uiteen hoe de stadhoudersvrouwenbrieven deel uitmaken van de online catalogus:

Miranda Lewis van EMLO Online licht het project via een filmpje toe.

Werken aan de brieven van de stadhoudersvrouwen!

Aan het werk op het Koninklijk Huis Archief in augustus.

Hoe is het om te werken bij het stadhoudersvrouwenproject? Vandaag vertelt onze stagiaire hier meer over in een podcast met projectleider Ineke Huysman. Ze hebben het onder meer over de werkzaamheden van dit project, en wat ze tot nu toe hebben gevonden!

Je hoort meer over de stadhoudersvrouwen, wie waren zij en waarom is het belangrijk dat hun brieven worden gedigitaliseerd? Verder hoor je meer over het onderzoek dat momenteel wordt uitgevoerd naar de brieven van Willem IV aan Maria Louise van Hessen-Kassel met betrekking tot hun gezondheid.

Marie Louise van Hessen-Kassel (1688-1766) door Louis Volders, te zien in Kasteel Middachten, De Steeg, via nrc.nl

Bovendien hoor je verschillende blogs aan bod komen die de afgelopen weken online zijn gezet. Hier vind je een overzicht van alle blogs terug. Meer weten over de stadhoudersvrouwen of zelf stage lopen bij dit project? Kijk verder op de website of neem contact met ons op!

Een liefhebbende, belangstellende grootmoeder met een zwakke gezondheid

Tessa Stalenburg deed onderzoek naar de correspondenties tussen Maria Louise van Hessen-Kassel en haar kleinkinderen. In deze blogpost presenteren we haar bevindingen.

Maria Louise van Hessen-Kassel onderhield veel contact met haar kleinkinderen. Zij correspondeerde veelvuldig met de kleine Willem V van Oranje-Nassau en zijn zus Carolina van Nassau-Weilburg. 

Carolina bedankt in haar brieven haar grootmoeder vaak voor de geschenken die zij hen met grote regelmaat geeft, schrijft dat ze hoopt dat haar oma in goede gezondheid verkeert en bericht geregeld dat haar jongere broertje gezond is en snel groeit. Op 21 januari 1751 schrijft ze dat haar broertje, op het moment van schrijven bijna drie jaar oud, al veel praatjes heeft: ‘Ik stuur u de zakdoek, mijn lieve grootmoeder, die ik u heb beloofd en ik hoop dat u hem in goede staat zult ontvangen. Het gaat allemaal goed met ons. Mijn broertje heeft de hele dag gebabbeld en ik hou nog steeds veel van u.’ Willem V zelf bedankt in een van zijn eerste briefjes op bijna vijfjarige leeftijd in kraaienpoten zijn grootmoeder Maria Louise voor een brief die zij hem eerder had geschreven.

Trots als ze waren op de brief van de jonge prins, hebben zijn naasten een kopie van zijn brief gemaakt met de context: ‘Copie missive zonder behulp van iemand, ontworpen, en eigenhandig geschreven door sijne doortastelijke hoogheid Willem, Prince van Orange en Nassau, erfstadhouder, capitein generaal en admiraal generaal der Verenigde Nederlanden.’ 

Ook de prestaties en ontwikkelingen van haar andere kleinkind, Carolina, worden op de voet gevolgd door Marie Louise van Hessen-Kassel. Op 30 november 1753 stuurt Carolina haar grootmoeder haar Duitse schrift (‘mon écriture Allemande’) dat ze in Soestdijk aan haar grootmoeder beloofd had. Ze hoopt dat haar oma het met veel plezier zal lezen en stelt dat ze al complimenten van haar moeder ontvangen heeft voor haar werk. Uit andere brieven van Carolina blijkt dat zij en haar grootmoeder elkaar geregeld geschenken stuurden, onder andere theekruiden en kleine gebakjes. 

