Blog

Het treurige bestaan van Amelia van Nassau-Dietz

Aanhef brief van Amelia van Nassau-Dietz aan haar moeder Maria Louise van Hessen-Kassel (Koninklijke Verzamelingen, Den Haag, A28-012 via: https://bit.ly/31c38z7 )

Op deze website hebben we het al eens gehad over de brieven die stadhouder Willem IV aan zijn moeder Maria Louise van Hessen-Kassel schreef. Gedurende zijn leven schreef hij in totaal zo’n 1200 brieven aan zijn moeder, waardoor we genoeg materiaal hebben om nog talloze blogs over deze correspondentie te schrijven. Zijn oudere zus, Anna Charlotte Amelia van Nassau-Dietz, is een heel ander verhaal. Er zijn in totaal maar drie brieven van haar aan haar moeder bewaard gebleven. [1, 2, 3] Dit heeft te maken met de gecompliceerde aard van Amelia. In deze blogpost vertellen we je graag meer over het leven van Amalia en het contact met haar moeder Maria Louise.

Anna Charlotte Amelia van Nassau-Dietz werd in 1710 geboren in Leeuwarden als dochter van Friese stadhouder Johan Willem Friso en zijn echtgenote Maria Louise van Hessen-Kassel. Ze groeide op in Friesland en na de geboorte van haar broertje, de toekomstige stadhouder Willem IV, was het gezin compleet. 

Maria Louise van Hessen-Kassel en haar twee kinderen, Arnold Boonen, ca. 1726. Nationalmuseum, Stockholm
https://bit.ly/3duUqB0

Maria Louise voerde een uitgebreide correspondentie met adellijke vorsten uit heel Europa. Dit was onderdeel van haar strategie om geschikte huwelijkskandidaten voor haar kinderen te zoeken. Dat begon al vroeg: in 1725 begon ze met het zoeken van een huwelijkskandidaat voor Amelia, zij was toen amper vijftien jaar oud.(1) De kandidaat moest het liefst een protestantse prins van enig aanzien zijn, want de Oranjes waren zelf een prominente Europese familie. Daarnaast moest hij ook een goede positie bekleden en enig vermogen tot zijn beschikking hebben. Katholieke kandidaten vielen bij voorbaat al af, dus zo bleven er niet veel kandidaten over. Uiteindelijk kwam erfprins Frederik van Baden-Durlach (1703-1732) als winnaar uit de bus. Hij was klein en tenger, maar zeer geliefd en zeer begaafd, zo werd gezegd.(2) Het huwelijk vond plaats op 8 september 1727 in Leeuwarden, toen was Amelia nog net geen zeventien jaar oud. Na het huwelijk trok het stel naar Durlach en ze kregen twee kinderen: Karel Frederik (1728-1811) en Willem Lodewijk (1732-1788). Karel Frederik volgde zijn vader op als markgraaf van Baden-Durlach en werd uiteindelijk markgraaf en groothertog van Baden. Willem Lodewijk werd gouverneur van Arnhem.

Portret Frederik van Baden-Durlach, door Johann Rudolf Huber (Salem, Haus Baden, via: https://bit.ly/2H45sl1)

Amelia stond bekend om haar zwakke geestelijke gezondheid. Zo tiranniseerde ze haar bedienden tijdens haar zwangerschappen en had ze veel last van driftbuien. Haar moeder Maria Louise maakte zich zorgen en schreef haar waarschuwend: “u ontsteekt in woede over alles en iedereen, mij en eenieder die in uw buurt komt; u wil leven zonder regelmaat, maakt van de nacht de dag en uw stemmingen kennen geen grenzen”. (3) Amelia’s gesteldheid verslechterde steeds meer en op 11 februari 1732 schreef erfprins Frederik tamelijk bezorgd aan Maria Louise in Leeuwarden: “met grote droefheid moet ik Uwe Doorluchtige Hoogheid de betreurenswaardige toestand mededelen waarin mijn zeer lieve vrouw verkeert, niet zozeer met betrekking tot het lichaam als wel van de geest, die erg zwak is sinds haar ziekte en ze is voortdurend aan het wegdromen” (4) Zelf schreef Amelia maar weinig naar haar moeder. Hier was ze vaak te zwak voor, vandaar dat de communicatie tussen Maria Louise en haar dochter vaak via Amelia’s echtgenoot verliep. 

Lees hier de gehele brief van Frederik van Baden-Durlach aan Maria Louise:

De geestelijke toestand van Amelia verslechterde nog meer na de geboorte van haar tweede zoon. Haar echtgenoot en de artsen om haar heen deden er alles aan om haar toestand te verbeteren, maar ze leed aan religieuze waanvoorstellingen, had hevige uitbarstingen en was agressief (5). De toestand van erfprins Frederik was inmiddels ook kritiek geworden. De longontsteking waaraan hij leed verergerde dermate dat hij in maart 1732 stierf, waarschijnlijk aan tuberculose.  

Haar schoonvader, markgraaf Karel III Willem van Baden-Durlach, wilde voorkomen dat Amelia te veel invloed zou hebben op haar kinderen. Om deze reden leefde ze in een apart gedeelte van Slot Karlsburg te Durlach, gescheiden van haar zoons en afgeschermd van de buitenwereld. De prinsjes zouden voortaan onder leiding van hun oma Magdalena Wilhelmina van Württemberg (1677-1742) worden opgevoed, want Amelia kon dit niet. Ze wist niet waar ze was, wat ze deed, ze gilde, huilde, vloekte, mompelde en staarde glazig voor zich uit, ze viel mensen aan, sloeg en kneep.(6) Nederlandse en Duitse artsen probeerden haar zo goed mogelijk te behandelen, maar niets hielp. Amelia stierf pas in 1777. In totaal leefde ze dus ruim 45 jaar in deze toestand van totale verdwazing, verzorgd door een stoet van twintig bedienden.

