Ziekte, zorg en dynastie: De medische correspondentie tussen Maria Louise van Hessen-Kassel en Bernard Wepfer

In het kader van haar stage bij het Stadhoudersvrouwenproject verdiepte Veerle Berends zich in de medische correspondentie tussen Maria Louise van Hessen-Kassel en haar lijfarts Bernard Wepfer. Aan de hand van ruim veertig brieven onderzocht ze hoe lichamelijke gezondheid, dynastieke zorg en politieke stabiliteit in de achttiende eeuw nauw met elkaar verweven waren. In haar blog beschrijft Veerle hoe kwalen, geneeskrachtige middelen en moederlijke zorgen samenkomen in een fascinerende briefwisseling, die niet alleen inzicht geeft in de medische praktijken van de tijd, maar ook in de cruciale rol van Maria Louise als beschermvrouw van de Oranje-dynastie.

In de rijke brievencollectie van de Friese stadhoudersvrouw Maria Louise van Hessen-Kassel (1688-1765) zijn vele brieven van verschillende individuen terug te vinden. Zo ook de brievencollectie van Bernard Wepfer (1684-1757), een van de artsen die in dienst was van de familie Oranje-Nassau gedurende de achttiende eeuw. Wepfer nam als lijfarts de zorg voor de stadhouderlijke familie op zich en stond daardoor dicht bij de macht. Het perspectief van een lijfarts is bijzonder om te bestuderen, omdat dit een andere invalshoek biedt op de alledaagse kwalen en rituelen van de Oranjes.[1] De collectie bestaat in totaal uit 42 brieven die Wepfer tussen 1731 en 1741 aan Maria Louise heeft geschreven: het gaat om 1 brief uit 1731, 16 brieven uit 1733, 23 brieven uit 1734 en 2 brieven uit 1741. Daarnaast bevindt er zich ook een ongedateerde brief tussen de collectie. Deze 42 brieven vormen slechts ongeveer de helft van de briefwisseling, omdat de brieven van Maria Louise helaas niet zijn overgeleverd.[2]

De brieven van Wepfer vormen vooral een interessante inkijk in het persoonlijke leven van Maria Louises zoon Willem IV (1711-1751), vanaf zijn negentiende tot zijn dertigste levensjaar. Willem was tijdens deze periode stadhouder van Groningen, Gelderland, Drenthe en Friesland.[3] De brieven vertellen veel over de problematiek rond zijn gezondheid: Willem was namelijk vaak ziek. Zijn gesteldheid is dan ook het doorlopende onderwerp in de brieven. Hier werd veel over gecorrespondeerd, omdat Willem IV zich in deze jaren veel in Den Haag en Engeland bevond en Maria Louise zich in 1731 in het Princessehof in Leeuwarden had gevestigd. Uit de antwoorden van Wepfer is op te maken dat Maria Louise zich ernstig zorgen maakte over het welzijn van haar zoon, zoals in zijn brief van 12 januari 1734 is te zien:

Daß euer hoheiten sich so sehr inquietiren wegen langsamen herßellung von Kräfften beij Unserem gnädigsten Prinzen, thut mir sehr leid und nehme solches sehr zu hertzen (…)[4]

Dat uwe Hoogheden zich zozeer ongerust maken over het trage herstel van de krachten bij onze genadigste prins, spijt mij en neem ik zeer ter harte (…)[5]

Deze zorgen zijn begrijpelijk, omdat Willem IV de enige zoon en opvolger van Maria Louise en Johan Willem Friso was.[6] Voor de dynastieke continuïteit was zijn welzijn van essentieel belang. Die was al een keer in gevaar gekomen toen Willem op vijfjarige leeftijd in 1717 een ongeluk had, waar hij een kippenborst en bochel aan overhield.[7] De oorzaak van het ongeluk is niet geheel zeker en de verschillende visies worden in het hoofdstuk Balancing between Mother and Wife van Fayrouz Gomaa en Ineke Huysman besproken.[8] Volgens Jagtenberg zou het ongeluk door de val van een kar komen, maar de historica Veronica Baker-Smith vond dit vanwege de hoogte niet aannemelijk. Een val zou namelijk niet leiden tot een geleidelijke misvorming, zoals bij Willem het geval was. Baker-Smith is van mening dat er eerder sprake was van een chronische aandoening of een tuberculaire aandoening.[9]

Naast Maria Louises persoonlijke zorgen was er nog een reden voor bezorgdheid: in de vroegmoderne tijd werd de vorst namelijk gezien als de belichaming van de staat.[10] Als het slecht ging met de vorst, kon dit betekenen dat het slecht ging met de staat.[11] Al in de middeleeuwen werd de staat voorgesteld als een menselijk lichaam: Johannes van Salisbury (1120-1180) omschreef de koning als het hoofd en de ziel van dit lichaam (de staat), waarvan het functioneren bepalend was voor de gezondheid van het geheel.[12] In de vroegmoderne tijd bleef dit denken voortleven: ziekteverschijnselen bij een vorst werden niet enkel medisch opgevat, maar konden ook gezien worden als tekenen van politieke instabiliteit.[13] De Europese politiek hield zich dan ook veelvuldig bezig met de erfopvolging en de gezondheid van erfgenamen.[14] Opmerkelijk bij Willem IV is dat hij en zijn persoonlijke cirkel erg veel moeite deden om zijn toestand buiten de publieke belangstelling te houden, om geen onrust te veroorzaken.[15]

In dit artikel wordt de samenhang tussen de gezondheid van Willem IV en de dynastieke continuïteit van de Oranje-Nassau dynastie bestudeerd aan de hand van de medische informatie die te vinden is in de brieven van Wepfer aan Maria Louise die zijn geschreven tussen 1733 en 1734. Daarnaast zullen er twee brieven met medische gegevens over Maria Louise zelf uit deze periode besproken worden, waarin ze zich op afstand door hem laat behandelen. Bernard Wepfer was namelijk niet alleen de lijfarts van Willem IV, maar ook van Maria Louise.

Bernard Wepfer

Observationes medico-practicae, de affectibus capitis internis & externis. Johann Jakob Wepfer (de grootvader van Philip Bernard Wepfer).

Philip Bernard Wepfer is op 27 november 1684 in Schaffhausen, Zwitserland, geboren in een ware artsenfamilie. Hij was de zoon van de arts Hans Konrad Wepfer (1657-1711), die op zijn beurt weer de zoon was van Johan Jakob Wepfer (1620-1695), de stadsarts van Schaffhausen en lijfarts van onder andere markgraaf Frederik VII van Baden-Durlach (1647-1709) en Filips Willem, keurvorst van de Palts (1615-1690).[16] In tegenstelling tot andere (omstreden) lijfartsen die in dienst waren van koninklijke/adellijke families zoals Johann Friedrich Struensee, lijfarts van de Deense koning Christiaan VII en Pieter van Foreest, lijfarts van Willem van Oranje, is er erg weinig over Bernard Wepfer bekend.[17] Jagtenberg vermeldt hem enkele keren in zijn biografie Willem IV, maar zijn brieven worden verder niet geanalyseerd.[18] Uit de biografie van Jagtenberg en de brieven zelf is af te leiden dat Wepfer tussen zeker 1728 en 1741 als lijfarts in dienst bij de familie Oranje-Nassau is geweest.[19] Wepfer heeft zijn brieven in het zogenoemde Kurrentschrift geschreven, een oud Duits schrift dat bekend staat om zijn moeilijk leesbaarheid, zoals te zien is op de onderstaande afbeelding.

Omdat de brieven zo lastig te lezen waren, was het nodig om eerst een Transkribus-model te ontwikkelen. Transkribus is een platform voor tekstherkenning van historische documenten. Met behulp van Artificial Intelligence kan men modellen trainen die helpen bij het transcriberen van teksten, zoals de collectie van Wepfer. Het eerste model is gemaakt door ~20 brieven met de hand te transcriberen. Met een CER (character error rate) van 22.90% was de foutmarge aan de hoge kant, waardoor er vervolgens nog 20 brieven zijn getranscribeerd. Deze set van ~40 brieven vormen het tweede model, die met een CER van 6.55% een stuk beter is. Dit tweede model heeft alle brieven getranscribeerd en de transcripties zijn vervolgens met de hand verbeterd en vormden de basis voor deze studie.

Fragment uit: Bernard Wepfer aan Marie Louise van Hessen-Kassel, 21 oktober 1741, KV Den Haag, inv. A28-294, https://resources.huygens.knaw.nl/media/stadhoudersvrouwen/mlvanhessenkassel/A28-294_042.pdf.

Een koetsongeluk

Tussen 4 en 9 september 1733 stuurde Bernard Wepfer drie brieven aan Maria Louise, waarin hij haar schrijft over een ongeluk dat Willem IV met een rijtuig heeft gehad.[20] Op 4 september was Willem IV een eindje in een chaise, een door paarden getrokken kar, gaan rijden. Deze kar kwam in botsing met een tolhek van de Haagsche poort bij Delft dat niet ver genoeg geopend was, waardoor Willem IV van de koets af viel en zich aan de rechterkant van zijn hoofd bezeerde.[21] Wepfer noteerde dat het om een kneuzing aan de rechterkant van Willems hoofd ging, met wat schrammen op zijn wang. Wat interessant is aan deze brief, is dat Wepfer benadrukt dat hij Maria Louise normaalgesproken niet zou inlichten over zo’n gebeurtenis, maar dat hij het toch door wil geven omdat hij bang is dat ze vanuit andere bronnen meer zou horen dan dat er werkelijk in de stad was gebeurd. De brief is sussende van toon geschreven: Wepfer probeert Maria Louise gerust te stellen en te verzekert haar in ‘alle onderdanigste oprechtheid en diepste toewijding’ dat hij de waarheid spreekt:

(…) welches doch alles Gott dank nichts zu sagen hat, ich auch die freyheit nicht genomen hätte euer hoheiten solches zu berichten, wann nicht fürchtete, euer hoheiten möchten, von anderen orten mehr hören, als in der stadt ist euer hoheiten glieben denn Sich nur gerüst zu stellen und zu glauben das ich die wahrheit schreibe, der in aller im verthänigsten aufrichtigkeit und tieffesten devotion verharret (…)[22]

(…) wat echter God zij dank allemaal niets te betekenen heeft, ik zou ook de vrijheid niet hebben genomen uwe Hoogheden hierover te berichten, als ik niet vreesde dat Uwe Hoogheden van elders meer zou vernemen dan er in de stad werkelijk aan de hand is. Uwe hoogheden gelieven dan slechts zich gerust te stellen en te geloven dat ik de waarheid schrijf, die in alle onderdanigste en diepste toewijding volhardt (…)[23]

Maria Louise zal geschrokken zijn van het nieuws, zeker omdat ze zich zorgen maakte over de gezondheid van haar zoon. Dat blijkt uit het feit dat niet alleen Wepfer, maar ook haar vertrouweling Van Burmania en Willem IV’s opperstalmeester van Aylva haar over het ongeluk schreven.[24] Opmerkelijk is dat Willem zijn moeder zelf niet over het ongeluk heeft ingelicht. Dit komt overeen met een patroon dat vooral na zijn huwelijk met de Engelse prinses Anna van Hannover (1709-1759) zichtbaar is, waar hij vele details zoals gevoelens niet met zijn moeder, maar wel met zijn echtgenote deelde.[25] Wepfers vrees voor roddels bleek terecht: in zijn brief van 5 september 1733 meldt hij dat de couranten over het ongeluk berichtten, al is onbekend welke dit waren en wat er precies is geschreven.[26] Als lijfarts op een politiek gevoelige positie schreef Wepfer voorzichtig. Hij benadrukt zijn trouw aan Maria Louise, wetend dat gezondheidsnieuws over de jonge stadhouder politieke gevolgen kon hebben.

De oversteek naar Engeland & uitstel van het huwelijk met Anna van Hannover

De zorgen rond het koetsongeluk vormden slechts een voorbode van de gezondheidsproblemen die in de latere brieven over Willem naar voren kwamen. Naast de drie brieven uit 1731 zijn namelijk veruit de meeste brieven in 1733 en 1734 geschreven. Dit waren erg bijzondere jaren voor Maria Louise, omdat dit de periode was waarin haar zoon Willem IV met Anna van Hannover trouwde. Politiek gezien was dit een interessante match voor de Oranje-Nassaus, waardoor een goede afloop van groot belang was.[27] De bruiloft stond voor eind november in Engeland gepland en Willem vertrok eind september 1733 met de boot naar Engeland, vergezeld door Wepfer en andere hovelingen zoals Dirk van Lynden en de baron van Aylva.[28] Willem IV werd erg zeeziek tijdens de reis en Wepfer heeft hier een uitvoerige brief over geschreven. Wepfer schrijft bovendien dat Willem na de reis verkouden is geworden en koorts heeft. Gelukkig ging het al snel wat beter met de prins, alhoewel hij nog te zwak was om Maria Louise zelf te schrijven:

Unsere gnädigsten Prinzen hoheiten vermelden Euren gehorsamen respect an Euer Hoheiten und sagen, daß Sie Sich noch zu schwach befinden, an Euer Hoheiten selbs zu schreiben, hoffende daß solches doch bald geschenen können.[29]

Onze genadigste prinselijke hoogheden betuigt zijn gehoorzame eerbied aan Uwe Hoogheden en laten weten dat hij zich nog te zwak voelt om Uwe Hoogheden zelf te schrijven, hopende dat dit toch spoedig mogelijk zal zijn.[30]

Dit aspect illustreert hoe Wepfer fungeerde als een doorgeefluik tussen moeder en zoon. Dat er in deze jaren veel is geschreven is logisch, aangezien er zich een grote afstand tussen hen bevond. Willem was ziek in Engeland en Maria Louise verbleef in Leeuwarden. Wepfer schrijft als lijfarts continu erg voorzichtig over de gezondheid van Willem IV, ook al ging het volgens hem al veel beter.[31] Een kleine verslechtering kon namelijk ernstige gevolgen hebben. Het is belangrijk om bij deze berichtgeving aan de standplaatsgebondenheid van Wepfer te denken: goede resultaten waren namelijk erg belangrijk voor hem als lijfarts, wat zijn berichtgeving gekleurd kan maken. Ging het echt wel zo goed met Willem als Wepfer schrijft? Uit de brieven van Dirk van Lynden aan Maria Louise komt namelijk een ander geluid naar voren, dat veel verontrustender is. Van Lynden schrijft dat de dokters wel beweerden dat er geen gevaar was, maar dat hij Willem buitengewoon zwak en onrustig vond.[32]

Willem IV, Hans Hysing, ca. 1730-1753, Rijksmuseum.

Wat verder opvalt uit de brieven, is dat Wepfer vaak over Willems gehele dagverloop schrijft. Hieruit valt af te leiden dat hij als arts vrijwel continu aanwezig was en Willem nauwlettend in de gaten hield. Wepfer schrijft Maria Louise bijzonder veel over hoe en wat de prins at en hoe hij sliep.[33] In een brief geschreven op 1 oktober 1733 vertelt Wepfer bijvoorbeeld dat Willem drie koppen bouillon heeft gedronken en dat de koningin van Engeland meer bouillon zou sturen.[34] Uit de brieven is ook op te maken dat het Engelse koningshuis bijzonder begaan was met het welzijn van Willem IV en dat men zich regelmatig zorgen maakte over zijn herstel.[35] In de brievenreeks schrijft Wepfer dat het herstel van de ziekte prima verloopt, maar dat de krachten slechts langzaam terugkomen omdat het seizoen niet ideaal is en ze zich in een vreemd land bevinden.[36] Willem IV werd daarom naar Kensington overgebracht, waar het klimaat gunstiger was, zodat de prins hopelijk sneller zou herstellen.

Naast dagelijkse voeding werden er ook extra levensmiddelen ingezet om de prins sneller te genezen, zoals ezellinnenmelk. Volgens Wepfer zou dit een goede werking hebben op de prins, in zijn brief van 15 oktober 1733 noteert hij namelijk dat Willem na het drinken van deze melk geen last meer had van hoestbuien. In zijn brieven adviseert Wepfer naast ezelinnenmelk ook het drinken van bronwater, destijds een gangbare medische behandeling bij herstel van zwakte.[37] Willem bezocht hiervoor Bath, waar hij enkele maanden verbleef. In lijn met Galenus’ voorschrift werd het water lauw gedronken en zorgvuldig opgebouwd: Willem begon met één glas per dag, later drie. Wepfer meldt dat bronwater vooral in de winter werd gebruikt, omdat het in de zomer schadelijk zou zijn.[38] De keuze voor Bath, met zijn geneeskrachtige bronnen, werd ingegeven door het trage herstel van Willem, dat ook leidde tot herhaald uitstel van zijn huwelijk met Anna. In Bath verbeterde zijn toestand snel: hij at, sliep goed, kreeg meer kracht en een gezondere kleur. Toch bleef hij gevoelig voor kou en hoestbuien, waarschijnlijk door het weer, zoals in de brief van 30 januari 1734 is te lezen.[39] Zijn eetlust keerde echter sterk terug — beter dan in jaren, aldus Wepfer, die hoopte op een spoedig herstel en een huwelijk in Londen, om daarna weer snel naar Friesland terug te keren.[40]

De voltrekking van het huwelijk

Portret van Willem IV, prins van Oranje-Nassau, en Anna van Hannover, John Faber II, ca. 1734-1756, Rijksmuseum.

Na een aantal maanden in Bath geweest te zijn, was Willem IV in maart 1734 genoeg aangesterkt om naar Londen te gaan. Hij bezocht St. James weer regelmatig en Wepfer vertelt per brief aan Maria Louise dat het beylager op donderdag 25 maart zou plaatsvinden. Het beylager, of het bedritueel, was een onderdeel van de publieke huwelijksceremonie waar het bruidspaar samen in bed werd gelegd, vaak in aanwezigheid van getuigen. Het was een symbolische bevestiging dat het huwelijk ‘geconsummeerd’ was.[41] Op 26 maart 1734, een dag na de bruiloft, schrijft Wepfer Maria Louise een uitgebreide brief over hoe het met het jonge bruidspaar gaat. Uit de brief is af te leiden dat er veel opluchting was dat het huwelijk eindelijk had plaatsgevonden. Wepfer schrijft dat hij Willem op de desbetreffende morgen in goede staat heeft gezien terwijl de prins bezig was met het ontvangen van ‘oneindige felicitaties’, waardoor Wepfer het koppel nog niet zelf had kunnen feliciteren:

Unsere Gnädigsten Prinzen hoheiten habe ich disen Morgen in sehr guten wolstand gesehen wiewol mit unendigen Felicitations-visiten besetzt.(…) wegen großem zulauf aber habe Sie gerade nicht konnen haben haüte meine unterthänigste gratulation abzustatten.[42]

Onze genadigste prinselijke hoogheden heb ik deze morgen in zeer goede gezondheid gezien, hoewel overladen met eindeloze felicitatiebezoeken. (…) Vanwege de grote toeloop heb ik echter niet in de gelegenheid kunnen zijn vandaag mijn onderdanigste gelukswensen over te brengen.[43]

Wepfer wenst hun daarom alvast via een brief aan Maria Louise veel geluk toe. Opvallend is dat Wepfer extra nadruk legt op zijn wens dat er uit het huwelijk veel gezonde nakomelingen voor de Oranje familie mogen komen, die volgens Wepfer nog vele honderden jaren onder God mogen schijnen en bloeien en het voortbestaan van de Oranje-familie moeten garanderen:

(…) Gott der geber alles guten verliche disem hohen Paar alles was wunschlich iß in sonderheit eine ßäte, Gesundes nachkömleingschafft, daß der Orange famn vile jahrhundert unter Gottes schutz grünnen und blüsen moge.[44]

Moge God, de schenker van al het goede, dit hoge paar alles schenken wat wenselijk is in het bijzonder gezonde nakomelingen opdat het Huis van Oranje vele eeuwen lang onder Gods bescherming mag groeien en bloeien.[45]

Dit is een bijzonder fragment, omdat het belang van de dynastieke continuïteit hier direct naar voren komt. In de vroegmoderne adellijke cultuur was het huwelijk niet slechts een persoonlijke verbintenis, maar vooral een manier om de erfopvolging en continuïteit van de dynastie veilig te stellen. De legitimiteit en stabiliteit van het huis Oranje-Nassau waren namelijk onlosmakelijk verbonden met het voorbrengen van wettige, gezonde erfgenamen. Een gegeven waar Maria Louise tijdens haar leven maar al te goed van op de hoogte was.