Het is vooral Carolina die haar grootmoeder dikwijls schrijft in de jaren vijftig van de achttiende eeuw, maar in 1759 begint ook de jonge Willem V actiever aan zijn oma te schrijven. Hij feliciteert haar met haar verjaardag op 13 februari 1759 en hij wenst haar een plezierige reis op 18 maart 1759. Op 14 augustus en op 14 oktober 1759 vraagt hij naar haar gezondheid. Van Maria Louise van Hessen-Kassel is bekend dat zij rond deze periode kampte met gezondheidsproblemen. Nadat haar schoondochter en de moeder van haar kleinkinderen, Anna van Hannover, net als haar zoon Willem IV was komen te overlijden nam zij het regentschap voor de minderjarige Willem V op zich en kreeg zij gedeeltelijk de voogdij over de kinderen. Op 9 december 1760 schreef Maria Louise aan haar kleinzoon dat het haar speet dat ze hem niet frequenter kon schrijven vanwege haar gezondheid: ‘Ik voelde me gevleid dat ik me vandaag van de drang kon verlossen om op Uwe hoogheid te antwoorden met mijn liefste toewijding middels een brief van mijn hand. Maar mijn zwakte ontzegt me dit plezier nog steeds, het is onmogelijk voor mij om mijn oprechte dank uit te spreken voor de rol die mijn lieve jongen op zich neemt tijdens mijn zwakke gesteldheid, wat niet alleen een grote troost is, maar ook een oprechte hartelijkheid. Ik hoop dat ik snel zelf kan schrijven en je dan de tederheid en gehechtheid kan tonen waarin ik verblijf.’ 

> Tessa Stalenburg, 11 december 2020.

Transcriptie brief Willem V aan Maria Louise van Hessen-Kassel
Grot mama, ick daenkie vor dat ghi min ennen brief heft gescreven hept. 
Prins van Orange
Willem [C.D’Orange]

Transcriptie brief Carolina aan Maria Louise van Hessen-Kassel
Ma très chère grand maman,
Je prens la Liberté de vous envoyer du thé, j’espère qu’il seras de votre gout, est qu’il vous fera souvenir de moi, qui vous aime toujours sincèrements. Ma très chère maman, vous fait ces compliments elle ce porte Dieu mera en merveille, et mon frère aussi, il ne vous oublie pas.

Je suis, 
ma très chère grandmaman,
votre très obéissante petite fille
C.P. D’Orange Nassau

La Haije, 4 xber 
1751

Transcriptie brief Maria Louise van Hessen-Kassel aan Willem V
Monsieur mon très cher fils,
Je m’étois flatteé que je serois aujourd’hui en état de m’aquiter de mon plus doux devoir en répondant a Votre Altesse par une lettre de ma main. Mais ma foiblesse me refusant encore ce plaisir, il m’est impossible de différer plus longtems mes rémercimens les plus sincère pour la part que mon très cher fils prend à mon indisposition; ce qui m’est non seulement une grande consolation, mais aussi un vrai cordial. J’espère de pouvoir bientôt écrire moi-même et de témoigner alors la tendresse et l’attachement avec lesquels je suis. 

Signée de la main de S.A. 
Monsieur mon tres cheri Fils, 
de Votre Altesse
votre très dévouée et très tèndre
grand-mère

Ma très chère mère,

In een eerdere blogpost schreven we al over het wereldwijde correspondentienetwerk van Maria Louise van Hessen-Kassel, maar in dit blog willen we graag inzoomen op de correspondentie die zij onderhield met haar zoon, de latere stadhouder Willem IV. Hoewel Maria Louise’s standplaats heel lang stabiel Leeuwarden was, schreef Willem zijn moeder brieven uit plaatsen in heel het land en zelfs daarbuiten! 