Bronvermelding:
(1) B. Bilker, ‘Anna Charlotte Amelia 1710-1777, het ongelukkige leven van een Leeuwarder prinses’, Leovardia 5 (2001) 9-12.
(2) B. Bilker, ‘Anna Charlotte Amelia 1710-1777, het ongelukkige leven van een Leeuwarder prinses’, Leovardia 5 (2001) 9-12.
(3) Reinildis van Ditzhuyzen, Deel 18: (Anna Charlotte) Amalia prinses van Nassau-Dietz en Frederik erfprins van Baden Durlach: een krankzinnige prinses en een jonggestorven prins, maart 2017 (geraadpleegd op 15 oktober 2020) URL: https://bit.ly/2H43G3p.
(4) Brief van Frederik van Baden-Durlach aan Maria Louise van Hessen-Kassel, 11-02-1732, (Koninklijke Verzamelingen Den Haag, A28-012), te raadplegen via: https://bit.ly/340r9LB .
(5) Marijke Bruggeman, Amalia van Nassau-Dietz 1710-1777, in: Digitaal Vrouwenlexicon, URL: https://bit.ly/3nQGqGB.
(6) Marijke Bruggeman, Amalia van Nassau-Dietz 1710-1777, in: Digitaal Vrouwenlexicon, URL: https://bit.ly/3nQGqGB.

Transcriptie:

Madame
C’est avec bien du plaisir que j’ai receu la lettre gracieuse que Votre Altesse Sérénissime m’a écrit du deux de ce mois et rends tres humble grâces des souhaits qu’elle fait pour le bien du nouveau née. Je le recommande encore une fois aux grâces de Votre Altesse, il se porte Dieu merci fort bien, mais c’est avec bien de la tristesse que je dois apprendre à Votre Altesse Sererenissime l’estat déplorable dans le quel ma tres chère épouse ce trouve, non pas tant par rapord au corp qu’a l’esprit qui est ford foible depuis la maladie et elle est presque dans des rêveries continuelles; nous faisons tout nostre possible pour la tirer dus mauvais lestât par tout sorte de remédie, mais qu’elle prend très difficilement. Nous avons pourtant quelque fois des espérance et Dieu qui peut guérir de tous les maus nous assistera dans celui-ci et c’est en lui que je mets toute ma consience et j’espère que si mon épouse reviend a la guérison elle reconnoitra bien des choses où elle n’a point fait de réflexions jusques ici. Je prends en mesmes temp la liberté de la recommander dans sa triste situation aux grâces de Votre Altesse Sérénissime et prie très humblement de ne plus penser à ses égrarement passés qu’elles déplore présent, mais de crainte d’incommoder Votre Altesse, je finis me faisant un plaisir sensible d’estre juques à la fin de sa vie. 

Madame

De Votre Altesse
Le très humble très obéissant et très fidèl serviteur et fils 
F.M.B. Baade
Carolsruhe ce 11.em Feb 1732

P.S. 
Madame ma mère m’a chargé de faire ces compliments à Votre Altesse, la priant de pardonnes de ce qu’elle n’écrit pas, mais comme elle est presque toujours auprès de mon épouse ce sera la 1 poste[?]


De stadhoudersvrouwen en Johan de Witt

Van oudsher beschouwt de geschiedschrijving de praktijk van de vroegmoderne politiek als een voornamelijk mannelijke aangelegenheid en laat daarbij de bestudering van brieven van vrouwen achterwege. Het was echter juist door het voeren van correspondenties dat vrouwen in het verleden hun politieke macht konden uitoefenen. Ook de briefwisselingen van de echtgenotes van de stadhouders in de Republiek der Verenigde Nederlanden zijn nog nauwelijks bestudeerd. Uit hun correspondenties, waaronder zich ook brieven van en aan Johan de Witt bevinden, blijkt dat deze stadhoudersvrouwen wel degelijk politiek actief waren.

Portret Johan de Witt, Abraham Bloteling naar Jan de Baen, ca. 1660-1690 (Rijksmuseum Amsterdam, inv.no: RP-P-1906-2952)

De digitale publicatie van de brieven van de zeventiende-eeuwse Hollandse en Friese stadhoudersvrouwen (voornamelijk bewaard op het Koninklijk Huisarchief) maakt het mogelijk nieuw wetenschappelijk onderzoek te doen naar hun invloed op de politieke, culturele en sociale processen in de Republiek en daarbuiten. (1) Op dit moment bevat het corpus brieven van de drie Hollandse stadhoudersvrouwen:

En de drie Friese stadhoudersvrouwen: 

Johan de Witt heeft met drie van de zes bovengenoemde vrouwen gecorrespondeerd, te weten met Amalia van Solms, Mary Stuart (Princess Royal) en Albertine Agnes van Oranje. (3)

Albertine Agnes van Oranje-Nassau en Johan de Witt

Tien dagen na het plotselinge overlijden van haar echtgenoot de Friese stadhouder graaf Willem Frederik van Nassau-Dietz [zie ook het blog ‘Pechvogel Willem Frederik’] stuurt Albertine de raadpensionaris een eigenhandige brief. Zij doet daarin een poging om de positie van haar zoon veilig te stellen, waarbij zij uiteraard ook aan haar eigen situatie denkt. Hendrik Casimir II (1657-1696) is eind 1664 pas zeven jaar oud en het is bepaald geen zekerheid of het stadhouderschap van Friesland en Groningen behouden zal kunnen blijven na de dood van zijn vader. De brief (noch een antwoord of andere correspondentie hierover) komt niet voor in de uitgave van de correspondentie van Johan de Witt. In de editie van de brieven van De Witt uit 1909 is te lezen: ‘Van den dood van Willem Frederik, den 31 October van dit jaar, staat niets bijzonders in de brieven,’ waarna slechts een brief aan de graaf volgt, waaruit blijkt hoeveel meer Holland te vertellen heeft dan Friesland(4). Toch heeft De Witt er op 25 oktober nog aan de stervende Willem Frederik over geschreven, aangezien Albertine daarnaar verwijst in haar brief: 