Het medicijnenkabinet van Wepfer

Tenslotte hield Bernard Wepfer houdt zich in de correspondentie niet alleen bezig met de gezondheid van Willem IV, maar ook die van Maria Louise zelf. Uit de brieven is namelijk af te leiden dat Maria Louise Wepfer vaak schrijft over gezondheidsklachten die ze ervaart, zoals in zijn brief van 19 september 1733. De precieze klachten van Maria Louise en de context zijn helaas niet te achterhalen omdat haar brieven niet bewaard zijn, maar Wepfer benoemt af en toe wel wat details in zijn antwoorden. Deze antwoorden zijn gevuld met verschillende adviezen en ook medicijnen die hij haar voorschrijft. Net zoals in de brieven die over Willem gaan, probeert Wepfer Maria Louise over haar eigen gezondheid ook gerust te stellen. Dit is goed te zien in de brief van 19 september, waar Wepfer schrijft dat haar ongemakken ongetwijfeld aan het slechte weer toe te schrijven zijn.[46] Hij stelt daarnaast voor dat Maria Louise de eerder voorgeschreven purgir pillen weer neemt, om vervolgens voor het slapengaan een van de zes poedertjes volgens het bijgevoegde recept met melissewater te gebruiken:

Eure hoheiten vinden nach meinem bedünken am besten thun die purgir pillen inmahl wider zunehmen, so dan alle abend beij schlaffen gehen eins vond enen 6 pülderchen nach beijligendem Recept mit melisse waßer, worvon einen guten effect zu erwarten hoffe (…)[47]

Uwe hoogheid zou naar mijn mening het beste de purgeerpillen opnieuw innemen, namelijk elke avond voor het slapen gaan één van de zes pillen volgens het bijgevoegde recept met melissewater, waarvan ik een goed effect hoop te verwachten (…).[48]

Purgir pillen, ook wel purgeerpillen genoemd, waren pillen met een laxerende werking die werden genomen bij een moeilijke stoelgang.[49] Alhoewel er veel nieuwe medicijnen ontstonden naar mate de geneeskunde zich verder ontwikkelde, bleven artsen in de 18e eeuw dikwijls traditionele remedies gebruiken, zoals aderlaten, purgeren (door middel van de bovengenoemde purgeerpillen) en blaarvorming. Deze remedies waren gebaseerd op de humorenleer: een klassieke theorie die ging over de (dis)balans van vier lichaamssappen in het menselijke lichaam: bloed, gele gal, zwarte gal en slijm.[50] Uit de brief van Wepfer lijkt het erop dat Maria Louise deze purgeermiddelen herhaaldelijk gebruikte in combinatie met melissewater, wat niet geheel zonder gevaar was.[51] In het postuum verschenen werk Ortus Medicinae van de arts Jan Baptista van Helmont uit 1652 onderstreept deze bijvoorbeeld dat veelgebruikte purgerende planten, zoals de helleborus, te sterk zijn voor mensen en daarom giftig.[52] De laxerende werking zou een manifestatie van het gif in de planten zijn, wat volgens hem schadelijk was voor de vitale sappen in het lichaam.[53]

Lytta vesicatoria, oftwel Spaanse vlieg. Wikimedia Commons.

Dat Wepfer niet schroomde om giftige medicijnen toe te passen, blijkt ook uit brief van 20 september 1733. Hierin informeert hij bij Maria Louise of de Spannische fliege een genoegzaam effect heeft gehad. Deze Spaanse vlieg is een blaarkever die cantharidine, een blaartrekkende en irriterende stof, uitscheidt bij gevaar. Deze stof is zeer giftig en kan voor mensen dodelijk zijn bij overmatig gebruik.[54] In de vroegmoderne tijd werd het zowel als medicijn en afrodisiacum gebruikt, als middel voor vergiftigingen.[55] Wepfer schrijft dat de cantharide ook wel elders op het lichaam aangebracht kan worden als het middel goed werkt en dat het ook zou kunnen helpen tegen de zwaarte die Maria Louise in haar hoofd voelt:

Hat die Spannische fliege komen genugsamen effect gethan, so könte ja whol wie anderen appliciert werden und der haupt, da Euer hoheiten noch alzeit etwas schweres fühlen, zu erlichteren, und solches so offten zu thun, bis Eure Hocheiten in dem haupt soulagirt sind: (…)[56]

heeft de Spaanse vlieg het gewenste effect gehad, dan zou het ook op andere plaatsen kunnen worden aangebracht en het hoofd, waarin Uwe Hoogheden nog altijd iets zwaars voelen, verlichten, en dit zo vaak te doen tot Uwe Hoogheden in het hoofd verlichting voelen: (…)[57]

Wepfer schreef het middel niet alleen voor bij hoofdpijn, maar ook bij andere kwalen zoals de lastige stoelgang waar Maria Louise last van had.[58] In zijn brief schrijft hij dat ze niet meteen met het middel moet stoppen als het niet de gewenste effect heeft, omdat een ander middel (niet bij naam genoemd) geen laxerende werking meer gaf.[59] Wepfer wist helaas geen betere oplossing dan opnieuw de Spaanse vlieg voor te schrijven, aangevuld met adviezen om haar voeten vaker in het water te zetten, zich goed elke ochtend en avond bij de kachel warm te houden en op het juiste moment de purgeerpillen te nemen:

es kan wol gebühren, daß  dan eine Spannische fliege den erwartenden Effect nicht thut ohne daß man zuweilen wißen kan, was die ursache darvon ist, man hofft darinn nicht darvon abzustehen in sonderheit, da von dem anderen, darzu die natur schon so vile jahre geweset gewasen ist, keine entlaßung mehr könnt, dises zu erganzen wißte ich nichts beßers, als die Spannische fliegen, offters die füße ins Waßer zusetzen alle morgen und abend Sich hinter denn ofen wol zuschreiben, zu richter Zeit die purgir pillen zunehmen (…).

het kan goed zijn dat dan een Spaanse vlieg niet het verwachte effect heeft, zonder dat men altijd weet wat de oorzaak daarvan is, men hoopt ermee door te gaan en het niet na te laten, vooral, aangezien van het andere middel, waarvoor de natuur al zoveel jaren ongeschikt is geweest, geen ontlasting meer kan komen, om dit aan te vullen wist ik niets beters dan de Spaanse vliegen, vaker de voeten in water te zetten elke ochtend en avond zich goed achter de kachel te zetten, en op het juiste moment de purgeerpillen in te nemen.[60]

Deze brief sluit Wepfer af met veel beterschapswensen, waarna er in de correspondentie niet meer over de purgeerpillen of de Spaanse vlieg wordt geschreven.

Conclusie

De medische behandelingen die in dit artikel zijn besproken laten zien hoe nauw de lichamelijke gezondheid van vroegmoderne stadhouders(vrouwen) was verbonden met de politieke stabiliteit en dynastieke continuïteit in de 18e eeuw. In de briefwisseling is zichtbaar hoe intensief de lijfarts Bernard Wepfer bij het welzijn van zowel Willem IV als Maria Louise was betrokken en wat voor een medicijnen hij voorschreef om hen beter te maken. Ziekte was namelijk verbonden aan de bredere zorg rondom erfopvolging, waar ook Maria Louise zich tijdens haar leven zorgen over maakte. Als Willem IV zou komen te overlijden zonder nageslacht, zou de familie Oranje-Nassau namelijk geen legitieme opvolgers meer hebben. Het lichaam van Willem IV droeg letterlijk het voortbestaan van de dynastie, waardoor zowel familie, hovelingen als artsen zich zorgen maakten over de prins op het moment van ziekte. Dit is duidelijk weerspiegeld in de correspondentie, waarin Wepfer en Maria Louise de medische zorg over Willem IV met elkaar bespraken en waarin elke kleine verkoudheid of flauwte werd benoemd. Het koetsongeluk, samen met de lange periode van ziekte die Willem in Engeland doormaakte, illustreert wat voor een politieke implicaties deze gebeurtenissen konden hebben. Zoals Wepfer zelf al vermeldt, werd er een dag later al over het koetsongeluk geschreven en verspreidde het nieuws zich razendsnel.        

De brieven die Bernard Wepfer rond het huwelijk van Willem IV en Anna van Hannover aan Maria Louise heeft gestuurd, vormen daarnaast een rijke bron aan informatie over hoe het huwelijk in de vroegmoderne tijd als en dynastiek en politiek instrument werd gezien. Wepfers gelukwens voor het huwelijk van Willem en Anna in de brief van 26 maart 1734 gaat niet alleen over het geluk van het bruidspaar zelf, maar richt zich vooral op de voortzetting van de Oranje-Nassau dynastie. De nadruk op gezonde nakomelingen weerspiegelt de centrale rol van erfopvolging in het vorstelijke denken van de 18e eeuw. Deze brieven vormen daarmee een weerspiegeling van de culturele waarden en normen van die tijd, waarin het voortbestaan van de Oranje-Nassau dynastie van essentieel belang werd geacht voor de orde en continuïteit in de stadhoudersgezinde provincies, waar Willem aan de macht was.                   

Tenslotte vertelt de correspondentie niet alleen veel over hoe de gezondheidszorg van Willem IV bijdroeg aan dynastieke stabiliteit, maar ook veel over de behandelmethoden zelf. De analyse van de medische praktijken die Wepfer toepaste laat zien hoe middelen zoals de Spaanse vlieg en de purgeerpillen veelvuldig werden ingezet, ondanks hun potentieel gevaarlijke effecten. Zulke middelen hadden niet altijd het gewenste effect en konden zelfs schadelijk zijn. Toch heeft Wepfer de medicijnen voorgeschreven, wat laat zien hoe sterk hij van de humeurenleer was overtuigd.

Uiteindelijk herstelde Willem, trouwde met Anna en zette de dynastie voort – tot opluchting van zijn moeder Maria Louise, zijn arts Wepfer en het hele hof. De brieven tonen hoe Maria Louise nauw betrokken was bij de medische zorg van haar zoon, in een tijd waarin gezondheid, erfopvolging en politieke stabiliteit onlosmakelijk met elkaar verbonden waren. Elke behandeling die Wepfer uitvoerde en elke brief die hij schreef, droeg zo bij aan het grotere streven: het veiligstellen van de toekomst van Oranje-Nassau.

Veerle Berends, 10 mei 2025


[1] J.J.E. van Everdingen e.a., Op het lijf geschreven, bekendheden en hun lijfarts (Amsterdam 1995) 9.

[2] De Universiteit Leiden beheert wel een Wepfer collectie, maar deze omvat slechts de collectie van Johan Jacob Wepfer, de grootvader van Bernard Wepfer.

[3] Over de precieze jaren waarin Willem IV tot stadhouder is benoemd, heerst onduidelijkheid, verschillende bronnen noemen namelijk verschillende jaren. In dit artikel wordt de biografie van Fred Jagtenberg over Willem IV gevolgd. Jagtenberg schrijft dat Willem IV in 1729 in Groningen tot stadhouder is benoemd, in 1722 in Gelderland (alhoewel hij deze titel pas in 1729 officieel zou aanvaarden), tevens in 1722 in Drenthe (waar hij in 1730 de titel officieel aanvaardde) en in 1731 in Friesland, waar zijn moeder tot dusver regentes voor hem was; 

F. Jagtenberg, Willem IV (Nijmegen 2018) 162, 163, 167,  221, 233.

[4] Bernard Wepfer aan Marie Louise van Hessen-Kassel, 12 januari 1734, KV Den Haag, inv. A28-294,  https://resources.huygens.knaw.nl/media/stadhoudersvrouwen/mlvanhessenkassel/A28-294_022.pdf.

[5] Vrije vertaling van het boven geciteerde fragment; ibidem.

[6] Johan Willem Friso (1687-1711) was prins van Oranje (1702-1711), stadhouder van Friesland en Groningen (1696-1711) en de enige erfgenaam van Willem III (1650-1702). Hij kwam om tijdens een ongeluk op het Hollands Diep. Maria Louise was tijdens het overlijden van haar echtgenoot in verwachting van Willem IV, die enkele weken later werd geboren.

[7] Jagtenberg, Willem IV, 135-136; F. Jagtenberg, Marijke Meu (Gorredijk 2015) 197; F. Gomaa en I. Huysman, ‘Balancing between Mother and Wife, The Private Correspondence of Stadtholder Willem IV of Orange-Nassau’ in: Michael Green en Ineke Huysman eds., Private Life and Privacy in the Early Modern Low Countries (Turnhout 2023), 273-304, aldaar 282.

[8] Gomaa en Huysman, ‘Balancing between Mother and Wife, The Private Correspondence of Stadtholder Willem IV of Orange-Nassau’, 281.

[9] Ibidem.

[10] De mate hiervan verschilt vanzelfsprekend per gebied en periode. In dit artikel wordt het boek le Corps du Roi van Stanis Perez gebruikt om het idee te verkennen. Perez focust zich op Frankrijk. Een gebied waar de belichaming van de staat door de vorst goed zichtbaar was, bijvoorbeeld in de regering van Lodewijk XIV.

[11] T. Tölle, Heirs of Flesh and Paper: A European History of Dynastic Knowledge Around 1700 (Berlijn 2022) 3; S. Perez, Le Corps du Roi (Parijs 2022) 192.

[12] Perez, Le Corps du Roi, 191-192.

[13] Ibidem, 325.

[14] Tölle, Heirs of Flesh and Paper: A European History of Dynastic Knowledge Around 1700, 3. Een goed voorbeeld van de gevolgen van een zwakke troonopvolger of vorst zijn duidelijk te zien in de Spaanse successieoorlog, die uitbrak na het overlijden van Karel II omdat deze ziekelijke vorst geen opvolgers had gekregen.

[15] Gomaa en Huysman, ‘Balancing between Mother and Wife, The Private Correspondence of Stadtholder Willem IV of Orange-Nassau’, 283; Jagtenberg, Willem IV, 135-136.

[16] Historisches Familienlexikon der Schweiz, http://www.hfls.ch/humo-gen/family/1/F87928?main_person=I255915, geraadpleegd op 9 april 2025; Johann Jacob Wepfer archive and collection, https://collectionguides.universiteitleiden.nl/resources/ubl210, geraadpleegd op 23 april 2025.

[17] Johann Friedrich Struensee had als lijfarts van de zieke Christiaan VII een grote invloed op de vorst en werd vanaf 1770 zelfs het plaatsvervangende staatshoofd van Denemarken, naast dat hij de minnaar van de Deense koningin Caroline Mathilde van Wales (1751-1775) was. Deze veelbewogen carrière moest hij uiteindelijk met de dood bekopen, nadat hij tijdens de staatsgreep van 1772 werd gearresteerd.

[18] F. Jagtenberg, Willem IV (Nijmegen 2018).

[19] Jagtenberg, Willem IV, 200; Bernard Wepfer aan Marie Louise van Hessen-Kassel, 21 oktober 1741, KV Den Haag, inv. A28-294, https://resources.huygens.knaw.nl/media/stadhoudersvrouwen/mlvanhessenkassel/A28-294_042.pdf.

[20] Bernard Wepfer aan Marie Louise van Hessen-Kassel, 4 september 1733, KV Den Haag, inv. A28-294, https://resources.huygens.knaw.nl/media/stadhoudersvrouwen/mlvanhessenkassel/A28-294_003.pdf; Bernard Wepfer aan Marie Louise van Hessen-Kassel, 5 september 1733, KV Den Haag, inv. A28-294, https://resources.huygens.knaw.nl/media/stadhoudersvrouwen/mlvanhessenkassel/A28-294_004.pdf; Bernard Wepfer aan Marie Louise van Hessen-Kassel, 9 september 1733, KV Den Haag, inv. A28-294, https://resources.huygens.knaw.nl/media/stadhoudersvrouwen/mlvanhessenkassel/A28-294_005.pdf.

[21] Jagtenberg, Marijke Meu, 178; Jagtenberg, Willem IV, 291.

[22] Fragment uit: Bernard Wepfer aan Marie Louise van Hessen-Kassel, 4 september 1733, KV Den Haag, inv. A28-294, https://resources.huygens.knaw.nl/media/stadhoudersvrouwen/mlvanhessenkassel/A28-294_003.pdf.

[23] Vrije vertaling van het boven geciteerde fragment; ibidem.

[24] Jagtenberg, Marijke Meu, 178-179.

[25] Gomaa en Huysman, ‘Balancing between Mother and Wife, The Private Correspondence of Stadtholder Willem IV of Orange-Nassau’, 286-287.

[26] Tölle, Heirs of Flesh and Paper, 240-241; Gomaa en Huysman, ‘Balancing between Mother and Wife, The Private Correspondence of Stadtholder Willem IV of Orange-Nassau’, 283.

[27] Jagtenberg, Marijke Meu, 140-141.

[28] Jagtenberg, Willem IV, 326-327.

[29] Fragment uit: Bernard Wepfer aan Marie Louise van Hessen-Kassel, 1 oktober 1733, KV Den Haag, inv. A28-294, https://resources.huygens.knaw.nl/media/stadhoudersvrouwen/mlvanhessenkassel/A28-294_011.pdf.

[30] Vrije vertaling van het boven geciteerde fragment; ibidem.

[31] Bernard Wepfer aan Marie Louise van Hessen-Kassel, 27 september 1733, KV Den Haag, inv. A28-294, https://resources.huygens.knaw.nl/media/stadhoudersvrouwen/mlvanhessenkassel/A28-294_010.pdf.

[32] Jagtenberg, Willem IV, 330.

[33] De interesse voor voeding is te verklaren aan de hand van medische theorieën in de 18e eeuw die nog sterk leunden op klassieke geneeskunde: de leefomgeving (het weer) en leefomstandigheden (voeding) van een persoon werd gezien als bepalend voor het algemene gezondheidsniveau van (groepen) personen. Uit: A. Wear, ‘’Medicine in Early Modern Europe, 1500-1700’ in: L.I. Conrad e.a. eds., The Western Medical Tradition: 800BC to AD 1800 (Cambridge 1995) 340-361, aldaar 360.

[34] Bernard Wepfer aan Marie Louise van Hessen-Kassel, 1 oktober 1733, KV Den Haag, inv. A28-294, https://resources.huygens.knaw.nl/media/stadhoudersvrouwen/mlvanhessenkassel/A28-294_011.pdf.

[35] Jagtenberg, Willem IV, 331-332; Bernard Wepfer aan Marie Louise van Hessen-Kassel, 27 september 1733, KV Den Haag, inv. A28-294, https://resources.huygens.knaw.nl/media/stadhoudersvrouwen/mlvanhessenkassel/A28-294_010.pdf.

[36] Bernard Wepfer aan Marie Louise van Hessen-Kassel, 8 oktober 1733, KV Den Haag, inv. A28-294, https://resources.huygens.knaw.nl/media/stadhoudersvrouwen/mlvanhessenkassel/A28-294_014.pdf.

[37] Gomaa en Huysman, ‘Balancing between Mother and Wife, The Private Correspondence of Stadtholder Willem IV of Orange-Nassau’, 286.

[38] D. Gentilcore, Food and Health in Early Modern Europe: Diet, Medicine and Society 1450-1800 (Londen 2016) 161; Bernard Wepfer aan Marie Louise van Hessen-Kassel, 20 januari 1734, KV Den Haag, inv. A28-294, https://resources.huygens.knaw.nl/media/stadhoudersvrouwen/mlvanhessenkassel/A28-294_024.pdf.

[39] Zie voetnoot 33; Wear, ‘’Medicine in Early Modern Europe, 1500-1700’, 360.

[40] Bernard Wepfer aan Marie Louise van Hessen-Kassel, 16 januari 1734, KV Den Haag, inv. A28-294, https://resources.huygens.knaw.nl/media/stadhoudersvrouwen/mlvanhessenkassel/A28-294_023.pdf; Bernard Wepfer aan Marie Louise van Hessen-Kassel, 20 januari 1734, KV Den Haag, inv. A28-294, https://resources.huygens.knaw.nl/media/stadhoudersvrouwen/mlvanhessenkassel/A28-294_024.pdf;

Bernard Wepfer aan Marie Louise van Hessen-Kassel, 17 februari 1734, KV Den Haag, inv. A28-294, https://resources.huygens.knaw.nl/media/stadhoudersvrouwen/mlvanhessenkassel/A28-294_029.pdf.

[41] K. Barclay, ‘Intimacy, Community and Power: Bedding Rituals in Eighteenth-Century Scotland’ in: M.L. Bailey en K. Barclay eds., Emotion, Ritual and Power in Europe, 1200-1920: Family, State and Church (Cham 2019) 43-62, aldaar 44-45.

[42] Fragment uit: Bernard Wepfer aan Marie Louise van Hessen-Kassel, 26 maart 1734, KV Den Haag, inv. A28-294, https://resources.huygens.knaw.nl/media/stadhoudersvrouwen/mlvanhessenkassel/A28-294_034.pdf.