Portret van stadhouder Willem IV, schilder onbekend, via: Wikipedia.org

Zijn eerste brief aan zijn moeder schreef Willem in augustus 1719. Hij was toen bijna 8 jaar oud. Hij schrijft de brief vanuit Paleis Soestdijk aan zijn moeder, die in Leeuwarden woonde. In zijn brief schrijft hij dat hij zich verheugt op haar komst en dat hij hoopt dat het goed met haar gaat. Het is een korte en formele, maar desondanks lieve brief van haar jonge zoon. 

Brief van Willem IV aan zijn moeder Maria Louise van Hessen-Kassel, Koninklijke Verzamelingen (Den Haag), via: https://bit.ly/36C327d

In de jaren daarna volgt er sporadisch een brief, dit komt ook omdat Willem nog jong was en bij zijn moeder woonde. Pas vanaf 1726 en weer later in 1728 begon Willem veel brieven aan haar te schrijven. Dit zijn dan ook de jaren wanneer hij in Franeker (1726) en Utrecht (1728) ging studeren. Later spendeerde hij veel tijd in Dieren, aan het Hof te Dieren, een jachtslot in handen van de Oranjes.

Hof te Dieren, schilder onbekend, bron: wikipedia.org

In 1733 reisde Willem IV naar Engeland voor zijn huwelijk met Anna van Hannover. Doordat hij zich snel na zijn aankomst onwel voelde, werd het huwelijk een paar maanden uitgesteld. In het voorjaar van 1734 is Willem voldoende hersteld om het huwelijk te laten plaatsvinden. Gedurende die tijd schrijft hij zijn moeder veel over zijn gezondheid vanuit Bath, waar hij zijn kuren onderging, en Kensington Palace, waar zijn aanstaande bruid Anna van Hannover resideerde. Zijn gezondheid, die altijd al zwak was geweest door een val die hij in zijn jeugd had gemaakt, baarde zijn moeder Maria Louise altijd zorgen. Als enige zoon uit het huwelijk met Johan Willem Friso was hij de enige mogelijkheid was voor het voortzetten van het huis Oranje-Nassau.

Reizen van Willem IV aan de hand van de brieven aan zijn moeder, via NodeGoat

Hierboven hebben we in beeld gebracht waar Willem zoal zijn brieven aan zijn moeder Maria Louise schreef. De rode cirkel is Leeuwarden, waar Maria Louise gedurende deze periode woonde. De meeste brieven schreef hij vanuit Den Haag, hier was Willem vanwege de politiek het vaakst en hij woonde er vanaf 1747. Toch is het interessant om te zien op hoeveel verschillende plaatsen de stadhouder was door de jaren heen. In het filmpje hieronder is precies te zien in welk jaar hij op welke locatie was.

Na de huwelijkssluiting verhuisden Willem en Anna naar het stadhouderlijk hof in Leeuwarden, maar Willem was daarna vaak op veldtocht met het leger. Hij schrijft vanuit verschillende Nederlandse en Duitse steden, maar komt ook in België en af en toe zelfs in Frankrijk. Uiteindelijk spendeerde Willem de meeste tijd in Den Haag, waar hij vaak voor politieke zaken moest zijn. Al helemaal vanaf 1747, wanneer hij officieel erfstadhouder werd van de gehele Republiek. Helaas kon hij deze functie maar korte tijd vervullen. In oktober 1751 kwam de stadhouder te overlijden. In zijn laatste brief aan Maria Louise schrijft hij over het slechte weer en de mogelijkheden wanneer hij weer naar Friesland zou kunnen komen. Hij hoopte in het voorjaar een toer door Friesland te kunnen maken en dan ook zijn moeder weer te kunnen zien. Inmiddels weten we dat hij deze toer nooit heeft kunnen maken. Hij schrijft namelijk ook over zijn verkoudheid, waarvan hij hoopt dat hij er snel van geneest. Helaas was dit niet het geval, want Willem zou slechts zes dagen na het versturen van deze brief overlijden. De erfstadhouder werd opgevolgd door zijn dan drie jaar oude zoon, de latere stadhouder Willem V. Anna van Hannover nam de landszaken waar tot haar dood in 1759; Friesland benoemde haar schoonmoeder Maria Louise van Hessen-Kassel, die de functie van regentes uitoefende tot haar dood in 1765.