Soo haest ick mijn met overmaatige droeffheit overstolpt gemoet eenigsintz hebb connen afftrecken van de droevige contemplatie van het aldergrootste ongeluck dat mij in deese werelt conde overcommen, soo hebbe ick onder de brieven van wijlen de heere Prince Wilhelm Frederic van Nassau, mijn hertgelieffde gemahl, Christ. ende Hoochs. gedachtenisse, cortz voor zijnen doodt geschreven, onder anderen oock vindende die van Uw Ed., in dato den 25 der voorleden maent, niet connen ledich staen, deselve mitz deesen te betuygen hoe gevoelich ick van de affectie, dewelcke ick daerin ende oock andersintz deurgans hebbe bespeurt, dat Uw Ed. denselven altoos heeft toegedragen. 

Op zijn sterfbed had Willem Frederik zich op 30 oktober ook nog tot de Staten van Friesland gewend om de positie van zijn ‘Soontje’ veilig te stellen.(5) Na zijn overlijden namen de Staten van Friesland op 12 november 1664 een resolutie aan betreffende zijn opvolging door Hendrik Casimir II. Hierin werd de leeftijd van twintig jaar genoemd en was reeds bepaald, niet onbelangrijk voor Albertine Agnes, dat Hendrik Casimir II het bij het ambt behorende traktement zou ontvangen.

Albertine Agnes van Oranje-Nassau met haar kinderen, door Abraham van den Tempel. 1668. (Fries Museum, Leeuwarden; source of image: Wikimedia Commons)

Uit haar brief aan De Witt blijkt dat Albertine Agnes niet helemaal gerust was op de beslissing van de Staten van Friesland. Ze vond het kennelijk nodig zich te verzekeren van de steun (en de faveur) van de raadpensionaris, opdat deze ‘zijne genegentheid sall gelieven te continueeren’. In de aanloop van de ontwikkelingen met Engeland kwam het De Witt op zijn beurt goed uit om Albertine Agnes (en Friesland) te vriend te houden. En hoewel hij als raadpensionaris van Holland officieel geen bemoeienis met de gang van zaken in Friesland had, geeft het feit dat Albertine Agnes hem om steun vraagt niet alleen aan dat De Witt zich eind 1664 in een bijna onaantastbare positie bevond – te vergelijken met die van stadhouder Frederik Hendrik in zijn hoogtijdagen – maar ook hoe wankel de positie van de Nassaus was geworden. Niet voor niets werd Johan de Witt rond deze tijd wel ‘King John’ genoemd. Je kunt je afvragen wat er met Hendrik Casimir II (en dus ons huidige koningshuis) was gebeurd als Albertine Agnes van Oranje niet zo behoedzaam had gemanoeuvreerd.

Ineke Huysman, 8 oktober 2020.

(1) De brieven werden door het Huygens ING in samenwerking met Koninklijke Verzamelingen en Oxford’s Cultures of Knowledge gepubliceerd in een overkoepelende catalogus bij Early Modern Letters Online. De brieven zijn ook per vrouw in een aparte catalogus raadpleegbaar. Daarnaast is er ook een virtuele tentoonstelling te bezoeken.
(2) De catalogi van de Friese stadhoudersvrouwen zullen nog worden aangevuld met de brieven die zich in Tresoar in Leeuwarden bevinden. Vervolgens zullen ook de zestiende- en de achttiende-eeuwse stadhoudersvrouwencorrespondenties worden ontsloten.
(3) Aan De Witts relatie met Amalia van Solms en Mary Stuart zal in een apart blog aandacht worden besteed.
(4) Brieven Van Johan De Witt, deel II, eds. R. Fruin en N. Japikse (1909), p. 525, noot 2.
(5) Geert H. Janssen, Creaturen van de macht (Amsterdam AUP, 2005) p. 218

Post uit Europa!

Gedurende haar tijd in Leeuwarden, correspondeerde Maria Louise van Hessen-Kassel veel maar haar Duitse familie. Haar familie kwam oorspronkelijk uit Hessen, waar ze regeerden over het landgraafschap Hessen-Kassel. Zoals wel vaker bij belangrijke adellijke families, hadden haar familieleden zich door hun huwelijken verspreid over verschillende delen van Europa. Zo was haar broer Friedrich (1682-1760) van 1720 tot zijn dood in 1751 koning van Zweden en Maria Louise zelf was natuurlijk neergestreken in Leeuwarden als echtgenote van de Friese stadhouder Johan Willem Friso. Verder had zij ook nog verscheidene broers, zussen, nichten en neven die hertog(in) of landgraaf waren van allerlei Duitse vorstendommen, zoals haar zus Sophie Charlotte van Hessen-Kassel (1678-1749, die hertogin werd van Meckelenburg, haar nicht Ulrica Frederica Wilhelmina van Hessen-Kassel (1722-1787), die hertogin werd van Sleeswijk-Holstein-Gottorp en haar nicht Wilhelmina van Hessen-Kassel (1726-1808), die door haar huwelijk prinses van Pruisen werd.

Wilhelm VIII. Landgraf von Hessen-Kassel (1682-1760), Johan Heinrich d. Ä. Tischbein (1722-1789) ca. 1755/60. Alte Meister Museum Kassel, inv.no 1875-750 (SM.1.1500) via: https://bit.ly/2GbH7t8

Het landgraafschap Hessen-Kassel werd bestuurd door Maria Louise’s vader, landgraaf Karl van Hessen-Kassel (1654-1730). Zijn oudere broers waren al op jonge leeftijd gestorven, en nadat zijn oudste broer Friedrich koning van Zweden was geworden in 1720, en ook zijn vader in 1730 stierf, werd een andere broer van Maria Louise, Wilhelm VIII van Hessen-Kassel (1676-1751), de facto regerend landgraaf van Hessen-Kassel. Dit was altijd in naam van zijn oudste broer. Wilhelm werd pas officieel landgraaf van Hessen-Kassel na het overlijden van Friedrich in 1751. 