[43] Vrije vertaling van het boven geciteerde fragment; Bernard Wepfer aan Marie Louise van Hessen-Kassel, 26 maart 1734, KV Den Haag, inv. A28-294, https://resources.huygens.knaw.nl/media/stadhoudersvrouwen/mlvanhessenkassel/A28-294_034.pdf.

[44] Fragment uit: Bernard Wepfer aan Marie Louise van Hessen-Kassel, 26 maart 1734, KV Den Haag, inv. A28-294, https://resources.huygens.knaw.nl/media/stadhoudersvrouwen/mlvanhessenkassel/A28-294_034.pdf.

[45] Vrije vertaling van het boven geciteerde fragment; ibidem.

[46] Wear, ‘’Medicine in Early Modern Europe, 1500-1700’, 360.

[47] Fragment uit: Bernard Wepfer aan Marie Louise van Hessen-Kassel, 19 september 1733, KV Den Haag, inv. A28-294, https://resources.huygens.knaw.nl/media/stadhoudersvrouwen/mlvanhessenkassel/A28-294_006.pdf

[48] Vrije vertaling van het boven geciteerde fragment; het woord pülderchen is waarschijnlijk afgeleid van het Duitse woord “Puder” (poeder), met -chen er achteraan als verkleinwoord geplakt. In de context van de brief lijkt het erop alsof de poeder in een pil is verwerkt, waardoor ik voor de duidelijkheid van de tekst voor het woord pil heb gekozen.

[49]Historische woordenboeken, ‘pil II’ https://gtb.ivdnt.org/iWDB/search?actie=article&wdb=WNT&id=M053780.re.40&lemmodern=purgeerpil&domein=0&conc=true, geraadpleegd op 8 mei 2025.

[50] G.D. Hedesan, ‘Jan Baptist van Helmont and the Medical-Alchemical Perspectives of Poison’ in: P. Wexler ed., Toxicology in the Middle Ages and Renaissance (Londen 2017) 1-6, aldaar 3.

[51] In de brieven wordt helaas niet benoemd van welke planten de pillen gemaakt zijn die Maria Louise innam. Wel schrijft Wepfer dat ze ingenomen moesten worden met melissewater, dat als kalmerend en maagversterkend werd beschouwd;

De Delftse stadsdokter en tevens lijfarts van Willem van Oranje, Pieter van Foreest, verzette zich bijvoorbeeld flink tegen het toedienen van sterke purgeer- en braakmiddelen, uit: H. Vermande, De chemist: De geschiedenis van een verdwenen beroepsgroep, 1600-1820 (Hilversum 2021) 71.

[52] Hedesan, ‘Jan Baptist van Helmont and the Medical-Alchemical Perspectives of Poison’, 3-4.

[53] Ibidem, 4.

[54] D.J. Karras e.a., ‘Poisoning from “Spanish fly” (cantharidin)’, The American Journal of Emergency Medicine 14:5 (1996) 478-483, aldaar 478.

[55] Karras e.a., ‘Poisoning from “Spanish fly” (cantharidin)’, 478.

[56] Helaas benoemt Wepfer de andere plekken waar de Spaanse vlieg aangebracht kan worden niet, al lijkt hij op een gebied in de buurt van het hoofd te duiden.

Fragment uit: Bernard Wepfer aan Marie Louise van Hessen-Kassel, 20 september 1733, KV Den Haag, inv. A28-294, https://resources.huygens.knaw.nl/media/stadhoudersvrouwen/mlvanhessenkassel/A28-294_007.pdf.

[57] Vrije vertaling van het boven geciteerde fragment.

[58] Bernard Wepfer aan Marie Louise van Hessen-Kassel, 20 september 1733, KV Den Haag, inv. A28-294, https://resources.huygens.knaw.nl/media/stadhoudersvrouwen/mlvanhessenkassel/A28-294_007.pdf.

[59] Ibidem.

[60] Vrije vertaling van een fragment uit: Bernard Wepfer aan Marie Louise van Hessen-Kassel, 20 september 1733, KV Den Haag, inv. A28-294, https://resources.huygens.knaw.nl/media/stadhoudersvrouwen/mlvanhessenkassel/A28-294_007.pdf.


Literatuur:

Barclay, K., ‘Intimacy, Community and Power: Bedding Rituals in Eighteenth-Century Scotland’ in: M.L. Bailey en K. Barclay eds., Emotion, Ritual and Power in Europe, 1200-1920: Family, State and Church (Cham 2019) 43-62.

Everdingen, van, J.J.E., Op het lijf geschreven, bekendheden en hun lijfarts (Amsterdam 1995).

Gentilcore, D., Food and Health in Early Modern Europe: Diet, Medicine and Society 1450-1800 (Londen 2016).

Gomaa. F., en Huysman, I., ‘Balancing between Mother and Wife, The Private Correspondence of Stadtholder Willem IV of Orange-Nassau’ in: Michael Green en Ineke Huysman eds., Private Life and Privacy in the Early Modern Low Countries (Turnhout 2023), 273-304.

Hedesan, G.D., ‘Jan Baptist van Helmont and the Medical-Alchemical Perspectives of Poison’ in: P. Wexler ed., Toxicology in the Middle Ages and Renaissance (Londen 2017) 1-6.

Jagtenberg, F., Willem IV (Nijmegen 2018).

Jagtenberg, F., Marijke Meu (Gorredijk 2015).

Karras, D.J., e.a., ‘Poisoning from “Spanish fly” (cantharidin)’, The American Journal of Emergency Medicine 14:5 (1996) 478-483.

Perez, S., Le Corps du Roi (Parijs 2022).

Tölle, T., Heirs of Flesh and Paper: A European History of Dynastic Knowledge Around 1700 (Berlijn 2022).

Wear, A., ‘’Medicine in Early Modern Europe, 1500-1700’ in: L.I. Conrad e.a. eds., The Western Medical Tradition: 800BC to AD 1800 (Cambridge 1995) 340-361.

Vermande, H., De chemist: De geschiedenis van een verdwenen beroepsgroep, 1600-1820 (Hilversum 2021).

Digitaal beschikbare bronnen:

Historisches Familienlexikon der Schweiz, http://www.hfls.ch/humo-en/family/1/F87928?main_person=I255915, geraadpleegd op 9 april 2025.

Historische woordenboeken, ‘pil II’ https://gtb.ivdnt.org/iWDB/search?actie=article&wdb=WNT&id=M053780.re.40&lemmodern=purgeerpil&domein=0&conc=true, geraadpleegd op 8 mei 2025.

Johann Jacob Wepfer archive and collection, https://collectionguides.universiteitleiden.nl/resources/ubl210, geraadpleegd op 23 april 2025.

Brieven:

Bernard Wepfer aan Marie Louise van Hessen-Kassel, 4 september 1733, KV Den Haag, inv. A28-294, https://resources.huygens.knaw.nl/media/stadhoudersvrouwen/mlvanhessenkassel/A28-294_003.pdf.

Bernard Wepfer aan Marie Louise van Hessen-Kassel, 5 september 1733, KV Den Haag, inv. A28-294, https://resources.huygens.knaw.nl/media/stadhoudersvrouwen/mlvanhessenkassel/A28-294_004.pdf.

Bernard Wepfer aan Marie Louise van Hessen-Kassel, 9 september 1733, KV Den Haag, inv. A28-294, https://resources.huygens.knaw.nl/media/stadhoudersvrouwen/mlvanhessenkassel/A28-294_005.pdf.

Bernard Wepfer aan Marie Louise van Hessen-Kassel, 19 september 1734, KV Den Haag, inv. A28-294, https://resources.huygens.knaw.nl/media/stadhoudersvrouwen/mlvanhessenkassel/A28-294_006.pdf.

Bernard Wepfer aan Marie Louise van Hessen-Kassel, 20 september 1734, KV Den Haag, inv. A28-294, https://resources.huygens.knaw.nl/media/stadhoudersvrouwen/mlvanhessenkassel/A28-294_007.pdf.

Bernard Wepfer aan Marie Louise van Hessen-Kassel, 27 september 1733, KV Den Haag, inv. A28-294, https://resources.huygens.knaw.nl/media/stadhoudersvrouwen/mlvanhessenkassel/A28-294_010.pdf.

Bernard Wepfer aan Marie Louise van Hessen-Kassel, 1 oktober 1733, KV Den Haag, inv. A28-294, https://resources.huygens.knaw.nl/media/stadhoudersvrouwen/mlvanhessenkassel/A28-294_011.pdf.

Bernard Wepfer aan Marie Louise van Hessen-Kassel, 8 oktober 1733, KV Den Haag, inv. A28-294, https://resources.huygens.knaw.nl/media/stadhoudersvrouwen/mlvanhessenkassel/A28-294_014.pdf.

Bernard Wepfer aan Marie Louise van Hessen-Kassel, 15 oktober 1733, KV Den Haag, inv. A28-294, https://resources.huygens.knaw.nl/media/stadhoudersvrouwen/mlvanhessenkassel/A28-294_016.pdf.

Bernard Wepfer aan Marie Louise van Hessen-Kassel, 12 januari 1734, KV Den Haag, inv. A28-294, https://resources.huygens.knaw.nl/media/stadhoudersvrouwen/mlvanhessenkassel/A28-294_022.pdf.

Bernard Wepfer aan Marie Louise van Hessen-Kassel, 16 januari 1734, KV Den Haag, inv. A28-294, https://resources.huygens.knaw.nl/media/stadhoudersvrouwen/mlvanhessenkassel/A28-294_023.pdf.

Bernard Wepfer aan Marie Louise van Hessen-Kassel, 20 januari 1734, KV Den Haag, inv. A28-294, https://resources.huygens.knaw.nl/media/stadhoudersvrouwen/mlvanhessenkassel/A28-294_024.pdf.

Bernard Wepfer aan Marie Louise van Hessen-Kassel, 30 januari 1734, KV Den Haag, inv. A28-294, https://resources.huygens.knaw.nl/media/stadhoudersvrouwen/mlvanhessenkassel/A28-294_026.pdf.

Bernard Wepfer aan Marie Louise van Hessen-Kassel, 3 februari 1734, KV Den Haag, inv. A28-294, https://resources.huygens.knaw.nl/media/stadhoudersvrouwen/mlvanhessenkassel/A28-294_027.pdf.

Bernard Wepfer aan Marie Louise van Hessen-Kassel, 17 februari 1734, KV Den Haag, inv. A28-294, https://resources.huygens.knaw.nl/media/stadhoudersvrouwen/mlvanhessenkassel/A28-294_029.pdf.

Bernard Wepfer aan Marie Louise van Hessen-Kassel, 26 maart 1734, KV Den Haag, inv. A28-294, https://resources.huygens.knaw.nl/media/stadhoudersvrouwen/mlvanhessenkassel/A28-294_034.pdf.

Bernard Wepfer aan Marie Louise van Hessen-Kassel, 21 oktober 1741, KV Den Haag, inv. A28-294, https://resources.huygens.knaw.nl/media/stadhoudersvrouwen/mlvanhessenkassel/A28-294_042.pdf.

Moeders des Vaderlands! Vrouwenstemmen in de Waalse Kerk in Den Haag: 31 mei 2025, 20:15-21:45 uur

In de historische Waalse Kerk in Den Haag komen geschiedenis en muziek samen in een bijzondere avond rond invloedrijke vrouwen uit de politieke geschiedenis van de Nederlanden. Historici Femke Deen en Ineke Huysman, samenstellers van Moeders des Vaderlands (Atlas Contact 2024), brengen samen met barokensemble La Sfera Armoniosa vrouwen als Margaretha van Oostenrijk, Louise de Coligny en Anna van Hannover opnieuw tot leven – in een kerk die sommige van deze vrouwen ook echt bezochten. Muziek van vrouwelijke componisten zoals Hildegard van Bingen en Barbara Strozzi wordt afgewisseld met hofmuziek van onder meer Constantijn Huygens, Monteverdi en Händel.

De Waalse Kerk was eeuwenlang gevestigd in de Hofkapel op het Binnenhof, voordat zij in de vroege 19e eeuw verhuisde naar haar huidige locatie aan het Noordeinde. In 1591 verhuisde Louise de Coligny – weduwe van Willem van Oranje – naar Den Haag om haar zoon Frederik Hendrik op te voeden. Zij stelde daarbij als voorwaarde dat er een vaste Franstalige predikant werd aangesteld. Dat werd Johannes Uyttenbogaert, die als eerste officieel verbonden werd aan de Waalse Kerk in Den Haag. Sindsdien werden de erediensten bezocht door de stadhoudersvrouwen, hun kinderen en andere invloedrijke figuren aan het hof. Die nauwe band tussen kerk en hof hield eeuwenlang stand.

Zaterdag 31 mei 2025, aanvang 20:15 uur

Tijdens deze avond klinken de verhalen van vrouwen die op verschillende momenten in de geschiedenis een rol speelden in de vorming van de Lage Landen. Van Margaretha van Oostenrijk in de zestiende eeuw tot Anna van Hannover in de achttiende: zij allen oefenden invloed uit – politiek, cultureel, religieus. Deen en Huysman vertellen over hun levens, hun keuzes en hun betekenis, in een afwisselend programma met muziek door La Sfera Armoniosa.

V.l.n.r.: Mike Fentross, Paulina van Laarhoven, Lette Vos, Femke Deen en Ineke Huysman

In een tijd waarin het perspectief op de geschiedenis steeds breder wordt getrokken, en er meer aandacht is voor de rol van vrouwen in de machtsstructuren van het verleden, biedt deze avond een inspirerend tegenwicht aan het traditionele verhaal. Het is een uitnodiging om anders te kijken – en vooral: beter te luisteren.

Uitvoerenden:

Tekst: Femke Deen en Ineke Huysman
La Sfera Armoniosa
Zang: Lette Vos
Viola da gamba: Paulina van Laarhoven
Theorbe: Mike Fentross

Locatie: Waalse Kerk, Noordeinde 25, 2514 GB Den Haag

Tickets (inclusief een drankje): €22,50 (jongeren en studenten) / €27,50
→ Bestel hier je tickets

Woede om Willem: Anna van Hannover’s missie naar Herrenhausen in 1741

Anna van Hannover (1709-1759), kleindochter van keurvorst Georg Ludwig (later George I van Groot-Brittannië), groeide grotendeels op onder zijn toezicht. Na de troonsbestijging van haar vader als George II van Engeland in 1727 werd zij ‘princess royal’. Haar huwelijk met de Friese stadhouder Willem Karel Hendrik Friso (1711-1751) vond plaats in 1734 in Londen, nadat het standsverschil was verkleind door de officiële toekenning van de prinselijke Oranje-titel aan de Friese stadhouders. Na de bruiloft vestigde het paar zich in Friesland. Pas in 1747, na een prinsgezinde volksbeweging, zou Willem zich stadhouder van alle gewesten en Willem IV van Oranje-Nassau mogen noemen.

Van Anna van Hannover is een indrukwekkende correspondentie bewaard gebleven. In 2023 werd haar persoonlijke archief in een samenwerkingsproject tussen de Koninklijke Verzamelingen, het Huygens Instituut en Oxfords Early Modern Letters Online gedigitaliseerd en online gepubliceerd. Maar er is nog meer. Zo bevinden zich ook brieven van Anna in archief Tresoar in Leeuwarden en in buitenlandse archieven. De online catalogus wordt binnenkort uitgebreid, te beginnen met de brieven van Anna aan haar man Willem, die deel uitmaken van zijn eigen archief bij Koninklijke Verzamelingen. Een voorproefje van Anna’s persoonlijke brieven aan hem laat alvast zien wat deze correspondentie zo bijzonder maakt.

Anna van Hannover, zelfportret 1740, Wikimedia Commons.

Meestal was het Willem die Anna uitvoerig verslag deed van zijn reizen, maar in de zomer van 1741 waren de rollen omgedraaid. Tijdens haar verblijf aan het hof in Hannover schreef Anna hem gedetailleerde brieven waarin ze haar ervaringen deelde. Ze was er te gast bij haar vader, koning George II (1683-1760) van Engeland, tevens keurvorst van Hannover, en ontmoette ook een aantal familieleden. Anna reisde zonder haar Willem, want deze was in ongenade gevallen bij de koning en niet welkom. Ze had dan ook een speciaal doel: ze wilde erachter komen wat de reden van haar vaders misnoegen was en proberen hem ervan te overtuigen dat haar man absoluut geen kwade bedoelingen had. Anna’s lange eigenhandige brieven aan haar echtgenoot bieden een uniek inkijkje in het leven van een 18e-eeuwse vorstin. Openhartig en met scherpe humor schrijft ze over haar emoties, overtuigingen en onzekerheden. Gevangen tussen haar liefde voor Willem en de verplichtingen van haar koninklijke positie, belichten de brieven niet alleen haar innerlijke strijd, maar ook de politieke intriges en de complexe verhoudingen aan het hof.

Herrenhausen

Na een vermoeiende reis via Deventer, Rheine en Osnabrück kwam Anna op zaterdag 8 juli 1741 rond zes uur ’s avonds aan bij kasteel Herrenhausen in Hannover. Dit slot, een belangrijk middelpunt van hofleven en cultuur, speelde een centrale rol in de representatie van de keurvorsten van Hannover. Haar vader, George II, verbleef er tussen 1729 en 1755 maar liefst twaalf keer, een weerspiegeling van zijn dubbele functie als koning van Groot-Brittannië en keurvorst van Hannover.

Bij aankomst begroette de koning Anna hoffelijk en kuste haar liefdevol, waarna hij haar, met de hele hofhouding in zijn kielzog, door de indrukwekkende tuinen leidde. Met zichtbare trots vestigde hij haar aandacht op de imposante fontein, waarna hij zich terugtrok om te kaarten. Anna bleef achter met de dames van het hof, waarmee ze zich vermaakte met partijtjes. Toch voelde ze zich al snel ongemakkelijk. Het was voor haar nog steeds een raadsel waarom de koning haar man weigerde te ontvangen, en die onzekerheid knaagde aan haar. Ze schreef Willem: ‘Hier zit ik nu, in een slecht humeur, nauwelijks in staat om één dag geduld op te brengen om duidelijkheid te krijgen over wat mij het meest bezighoudt.’1

George II, Thomas Hudson, 1744, Wikimedia Commons.

Anna’s observaties over haar familieleden waren scherp en geestig. Over haar broer Frederik (1707-1751), prins van Wales, merkte ze droogjes op: ‘Prins Frederik is precies zoals u hem hebt gezien, met dit verschil dat hij niet aan tafel in slaap viel, hoewel daar ook weinig tijd voor was’. Haar zus, prinses Marie (1723-1772), reageerde bij Anna’s aankomst emotioneel en barstte meteen in tranen uit, maar wist haar verder nauwelijks te boeien. ‘Prinses Marie verveelt zich erg en is niet tevreden met haar appartement, waardoor ze ons tot last is. Tussen ons gezegd, ze lijkt minder aangenaam dan vroeger.’ Over Lady Yarmouth, Amalie von Wallmoden (1704-1765), de maîtresse van haar vader, observeerde Anna dat zij ‘eerder leuk dan mooi’ was. De omgang met de koning bleef formeel en gereserveerd (‘la vieille Staetlichkeit & liais rebarbaratif’ zoals ze dat omschreef), wat Anna niet verbaasde. Ondanks de hofdrukte en de ontmoetingen met familieleden bleef haar hart bij Willem, die zij teder Pip of Pepin noemde. Zelfs terwijl ze zich klaarmaakte om te gaan slapen, bleven haar gedachten bij hem: ‘Ik ga nog mijn haar kammen en krullen voordat ik naar bed ga, terwijl u mijn hart en gedachten volledig vult, mijn allerliefste Pepin.’

De dagen die volgden vulden zich voor Anna met verveling en frustratie. ‘Deze hele dag is voorbijgegaan in de gebruikelijke stijfheid en met ondraaglijke verveling,’ schreef ze zondagavond 9 juli aan Willem.2 De relatie met haar vader, koning George II, bleef ongemakkelijk. Anna had hem nog steeds niet privé gesproken, en zijn koude, ontwijkende houding viel haar zwaar. Zelfs zijn belofte om de tuin speciaal voor haar te verlichten en het vooruitzicht van een gemaskerd bal later die week konden haar stemming niet veranderen. ‘Alles lijkt me flauw, en ik kan nauwelijks wachten op het gelukkige moment om u te omarmen,’ verzuchtte ze.