Omdat de ruim 1100 brieven van Willem aan zijn moeder allemaal eigenhandig geschreven zijn, lenen deze zich bij uitstek voor automatische transcriptie met behulp van de software-tool Transkribus. Hoe we dat hebben gedaan en wat de resultaten waren, zal in een volgende blogpost worden behandeld.

Transcripties:
Eerste brief van Willem IV aan Maria Louise: https://bit.ly/36C327d

Madame, 
Je suis dans l’impatience d’aprendre l’arrivée de Votre Altesse à Buren, que je souhaitte de tout mon cœur qui soit heureuse. Je la suplie très humblement de m’en faire avoir des nouvelles, y prenant tout l’intérêt que je dois. Je fais mille vœux pour sa conservation et pour son heureux retour. Je me porte fort bien, et suis avec un profond respect. 
Madame
De Votre Altesse Sérénissime, 
Très humble et très Obéissant
Serviteur et Fils, 
G.C.H.Fr. Pr. D’Orange
Soesdijk ce 22 Aout 1719

Laatste brief van Willem IV aan Maria Louise: https://bit.ly/3qtHmSr
La Haie, ce 16 d’8bre 1751
Madame ma très chère mère, 
J’ai pris avec bien du plaisir par celle que j’ai eu l’honneur de recevoir de Votre Altesse Sérénissime par la dernière poste qu’elle se portoit si bien qu’elle comptait, même d’aller diner à Marienburg. Je souhaite fort qu’à la fin le mauvais temps et les pluies nous laissent encore jouir de quelque beau jours d’automne. Je voudrais même pouvoir me flater que les chemins puisent se raccommoder et qu’ainsi nous eusions l’avantage de voir V:A:S:, soit à Loo, soit en Frise, mais je ne prévois que trop que la saison est déjà trop avancée pour cela, et que nous n’osons espérer de voir V:A:S: ici. Nous serions pourtant peut-être allé à Loo pour nous rapprocher d’elle, et régler à sa commodité l’entrevue, mais les nouvelles confirmée que les petites véroles & même pas de la meilleure sorte ij régnoit, vous en retient, joint à cela que je ne puis après cinq semaines d’absence, ni m’absenter de nouveau pour longtemps, et même avec tout ce que je trouve à faire ici en partir de cette assemblée, sans parler du projet de la réduction des troupes, tout cela me fait à regret conclure qu’il faudra remettre malgré moi le bonheur de rejoindre Votre Altesse Sérénissime, et de lui montrer les enfants jusqu’au printems prochain, et avoir pour vous en dédommager deux foi cet avantage l’année prochaine. Je souhaiterais si je le puis ainsi effectuer si je vis et s’il plait à Dieu tacher de faire un tour en Frise au mois de mars en famille et y rester quelques semaines, & nous pourrions après cela dans l’été avoir le bonheur de posséder V:A:S:, soit ici ou à Loo, celon qu’elle l’aimeroit le mieux. La Princesse assure V:A:S: de ses amitiés, Caroline & Guillaume de leurs devoirs. Ils se portent tous, grâces à Dieu, à merveilles, mon Rhume est presque passé, mais c’est moins un rhume qu’une fluxion, ou humeur prise par quelque froid, et je crois même encore un jour à Aix aux je suives [ ?]  du moins quand je ne sers pas la fête embarrassée, cela se jette à la gorge, et quand cella là est libre la fête est prise. Mais j’espère en être quitte dans peu, d’ailleurs j’ai tout lieu de rendre, grâces à Dieu, du succès de ma cure, & mon sommeil et meilleur que depuis longtemps. J’ai l’honneur d’être avec le plus sincère & le plus respectueux attachement, 
de Votre Altesse Sérénissime 
le très humble très obéissant 
serviteur & fils
Prince D’Orange & Nassau