Correspondentie Wilhelm VIII van Hessen-Kassel en Maria Louise van Hessen-Kassel. Visualisatie via Node Goat.

Wat het meest opvallend is in de correspondentie die Maria Louise onderhield met haar broer Wilhelm zijn de diverse locaties van waaruit hij brieven aan zijn zus in Leeuwarden schreef. Zo was hij in verschillende Nederlandse steden, maar ook in België en in allerlei Duitse plaatsen. Dit is te verklaren door Wilhelms rol in het Nederlandse leger. Al vroeg trad hij in dienst van de Nederlandse Republiek, eerst als militair en later als gouverneur van onder meer Breda en Maastricht. Verder was hij ook heer van de Tilburg en Goirle. Hieronder hebben we in beeld gebracht waar Wilhelm zoal zijn brieven aan zijn zus Maria Louise schreef. De rode cirkel is Leeuwarden, waar Maria Louise gedurende deze periode woonde. De duidelijkste blauwe cirkel is uiteraard Kassel, hij was ruim dertig jaar heerser over dit gebied en schreef hier de meeste brieven. Toch is het interessant om te zien hoe veel Wilhelm reisde door de jaren. In het filmpje helemaal onderaan kan je zien precies zien in welk jaar hij op welke locatie was.

Deze visualisatie is mogelijk gemaakt met behulp van nodegoat: Bree, P. van, Kessels, G., (2013). nodegoat: a web-based data management, network analysis & visualisation environment, https://nodegoat.net from LAB1100, https://lab1100.com

Nieuwjaarswensen van stadhouder Willem IV

Portretminiatuur van stadhouder Willem IV, ca. 1735 (Koninklijke Verzamelingen, Den Haag) via: https://bit.ly/32VmVEj

Op oudejaarsdag 1722 schrijft Willem IV zijn moeder Maria Louise van Hessen-Kassel een mooie brief ter gelegenheid van de jaarwisseling. De jonge stadhouder was net elf jaar oud, maar dat weerhield hem er niet van om zijn moeder in een keurig handschrift een brief te schrijven met de beste wensen voor het komende jaar, zo schreef hij liefhebbend: 

’Je prie Dieu le Tout Puissant qui veuille combler Votre Altesse Sérénissime de ses plus précieuse bénidictions et qu’elle aye toutes sortes de prospérité pendant cette année’.

Stadhouder Willem IV schreef zijn moeder gedurende zijn leven talloze brieven, waarvan er in totaal 1241 bewaard zijn gebleven. De meeste brieven die bewaard zijn gebleven dateren tussen 1728 en 1734. Willem IV schreef vaak over zijn gezondheid. Als kind had hij namelijk een ongelukkige val gemaakt, waar hij een vergroeide rug aan over had gehouden. Zijn gezondheid was daarom iets waar zijn moeder zich vaak zorgen over maakte. In de correspondentie tussen Willem IV en zijn moeder schreef Willem IV daarnaast ook over het aanstaande huwelijk met Anna van Hannover. Maria Louise van Hessen-Kassel schreef op haar beurt over haar eigen gezondheid en haar bezigheden aan het Friese hof in Leeuwarden.

Transcriptie:
Madame ma très chère et honorée mère,

J’espère que Votre Altesse Sérénissime voudra bien permettre que je prenne la liberté 
de lui offrir cette lettre. Et de lui témoigner mon impaciense de féliciter Votre Altesse Sérénissime du renouvellement de l’année. je prie Dieu le Tout Puissant qui veuille combler V.A.S. de ses plus précieuse bénidictions et qu’elle aye toutes sortes de prospérité pendant cette année, de mon côté je ferai tout mon possible pour mériter ses bonnes grâces et demeure avec très profond respects 

Madame, de Votre Altesse Sérénissime, le très humble et très obéissant serviteur et fils,

G.C.H.F. P. d’Orange

Leeuwarden, ce 31me dec.ber 1722

Brief uit het Tuchthuis

“G. van Giessen, Het Tucht- of Spinhuis aan de Prinsegracht, 1725, Collectie Haags Gemeentearchief,” Haags Gemeentearchief, geraadpleegd op 9 september 2020, https://bit.ly/3m4jbrA

Op 9 december 1755 ontving Anna van Hannover een verzoek van de negen kinderen van de zestigjarige Anna Catharina Werdin. Ze vroegen in het zogenaamde ‘request’ Anna gratie te verlenen aan hun doodzieke moeder die zat opgesloten in het tuchthuis van Den Haag. Dit was mogelijk het Tucht- of Spinhuis aan de Prinsegracht te zien op bovenstaande prent uit 1735. Dit was het eerste tuchthuis van Den Haag.

De afzender van de brief, Rozina Werdin, die namens de negen kinderen de brief schreef aan Anna van Hannover, vertelde dat hun moeder haar misdaden had begaan vanwege de armoede waarin zij en haar kinderen leefden. Ze wilde ‘slechts’ instaat zijn om haar drie nog minderjarige kinderen te voeden. De zestigjarige Anna Catharina Werdin werd in april 1755 verbannen naar het tuchthuis voor vier jaar en zat al negen maanden opgesloten op het moment dat één van haar dochters de brief schreef. Rozina richtte zich tot Anna nadat de baljuw en de schepenen haar verzoek hadden afgewezen. In de brief stelde ze dat haar moeder ziek was en waarschijnlijk in het tuchthuis zou komen te overlijden. Ze deed een beroep op de ‘menselijkheid’ van Anna en vroeg haar het mogelijk te maken om haar moeder met haar kinderen te herenigen. Ook schreef Rozina dat drie van haar kinderen in het leger als soldaat en tamboer gediend hadden. De kinderen zouden “gedreven door een kinderlijken liefdendrift voor haere moeder, die met zorge hen onder ’t her gedragen gequeekt en gevoet heeft” Anna willen vragen hun moeder uit het tuchthuis te ontslaan. 