De spanningen binnen het hof waren voelbaar, maar belangrijke zaken werden angstvallig verzwegen. Anna vermoedde dat de zorgen over Frankrijk, dat in 1741 een sleutelrol speelde in de Oostenrijkse Successieoorlog, de sfeer drukten. Het land smeedde bondgenootschappen tegen Groot-Brittannië en Oostenrijk, terwijl het zijn macht in Europa vergrootte via militaire en diplomatieke strategieën. Te midden van deze stijfheid en politieke spanningen dwaalden Anna’s gedachten voortdurend af naar Willem. ‘Ik zou liever alleen met u in een klein hoekje zitten dan te midden van de grootste feesten en pleziertjes,’ schreef ze, terwijl haar heimwee sterker werd met elke voorbijgaande dag. Anna voelde zich opgesloten: ‘Ik ervaar hier dagelijks duizend verschillende emoties. Ik tel de minuten die ik hier doorbreng als beproevingen.’

Ceremonie en bal

Haar broer Frederik, prins van Wales, wachtte intussen ongeduldig op de ceremonie waarbij hij tot ridder in de Orde van de Kousenband zou worden geslagen. Dat dit zou gaan gebeuren was opmerkelijk, aangezien hij en zijn oudoom Ernst August, bisschop van Osnabrück, al in 1716 tot ridder in dezelfde orde waren benoemd. Dat het hier wel degelijk om de Orde van de Kousenband ging, werd bevestigd door de overkomst uit Engeland van John Anstis, de ‘garter principal king of arms’ en het blauwe lint dat hij had meegenomen, zo meldde Anna. Mogelijk betrof het een herbevestiging van Frederiks status door de koning zelf, wellicht bedoeld als stap richting de verzoening tussen de gebrouilleerde vader en zoon, die uiteindelijk in 1742 officieel zou plaatsvinden. ‘Prins Frederik sterft van ongeduld om zijn lint te ontvangen en is boos dat de koning er nog niet over heeft gesproken,’ sneerde Anna.

Frederick prins van Wales, Jacopo Amigoni, 1736, Wikimedia Commons.

Hoewel de plechtigheid een gebeurtenis van grote symbolische waarde had moeten zijn, beschreef Anna het zonder enige terughoudendheid als ‘afschuwelijk’. De ceremonie zelf miste iedere vorm van grandeur. Dit leek niet alleen het gevolg van haast, maar ook van de gespannen relatie tussen de koning en Frederik, die elkaar nauwelijks verdroegen. Het ritueel beperkte zich tot het moment waarop de koning zijn zoon persoonlijk tot ridder sloeg. Vervolgens trok Frederik zich terug om zich te kleden in de ceremoniële gewaden van de Orde. Anne omschreef hoe de prins, wiens haar niet gekruld was, met ‘aspergepunten’ onder zijn hoofddeksel verscheen. Toch was Frederik zichtbaar trots op het lint dat hij ontving.3 ‘Onze simpele ziel blijft hetzelfde, en hij wordt nog minder goed ontvangen door de heren dan vorig jaar; ze vinden hem nog dommer. Voor mij is hij ongewijzigd, en dat zal hij waarschijnlijk ook altijd blijven.’

Het gemaskerde bal op donderdagavond 13 juli in de tuinen van het paleis vormde het hoogtepunt van Anna’s verblijf, ook in haar eigen ogen. ‘De verlichting was perfect gelukt,’ schreef ze, zelfs ondanks de harde wind die de hele dag had gewaaid en pas bedaarde toen het dansen begon. Het verlichte theater, elegant en smaakvol ingericht, maakte diepe indruk op haar. ‘Ik heb nooit een mooier gezicht gezien,’ voegde ze eraan toe. De koning was in goede stemming en bleef tot na drie uur ’s nachts, waarna het gezelschap zich terugtrok. Met naar verluidt meer dan 500 gemaskerden was de opkomst indrukwekkend. De avond begon met een lange reeks menuetten, waarvan Anna, zoals ze zelf opmerkte, er ‘zeker 50’ danste. Later volgden levendige contradansen. ‘Het enige ongemak,’ merkte ze met ironie op, ‘was de pijn in de voeten door het grind.’ Rond elf uur dineerde het gezelschap in de Oranjerie, waarna het dansen opnieuw werd hervat. Voor Anna was het een sprankelende avond die het sombere verblijf in Duitsland even naar de achtergrond wist te dringen.

Waarom de koning boos was

Anna vond dat ze aan haar verplichtingen had voldaan, haar verblijf had lang genoeg geduurd. Ze wilde naar naar huis, naar Willem. Ze vroeg William Stanhope, eerste graaf van Harrington, een vertrouweling van haar vader, toestemming van de koning te vragen voor haar vertrek. Als deze haar tegen die tijd nog niets zou hebben gezegd over zijn ongenoegen over Willem, was ze van plan hem een brief te overhandigen waarin ze haar gevoelens zou uiten. Maar het verlossende woord kwam van Harrington. Wat bleek, zo schreef ze Willem, ‘ik denk niet dat u het gemakkelijker had kunnen raden dan ik’: het ging om de bruidsschat die Anna en Willem uit Engeland hadden moeten ontvangen. Toen het huwelijk van haar zuster Marie met Frederik II van Hessen-Kassel werd voorbereid, ontstond er gemor dat het geld dat daarvoor was gevraagd niet aan hén was gegeven. Om die onaangename geruchten bij de koning glad te strijken hadden, zoals Anna het met zwaar sarcasme formuleert, ‘welgeboren zielen’ verteld dat Willem de aanstichter van het hele gekissebis was. Anna was perplex:

Ik heb Harrington opgedragen de koning namens mij te zeggen dat als hij mijn woord zou geloven, ik bereid was te zweren dat u nooit zelfs maar een kwade gedachte hebt gehad. En dat degene die zo’n laster heeft verspreid, het niet verdient nog voor hem te verschijnen. Harrington verzekert mij dat dit de oorzaak is van zijn boosheid jegens u, en ik heb alle reden om te geloven dat hij gelijk heeft. U kunt zich voorstellen hoe boos hij moet zijn geweest door dit mooie verhaal, aangezien hij zelfs een gesprek met mij vermijdt en zijn vriendelijkheid jegens mij beperkt blijft tot beleefd praten en het doen van de eer die verschuldigd is.4


Fragment eigenhandige brief Anna van Hannover aan Willem Karel Hendrik Friso, 12 juli 1741.

In de hoop dat hiermee de spanningen waren opgelost vertrok Anna uit Herrenhausen. ‘Nooit zal mijn vreugde groter zijn dan wanneer ik herenigd ben met degene die alle geluk en charme van mijn leven uitmaakt,’ schreef ze opgelucht. Haar terugreis voerde haar eerst naar Jesberg, een plaats tussen Marburg en Kassel, waar ze zich herenigde met Willem. Na een kort verblijf in Dillenburg vervolgden ze samen hun reis naar Oranienstein, voordat ze terugkeerden naar Leeuwarden.5

Anna’s verblijf in Herrenhausen laat zien hoe serieus ze haar rol als echtgenote en vorstin nam. Hoewel haar huwelijk met Willem destijds door haar familie was gearrangeerd, zette ze zich met opvallende toewijding voor hem in. Haar inzet om de vijandigheid van haar vader te verminderen, getuigt van zowel politieke scherpzinnigheid als oprechte liefde. Haar brieven tonen niet alleen haar vroege politieke betrokkenheid en innige liefde voor haar man, maar ook de koele en ongemakkelijke familierelaties aan het Hannoveraanse hof, waar hartelijkheid vaak ver te zoeken was.

Ineke Huysman, 26 januari 2025


Alle citaten zijn vrij vertaald uit het Frans en afkomstig uit Anna’s brieven, die eenmalig in de voetnoten worden genoemd.

  1. Anna aan Willem, 8 juli 1741, Koninklijke Verzamelingen (KV), Archief Willem IV A29, 171. ↩︎
  2. Anna aan Willem, 9 juli 1741, KV, Archief Willem IV A29, 171. ↩︎
  3. Anna aan Willem, 12 juli 1741, KV, Archief Willem IV A29, 171. ↩︎
  4. Anna aan Willem, 14 juli 1741, KV, Archief Willem IV A29, 171. ↩︎
  5. Fred Jagtenberg, Willem IV. Stadhouder in roerige tijden 1711-1751 (2018) 455-458. ↩︎

Van preek tot poëzie: gelegenheidsgedichten van Jacobus Willemsen voor Marie Louise van Hessen-Kassel


In het kader van zijn stage bij het Stadhoudersvrouwenproject, waarbij hij zich richtte op de invoer van de brieven aan Marie Louise van Hessen-Kassel, heeft Alex Meijer de correspondentie van predikant Jacobus Willemsen onderzocht. De brieven, rijk aan gelegenheidsgedichten en religieuze reflecties, bieden een unieke inkijk in de relatie tussen de predikant en Marie Louise, die Willemsens verzen gebruikte om troost en steun te vinden in moeilijke tijden. Over zijn bevindingen schreef Alex een blog, waarin hij de betekenis van Willemsens poëzie binnen de achttiende-eeuwse context bespreekt.

Maria Louisa van Hessen-Kassel door Johann Philipp Behr, ca. 1720 – ca. 1756, Rijksmuseum.

Stadhoudersvrouw Marie Louise van Hessen-Kassel (1688-1765) heeft een grote collectie aan brieven nagelaten. Een deel daarvan bestaat uit correspondenties met predikanten uit het hele land. De briefwisseling met de Zeeuw Jacobus Willemsen (1698-1780), predikant in Middelburg, is opmerkelijk vanwege de grote hoeveelheid aan gedichten. Twaalf van de dertien brieven die bewaard zijn gebleven bevatten zeventwintig gedichten en kleinere verzen. Dat zijn er ruim twee per brief. De brieven zelf dateren uit de periode van 1747 tot en met 1763, de laatste twee decennia van Marie Louises leven, waarin ze na het overlijden van haar schoondochter Anna van Hannover in 1659 onder meer regentes werd voor haar kleinzoon prins Willem V. Het fenomeen van ‘gelegenheidsgedichten’ of ‘gelegenheidspoëzie’, waartoe de gedichten van Jacob Willemsen kunnen worden gerekend, wordt belicht aan de hand van diverse verzen uit zijn brieven, ondersteund door biografische informatie over hem.

Gelegenheidsgedichten

Het opnemen van gedichten in brieven was in de vroegmoderne tijd vrij gebruikelijk, afhankelijk van de aard van de correspondentie en de scholing van de briefschrijver. Kennis van poëzie, Latijn en Grieks speelde hierbij een belangrijke rol. Zo voegde Hugo de Groot geregeld gedichten toe aan zijn brieven.[1] Net zoals Vondel en Belle van Zuylen schreef hij gedichten voor een bepaalde gelegenheid.[2]  Dit soort gedichten werd geschreven bijvoorbeeld na het uitbreken van een brand, of de dood, geboorte, overlijden of verjaardag van iemand, in zekere zin vergelijkbaar met bruiloftsgedichten.

Dergelijke gedichten worden gelegenheidsgedichten genoemd.[3] Ze werden vaak uitgegeven op los papier, wat ertoe leidde dat veel van deze werken verloren zijn gegaan in de loop der tijd. Soms werden ze meegestuurd met brieven, met de kans dat ze door een verzamelaar werden bewaard of door de dichter zelf werden gebundeld en later uitgegeven.[4] De meeste gedichten van Jacobus Willemsen in zijn brieven lijken op gelegenheidsgedichten. Om dit te illustreren, worden drie voorbeelden uitgelicht, voorafgegaan door een korte schets van de achtergrond van de predikant.

Jacobus Willemsen en zijn verzen

Jacob Willemsen werd geboren in Middelburg in 1698. Hij studeerde theologie in Utrecht en werd daarna predikant eerst in Heemstede, daarna in Vlissingen en vervolgens te Middelburg, waar hij bleef tot aan zijn dood.[5] Hij begon zijn correspondentie met Marie Louise van Hessen-Kassel nadat haar zoon prins Willem IV Middelburg 20 mei 1747 had bezocht. Tijdens dit bezoek preekte Willemsen op de dag dat de prins een kerkdienst bijwoonde.[6] In welke kerk precies is niet duidelijk geworden. Willemsens preek maakte blijkbaar zoveel indruk op de prins dat hij Willemsen verzocht om een geschreven versie. Willemsen voldeed aan dit verzoek en stuurde de preek niet alleen naar de prins, maar ook naar Marie Louise.[7] Latere brieven van Willemsen aan Marie-Louise krijgen een meer troostend karakter, vaak naar aanleiding van een verlies in haar naaste omgeving, zoals het overlijden van haar zoon prins Willem IV, of haar broer Frederick I van Hessen-Kassel, koning van Zweden. Om haar te bemoedigen voegde Willemsen verzen toe aan zijn brieven.

De gedichten zijn voornamelijk religieus van aard, variërend in lengte van slechts twee regels, tot een volledig gedicht van drie strofen met elk zes regels. Willemsen schreef ook enkele brieven zonder specifieke aanleiding, enkel vanuit zijn wens om in contact te blijven met Marie Louise.[8] Uit de brieven blijkt dat zij ook op Willemsens schrijven reageerde. In sommige gevallen voegde hij een gedichtenbundel bij de brief. Dit is bijvoorbeeld terug te lezen in zijn brief van 15 september 1747. [9] Ook verwees hij vaak naar Bijbelcitaten, wat niet verrassend is gezien zijn rol als predikant.[10]

 Het was niet ongebruikelijk dat personen van adel gelegenheidsgedichten ontvingen, bijvoorbeeld bij een ceremonieel bezoek, zoals Johannes Kalkoen deed voor de intocht van de prins en prinses van Oranje in Voorthuizen.[11] De gedichten in Marie Louises collectie gaan echter niet over zulke gebeurtenissen. Ter illustratie worden drie gedichten besproken: uit de brieven van 13 september 1748 en 19 december 1752 en een gedicht dat in twee brieven wordt genoemd.

Gedicht 1, van 13 september 1748[12]

Lang leev’ die Vorst, naar mijnen hartewensch,
Tot Nêerlands stut, tot heil van menig mensch,
Door ’s hemels gunst! Zijn heil, nooit onbestendig,
Volduure in God, en blijve, als God, onendig!

Dit gedicht is duidelijk een lofzang op prins Willem IV van Oranje, geschreven naar aanleiding van de geboorte van Willem Batavus, de toekomstige stadhouder Willem V. In het gedeelte voorafgaand aan dit gedicht wenst Willemsen voor Marie Louise dat Willem IV nog een lang leven is beschoren, en feliciteert hij hem met zijn recente verjaardag. Dit mondt uiteindelijk uit in het bijgevoegde gedicht.

Gedicht 2, van 19 december 1752[13]

Koom, Heer, ai koom; ik wensch uw’ roem te uitten.
Koom haast, mijn God, voer mij in ’t eeuwig schoon.
Ontfang mijn’ geest, als ik mijn oog zal sluiten.
Mijn hert ziet, Heer, naar u in uwen Zoon.

Dit gedicht volgt op een lange passage met verwijzingen naar God en het hiernamaals, versterkt door talrijke Bijbelcitaten. Het sluit af met het korte gedicht hierboven, waarin het religieuze karakter sterk naar voren komt. Willemsen vermeldt na het gedicht dat hij de brief deels schreef om zijn gevoelens te uiten en deels om een klein boekje van de predikant Petrus Immens (1664-1720) mee te sturen, waarvan hij dacht dat het Marie Louise van nut kon zijn. Petrus Immens  was predikant die graag in kleine gezelschappen preken hield en gedichten schreef.

Zijn woorden waren genoteerd door Jacoba Petronella Winckelman (1696-1761) en dankzij Jacobus Willemsen in druk uitgegeven.[14]  Zij was de dochter van de burgermeester van Vlissingen Jacob Winckelman (ca. 1645-1696) en groeide op in een piëtistisch milieu. In het intellectuele milieu waarin zij verkeerde, was het gebruikelijk om gezamenlijk over de wereld te reflecteren. Dit inspireerde haar om haar eigen gedachten op papier te zetten. Binnen deze kring communiceerde men vaak in versvorm, wat haar talent voor poëzie stimuleerde. Zo schreef zij onder andere gelegenheidsgedichten, bijvoorbeeld als reactie op natuurrampen of bij het overlijden van dierbaren. Via deze kring maakte zij ook kennis met Petrus Immens, wiens woorden zij optekende. Deze teksten werden nog tot in de twintigste eeuw herdrukt.[15]

Zaal met het praalbed van prins Willem IV, 1751, Jan Punt, Rijksmuseum.

Aan zijn brief aan Marie Louise voegde Jacobus Willemsen nog twee zelfgeschreven lijkdichten toe. Een ter gelegenheid van het overlijden van een ambtgenoot en een soortgelijk gedicht voor het overlijden van diens vrouw. In de slotregels van de brief lijkt hij Marie Louise nog te willen bemoedigen, mogelijk in verband met het recente verlies van haar zoon Willem IV en haar broer Frederick I. De exacte aanleiding voor de brief blijft echter onduidelijk.

Gedicht 3[16]

Zoud gij ’s Heeren weg bedillen?
Neen, mijn’ ziel; dat past u niet.
’t Past u, zoo, als God, te willen,
Schoon gij ’t wijze Gods niet ziet.
’s Heeren wil is altoos heilig.
’s Heeren wil is altijd goed.
Zoo te willen is zoo veilig,
Wijl ’t de hoogste wijsheid doet.

Dit gedicht komt tweemaal voor: in een brief van 23 november 1751 en opnieuw in een brief van 7 juli 1759, telkens met een vergelijkbare boodschap. In de eerste brief gebruikt Willemsen het om te benadrukken dat men, inclusief Marie Louise, zich moet schikken in Gods plan, omdat Zijn wegen goed en heilig zijn. Het woord ‘bedillen’ verwijst naar het bekritiseren van Gods wegen, iets wat volgens Willemsen niet passend is. In de latere brief gebruikt hij het gedicht om zijn eigen aanvaarding van God wil te onderstrepen.

Fragment uit: Jacobus Willemsen aan Marie Louise van Hessen-Kassel, 23 november 1751, KV Den Haag, inv. A28-159, https://resources.huygens.knaw.nl/media/stadhoudersvrouwen/mlvanhessenkassel/A28-159_019.pdf.

Dit gedicht is ook aangehaald in het onderzoek van H. de Jong naar Willemsens leven en werk. De auteur noemt het als voorbeeld van Willemsens bekendheid met de gezangen van de dichter en predikant Jodocus van Lodenstein (1620-1677), [17] wat inzicht biedt in Willemsens inspiratiebronnen.[18] Het feit dat hij hetzelfde gedicht tweemaal gebruikte, onderstreept wellicht de betekenis die hij eraan hechtte.

Ten slotte

De verzen van Jacobus Willemsen in zijn brieven aan Marie Louise van Hessen-Kassel horen duidelijk bij de zogenaamde gelegenheidsgedichten. Ze laten zien hoe belangrijk poëzie in de achttiende eeuw kon zijn. Het was niet alleen een manier om iets moois te schrijven, maar ook om troost en steun te bieden in moeilijke tijden zoals bij verlies of verdriet. Willemsen gebruikte zijn gedichten om contact te houden met Marie Louise en haar te bemoedigen. Hij schreef vaak over Bijbelse onderwerpen en moedigde haar aan om vertrouwen te houden in haar geloof. Dit paste goed bij haar diepe religieuze overtuiging, zoals ook beschreven is in de biografie van F.J.A. Jagtenberg.[19]

We weten helaas niet wat Marie Louise zelf van de gedichten vond, omdat haar reacties niet bewaard zijn gebleven. Toch laten deze brieven zien hoe poëzie, geloof en persoonlijke relaties met elkaar verweven waren. Willemsens gedichten lijken niet alleen bedoeld om in contact te blijven met Marie Louise, maar ook om haar te bemoedigen en te troosten in moeilijke tijden, passend bij de rol die woorden in die tijd speelden.

Alex Meijer, 13 december 2024


[1] https://dwc.knaw.nl/grotius-hugo-1583-1645/, geraadpleegd 20 november 2024; P.C. Molhuysen, Briefwisselingen van Hugo Grotius. Deel 1 (Den Haag 1928) xviii.

[2] Zie voor een voorbeeld van een gelegenheidsgedicht van Hugo Grotius brief nummer 7047 in: H.J.M. Nellen en Cornelia M. Ridderikhoff, Briefwisselingen van Hugo Grotius. Deel 15 (Den Haag 1996) 739-741.

[3] M.A. Schenkeveld-van der Dussen, ‘Poëzie als gebruiksartikel: gelegenheidsgedichten in de zeventiende eeuw.’ In: Marijke Spies (ed.) Historische letterkunde. Facetten van vakbeoefening. (Groningen 1984) 75-92, aldaar 75.

[4] Schenkeveld, ‘Poëzie’, 76-77.

[5] P.J. Meertens, ‘Willemsen, Jacobus’, In: Biografisch lexicon voor de geschiedenis van het Nederlands protestantisme, deel 1 (1978) 430-431.

[6] H. de Jong, ‘Jacobus Willemsen (1698-1780). Lampeaans godgeleerde in het ‘dierbaar’ Middelburg’, Mededelingen van het Koninklijk Zeeuwsch Genootschap der Wetenschappen (1991) 33-122, aldaar 98-99.

[7] Jacobus Willemsen aan Marie Louise van Hessen-Kassel, 23 juni 1747, Koninklijke Verzamelingen (hierna KV) Den Haag, inv. A28-159, https://resources.huygens.knaw.nl/media/stadhoudersvrouwen/mlvanhessenkassel/A28-159_016.pdf.

[8] Jacobus Willemsen aan Marie Louise van Hessen-Kassel, 13 september 1748, KV Den Haag, inv. A28-159, https://resources.huygens.knaw.nl/media/stadhoudersvrouwen/mlvanhessenkassel/A28-159_018.pdf en https://resources.huygens.knaw.nl/media/stadhoudersvrouwen/mlvanhessenkassel/A28-159_019.pdf.

[9] Jacobus Willemsen aan Marie Louise van Hessen-Kassel, 15 september 1747, KV Den Haag, inv. A28-159, https://resources.huygens.knaw.nl/media/stadhoudersvrouwen/mlvanhessenkassel/A28-159_017.pdf.

[10] De brief van 19 december 1752 staat bijvoorbeeld onder de citaten, vaak in de kantlijn aangegeven. Jacobus Willemsen aan Marie Louise van Hessen-Kassel, 19 december 1752, KV Den Haag, inv. A28-159, https://resources.huygens.knaw.nl/media/stadhoudersvrouwen/mlvanhessenkassel/A28-159_013.pdf, https://resources.huygens.knaw.nl/media/stadhoudersvrouwen/mlvanhessenkassel/A28-159_014.pdf en https://resources.huygens.knaw.nl/media/stadhoudersvrouwen/mlvanhessenkassel/A28-159_015.pdf.

[11] Dat zijn prins Willem IV en vermoedelijk prinses Marie Louise, zoals verwerkt in zijn brief van 9 juli 1743. Johannes Kalkoen aan Marie Louise van Hessen-Kassel, 9 juli 1743, KV Den Haag, inv. A28-140, https://resources.huygens.knaw.nl/media/stadhoudersvrouwen/mlvanhessenkassel/A28-140_001.pdf.

[12] Jacobus Willemsen aan Marie Louise van Hessen-Kassel, 13 september 1748, KV Den Haag, inv. A28-159, https://resources.huygens.knaw.nl/media/stadhoudersvrouwen/mlvanhessenkassel/A28-159_018.pdf en https://resources.huygens.knaw.nl/media/stadhoudersvrouwen/mlvanhessenkassel/A28-159_019.pdf.

[13] Jacobus Willemsen aan Marie Louise van Hessen-Kassel, 19 december 1752, KV Den Haag, inv. A28-159, https://resources.huygens.knaw.nl/media/stadhoudersvrouwen/mlvanhessenkassel/A28-159_013.pdf, https://resources.huygens.knaw.nl/media/stadhoudersvrouwen/mlvanhessenkassel/A28-159_014.pdf en https://resources.huygens.knaw.nl/media/stadhoudersvrouwen/mlvanhessenkassel/A28-159_015.pdf.

[14] De Jong, ‘Jacobus Willemsen’, 95; H. Florijn, ‘Immens, Petrus’, in: Biografisch lexicon voor de geschiedenis van het Nederlands protestantisme, deel 5 (2001) 275-276.

[15] W.R.D. van Oostrum, ‘Winckelman, Jacoba Petronella’, in: Digitaal Vrouwenlexicon van Nederland, URL: https://resources.huygens.knaw.nl/vrouwenlexicon/lemmata/data/JacobaWinckelman (2014).

[16] Jacobus Willemsen aan Marie Louise van Hessen-Kassel, 23 november 1751, KV Den Haag, inv. A28-159, https://resources.huygens.knaw.nl/media/stadhoudersvrouwen/mlvanhessenkassel/A28-159_005.pdf en https://resources.huygens.knaw.nl/media/stadhoudersvrouwen/mlvanhessenkassel/A28-159_006.pdf; Jacobus Willemsen aan Marie Louise van Hessen-Kassel, 7 juni 1759, KV Den Haag, inv. A28-159, https://resources.huygens.knaw.nl/media/stadhoudersvrouwen/mlvanhessenkassel/A28-159_020.pdf, https://resources.huygens.knaw.nl/media/stadhoudersvrouwen/mlvanhessenkassel/A28-159_021.pdf en https://resources.huygens.knaw.nl/media/stadhoudersvrouwen/mlvanhessenkassel/A28-159_022.pdf.

[17] http://www.biografischportaal.nl/persoon/20970443, geraadpleegd 11 december 2024.

[18] De Jong, ‘Jacobus Willemsen’, 104.

[19] F.J.A. Jagtenberg, Marijke Meu, 1688-1765 (Amsterdam 1994).

Anna van Hannovers correspondentie gedigitaliseerd

In een samenwerking tussen de Koninklijke Verzamelingen (waar de meeste van Anna’s brieven worden bewaard) het Huygens Instituut, NL-Lab en Oxford’s Early Modern Letters Online zijn meer dan 4.000 brieven van en aan Anna van Hannover gedigitaliseerd en online raadpleegbaar gemaakt. Op 29 september 2023 werd dat feestelijk gevierd met een symposium op Kasteel Duivenvoorde dat geheel aan Anna, haar brieven en haar muzikaliteit was gewijd. Kasteel Duivenvoorde, dat via de familie Van Wassenaer veel banden had met de familie Van Oranje-Nassau, bood op die dag de laatste mogelijkheid om de tentoonstelling Franje en Oranje te bezoeken.

Meer over Anna van Hannover:

Anna werd geboren in het Duitse zomerpaleis Herrenhausen, in Hannover, als eerste dochter van George van Brunswijk-Lüneburg (1683–1760) die George II van Groot-Brittannië en Ierland werd, en Caroline van Brandenburg-Ansbach (1683–1737). Toen haar grootvader George Louis van Brunswijk-Lüneburg (1660–1727) koningin Anna opvolgde op de Britse troon in 1714 als George I, verhuisden Anna en haar familie naar Kensington Palace in Londen. Ondanks familiale onenigheid speelden vader en grootvader beide een sleutelrol in de onderhandelingen met het Nederlandse Huis van Oranje, wat resulteerde in het huwelijk van Anna met Willem IV van Oranje-Nassau (1711–1751) op 25 maart 1734.

Van jongs af aan was Anna een liefhebber van muziek: ze speelde klavecimbel, zong volgens tijdgenoten prachtig. Voor Georg Friedrich Händel waren dit twee redenen om haar ‘de bloem der prinsessen’ te noemen. In 1734 begeleidde ze de beroemde castraat Farinelli bij twee liederen van de componist. Anna nodigde ook veelgevraagde Europese componisten uit naar Den Haag om te componeren en op te treden. Aan het hof van George I ontwikkelde Anna zich tot een politiek geëngageerd individu. Haar grootvader zorgde ervoor dat ze naast politieke geschiedenis, aardrijkskunde, een aantal talen en de gebruikelijke etiquette ook goed opgeleid was in de kunst van het regeren. Toen ze eenmaal in de Republiek was gevestigd, bleef ze zich met de politiek bezighouden: tijdens het stadhouderschap van Willem IV nam ze geregeld deel aan zijn bijeenkomsten, correspondeerde ze dikwijls met zijn naaste adviseurs en bouwde ze een groot netwerk op van Nederlandse regenten en internationale politici. Dit netwerk kwam goed van pas toen Anna bij het overlijden van haar man in oktober 1751 werd uitgeroepen tot ‘Gouvernante en Vooghdesse’ van hun minderjarige zoon Willem V (1748–1806). In deze nieuwe rol handhaafde Anna haar actieve positie in het Nederlandse politieke leven. Anna’s betrokkenheid bij de politiek komt tot uiting in haar correspondentie, waaronder veel brieven van lokale, nationale en internationale staatslieden. Daarnaast zijn er veel brieven van haar man en naaste familieleden bewaard gebleven.

Anna van Hannover, door J.V. Tischbein, 1751-1753, Koninklijke Verzamelingen Den Haag

The Dutch Bride Hunt of Charles Stuart II

Vous pouvez croire que depuis la morte de Cromwell mes pencées ne sont employés que sur les changements qui en peuvent naitre, aussi bien en Angleterre que par deça […] C’est ce que je vous prie s’il vous plaist de me faire sçavoir si vous estes en estat de reçevoit une proposition de ma part touchant la Princesse Henriette, vostre fille […] Je sçay bien que je ne tiene pas la métode ordinairement observé en telles affaires, mais vous pouvez voir par cela l’estime que j’ay pour vostre fille et à quel point je me fie à vous.[1]

[You may believe that, since Cromwell’s death, my thoughts have been entirely occupied with the changes which may result from it, both in England and beyond […] I would therefore ask you, if you please, to let me know if you are in a position to receive a proposal from me concerning Princess Henriette, your daughter […]. I am well aware that I am not using the usual method in such matters, but you can see from this the esteem in which I hold your daughter and the extent of my confidence in you.]

In 1646, during the English Civil War, Charles Stuart II, then Prince of Wales, fled to the continent. He spent the first few years with his brothers at the French court, accompanied by their mother Henrietta Maria, and then at The Hague. When the Republic of the United Netherlands became attached to Cromwell’s Protectorate under the Treaty of Westminster, Charles was forced to leave and spend a number of years in the Southern Netherlands, including cities such as Bruges and Brussels. Meanwhile, he was constantly on the lookout for opportunities for the restoration of the British crown. To this end, he concluded a treaty with Spain in 1656. Penniless and dependent on subsidies, Charles was continually trying to forge Stuart alliances.

Then, on 3/13 September 1658, the death of Oliver Cromwell suddenly increased Charles’s chances of ascending the British throne. He saw this as an excellent opportunity to seriously consider marriage and initiated an attempt to ask for the hand of Henrietta Catharina of Orange-Nassau, one of Amalia von Solms’ daughters.[2]  Although this particular proposal by Charles Stuart has received some scholarly attention,[3] the content of the letters he sent to Amalia on the subject has never been studied. Now, for the first time, this correspondence is available in its entirety in the online catalogue of Amalia’s letters.

12 LETTERS FROM CHARLES STUART TO AMALIA VON SOLMS

It is not often that unknown autograph letters by Charles Stuart are discovered. In the early 1970s, twenty-four autograph letters written during his exile to his servant and friend Theobald Taaffe (later Lord Carlington) were found in the Osborn Collection at Yale University.[4] They were subsequently transcribed and annotated in an edition by Parks and Crist. In 1994 J.P. Vandermotten published seven letters from Charles Stuart to the Frisian Stadtholder Willem Frederik of Nassau-Dietz from the period 1650-1662.[5] These letters were found in Tresoar, Leeuwarden, Friesland. [6] Charles Stuart’s exile letters are the most interesting, as they are predominantly confidential and often written by him personally.

Charles Stuart II to Amalia von Solms, 4 November 1658, LHASA 4D.

Twelve autograph letters written in French by Charles Stuart to Amalia von Solms between 1658 and 1662 have recently come to light in the Landeshauptarchiv Anhalt-Dessau [LHASA].[7] When Amalia von Solms died in 1675, her eldest living daughter Albertine Agnes (1634-1696), widow of the Frisian Stadtholder Willem Frederik, became executor of her will.[8] After Albertine’s death, a large part of Amalia’s papers, including the twelve letters of Charles Stuart, the archives of the Stadtholder William II and many Frisian documents, came into the possession of her only surviving sister, Henrietta Catharina, now the widow of the Duke of Anhalt-Dessau. These documents, together with Amalia’s paintings and jewelry, became known as the Nassauische Erbschaft and are now at LHASA.[9]

Lees verder “The Dutch Bride Hunt of Charles Stuart II” →

In de voetsporen van Diederik van Sonoy

Op uitnodiging van baron Bernard de Snoy et d’Oppuers togen wij naar het kasteel Bois-Seigneur-Isaac in de gemeente Eigenbrakel (België) om onderzoek te doen in het gigantische archief van de familie Snoy, in het bijzonder in de papieren nalatenschap van geuzenleider Diederik van Sonoy (1529-1597). Ons bezoek aan deze prachtige historische omgeving had tot doel om vanuit onze een eigen interesse te kijken of we iets van onze gading konden vinden: Nina Lamal (Huygens Instituut/NL-Lab): boekgeschiedenis en vroegmoderne diplomatieke relaties; Clodagh Murphy (Universiteit Leiden): het secretariaat van de Engelse koningin Elizabeth I Tudor; Ineke Huysman (Huygens Instituut/NL-Lab): correspondentie Willem van Oranje en in het bijzonder de echtgenotes van stadhouders zoals die van Willem van Oranje.

Josse van Sonoy, Anoniem, kasteel Bois-Seigneur-Isaac. Foto: Ineke Huysman

Diederik van Sonoy had een oudere broer, Joost of Josse (1523-1584), die katholiek bleef tijdens de Opstand en van wie de huidige baron Bernard de Snoy et d’Oppuers een directe nazaat is. Zo kwam het dat de papieren van Diederik en zijn verwanten in het privé-archief van de familie Snoy op het Kasteel Bois-Seigneur-Isaac in België worden bewaard en wij de gelegenheid kregen om in diens archief onderzoek te doen. Reeds eerder werden twaalf brieven gewisseld tussen Willem van Oranje (1533-1584) en Diederik van Sonoy gevonden in dit archief, waarvan er in 2022 één werd gepubliceerd in Willem van Oranje in brieven. De opstand in 1572 (red. Marianne Eekhout, Ineke Huysman, Henk van Nierop, Judith Pollmann en Johan Visser).

Diederik van Sonoy

Diederik van Sonoy was een belangrijke militaire en bestuurlijke figuur uit de Nederlandse Opstand. Zijn rol in de verdediging van Alkmaar in 1573 wordt vaak geroemd als een keerpunt in de strijd tegen de Spaanse overheersing tijdens de Tachtigjarige Oorlog.

Geboren rond 1529 in Kalkar, Duitsland, ondertekende Sonoy het smeekschrift der Edelen en vocht hij al in 1568 voor de opstandelingen en Willem van Oranje tegen het Spaanse leger. Oranje benoemde  Sonoy in 1572 tot gouverneur van het Noorderkwartier en bezorgde hem hiermee een belangrijke strategische positie in de strijd. Sonoy speelde een actieve rol in het veroveren van Medemblik in 1572 en het ontzet van Alkmaar (1573). Sonoy was een vastberaden verdediger van het protestantisme in de strijd, maar hij was bovenal ook een meedogenloze krijgsheer die enorm repressief te werk ging tegen katholieken en andere tegenstanders.

Diederik van Sonoy, Anoniem, kasteel Bois-Seigneur-Isaac. Foto: Ineke Huysman

Naarmate de situatie in de Nederlanden veranderde, raakte Sonoy politiek geïsoleerd. Nadat hij samen met Leicester een mislukte coup had gepland, werd hij in 1588 afgezet als gouverneur van het Noorderkwartier. Hij trok zich terug uit het openbare leven en overleed in 1597 in Pieterburen, waar hij begraven ligt in de Petruskerk. Van deze belangrijke figuur uit de Opstand bestaat er nog geen moderne biografie.

Verder lezen: Henk van Nierop, Het verraad van het Noorderkwartier (1999).

Archief

Omdat wij alle drie vroeg-modernisten zijn, beperkte ons onderzoek zich vooral tot de papieren en boeken rondom Diederik van Sonoy. Wat troffen wij bijvoorbeeld aan tussen de honderden documenten van Diederik en zijn tijdgenoten? Een kleine selectie met enkele hoogtepunten, die uitnodigen tot veel meer verder onderzoek:

  • Een brief van Charlotte de Bourbon (1546/47-1582), de derde echtgenote van Willem van Oranje, uit Delft van 19 maart 1576 aan Maria van Malsen (?-1584), eerste echtgenote van Diederik van Sonoy. Charlotte bedankt Maria voor de haar toegezonden ‘toile de Hollande’, het zogenaamde ‘Haarlems wit’: ruw, veelal geïmporteerd linnen dat in de blekerijen rondom Haarlem gebleekt werd.
  • Brieven van Robert Dudley (1532-1588), graaf van Leicester aan Diederik van Sonoy (originelen en contemporaine kopieën). Na de moord op Willem van Oranje in 1584 was Leicester in 1585 door koningin Elizabeth I van Engeland naar de Nederlanden gestuurd als haar speciale gezant en opperbevelhebber van de Engelse troepen die de Nederlanders moesten bijstaan in hun strijd tegen de Spaanse overheersing. Dit liep min of meer uit op een fiasco. Na het gedwongen vertrek van Leicester uit de Nederlanden in 1587 weigerde Diederik Sonoy trouw te zweren aan Maurits als nieuwe stadhouder.
  • Brieven van Maurits van Nassau (1567-1625) aan Diederik van Sonoy. In 1585 werd de 18-jarige Maurits van Nassau benoemd tot stadhouder van Holland en Zeeland en kapitein-generaal van de troepen. De brieven van Maurits aan Sonoy, ondertekend met ‘uw goede vrunt’, dateren uit de periode 1586- februari 1588, dus nog vóór het Beleg van Medemblik, toen prins Maurits namens de Staten van Holland vocht tegen Sonoy, die werd geassisteerd door Engelse soldaten.
  • Brieven van Christiaan Huygens senior (1551-1624) aan Diederik van Sonoy. Christiaan Huygens senior (de vader van Constantijn Huygens) stuurde zijn brieven aan Sonoy in zijn hoedanigheid van secretaris van stadhouder Maurits en van de Raad van State.
  • Brieven van koningin Elizabeth I van Engeland aan Diederik van Sonoy (contemporaine kopieën). Dankzij zijn eerdere verdiensten en vooral de bemiddeling door koningin Elizabeth I van Engeland ontving Diederik van Sonoy van de Staten van Holland na zijn ontslag toch nog een jaarlijks pensioen van 1.000 pond. Na zijn overgave bij Medemblik in 1588 stak hij met zijn familie over naar Engeland, waar hij enige tijd verbleef om wat land dat hem door Elizabeth I was toegekend te ontginnen. De brieven van Elizabeth aan Sonoy zijn kopieën vervaardigd door jonkheer Lambert IV van Sonoy (1574-1640), een zoon van Josse. Lambert was kanunnik te Utrecht en had een grote historische en genealogische belangstelling. Lambert kopieerde niet alleen zorgvuldig de briefwisseling tussen Elizabeth en Diederik aan de hand van bekende contemporaine geschiedenissen over de Nederlandse Opstand zoals Pieter Bor, hij compileerde ook zorgvuldig eigen overzichten van de militaire acties en het leven van zijn oom.

  • Tenslotte verdient ook een bijzonder exemplaar van La genealogie des illustres comtes de Nassau, samengesteld en uitgegeven door Jan Orlers in Leiden in 1615 aandacht. Onderdeel van de laurierkrans was dit werk bedoeld als een lofzang op Maurits van Nassau en zijn vele militaire overwinningen, waarin onder andere ook het Beleg van Medemblik in 1588 wordt beschreven. Dit specifieke deel van het werk is uitgebreid door Lambert geannoteerd met handgeschreven opmerkingen en rode onderstrepingen (zie de twee onderstaande afbeeldingen). Met zijn annotaties probeert Lambert het narratief te corrigeren en aan te geven dat Diederik geen opstandige verrader was van de Republiek maar altijd eerlijk en eervol had gehandeld.  

Nieuw onderzoek

Dit waren maar enkele voorbeelden uit het archief van de familie Snoy. Alleen al rond Diederik van Sonoy zijn er honderden nog niet eerder bestudeerde documenten die bij nadere bestudering nieuw inzicht kunnen geven in de geschiedenis van de laatste decennia van de 16e eeuw en ook het netwerk van Diederik van Sonoy beter in kaart kunnen brengen. Bovendien zijn deze brieven  en andere teksten van en over Diederik in dit familiearchief geen toevallig overgeleverde documenten maar met zorg door Lambert samengebracht en gebonden in volumes, al drie jaar na de dood van Diederik. Het is erg interessant om verder te onderzoeken hoe Lambert te werk ging als historicus en na te gaan hoe zijn verschillende identiteiten, als een katholiek en familielid, met elkaar verzoende om zijn streng gereformeerde oom Diederik te rehabiliteren.