Anna van Hannover wees het verzoek dezelfde dag nog, op 9 december 1755, af. 

Transcriptie:
“Aen Haere Koninklijke Mevrouwe de Princesse Gouvernante.

Geven met verschulde eerbied, zeer onderdanig te kennen de Negen kinderen van Anna Catharina Werdin, welke Anna Catharina Werdin althans volgens vonnisse van Heeren Scheepenen van s’Gravenhage is geconfineert of gebannen in het Tugthuis alhier. Dat dezelve haere moeder een vrou van zestig jaeren zijnde, uit hoogen noot en armoede, aparent to voeding van haere Drie nog minderjarige kinderen, zich met zaeken tegens de Burgerlijke Samenleving in het logeeren van vrouluijden, gemelleert heeft, dog zoo, dat noit Buuren overlast van haere Huishouding gehad hebben, en zij noit bij weeten van de supplten eenige jonge vrouluijden vervoert heeft, op ordre van Heeren Bailliu en Scheepenen dezer Stede, in de Maend April dezes Jaers geapprehendeert in ’t Tuchthuis gebragt en sekerlijk op consessie voor den tijdt van vier jaeren aldaer gebannen is. Dat derzelver moeder althans krank en van droefheit over haer Drie Jonge kinderen zeer hertsmertende aengedaen is, zekerlijk aldaer na allen oogenschijn, sterven zal; ten zij, menschelijker wijze daer inne voorzien, en zij weder bij haere kinderen gelaten werd. Dat ook boven die, drie van de supplten in den militairen dienst onder de guardes uwer koninklijke hoogheit, als soldaeten en tamboer dienen welke het niet alleen chagrinant valt, maer ook, somtijdts tot verwijt strekt dat haere moeder in het Tuchthuis gebannen zit, en dat bovendien met drie minderjarige kinderen al verre over de Zeven maenden belast is, nadien die buiten staet zijn om haer brood te winnen.

Om alle welke redenen, en vooral om de krankheit, en vreeze dat hunlieder moeder tot nog meerder schande voor hen in het gemelde Tuchthuis sterven zal, supplten gedreven door een kinderlijken liefdendrift voor haere moeder, die met zorge hen onder ’t her gedragen gequeekt en gevoet heeft, volgens hunnen plicht zich keeren tot uwe Koninklijke Hoogheit (als zijnde nog laestelijk op den 2den dezer maend december, door heeren Scheepenen voorn ’t op hun verzoek afgeslagen) Ootmoedig verzoekende dat het uwe Koninklijke Hoogheit alleen uit gracie en mededogen voor de negen supplten en haere kinderen die twaelf in getaele en dus 21 personen uitmaeken; behage door derzelver goede recommandatie aen heeren Bailliu en Scheepenen dezer stede ’s Gravenhage, der supplten gemelde kranke moeder te doen ontslaen ten einde zij in de armen haerer kinderen sterve moge. 

’T Welk doende Rozina Werdin

Gepresenteert 9 dec 1755 en afgeslagen”

Door Tessa Stalenburg, 14 september 2020.

#OnThisDay in 1748..

Hollandsche Historische Courant, 10 september 1748 (Koninklijke Verzamelingen, Den Haag, A28-442)

Op deze dag, 10 september 2020, is het 272 jaar geleden dat er in de krant berichten stonden met het nieuws uit allerlei omstreken: ziekte uitbraken in Amerika, droogte en schaarste in Groot-Brittannië en opstanden in Italië! C.E. van Sanden, werkzaam op de griffie van de Staten-Generaal, stuurde Maria Louise van Hessen-Kassel wekelijkse (en soms wel dagelijkse!) brieven met nieuws uit binnen- en buitenland en van het hof in Den Haag, samen met een uitgave van de Hollandsche Historische Courant van die week. Op die manier hoorde ze van Van Sanden wat er in de Republiek speelde, en via de krant vernam ze wat er in het buitenland gebeurde. Zo kon de douairière, ondanks dat ze in Leeuwarden verbleef, toch nog een oogje in het zeil houden.

De onderstaande brief gaat in het bijzonder over het welzijn van haar zoon stadhouder Willem IV. De Amsterdamse bevolking protesteerde omdat ze het niet eens was met het beleid van de regering. Van Sanden maakte zich druk over de mogelijk ‘quadaerdige geesten te Amsterdam’, die de prins ’s nachts niet met rust lieten. Waar de Amsterdammers precies zo boos over waren, wordt helaas niet genoemd. Verder informeert hij Maria Louise over de reacties op een aantal wijzigingen in Oost-Indië. Een aantal zeelieden was het niet eens met de huishouding van de admiraliteiten en de reformatie van het magistraat. Als laatste krijgt Maria Louise informatie over plunderingen in Haarlem, maar volgens Van Sanden had dit ‘geen relatie van ongenoegen tegens de regering’.

 Hieronder de brief die hij schreef:

Vijftig nieuwe brieven uit 1646 van Constantijn Huygens aan Amalia van Solms

Constantijn Huygens aan Amalia van Solms, Assenede, 24 juli 1646:

Zijne Hoogheid [stadhouder Frederik Hendrik], teruggekomen van het uitstapje [een bezoek aan het Franse leger], voelde zich een beetje vermoeid, na enkele uren te paard te zijn geweest. Daardoor heeft hij vannacht niet goed geslapen en is hij om 4 uur opgestaan om in een stoel te gaan zitten, waarom begrijp ik niet. Om 7 uur is hij weer terug op bed gaan liggen en heeft twee à drie uur zo diep geslapen dat alle trompetten van de Franse troepen die gezamenlijk onder zijn raam hebben staan blazen, hem niet hebben kunnen wekken. Na dit slaapje voelde hij zich totaal niet verfrist.