Wij hebben ons nu beperkt tot Diederik van Sonoy, maar in dit archief bevinden zich tienduizenden documenten van de familie Snoy-Oppuers, een ware goudmijn en voor elk wat wils. Onlangs verscheen er van de hand van Jean-François Houtart een prachtig boek over de geschiedenis van de familie Snoy, een echte aanrader voor iedereen die geïnteresseerd is in deze belangrijke adellijke familie.

La Famille Snoy, tôme I et II, Jean-François Houtart (Bois-Seigneur-Isaac 2021)

Rondleiding

Daarnaast genoten wij van de gastvrijheid van baron en zijn echtgenote en kregen we een speciale rondleiding in en rond de bezittingen van de familie de Snoy-Oppuers: het eeuwenoude kasteel van Bois-Seigneur-Isaac, de kerk Notre-Dame de Grâce et de Consolation et du Saint Sang en het klooster Saint-Charbel.

Ineke Huysman, Nina Lamal en Clodagh Murphy, juli 2023

Werken met Transkribus: de brieven van Douwe Sirtema van Grovestins aan Maria Louise van Hessen-Kassel

In de periode april tot en met juni 2023 liep Lotte van der Linden (masterstudent aan de Radboud Universiteit Nijmegen) stage bij het stadhoudersvrouwen project. In dit artikel schrijft zij over het werken met de EMLO database en het gebruik van Transkribus. Eerder schreef zij een blog over de briefwisseling van Anna van Hannover en Willem IV.

Gedurende mijn stage heb ik me mogen verdiepen in de correspondenties van Anna van Hannover (1709-1759) en Maria Louise van Hessen Kassel (1688-1765), respectievelijk de vrouw en moeder van stadhouder Willem IV. Mijn voornaamste taak daarbij was het invoeren van de metadata van hun inkomende en uitgaande brieven. Beide stadhoudersvrouwen correspondeerden met een groot aantal hoogstaande Europese edelen: van eigen gezinsleden tot secretarissen en legerleiders. Maria Louise werd 77 jaar en was tot het einde van haar leven nauw betrokken bij staatszaken: tweemaal oefende zij de functie van regentes van de Republiek uit: eerst toen haar man, Johan Willem Friso van Nassau-Dietz, vroegtijdig stierf terwijl ze zwanger was van haar zoon, de latere stadhouder Willem IV. Vanaf Willems geboorte in 1711 tot 1731 nam ze de bestuurlijke taken van de stadhouder over. Maria Louises tweede regentschap ging in toen zowel haar zoon Willem, als diens vrouw Anna, stierven voordat haar kleinzoon Willem Batavus (de latere stadhouder Willem V) meerderjarig was. Deze functie voerde ze uit tot haar dood in 1765. Maria Louises correspondentie was dus vanzelfsprekend erg groot.

Early Modern Letters Online

Veel van Maria Louises correspondentie was al gedigitaliseerd, dat wil zeggen, de scans van de oorspronkelijke documenten waren al gemaakt. Deze kon ik vanaf mijn eigen laptop oproepen als PDF-bestand. Op basis hiervan kon ik aan de slag met het invoeren van de metadata in EMLO, Early Modern Letters Online. Met metadata wordt simpelweg de basisinformatie in een brief bedoeld: de afzender, geadresseerde, datum, plaats, taal, het inventarisnummer op basis waarvan de brief gevonden kan worden in het Koninklijk Huisarchief, en de link naar een online PDF-bestand. Dit wordt allemaal met de hand ingevoerd zodat onderzoekers de beschikbare brieven makkelijk kunnen filteren op het onderwerp van hun interesse: een bepaalde auteur, een bepaald tijdsbestek, enzovoort.

Douwe Sirtema van Grovestins

Soms kwam het voor dat een correspondent slechts één enkele brief gestuurd had naar Maria Louise. Bij een moeilijk leesbaar handschrift was het dan nog best wel eens puzzelen wie deze correspondent precies was. Soms kwam het echter ook voor dat een correspondent wel meer dan honderd brieven stuurde of ontving. Het ging dan vaak om functionarissen aan het hof van Maria Louise of aan dat van haar zoon en schoondochter. Eén van die functionarissen was Douwe Sirtema van Grovestins (1710-1778). In de correspondentie van Maria Louise bevonden zich wel 245 ingekomen brieven van Grovestins.

Grovestins was een zoon van Jan of Johannes Sirtema van Grovestins, een Friese jonker die dienst had gedaan in het leger van de Republiek en bovendien kamerheer was geweest aan het hof van Maria Louise. Grovestins trad in de voetsporen van zijn vader en werd kamerheer aan het Stadhouderlijk Hof van prins Willem IV. Na Willems dood bleef hij in dienst bij zijn weduwe Anna. Hij was een belangrijk lid van de Friese adel en was voornamelijk populair bij Anna. Tijdens Willems stadhouderschap en na zijn dood was hij een van haar meest naaste vertrouwelingen. Grovestins is ook een interessante figuur omdat er wilde geruchten de ronde deden over zijn band met Anna. Volgens sommigen zou niet Willem, maar hij de vader zijn van Anna’s zoon en de latere stadhouder Willem V. Het is onduidelijk door wie, wanneer en op basis waarvan de geruchten verspreid werden. Wat zeker is, is dat Grovestins niet bij iedereen geliefd was. Ondanks dat verschillende historici geprobeerd hebben om de geruchten te ontkrachten dan wel bevestigen, leveren sommige details van Grovestins’ leven voor historici nog altijd veel vraagtekens op.

Detail van een portret van Douwe Sirtema van Grovestins (1710-1778), Rijksbureau voor Kunsthistorische Documentatie, Public domain, via Wikimedia Commons

Om meer inzicht in Grovestins’ levensloop en karakter te verkrijgen, is het nuttig om zijn correspondentie in meer detail te bekijken dan slechts de metadata. Zijn correspondentie kan bovendien veel informatie bevatten over het stadhouderspaar en hun hofhouding, gezien zijn nauwe samenwerking en hechte band met Anna en Willem. Daarbij kan de correspondentie tussen Maria Louise en Grovestins licht werpen op de rol van Maria Louise als moeder en oma, gezien het feit dat zij bekend stond als zeer betrokken bij haar gezin. Tussen de familieleden bestond enige afstand omdat Willem vaak op reis was. Bovendien was hij na zijn benoeming tot stadhouder van alle Nederlandse gewesten met zijn gezin naar Den Haag verhuisd, terwijl Maria Louise zich in het Princessehof te Leeuwarden gevestigd had. Logischerwijs was ze dan ook maar al te benieuwd hoe het haar zoon, schoondochter en kleinkinderen in Den Haag verging.

Transkribus

Het lezen van 245 brieven is tijdrovend en bovendien had Grovestins niet het makkelijkst leesbare handschrift. Toch was ik benieuwd naar de inhoud en naar de werking van een handschrift- en tekstherkenningsprogramma zoals Transkribus. Transkribus is een platform dat door middel van AI-technieken handgeschreven tekst kan transcriberen met één muisklik. Voor onderzoekers is dit een praktisch hulpmiddel, omdat het brieven in allerlei verschillende talen en handschriften leesbaar kan maken en bovendien handige databases kan creëren waarin in één oogopslag duidelijk wordt wat voor onderwerpen en wat voor taalgebruik gebruikt werden door een bepaalde correspondent. Dit kan interessante resultaten opleveren voor kwalitatief en kwantitatief onderzoek, zoals blijkt uit dit onderzoeksartikel ‘Balancing between Mother and Wife: The Private Correspondence of Stadtholder Willem IV of Orange-Nassau (1711-1751)’, dat inzicht biedt in het verschil in taalgebruik tussen correspondentie van Willem met zijn moeder en correspondentie met zijn vrouw.

In de praktijk is het werken met Transkribus wel iets ingewikkelder dan die ene muisklik. Het praktische aan Transkribus is dat er binnen het programma al verschillende tekstherkenningsmodellen bestaan die je kan gebruiken voor jouw onderzoek. Zo zijn er bijvoorbeeld algemene ‘18th century French’ modellen, of modellen voor verschillende vormen van het ingewikkelde Duitse Kurrentschrift. Echter, niet al deze modellen kunnen zomaar van iedere brief foutloze transcripties fabriceren. Voor specifieke handschriften is het daarom het meest nuttig om zelf een model te ontwerpen en te trainen om tot bruikbare en correcte transcripties te komen. Dat gaat als volgt: van een groot aantal brieven, kies je er een aantal uit die je handmatig transcribeert. Zo leert het programma – en jijzelf tegelijkertijd – het handschrift kennen. Op basis hiervan maak je een model dat je kan projecteren op de rest van de brieven.

Het proces

Zelf transcribeerde ik bij de eerste poging tien brieven (samen ongeveer 35 pagina’s), verdeeld over de periode dat er brieven van Grovestins zijn. Een aantal lastige kwesties deden zich al direct voor. Vroegmodern Frans – Grovestins en Maria Louise correspondeerden uitsluitend in het Frans – is natuurlijk anders dan het moderne Frans dat ik geleerd heb. Ik moest wennen aan veel vroegmoderne spellingswijzen, zoals het gebruik van de y in plaats van de i die in de moderne Franse taal gebruikt wordt (‘aussy’ in plaats van ‘aussi’). Of het gebruik van oi in plaats van ai (‘avoit’ in plaats van ‘avait’). Bovendien was er in de achttiende eeuw nog niet zoiets als een officieel erkende spelling en was Grovestins ook niet consistent in de spelling die hij gebruikte. Hij gebruikte accenten, zoals het accent aigu (é), soms wel en soms niet. Soms schreef hij een woord met een dubbele klinker, maar soms vond hij eentje genoeg: zoals bij het woord ‘l’honneur’, dat Grovestins in totaal 129 keer spelde als ‘lhoneur’ en 125 keer als ‘lhonneur’. Grovestins maakte het daarbij erg moeilijk omdat zijn handschrift soms echt te slordig was. Gaandeweg leerde ik zijn uitgeschoten krulletjes en onafgemaakte letters wel kennen, maar bepaalde woorden bleven lastig. Ook Transkribus had het hier moeilijk mee. Het eerste model aan de hand van de tien brieven was daarom ook niet goed genoeg. Dit eerste model ben ik daarom gaan verbeteren door de gemaakte transcripties te verbeteren en nog eens tien brieven, waar het eerste model alvast op geprojecteerd was, te transcriberen en verbeteren. Op basis hiervan werd er een tweede model gemaakt.

Mijn beeldscherm terwijl ik werk in de webversie van Transkribus. Met de achttiende-eeuwse spelling die Grovestins gebruikte omcirkeld (accenten en het gebruik van ‘oi’ in plaats van ‘ai’). Voor de gehele brief, zie https://resources.huygens.knaw.nl/media/stadhoudersvrouwen/mlvanhessenkassel/A28-106_026.pdf.

Resultaten

Het tweede model was beter dan het eerste: de character error rate (CER) was nu maar 1,6% vergeleken met het eerdere percentage van 11,9% van het eerste model. Het CER percentage laat zien hoeveel karakters (dat wil zeggen: letters, interpunctie, spaties) het tekstherkenningsmodel in verhouding verkeerd heeft getranscribeerd. Het model was echter nog steeds niet perfect, zo laten de resultaten van de transcripties zien. Aan de hand van een geëxporteerde lijst van de gebruikte woorden in de brieven, leken veel woorden vrij accuraat getranscribeerd te zijn. De meest voorkomende woorden waren sowieso makkelijk herkenbaar voor Transkribus. Zo had Grovestins bijvoorbeeld een vaste afsluiting voor zijn brieven, waar hij maar zelden van afweek: ‘Madame, De VAS [Votre Altesse Sérénissime], le très humble et tres obéïssant serviteur, Grovestins.’

Fragment uit een brief van Grovestins aan Maria Louise, met zijn vaste afsluiting, onnauwkeurig gedateerd, via https://resources.huygens.knaw.nl/media/stadhoudersvrouwen/mlvanhessenkassel/A28-106_008.pdf.

Ook waren er veel zaken waar Grovestins zodanig vaak verslag over uit bracht, dat Transkribus hier weinig moeite mee had. De woorden ‘Altesses’ (hoogheden), ‘Prince’ en ‘Princesse’ kwamen bijvoorbeeld vaak voor. Ook de naam van Maria Louises kleindochter ‘Caroline’ (ook wel Carolina) kwam ook terug in de lijst met meest voorkomende woorden. Ook locaties werden meestal accuraat herkend door Transkribus: La Haye (Den Haag), Leyde (Leiden) en Breda bijvoorbeeld. Soms ging dit ook nog wel eens mis: bij Bergen op Zoom dacht Transkribus vaak nog iets anders te lezen: ‘Bergenoploom’, ‘Bergenepoom’, ‘Bergengloom’ en zelfs ‘Bergen qu doom’ kwamen voorbij. Naarmate meer nauwelijks voorkomende woorden bekeken werden, bleek dat daar ook nog veel foutjes in zaten, vooral bij moeilijk voorspelbare zaken of namen. In de lijst stonden bijvoorbeeld achtereenvolgens de woorden ‘Wolfabattel’, ‘Wolfembile’ en ‘Wolfembutte’: woorden die in eerste instantie wartaal lijken. Hoe slim AI tegenwoordig ook is, Transkribus kon hier niet achterhalen dat Grovestins het hier waarschijnlijk had over de familienaam Van Brunswijk-Wolfenbüttel-Bevern, een adellijke familie die door heel Europa connecties had. De invloedrijke hertog Lodewijk Ernst van Brunswijk-Wolfenbüttel, die Grovestins in ten minste één van de brieven noemt, werd na de dood van Willem IV opperbevelhebber van het leger van de Republiek en na Anna’s dood voogd van de toekomstige Willem V. De hertog van Brunswijk zou rond het jaar 1760 een grote rol gespeeld hebben in het vertrek van het hof van Grovestins. Dit alles komt echter niet ter sprake in de brieven aan Maria Louise; waarschijnlijk omdat de brieven voor deze tijd geschreven en verstuurd werden. Naast de hertog (duc) wordt ook een prince (ook wel foutief getranscribeerd door Transkribus als pance) van Wolfenbüttel genoemd; waarmee niet alleen Lodewijk Ernst bedoeld kan worden, maar ook één van zijn broers.

Een woordwolk van de woorden die Grovestins gebruikte in zijn brieven aan Maria Louise. Hoe groter een woord, hoe vaker het gebruikt werd. Via wordclouds.com.

De inhoud van de brieven

Op basis van de meest voorkomende woorden – te vinden in een tabel aan het einde van dit artikel – kunnen we stellen dat Grovestins op een respectvolle en beleefde manier correspondeerde met Maria Louise. De complete transcripties bieden meer inzicht. Hierin viel op dat Grovestins een grote variëteit aan nieuwtjes deelde met Maria Louise. Wanneer hij zich bevond aan het hof, rapporteerde hij over de gezondheid van het stadhoudersgezin: over het gestel van Willem IV, zwangerschappen van Anna en, toen hun kinderen eenmaal geboren waren, werd ook de ontwikkeling van kleine Carolina en Willem besproken. Grovestins was voor Maria Louise echter ook een bron voor militaire nieuwtjes. Regelmatig schreef hij over troepen die gestationeerd waren in de Republiek, vaak in Breda of Bergen op Zoom. Omdat Grovestins zijn brieven helaas bijna nooit accuraat dateerde – überhaupt niet of met enkel de dag en maand, zonder jaartal – is dit soort informatie zeer bruikbaar voor het maken van een schatting voor de datering en contextualisering van de brief. De regio bij Breda en Bergen op Zoom was een belangrijk strijdtoneel ten tijde van de Oostenrijkse Successieoorlog (1740-1748). Het is dus aannemelijk dat een aantal van de brieven deze periode beschreven of in ieder geval in deze periode geschreven werden.

‘Afbeelding van de bombardeering der stad Bergen op den Zoom, door de Franschen, op den 1e. Augustus des jaar 1747’. Onderdeel van de reeks met tien gezichten van de ruïnes na het beleg en de verwoesting van Bergen op Zoom door de Fransen in juni-september 1747. Door Simon Fokke, 1772. Rijksmuseum, via http://hdl.handle.net/10934/RM0001.COLLECT.110963.

Naast internationale oorlogen rapporteerde Grovestins ook over binnenlandse onrust. In 1748, net na de geboorte van Willem, brak in Groningen een opstand uit die zich zou verspreiden naar andere steden in de Republiek. De opstand kwam bekend te staan als het Pachtersoproer, waarin de bevolking in opstand kwam tegen de hoge en ongelijk verdeelde belastingen die geïnd werden door zogenaamde belastingpachters. Ook werd er door de opstandelingen onvrede uitgesproken over de grote macht van de regenten. Verschillende steden richtten zich tot de stadhouder voor bescherming. Grovestins speelde zelf ook een rol in het bestrijden van de opstanden. Toen de onrust zich van het noorden van het land ook verspreid had naar Holland, werd hij naar Haarlem gestuurd om de rust te herstellen. In deze brief, waarschijnlijk geschreven tijdens of vlak na deze periode, vertelt Grovestins Maria Louise onder andere over de ontwikkelingen omtrent het oproer:

Madame,

Non obstant la grande foiblesse S.A.S. cest fait porter mercredi passé dans lassemble dhollande pour y donner son avis pour les troubles presentes. Elle ne en été qu’un moment et c’est recouché l’instant après, fort fatigué. Depui ce temps S.A.S. continue a se remettre est sans fièvre, mais l’apetit va pas encor bien. Elle est pourtant levé presque toute les journées et a quantité de diares à essuier. La tranquillité est renus à La Haye mais les maisons de la pluspart des pagters abatu. Cependant on continue a payer les pagten à dautres pour que le bien public n’en souffre pas. S.A.S. ira peut-être coucher cette nuit à la maison Du Bois affin d’y être plus tranquil et à son aise à cause de la grande chaleur qu’il fait. S.A.R. et le jeun prince et princesse se portent très bien.

Dans Leyde les pagten sont abolli provisionellement. Dans Amsterdam et Rotterdam on est encor tranquil.

Jai l’honneur d’être avec un profond respect,

Madame, de VAS,

le très humble et tres obéïssant serviteur,

Grovestins

Vertaling:

Mevrouw,

Ondanks zijn zwakte kwam Zijne Doorluchtige Hoogheid afgelopen woensdag naar de Statenvergadering in Holland om zich daar uit te spreken over de huidige onrust. Hij was er slechts kort en ging daarna onmiddellijk terug naar bed, oververmoeid. Sindsdien is hij herstellende en heeft geen koorts meer, maar met de eetlust gaat het nog steeds niet goed. Toch komt hij bijna elke dag uit bed en heeft hij veel diarree. In Den Haag is de rust wedergekeerd, maar de huizen van de meeste pachters zijn vernield. Intussen blijft men de pachten aan anderen  betalen, zodat het algemeen belang er niet onder lijdt. Zijne Doorluchtige Hoogheid zal vannacht misschien in Huis ten Bosch gaan slapen, zodat hij meer op zijn gemak zal zijn en rustiger kan slapen vanwege de extreme hitte. Met Hare Koninklijke Hoogheid en de prins en prinses gaat het heel goed.

In Leiden zijn de pachten voorlopig afgeschaft. In Amsterdam en Rotterdam is het nog rustig.

Het is mij een eer uw zeer nederige en getrouwe dienaar te zijn,

Grovestins

Hoe nu verder?

De resultaten van de training van het model laten zien dat er nog veel aan te verbeteren valt. Het transcriberen van meer brieven en het verbeteren van de brieventranscripties waar het model al op geprojecteerd was, zouden kunnen leiden tot een nog nauwkeuriger model. Toch zullen sommige brieven waarschijnlijk blijvend problemen opleveren voor Transkribus, gezien de grammaticale fouten en onnauwkeurigheden die Grovestins zelf maakte. Deze zijn moeilijk te voorspellen voor een AI programma. Echter, nu er een begin gemaakt is aan een model voor de herkenning van Grovestins’ handschrift, wordt het des te interessanter om ook de rest van zijn correspondentie te bekijken. Zijn correspondentie met Anna van Hannover wekt bovenal interesse, gezien de geruchten over hun intieme relatie. De mogelijkheden die Transkribus biedt zouden wellicht ingezet kunnen worden om nieuw licht te werpen op de band tussen Anna en Grovestins. Daarnaast zou het waardevol zijn om alle andere bekende correspondentie van Grovestins met dit Transkribusmodel van zijn handschrift te ontsluiten, te verbeteren en te annoteren.