Dit vrij vertaalde fragment is afkomstig uit één van de vijftig teruggevonden brieven van Constantijn Huygens aan Amalia van Solms die zijn toegevoegd aan de online database met de correspondentie van Constantijn Huygens. De verloren gewaande brieven zijn afkomstig uit het Landeshauptarchiv in Dessau en vrijwel allemaal geschreven in 1646. Ze zijn een belangrijke aanwinst voor de digitale brievencollectie van Constantijn Huygens, in het bijzonder voor zijn correspondentie met Amalia van Solms, de echtgenote van stadhouder Frederik Hendrik. In zijn functie van secretaris van de stadhouder hield Constantijn Amalia vanuit het leger, dat ieder jaar van april tot en met oktober op veldtocht was, vrijwel dagelijks op de hoogte van de militaire vorderingen, maar ook van de gezondheid van haar echtgenoot. In totaal zijn er tussen Huygens en Amalia 1.018 brieven gewisseld. Hij schreef er 834 aan haar en zij schreef 184 brieven aan hem. Op de genoemde vijftig brieven na, bevindt deze briefwisseling zich vrijwel geheel bij Koninklijke Verzamelingen onder signatuur KHA, A14a-XIII-18C-1. Dat deze correspondentie zo compleet is, is te danken aan de afspraak die Constantijn met een van Amalia’s hofdames had gemaakt dat zij al zijn brieven aan Amalia voor hem zou bewaren.

Correspondentie Constantijn Huygens met Amalia von Solms: lichtblauw zijn de brieven áán haar; donkerblauw de brieven van haar

Edities

De belangrijkste gedrukte editie van Huygens’ brieven is op dit moment nog steeds die van J.A. Worp, uitgegeven in de periode 1911-1916 in de Rijks Geschiedkundige Publicatiën, de serie bronnenpublicaties van het Huygens ING. In de algemene inleiding bij deel I stelde Worp dat de volledige uitgave van de correspondentie van Constantijn Huygens 25 tot 30 delen zou vergen. Dat zou natuurlijk veel te veel worden en daarom beperkte hij de omvang tot zes delen, want niet alles was volgens Worp even belangrijk. Die werkwijze is echter niet meer van deze tijd. De huidige onderzoeker wil over het volledige materiaal kunnen beschikken en niet afhankelijk zijn van de selectie en parafrases van een 19e-eeuwse historicus. En dat kan: het Huygens ING heeft een database ingericht met per brief enkele kerngegevens.

Hieraan zijn de bewerkingen van Worp gekoppeld en het geheel is op het web gepubliceerd en doorzoekbaar. Aan de brieven is extra materiaal toegevoegd, zoals de digitale afbeelding van de originele brief, maar ook verwijzingen naar andere edities dan die van Worp, en dikwijls een transcriptie of vertaling.

En zo worden ook nieuwe, niet door Worp uitgegeven brieven worden aan de database toegevoegd. Daar zijn deze vijftig brieven van Constantijn Huygens aan Amalia van Solms een voorbeeld van. De brieven bevinden zich in het Landeshauptarchiv Sachsen-Anhalt, Abteilung Dessau, A7b, nr. 109 A met als opschrift: ‘Relation de la Campagne 1646’ (Eindelijk weer samen. Inventaris van de archieven van stadhouder Willem II en Amalia van Solms en enige verwanten, samengesteld door J.N. Fernhout (Den Haag) 86). Het was bekend dat de brieven uit 1646 van Huygens aan Amalia ontbraken, maar tot voor kort wist men niet dat ze zich in Dessau bevonden. Ze zijn daar waarschijnlijk ooit terechtgekomen door een beslissing van stadhouder Willem II. Die was tamelijk ongelukkig met de Vrede van Munster, die een einde had gemaakt aan de Tachtigjarige Oorlog. Liever had hij samen met de Fransen de strijd tegen de Spanjaarden willen voortzetten. Kort na het overlijden van zijn vader Frederik Hendrik (maart 1647) besloot hij een aantal documenten uit het archief van zijn vader naar zijn eigen administratie over te brengen om zo goed mogelijk op de hoogte te zijn van zijn vaders contacten met Frankrijk. Zo liet hij 270 folio’s met ingekomen stukken over de voorbereiding van de veldtochten tegen Spanje uit zijn vaders archief lichten (Fernhout, 22 en 98).

Willem II, Prins van Oranje, door Jean I Petitot, naar schilderij van Gerard van Honthorst, Koninklijke Verzamelingen, Den Haag

Vermoedelijk om dezelfde reden zijn ook de vijftig brieven van Constantijn aan Amalia uit het jaar 1646 in het archief van Willem II ondergebracht. Na diens dood in 1650 is dit deel van het archief bij zijn moeder Amalia terechtgekomen. Toen Amalia op haar beurt in 1675 overleed, werd haar oudste nog levende dochter Albertine Agnes, weduwe van de Friese stadhouder Willem Frederik, executeur-testamentair. Na haar dood is het archief van Willem II, evenals een deel van dat van Amalia en veel Friese stukken in Duitsland, beland bij de enige nog levende zuster Henriette Catharina, de weduwe van de vorst van Anhalt-Dessau. De documenten, maar ook schilderijen en sieraden, stonden daar bekend als Nassauische Erbschaft (Fernhout, 42). Deze verzameling is niet compleet. Het verhaal wil dat Henriette Catharina veel persoonlijke stukken met zich mee heeft genomen in haar graf. De kerk waar zij begraven lag, is in de Tweede Wereldoorlog plat gebombardeerd, dus die stukken moeten als voorgoed verloren worden beschouwd.

De archieven van Willem II en Amalia van Solms zijn aldus verspreid geraakt over het Landseshauptarchiv in Dessau en het Koninklijk Huisarchief in Den Haag. Dankzij een initiatief van beide archieven zijn ze virtueel weer bij elkaar gebracht door middel van de eerder genoemde inventaris, samengesteld door J.N. Fernhout, die in 2011 door het Koninklijk Huisarchief is gepubliceerd. Het Koninklijk Huisarchief beschikt over microfilms en scans en heeft deze, met bereidwillige medewerking van het archief te Dessau, aan het Huygens ING beschikbaar gesteld. Vervolgens zijn de vijftig relevante brieven uit het digitale materiaal gelicht, bewerkt, van metadata voorzien, getranscribeerd en aan de digitale brievencollectie van Constantijn Huygens gekoppeld.

Inhoud

Deze brieven van Constantijn aan Amalia uit 1646 zijn voor de geschiedschrijving een waardevolle toevoeging. Zo was 1646 het laatste jaar waarin stadhouder Frederik Hendrik nog actief was en met het leger op veldtocht ging. Van half juni tot half september van dat jaar verbleef hij met het leger in Oost-Vlaanderen en in de maand oktober was hij gelegerd voor Venlo, dat hij tevergeefs probeerde in te nemen. In zijn brieven doet Constantijn Amalia uitgebreid verslag over de verstandhouding en de ontmoetingen met de geallieerde Fransen, waarin kopstukken zoals legerleiders Condé, Grammont en Orléans figureren. Verder schrijft hij in detail over de verplaatsingen van het leger, de schermutselingen met de vijand en de activiteiten van de vloot bij Duinkerken. Maar ook de verveling die vaak toeslaat terwijl men wacht op instructie, is onderwerp van schrijven. Zo bericht hij over Willem II die, tot ergernis van zijn vader, regelmatig bij de Fransen te vinden is, waarbij er flink wordt gedronken en gekaart om de tijd te doden. Ook de voorbereidingen op de Vrede van Munster zijn in volle gang en er komt er vaak afvaardiging naar het leger om Frederik Hendrik van de onderhandelingen op de hoogte brengen.

Beleg van Venlo in 1646 door Lambert de Hondt de Oudere, Wikimedia Commons

Frederik Hendrik zou op 14 maart 1647 overlijden. Het jaar daarvoor, in 1646, was hij reeds zwak en ziekelijk, vaak mentaal instabiel en lastig in de omgang. Ook hierover doet Constantijn op gepaste maar ook ontroerende wijze verslag. Vaak beschrijft hij tot in detail wat zijn werkgever wel en niet wil eten, hoe hij heeft geslapen, en of en hoe lang hij op zijn paard heeft gezeten. Maar ook Constantijns persoonlijke beslommeringen, waaronder zijn soms moeilijke verstandhouding met Amalia van Solms, komen aan de orde.

De vijftig brieven maken deel uit van een nog steeds groeiende digitale collectie die op dit moment uit 9.188 brieven bestaat. 

Ineke Huysman, 4 september 2020.

Een kijkje achter de schermen!

Eén van de leukste taken die je een historicus kan geven is het ontcijferen van oude brieven: dichter dan dat kom je haast niet tot het verleden. Bij dit project worden onze paleografische vaardigheden aardig op de proef gesteld. Maria Louise van Hessen-Kassel (1688-1765), de echtgenote van Johan Willem Friso, correspondeerde vaak in het Duits met haar familie. Duits werd in deze tijd echter opgeschreven in een zogeheten ‘Kurrentschrift’, een bijzonder gecompliceerd (zeg maar gerust onleesbaar) schrift. Voor dit project verzamelen we veelal metadata (afzender, ontvanger, locatie, datum, taal) van deze brieven, en zo waren wij afgelopen week uren aan het puzzelen op welke locaties Karl von Hessen-Kassel (Maria Louise’s vader) zich nou precies bevond tijdens het schrijven van de brieven aan zijn dochter. Na eeuwig staren naar de letters, Google afspeuren voor eventuele plaatsnamen en geografische kaartjes van Hessen onder de loep leggen voor mogelijke hints, waren we het spoor bijster. Het konden allerlei plaatsen zijn, voor alles viel wel wat te zeggen, maar tegelijkertijd waren we door geen van de plaatsen écht overtuigd. Zou Karl wel in Brandenburg zitten als hij de rest van zijn brieven allemaal in of rondom Hessen heeft geschreven? Is die locatie een klooster? Maar wat had Karl daar te zoeken? Hij was immers niet katholiek. Maar welke locatie is het dan wel? Waarom was Karl in Venetië in 1713 en een paar weken later weer in een onbenullig dorpje ergens in de buurt van Marburg? Is dit nou een R of een A? Of misschien een H? En zo ging het maar door!

Na flink wat speurwerk en met hulp van de rest van de groep hadden we nog steeds niet alle locaties kunnen achterhalen, dus zetten we de hanenpoten van Karl op Twitter, wellicht dat iemand het daar wel zou kunnen ontcijferen. En wat bleek? Er waren super veel mensen die mee wilden denken en met allerlei suggesties kwamen. Naast een heleboel grappige suggesties (zou het niet kunnen dat Karl von Hessen-Kassel zijn zomer in 1708 spendeerde in Julianadorp bij Den Helder?), werden er ook een heleboel serieuze mogelijkheden opgeworpen. Dankzij de hulp van de #twitterstorians is het gelukt om veel plaatsnamen te achterhalen! Het is niet gelukt om álles te achterhalen helaas. Heb jij zin om nog een poging te wagen? Hieronder hebben we nog een aantal plaatsnamen om uit te zoeken. Laat het ons via Twitter weten als je de oplossing hebt gevonden via @stadholderswife. 