Bijlage: de 100 meest voorkomende woorden in de brieven van Grovestins aan Maria Louise.

 WoordVerbeterde/ hedendaagse spellingVertalingAantal keer gebruikt
1.trestrèsheel662
2.madame–mevrouw468
3.vasV.A.S. (Votre Altesse Sérénissime)Uwe Doorluchtige/ Serene Hoogheid (aanspreekvorm voor Maria Louise)439
4.jaij’aiik heb315
5.sasS.A.S. (Son Altesse Serenissime)Zijne Doorluchtige/ Serene Hoogheid (aanspreekvorm voor Willem IV)304
6.prince–prins299
7.leurs–hun, hunne252
8.detred’êtreom te zijn224
9.grovestinsGrovestins(eigen naam)222
10.bien–goed215
11.humble–nederig211
12.obeissantobéissantonderdanig, trouw, gehoorzaam187
13.plus–meer175
14.serviteur–dienaar170
15.altesses–hoogheden, vorsten163
16.eteétégeweest (ww), (of: zomer (znw))158
17.haye(La) Haye(Den) Haag155
18.une–een153
19.encorencorenog152
20.hier–gisteren134
21.lhoneurl’honneurde eer129
22.ont–hebben (derde persoon meervoud)126
23.lhonneurl’honneurde eer125
24.faire–doen, maken118
25.quilqu’ildat hij115
26.profond–diep, diepgaand112
27.duned’unevan een111
28.respect–respect111
29.sera–zal, zal zijn, wordt109
30.fort–zeer, sterk, fort (znw), kracht (znw)108
31.cestc’esthet is104
32.deux–twee101
33.heures–uur, uren97
34.sarS.A.R. (Son Altesse Royale)Hare Koninklijke Hoogheid (aanspreekvorm voor Anna van Hannover)97
35.jours–dagen95
36.matin–ochtend88
37.beaucoup–veel87
38.dieu–god85
39.jusques–tot82
40.temps–tijd, weer (znw)82
41.soir–avond81
42.avoitavaithad78
43.cette–deze (v)77
44.apresaprèsna, nadat76
45.princesse–prinses76
46.etoitétaitwas75
47.jouissent–genieten (derde persoon meervoud)73
48.graces (a Dieu)grâce a Dieugoddank, godzijdank72
49.suis–ben (ww)71
50.mememêmezelfs, zelfde70
51.jour–dag69
52.v.asV.A.S. (Votre Altesse Sérénissime)Uwe Doorluchtige/Serene Hoogheid69
53.(se) portent–zich gedragen, het (goed/slecht) maken68
54.ainsi–evenals, zoals, aldus67
55.etatsétatsstaten64
56.jesperej’espèreik hoop64
57.bonne–goed (v)63
58.etreêtrezijn62
59.reste–blijft (ww), rest (znw)62
60.toute–alle62
61.cour–hof61
62.lui–hem60
63.(se) porte/portevoltooid deelwoord porter: portégedraagt zich, maakt het (goed/slecht) / draagt, gedragen, brengt, gebracht59
64.quelque–een, enkele59
65.ville–stad59
66.carolineCarolineeigen naam, kleindochter van Maria Louise57
67.femme–vrouw57
68.nestn’estis niet57
69.nouvelles–nieuws (znw), nieuwe (bnw)57
70.parfaite–perfect57
71.voir–zien57
72.aux–aan, op, tot56
73.santé–gezondheid56
74.passé–vorige, afgelopen55
75.aura–zal hebben, zal zijn54
76.respectueusement–eerbiedig, met alle respect54
77.affin (que)afin quezodat, opdat53
78.maison–huis53
79.presprèsdichtbij, bijna53
80.royroikoning51
81.demain–morgen50
82.mieux–beter50
83.poste–post50
84.cause–oorzaak49
85.cet–deze49
86.grand–groot (m)49
87.arivéarrivéaankomst (znw), gearriveerd (ww)47
88.dejadéjàal, reeds47
89.grande–groot (v)47
90.francoisfrançoisFrans43
91.voiagevoyagereis43
92.mrs (messieurs)–heren (afkorting)42
93.crois–geloof (ww), denk41
94.quonqu’ondat men41
95.santesantégezondheid40
96.made (madame)–mevrouw (afkorting)39
97.contecomtegraaf38
98.lettre–brief38
99.mande–verzoek (znw), verzoek (ww)38
100.nouveau–nieuw37

Literatuur

Beaufort, Willem Hendrik de, ‘De Hertog van Brunswijk’, De Gids 56 (1892), 311-362, geraadpleegd van DBNL via https://www.dbnl.org/tekst/_gid001189201_01/_gid001189201_01_0013.php

Ineke Huysman, ‘Balancing between Mother and Wife: The Private Correspondence of Stadtholder Willem IV of Orange-Nassau’ in: Michaël Green en Ineke Huysman (eds.), Private Life and Privacy in the Early Modern Low Countries (wordt gepubliceerd in 2023, Brepols, Turnhout).

Jagtenberg, Fred, Willem IV. Stadhouder in roerige tijden, 1711-1751 (Nijmegen 2018).

Prak, Maarten R., ‘Burgers in beweging. Ideaal en werkelijkheid van de onlusten te Leiden in 1748’, BMGN-Low Countries Historical Review 106:3 (1991), 365-393.

Lotte van der Linden, juli 2023


Een toegewijde en ambitieuze echtgenote: de brieven van Anna van Hannover aan stadhouder Willem IV

Ondanks de politieke huwelijksovereenkomst tussen de Britse kroonprinses Anna van Hannover en de Nederlandse Willem Karel Hendrik Friso, de latere stadhouder Willem IV, bloeide er al gauw iets moois op tussen de twee. Vanaf het moment van hun verloving schreven de twee geregeld brieven naar elkaar, die inzicht geven in een bloeiende, liefdevolle verbintenis. Hun relatie was bovendien bijzonder omdat ze naast liefde ook een intellectuele en politieke bondgenoot in elkaar vonden. Anna stond Willem bij in zijn stadhouderlijke verplichtingen tot zijn vroegtijdige en onverwachte dood na een bezoek aan kuuroord Aken.

Een strategisch huwelijk

Anna en Willem trouwden op 25 maart 1734 op respectievelijk 24- en 22-jarige leeftijd. Willem was op dat moment alleen nog stadhouder van Friesland, Groningen, Gelre en Drenthe. De huwelijksovereenkomst werd gesloten uit politieke overwegingen. Als de eerstgeboren dochter van het Britse koningspaar George II en Caroline van Brandenburg-Ansbach was het van groot belang dat Anna trouwde met een man van prominente adellijke status in Europa. Anna, die met haar 23 jaar al behoorlijk op leeftijd was toen de huwelijksonderhandelingen goed op gang kwamen, had vier jongere zusjes die traditiegetrouw geen man mochten trouwen wiens status de status van Anna’s huwelijkspartner overtrof. Bovendien moest er gedacht worden aan de religieuze achtergrond van haar potentiële huwelijkspartner: aangezien het Huis Hannover dankzij protestantse geloofsovertuigingen aan de macht was gekomen in Groot-Brittannië, was het wenselijk dat ook Anna’s partner protestants opgevoed was.

Een vooraanstaande protestantse edelman werd gevonden in Willem Karel Hendrik Friso, stadhouder van Friesland en zoon van de overleden Johan Willem Friso van Nassau-Dietz en Maria Louise van Hessen-Kassel. De adellijke status van Willem was niet zo voornaam als die van een eerdere potentiële huwelijkskandidaat: de jonge koning Lodewijk XV van Frankrijk. In tegenstelling tot Lodewijk, een katholiek, was Willem echter protestant en bovendien lid van een familie die volgens Anna’s vader George II altijd geliefd was bij de Engelse natie. De Oranjes hadden inderdaad al een lange, vrij stabiele geschiedenis met het Engelse koningshuis. Bovendien was Anna’s eigen motivatie om te trouwen groot. Haar leeftijd, politieke ambities en afstandelijke relatie met haar vader maakten dat ze zich graag verbond met de Nederlandse prins. Dit alles ondanks de waarschuwingen die ze van alle kanten kreeg over het uiterlijk en het gestel van Willem.

Anna als jonge vrouw. ‘Portret van Anna van Hannover, prinses van Oranje-Nassau’, prentmaker: Wouter Jongman, naar schilderij van: H. Hyning, schrijver gedicht: J.D.R., ca. 1712-1744, Rijksmuseum, via http://hdl.handle.net/10934/RM0001.COLLECT.130039.

Liefdevolle correspondentie

Ondanks het feit dat Anna en Willems huwelijk uit politieke overwegingen gesloten werd, ontstond er tussen de twee al gauw een hechte, liefdevolle relatie. Wanneer de één op reis vertrok, duurde het vaak niet lang voordat de ander in de pen klom om de ander op de hoogte te stellen van de gang van zaken. De twee gebruikten liefdevolle koosnaampjes voor elkaar. Anne noemde Willem Pip of Pepin en Willem verwees naar Anna als Annin. Anna opende haar brieven bijna standaard met de woorden ‘mon cher Pepin’ of ‘mon cher Ange’. Ze schreef regelmatig over haar liefde voor Willem of over hoe erg ze hem miste wanneer ze niet samen waren. Anna, die een grote liefhebber van muziek, kunst en literatuur was, schreef zelfs dat al deze dingen maar saai waren zonder hem aan haar zijde.

Fragment brief van Anna van Hannover aan Willem IV uit 1741, Koninklijke Verzamelingen (Den Haag), A29-171.

Politieke ambitie

Naast haar liefdesbetuigingen hield Anna zich niet afzijdig van staatkundige zaken in haar brieven. Al van kinds af aan had ze interesse getoond voor de politiek. Ze zou zelfs op jonge leeftijd tegen haar moeder gezegd hebben dat ze wenste dat ze geen broers had gehad, zodat ze zelf koningin van Engeland had kunnen worden. De prinses zou de band met haar thuisland bovendien altijd in het oog blijven houden bij haar politieke betrekkingen. Dit terwijl haar relatie met haar Britse familie moeizaam was, wat te zien is in haar brieven aan Willem: meer dan eens klaagt Anna over de vervelende of saaie brieven uit Londen.

De prinses was daarnaast altijd al geïnteresseerd in geschiedenis en internationale betrekkingen. Toen ze na haar bruiloft in Londen bij Willem introk in het Stadhouderlijk Hof in Leeuwarden, verdiepte ze zich in haar nieuwe thuisland en schreef ze uitgebreide opstellen over de geschiedenis van het Nederlandse staatsbestel. Ook was ze actief betrokken bij Willems stadhouderschap. Ze ontwikkelde zich tot belangrijk politiek adviseur van haar man, die haar graag betrok in zijn beslissingen. Anna was dan ook maar al te blij dat Willem in 1747 benoemd werd tot stadhouder van alle Nederlandse gewesten. De hofhouding verhuisde van Leeuwarden naar Den Haag, waar Anna zich meer thuis zou voelen. Maison du Bois – Paleis Huis ten Bosch – werd een locatie vanuit waar Anna vele brieven naar Willem zou sturen gedurende zijn reizen.

‘Gezicht op de voorzijde van het Paleis Huis ten Bosch te Den Haag’, uitgever: Hendrik Scheurleer, door anonieme maker, ca. 1734-1768, Rijksmuseum, via: http://hdl.handle.net/10934/RM0001.COLLECT.402098.

In voor- en tegenspoed

De voorspoed in de liefde was voor Anna en Willem helaas geen garantie voor een lang en gelukkig huwelijk. Willem kampte al sinds zijn jeugd met gezondheidsproblemen, deels veroorzaakt door een val van zijn paard toen hij nog maar een kind was. Na hun verloving kreeg Anna al direct te maken met de gevolgen hiervan toen hun bruiloft, die gepland stond voor november 1733, een paar maanden uitgesteld werd door een aanhoudende periode van ziekte. Willem, die al afgereisd was naar Groot-Brittannië voor de heuglijke aangelegenheid, was genoodzaakt een aantal weken in Bath te verblijven en gebruik te maken van het helende water uit de bronnen. Willem herstelde, maar zijn zwakke gezondheid bleef een grote rol spelen in de jaren hierna. In de zomer van 1751 verergerden Willems klachten zo sterk dat hij voor een tweede keer naar een kuuroord vertrok. Niet naar Bath, zoals in 1733, maar naar Aken. Ook daar bevonden zich geneeskrachtige baden, die tot op de dag van vandaag in gebruik zijn. De staat van Willems gezondheid werd als zodanig zorgelijk geacht dat prinses Anna uit voorzorg al een paar maanden voor zijn vertrek al meer betrokken werd bij staatszaken.

De laatste brieven

Anna en Willem correspondeerden veel met elkaar tijdens Willems verblijf in Aken. Vanaf Paleis Huis ten Bosch bracht ze verslag uit van belangrijke staatszaken, zoals onderhandelingen over de koop van Pruisische domeinen. Hiervoor onderhandelde ze samen met raadpensionaris Pieter Steyn, diplomaat Thomas Isaac de Larrey en Frederik de Grote, de koning van Pruisen. Ook fungeerde ze als tussenpersoon tussen Willem en belangrijke politici en ambtenaren wanneer Willem haar verzocht iets namens hem door te geven. Ook uit Anna’s politieke verslagen blijkt de hechte band tussen de twee, bijvoorbeeld wanneer ze vertelt over een grappige situatie waarin een buitenlandse ambassadeur bijna in huilen was uitgebarsten. Ze blijkt echter niet bang te zijn om Willem op zijn vingers te tikken wanneer hij volgens haar de fout in gaat, bijvoorbeeld in haar advies over een financiële kwestie waarbij Willem een gewaardeerd lid van de adellijke familie Bentinck te hulp wilde schieten. Anna, die erom bekend stond voorzichtiger om te gaan met financiën dan Willem, wees hem op het feit dat hun eigen financiën al vrij kwetsbaar waren en de raadpensionaris bovendien had afgeraden om Bentinck financieel te steunen.

De kinderen van Anna en Willem. ‘Portret van Willem V, prins van Oranje-Nassau, en Carolina, prinses van Oranje-Nassau’, door Pieter Tanjé, 1751, Rijksmuseum, via: http://hdl.handle.net/10934/RM0001.COLLECT.529880.

In bijna al haar brieven naar Aken stelt Anna haar man op de hoogte van de gezondheid van hun kinderen, kleine ‘Caroline’ en ‘Guillaume’ (de latere stadhouder Willem V). Op dat moment, in de zomer van 1751, zijn de kinderen nog erg jong, respectievelijk acht en drie jaar oud. De kleine Willem is volgens Anna vrolijk en eet goed – ‘le petit garçon est gaye, & mange tous les jours ses carottes’. Volgens Anna gedraagt Carolina zich als een goedgemanierd lief prinsesje: zelfs wanneer Carolina een slechts kortdurende, maar hevige griep oploopt. De ziekte baart Anne grote zorgen, waarover ze uitgebreid verslag doet aan Willem. Gelukkig verbeterde Carolina’s gezondheid al gauw en verkondigt Anna aan Willem dat ze geheel de oude zou worden, als ze haar maar warm aankleedden, haar veel fruit lieten eten en haar de wateren van Bristol, vergelijkbaar met de wateren van Bath, lieten gebruiken. Ze geeft toe blij te zijn dat Willem al deze bezorgdheid niet direct mee hoefde te maken.

Fragment uit een brief van Anna van Hannover aan Willem IV uit 1751, Koninklijke Verzamelingen (Den Haag), A29-171.

Ondanks het feit dat hij de spanning rondom Carolina’s ziekte niet persoonlijk meemaakte, bestond Willems kuur niet alleen uit ontspanning en herstel: hij ging gewoon door met werken en woonde bals en diners bij. Hoewel Willem zich niet fit voelde,was er niets dat deed vermoeden dat hij in levensgevaar verkeerde. Anna’s brieven geven dan ook meer blijk van hoopvolle liefdesbetuigingen dan van grote zorgen. Het gros van haar brieven opent ze door Willem te bedanken voor zijn brieven en hem mee te delen hoeveel plezier ze ervaart in het lezen ervan. In verschillende brieven geeft ze toe opgelucht te zijn dat de artsen, in het bijzonder professor Frederik Winter, positief lijken te spreken over het verloop van Willems schijnbaar herstel. Ze toont zich echter ook bezorgd en geeft Willem zelfs een keer op zijn kop: hij moest niet meer zulke lange brieven schrijven want volgens professor Winter zou dit een veel te grote inspanning zijn. Bovenal spreekt ze haar hoop uit over het spoedige herstel van haar geliefde man: ‘Je languis de l’apprendre de luy que la cure est en bon train.’

Overlijden van prins Willem IV, 1751, ‘Afbeelding van ’t Sterf en Parade-Bed van Zyne Doorluchtige Hoogheid W.C.H. Friso, in ’t Jaar 1751’, door anonieme maker, 1751, Rijksmuseum, via http://hdl.handle.net/10934/RM0001.COLLECT.483892.

Een ontroostbare vrouw en moeder

Anna telt de dagen tot ze elkaar terug zullen zien. In één van haar laatste brieven voorspelt ze hoopvol dat ze nog maar twee brieven zal sturen tot ze Willem weer zal ontmoeten: ‘J’espere qu’encore deux lettres feront l’affaire et qu’après cela nous aurons l’honneur de vous entretenir en haute personne.’ Anna’s brieven aan Willem, die vrijwel allemaal onnauwkeurig gedateerd zijn, hielden abrupt op, waarschijnlijk begin oktober 1751. Toen keerde Willem terug naar Den Haag, slechts half hersteld. Ondanks Anna’s hoopvolle aanmoedigingen en beterschapswensen, verergerde Willems toestand na zijn terugkomst opnieuw. Op 22 oktober 1751 kwam hij te overlijden, op slechts 40-jarige leeftijd. Anna was ontroostbaar. Uit een brief die zij schreef aan haar schoonmoeder, Maria Louise van Hessen-Kassel, uitte zij haar verdriet:

Le malheur qui m’est arrivé me rend presque incapable d’écrire; mais les égards que j’aurés toujours pour la mère du plus digne des hommes, & le plus tendre des maris m’oblige a vous assurer de mes sentimens à cet egard. Mes enfans, & le besoin qu’ils ont encore de moy m’engage a travailler avec zèle à leur bonheur, cela seul fera ma seule occupation, après quoy je serés trop heureuse de pouvoir rejoindre mon cher Prince qui ne peut qu’être heureux.

Vertaling:

De ellende die mij is overkomen, maakt dat ik bijna niet meer kan schrijven; maar de achting die ik altijd heb gehad voor de moeder van de meest waardige en meest tedere man, verplicht mij om u te verzekeren van mijn gemoedstoestand in dat opzicht. Mijn kinderen, en de behoefte die zij nog steeds aan mij hebben, maken dat ik me met hart en ziel wil inzetten voor hun geluk, dat zal mijn enige ambitie zijn, waarna ik mezelf maar al te graag zal kunnen herenigen met mijn geliefde Prins, die alleen maar gelukkig kan zijn.

Brief van Anna van Hannover aan haar schoonmoeder Maria Louise van Hessen-Kassel van 15 november 1751, Koninklijke Verzamelingen (Den Haag), A28-011a.

Een volhardende gouvernante

Ondanks Anna’s verdriet gingen de verplichtingen door. Anna’s zoon Willem was pas drie jaar toen zijn vader overleed: te jong om als de volgende stadhouder te regeren. Daarom accepteerde Anna de positie van gouvernante, een ietwat bijzondere naam voor een regentessenfunctie. Anna oefende deze functie uit tot aan haar dood in 1759. Op 49-jarige leeftijd kwam de hereniging met haar geliefde prins waar ze in haar brief aan Maria Louise naar verwees: helaas wel zeven jaar vóór haar zoon meerderjarig verklaard werd en zijn vader opvolgde als stadhouder Willem V.

Overlijden van prinses Anna, 1759, Rijnier Vinkeles, ca. 1780-1795, Rijksmuseum.

De brieven waaruit fragmenten in dit artikel zijn bijgevoegd, zijn vooralsnog niet online te raadplegen. Op vrijdag 29 september 2023 zal de gedigitaliseerde correspondentie van Anna van Hannover openbaar en raadpleegbaar worden via Early Modern Letters Online. Dit zal feestelijk worden gevierd met een symposium op Kasteel Duivenvoorde met lezingen over het veelzijdige leven van Anna en omlijst met muziek uit haar tijd. De kaartverkoop is vanaf begin juli via de site van Kasteel Duivenvoorde.

Lotte van der Linden, masterstudent aan de Radboud Universiteit Nijmegen, 31 mei 2023.


Bibliografie

Blok, P.J., Geschiedenis van het Nederlandsche volk, deel 3 (Leiden 1925).

Feron, Vera, ‘Into the Archive of Anne of Hanover, Princess Royal and Princess of Orange’, (16 januari 2023).

Ineke Huysman, ‘Balancing between Mother and Wife: The Private Correspondence of Stadtholder Willem IV of Orange-Nassau’ in: Michaël Green en Ineke Huysman (eds.), Private Life and Privacy in the Early Modern Low Countries (wordt gepubliceerd in 2023, Brepols, Turnhout).

Hall, Mrs. Matthew, The Royal Princesses of England: From the Reign of the George the First (Londen en New York 1871).

Jagtenberg, Fred, Willem IV. Stadhouder in roerige tijden, 1711-1751 (Nijmegen 2018).

Nieuwenbroek, Simone, ‘Een ruk naar Brits: De internationale politiek van Anna van Hannover, 1756-17571’, Virtus 27 (2020), 115-132, https://doi.org/10.21827/virtus.27.115-132.

Schutte, G.J., Oranje in de achttiende eeuw (Amsterdam 1999).

Een opmerkelijke aanhef

Hoe Twitter bijdroeg aan de identificering van een correspondent

“Madame et trè cher frère generis feminini” – “Mevrouw en zeer dierbare broer van het vrouwelijk geslacht” – met deze woorden begint een brief gericht aan Marie-Louise van Hessen-Kassel. De brief is geschreven op 17 april 1732, ondertekend door een zekere Adolpfina, en verzonden vanuit het Duitse Dahme. Deze brief wekte mijn aandacht vanwege de opmerkelijke aanhef; een gebruikelijke aanhef aan de vorstin is bijvoorbeeld “Madame” of “Doorluchtige Vorstin”. Is de brief geschreven aan meerdere ontvangers of enkel Marie-Louise? En wie is Adolpfina, de afzender? Wat is de relatie tussen Marie-Louise en Adolpfina? Daarbij roepen niet alleen de aanhef en de afzender verschillende vragen op, ook de inhoud van de brief bleek boeiend.

Afbeelding 1: Marie-Louise van Hessen-Kassel (schilderij van Louis Volders, 1709-1711. Fries Museum.

Marie-Louise van Hessen-Kassel (1688-1765), die ook wel bekend is onder haar bijnaam Marijke Meu, was de vrouw van de Friese stadhouder Johan-Willem-Friso van Nassau-Dietz (1687-1711). Zij is een van de vrouwen naar wie onderzoek wordt gedaan binnen het Stadhoudersvrouwen Brievenproject, onder leiding van dr. Ineke Huysman. Marie-Louise is geboren in 1688 in Kassel en trouwde op eenentwintigjarige leeftijd met Johan-Willem-Friso. Kort na hun huwelijk raakte zij zwanger van hun dochter Anna Charlotte Amalie (1710-1777). En niet veel later kregen zij samen ook een zoon, Willem IV Karel-Hendrik-Friso (1711-1751), de toekomstige stadhouder Willem IV.

Marie-Louise speelde een belangrijke rol in de Nederlandse geschiedenis. Zij was tweemaal regentes. Eerst toen haar man overleed in 1711, enkele weken voor de geboorte van hun zoon. De tweede keer vervulde zij deze rol toen haar zoon overleed in 1751, terwijl zijn kinderen nog minderjarig waren. Dit ging gepaard met verscheidene dynastieke plichten. Haar correspondentie geeft een inkijk in haar verplichtingen en de zaken waarmee zij zich bezighield. Deze correspondentie bevindt zich in het Koninklijk Huisarchief in Den Haag en wordt nu gedigitaliseerd.

De correspondentie

In haar archief, te vinden onder het inventarisnummer A28, is ook de hierboven geïntroduceerde brief te vinden, evenals duizenden andere documenten. De map waarin deze brief zich bevindt, is geclassificeerd als ‘brieven, ingekomen van niet geïdentificeerde personen (voornamelijk vorsten), 1722, 1730, 1732 en z.j.’.[1] Het bleek dat in deze map met zes brieven een tweede brief zat met een soortgelijke aanhef “Madame et tres chère frère” – “Mevrouw en zeer dierbare broer” – zoals te lezen is op afbeelding 3.[2] De brief was wel ondertekend door de afzender, maar diens naam was enigszins moeilijk te lezen (zie afbeelding 5).

Dat er een tweede brief is verstuurd naar Marie-Louise met een soortgelijke aanhef is een interessante ontdekking. Opvallend is dan ook dat beide brieven van dezelfde hand lijken te komen. Zoals te zien is op afbeelding 2 en 3 zijn, afgezien van enkele verschillen in de spelling, er zichtbare overeenkomsten. Zo heeft de letter ‘d’ een herkenbare lus en, worden de ‘c’ en ‘h’ op dezelfde manier met elkaar verbonden. Daarbij zijn beide brieven ondertekend door de afzender, ondanks dat deze brieven zich bevinden in een map die duidelijk is geclassificeerd als ‘brieven ingekomen van niet geïdentificeerde personen’. Wie is deze niet geïdentificeerde afzender?

Het bleek lastig om te achterhalen wie de afzender was, met name vanwege de leesbaarheid van de achternaam. Met behulp van het academische netwerk op Twitter, werd een antwoord geboden op de identiteit van de afzender.[3] Drs. K. van der Hoek, conservator bij Allard Pierson, de afdeling Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, droeg aan dat het mogelijk Johann Adolph II van Saksen-Weißenfels (1685-1746) zou kunnen zijn, de laatste hertog van Saksen-Weißenfels, Saksisch generaal en maarschalk. Door het vergelijken van brieven die van zijn hand kwamen, leek deze suggestie zeer aannemelijk (afbeelding 4 en 5).

Het geschonken porselein

Daarnaast bleek de hertog van Saksen-Weißenfels om een tweede reden een passende correspondent. Het gaat om de inhoud van de brief met inventarisnummer A28-051_005.[4] De afzender schrijft namelijk het volgende:

Dame le 17 avril 1732

Madame et trè(s) cher frère generis feminini

Je suis charmé si la porcelaine que jay envoyé à Votre Alttesse a eu son approbation, mais pour en ettre d’autant plus assuré et de savoire que j’ay rencontré le gout de Votre Alttesse, elle me fera eune grase très partuculieure en me donnant de nouveaus la comission pour lui en faire envoire, de telle sorte qu’elle en voudra, et alors je ne manquerai point non plus d’envoyer le conte de ce qu’elle contera. Mais par rapport à la porcelaine que j’ay eu l’honeur d’envoyeur déjà, elle ne me refusera pas la grasse que je lui demande de l’accepter pour une petite Lepsiger Messe, et moy je le regarderai comme une marque de distinction et d’amitié qu’elle daigne avoir pour eune seur qui est toujour sa serveante et serviteur en même temps come aussi à toute la meson de Cassel. J’attendray les order pour l’avénir si elle m’en jugera digne et caballe, estant avec eune vénération très bartculieure et parfaite,

de mon cher frère,

la très hubble et très supmisse serveante

Adolpfina

Vertaling

Dahme 17 april 1732

Mevrouw en zeer dierbare broer van het vrouwelijk geslacht,

Ik ben verheugd wanneer het porselein dat ik naar Uwe Hoogheid heb gestuurd zijn goedkeuring heeft gekregen, maar om des te zekerder te zijn en om te weten dat ik aan de smaak van Uwe Hoogheid heb voldaan, zal zij mij een bijzonder plezier doen door mij opnieuw de opdracht te geven het toe te zenden, op zo’n manier waarop zij het zou willen, en dan zal ik het ook niet nalaten het verhaal te sturen dat ze zal vertellen. Maar wat betreft het porselein waarvan ik reeds de eer had het te verzenden, zal zij mij de genade niet weigeren die ik haar vraag te accepteren voor een kleine Leipziger Messe, en ik zal het beschouwen als een teken van onderscheiding en vriendschap die zij zich verwaardigt te hebben voor een zuster die altijd haar dienares en dienaar is voor het hele Huis van Kassel. Ik zal wachten op de orders voor de toekomst als ze me waardig en ‘kabaal’ acht, met een zeer bijzondere en perfecte verering,

van mijn dierbare broer

de meest nederige en zeer onderdanige dienares

Adolphina

In deze brief schrijft de afzender dat hij porselein heeft gestuurd naar Marie-Louise, te weten Leipziger Messe, ook wel bekend als Meissen porselein. Dit was het eerste echte porselein dat in Europa werd gefabriceerd. Johann Friedrich Böttger (1682-1719) was degene die het Meissen porselein heeft ontwikkeld, met dank aan financiering door August II van Polen (1670-1733). Kort na deze uitvinding van Europees porselein, werd in 1710 Meissen Porselein Manufactuur opgericht. De eerdergenoemde hertog van Saksen-Weißenfels was de neef van August II van Polen en diende als generaal in zijn leger gedurende verschillende oorlogen. Verder is er rond 1744 een speciale porseleinserie uitgebracht, die in opdracht werd gemaakt van de Meissen-fabriek door de hertog van Saksen-Weißenfels. Deze hertog van Weißenfels-serie bestaat waarschijnlijk uit 18 tafelfiguren, die zijn geïnspireerd door gravures van François Joullain.[5] Dit wijst erop dat de hertog in nauw contact stond met de Meissen Porseleinfabriek.

In 1731 verhuist Marie-Louise naar Leeuwarden en doet zij haar intrede in het Princessehof. Haar taak als regentes heeft zij dan volbracht omdat haar zoon op dat moment meerderjarig is. Zoals eerder genoemd, dateert de brief aan Marie-Louise uit 1732. Dit zou kunnen betekenen dat het porselein dat is geschonken een gift was vanwege de aankoop van en haar intrede in het Princessehof. Anderzijds zou het porselein ook een gift kunnen zijn vanwege het vervullen van haar taak als regentes. Echter kan dit niet met zekerheid gezegd worden, omdat de brief daar geen eenduidig antwoord op biedt. Wel wordt uit de brief duidelijk dat de afzender eerder porselein heeft gestuurd naar Marie-Louise.

Juist de verwijzing naar dit porselein spreekt tot de verbeelding. In haar leven heeft Marie-Louise namelijk een van de belangrijkste porseleincollecties verzameld,[6] die tegenwoordig te bewonderen is in het Princessehof. Ook worden enkele stukken bewaard in het Koninklijk Huisarchief. In de collectie van de Koninklijke Verzamelingen bevindt zich een koffieservies van Marie-Louise met een bijbehorende reiskoffer. Dit servies is een Meissenservies (afbeelding 6 en 7), en ondanks dat het niet exact gedateerd kan worden, lijkt het erop dat het servies rond 1730 is gemaakt en het is daarmee een van de vroegste Europese porseleinen. Het is niet bekend welke persoon of personen dit servies aan Marie-Louise hebben geschonken. Naar aanleiding van de brief – ervan uitgaande dat deze is geschreven door de hertog – en de geschatte datering is er een mogelijkheid dat het koffieservies geschonken is door de hertog van Saksen-Weißenfels. Er zijn echter tot op heden nog geen concrete aanwijzingen hiervoor gevonden en daarmee blijft dit een hypothese.

Adolph of Adolpfina

In adellijke kringen bestonden er verschillende ordes, waaronder schertsordes. Een kenmerk van deze ordes is dat de genderrollen en gerelateerde taken werden omgedraaid. Zo werden deze ordes vaak geleid door vrouwen. De schoonmoeder van Marie-Louise, Henriëtte-Amalia van Anthalt-Dessau (1666-1726), richtte de Ordre de la Fidélité op. In het Koninklijk Huisarchief liggen verschillende stukken met betrekking tot deze orde.[7] Toch is er binnen de Ordre de la Fidélité geen link gevonden tussen Marie-Louise en hertog van Saksen-Weißenfels. Verder is er binnen het archief van Marie-Louise ook geen bewijs gevonden dat zijzelf een dergelijke orde opgericht heeft, of er lid van één was.

Toch geven de laatste twee zinnen van de brief mogelijk een aanwijzing voor een dergelijke orde: “[…] en ik zal het beschouwen als een teken van onderscheiding en vriendschap die zij zich verwaardigt te hebben voor een zuster die altijd haar dienares en dienaar is voor het hele Huis van Kassel. Ik zal wachten op de orders voor de toekomst als ze me waardig en ‘kabaal’ [‘caballe’] acht, met een zeer bijzondere en perfecte verering […].” De hertog kan het woord ‘caballe’ genoemd hebben als een verwijzing naar een ander geheim genootschap in verband met de aan het begin van deze paragraaf genoemde ordes.

Johan Adolf van Saksen-Weißenfels, Wikimedia Commons

In 1699 vertrok de jonge hertog van Saksen-Weißenfels op zijn grand tour en bezocht hij verschillende plekken in de Nederlanden en Frankrijk. Een doel van deze reis was het verbeteren van zijn Franse taalvaardigheid, evenals zijn ridderlijke kwaliteiten. Speciaal hiervoor bracht hij meerdere keren een bezoek aan Den Haag en Paleis het Loo, dat in het bezit was van koning-stadhouder Willem III. Ondanks dat Marie-Louise nog niet in de Nederlanden was tijdens de reis van de hertog, heeft hij ongetwijfeld verschillende ontmoetingen gehad met de (Oranje-)Nassaus, die hem in zijn latere leven ook in contact hebben gebracht met haar. Het is zelfs mogelijk dat hij met de term ‘caballe’ verwijst naar het Fries Cabaal, de Friese pro-Oranje adel die het stadhouderschap steunde. De dood van de kinderloze Willem III luidde immers het Tweede Stadhouderloze Tijdperk (1702-1747) in. Ook voor Friesland en Groningen was er geen stadhouder meer nadat Johan-Willem-Friso kwam te overlijden in 1711. Zoals eerder genoemd werd in eerste instantie zijn echtgenote Marie-Louise van Hessen-Kassel regentes voor hun minderjarige zoon, en hij zou tenslotte als Willem IV de stadhouder van de hele Republiek der Nederlanden worden.

Met enige zekerheid kan worden gesteld dat hertog Adolph II van Saksen-Weißenfels de afzender is van beide brieven. Maar, waarom is één van de brieven dan ondertekend met de naam Adolpfina? Een mogelijke verklaring zou dus een schertsorde kunnen zijn, maar zoals vermeld is, is er geen duidelijke link gevonden tussen Marie-Louise en de hertog in het archief met betrekking tot een dergelijke orde. Op deze vraag kwamen ook een aantal suggesties naar aanleiding van de eerdergenoemde oproep op Twitter. Zo stelde iemand voor dat Adolpfina mogelijk de dochter zou kunnen zijn van de hertog. De hertog heeft zes kinderen, waaronder een dochter. Deze suggestie leek in eerste instantie aannemelijk. Toch werd duidelijk dat dit niet het geval kon zijn. Zijn dochter Friederike Adolphine van Saksen-Weißenfels werd geboren in 1741, bijna een decennium na het versturen van de brief. Hoewel een schertsorde een mogelijke verklaring zou kunnen zijn voor een dergelijke aanhef en slot van de brief, blijven de exacte redenen dus onzeker.

Conclusie

Binnen het Stadhoudersvrouwen Brievenproject heb ik de kans gehad om in het Koninklijk Huisarchief een deel van de werkzaamheden te mogen uitvoeren. Dit gaf mij de mogelijkheid om de brieven in het archief van Marie-Louise zelf te kunnen lezen, aan te raken en te ervaren. Ook heb ik gebruik kunnen maken van andere items die tot de bibliotheek van Koninklijke Verzamelingen behoren, zoals werken over porselein en uit het archief de correspondentie en documenten van andere hooggeplaatste personen in de Nederlandse geschiedenis. Daarnaast heb ik waardevolle suggesties gekregen op vragen via Twitter, een plek waar men – in ieder geval ikzelf – dit mogelijk niet zou verwachten. Toch blijkt dat er een groot academisch netwerk te bereiken is via dit platform.

Het is opmerkelijk dat, afgezien van de twee brieven die in deze blogpost ter sprake zijn gekomen, er geen verdere correspondentie tussen Marie-Louise en hertog van Saksen-Weißenfels in haar archief is. Mocht er verdere correspondentie zijn geweest tussen beiden, kan het zijn dat deze in een ander archief bewaard is gebleven, of dat deze verloren is gegaan. Wat wel bekend is, is dat de hertog Paleis het Loo heeft bezocht en dat hij meermaals in Den Haag is geweest.

Verder heeft deze blogpost een aantal vragen opgeworpen, hoewel er op sommige slechts suggesties als antwoord verschaft kunnen worden. Wel heeft dit onderzoek de afzender met redelijke zekerheid kunnen identificeren van twee brieven in het archief van Marie-Louise, die in eerste instantie niet bekend was. Bijzonder is ook dat er een mogelijke schenker is geïdentificeerd voor het Meissen koffieservies met bijbehorende reiskoffer van Marie-Louise. Hopelijk kan vervolgonderzoek hier een definitief antwoord op bieden.

Demi Storm (Master Student Ancient and Medieval Mediterranean Worlds, Radboud University Nijmegen/Master Student Ancient History, Leiden University), 21 maart 2023


Bibliografie

Cassidy-Geiger, M., ‘Afterthoughts of Fragile Diplomacy: Meissen Porcelain for European Courts, c. 1710-1763’ in: The Court Historian vol. 14, no. 2 (2009) 199-205.

Cassidy-Geiger, M., Meissen Porcelain for Sophie Dorothea of Prussia and the Exchange of Visits between the Kings of Poland and Prussia in 1728’ in: Metropolitan Museum Journal vol. 37 (Chicago 2002) 133-166.

Chalmot, H.A., de, Afkomst, Godvrugtig Leven en Zalige Dood van Hare Doorlugtigste Hoogheid Maria Louise, Princesse Douairiere van oranje en Nassau, Geboregn Landgravin van Hessen-Kassel, etc. etc. etc. Uit Echte Stukken Zamengestelt (Leeuwarden 1765).

Chilton, M., ‘The Duke of Weissenfels Series’, in: Reinhard Jansen (eds.),Commedia dell’Arte: Carnival of Comedy Players (Stuttgart 2001) 16-20.

Gabler, G.T., Die Fürstengruft auf Neu-Augustusburg, oder: die Herzöge von Sachsen-Weißenfels und Querfurt (1844).

Jagtenberg, F.J.A., Willem IV. Stadhouder in roerige tijden 1711-1751 (Nijmegen 2018).

Jagtenberg, F.J.A., Marijke Meu 1688-1765. Stammoeder van ons Vorstenhuis (Amsterdam 1994).

Königlich Sächsische Porzellanmanufaktur Meissen, Festschrift zur 200jährigen Jubelfeier 1910 (Leipzig 1911).

Krul, S., et al. (eds.), Historisch Tijdschrift Fryslân. Maria Louise vol. 21, no. 3 (2015).

Schutte, G.J., Oranje in de Achttiende Eeuw (Amsterdam 1999).

Walcha, O., Meissner Porzellan. Von den Anfängen bis zur Gegenwart (Dresden 1975).


[1] Koninklijke Verzamelingen, Den Haag, Archief: Maria Louise, landgravin van Hessen-Kassel (1688-1765), echtgenote van Johan Willem Friso, prins van Oranje, regentes in Friesland voor haar zoon prins Willem IV van 1711-1731 en van 1759-1765 voor haar kleinzoon prins Willem V, inventarisnummer A28-051.

[2] KV Archief: Maria Louise, landgravin van Hessen-Kassel (1688-1765), inv.nr. A28-051_006.

[3] Zie de tweet van 21 juni 2022: https://twitter.com/stadholderswife/status/1539153365485211648?cxt=HHwWgMC-yZj1ldwqAAAA.

[4] KV Archief: Maria Louise, landgravin van Hessen-Kassel (1688-1765), inv.nr. A28-051_005. Transcript en vertaling door auteur.

[5] Zie: Meredith Chilton, ‘The Duke of Weissenfels Series’, in: Reinhard Jansen (eds.),Commedia dell’Arte: Carnival of Comedy Players (Stuttgart 2001) 16-20. Echter is het niet mogelijk geweest voor mij om het gehele artikel te lezen.

[6] In het Koninklijk Huisarchief is tevens een inventaris te vinden van haar porselein, zie: [6] KV Archief: Maria Louise, landgravin van Hessen-Kassel (1688-1765), inv.nr. A28-380.

[7] Koninklijke Verzamelingen, Den Haag, Archief: Hendrik Casimir II, vorst van Nassau-Dietz (1657-1696), stadhouder en kapitein-generaal van Friesland, inventarisnummer A26a-001.