Een sarcastische condoleancebrief voor Anna van Hannover

Allegorie op de dood prins Willem IV, 1751, Jan Caspar Philips, naar Hieronymus van der Mij, 1751 – 1752, Rijksmuseum, RP-P-1908-3667, http://hdl.handle.net/10934/RM0001.COLLECT.387480

Op 9 december 1751 stuurde een anonieme afzender Anna van Hannover een brief met, wat lijkt op, een cynische condoleanceboodschap. De brief, gericht aan Anna, was geschreven ter gelegenheid van het overlijden van haar echtgenoot Willem IV van Oranje op 22 oktober 1751. De brief was volgens de anonieme afzender bedoeld voor wat hij of zij gekscherend “uwe koninklijke familie van pligtsversuym” noemde. In de brief gebruikte de anonieme zender een hartstochtelijk sarcasme om zijn of haar verdriet om het overlijden van de Koninklijke Majesteit kenbaar te maken aan Anna van Hannover. “Ik smolt in traanen voor zijn gesigt, ik soude mijn lievde voor s’Lands welstant, en voor de vorst met mijn doodt bevestigen, en dus mijne onvoorsigtigheden uytwisschen, die ik wijt een drift voor s’Lands welstand, wijt een drift voor s’Prinsens glori.” Ook schreef deze anonieme afzender dat het een ‘allernoodste misdaadt” was van God, en dat God  met dit “onherroepelijke vonnis” “Deze landen in een poel van de allernaarste rampzaligheyt ter nederstorten.”

Transcriptie
“Koninklijke Prinses,

Dogter des Hare edelmoedige weduwe van den allerbraafsten Prins. Bedroevde moeder van telgen, zoo doorlugtig als den aardbodem draagt. Naaderende, vreese ik uwe K.M. (Koninklijke Majesteit) te mishaagen te rug blijvende, beschuldigt mij mijne lievde tot den vorst tot uwe K.M. uwe hoogvorstelijke spruijten en uwe koninklijke familie van pligtsversuym gun deze letteren, wijl het mij niet mag gebeuren een weynig geduldt, het behaagde uwe K.M. zulks eertijds te vergunnen.

K.P. (Koninklijke Prinses) gun mij dat ik mijn boezem overlaaden met droefheyt voor u eenigermate ontlast kust ik met sugten en traanen den vorst in ’t leeven herroepen, ik soude mij verstouten voor ze te verschijnen, ik smolt in traanen voor zijn gesigt, ik soude mijn lievde voor s’Lands welstant, en voor de vorst met mijn dood bevestigen, en dus mijne onvoorsigtigheden uitwisschen, die ik wijt een drift voor s’Lands welstand, wijt een drift voor s’Prinsen glorie begaan heb.

Zaal met praalbed van prins Willem IV, Simon Fokker, Rijksmuseum RP-P-OB-50.792 via http://hdl.handle.net/10934/RM0001.COLLECT.111130

Was heden een Elisa oft een Peterus te vinden die door een wonderwerk den Prins kosten opwekken, ik roude niet alleen bedroevde weduwen maar ook mannen wier harten Cynau onbeweeglijk sijn, opspeuren, ik soude hen ’s Vorsten heerlijke hoedanigheden ’s Vorsten lievde voor deze Republiek zoo levenig afmaaken, ik soude hen to schreynen dwingen, en hun dus aanvoeren, ik soude zoo een Elisa oft Peterus zijne knieën omhelze, schreyende en snikkende, niet loslaaten voordat ik mijnen wensch bekoomen hadt.

Maar neer de goddelijke regtvaardigheyt lang getergt door ondankbaarheyt die allersnoodste misdaadt, en die Cynau in alle nederlanderen harten heuren Petel gevestigt heeft, heeft ons den Prins ontrukt dat vonnis is niet alleen onherroepelijk, maar zoo die misdaadt, dus voorgoet en aangroeyt sal godt deze landen in een Poel van de allernaarste rampzaligheyt ter nederstorten. Agh dat de almagtige de barmhartige godt van hemel en aarde uwe K.M.  en uwe hoogvorstelijke spruiten tot een man, een vaader, een eeuwige hoeder en Leydsman verstrekke hij redde hij zegene dit landt, onder uwe gelukkige regeringe en neeme de spaade sijn eeuwige heerlijkheyt om met uwe gemaal syne onvolprijsbare goedtheyt, heerlijkheyt en Majesteyt eeuwiglijk te prijzen en loven.”

> Tessa Stalenburg, 28 augustus 2020.

Smokkelbriefjes

Een minuscuul briefje van Constantijn Huygens aan Amalia van Solms van 11 juli 1635, afkomstig uit de Huygens-brievendatabase, speelt de hoofdrol in een online video van het Letterlocking project dat zich bezighoudt met de reconstructie van het vouwen en verzegelen van vroegmoderne brieven.

Jana Dambrogio, Nadine Akkerman, and the Unlocking History Research Group. “Tiny Spy Letter: Constantijn Huygens to Amalia von Solms, Neer (1635),” Letterlocking Instructional Videos. Unlocking History number 0023/Letterlocking Unique Video number: 0023. Duration: 4:43.Video URL: https://www.youtube.com/watch?v=PePWd-h679c. Date accessed: August 27, 2020.

Het leger van stadhouder Frederik Hendrik was ieder jaar van april tot en met oktober op veldtocht. Constantijn, in zijn functie van secretaris van de stadhouder, reisde mee en hield Amalia dagelijks op de hoogte van de militaire vorderingen en ook van de gezondheid van haar echtgenoot. Soms was het nodig een briefje zo klein te maken dat het door de vijandelijke linies naar Den Haag kon worden gesmokkeld. Het briefje in de video, waarvan het origineel wordt bewaard bij Koninklijke Verzamelingen, is een van de kleinste bewaarde briefjes ter wereld.

Constantijn Huygens aan Amalia van Solms, 11 juli 1635, Koninklijke Verzamelingen, Archief Amalia van Solms, A14a-XIII-18c-1

Over de noodzaak van het verzenden van de kleine briefjes schrijft Constantijn in zijn Mémoires pour mes enfants, pp. 131-132 ed. Th. Jorissen (Den Haag, 1873):

Une autre peine que j’avois à cette correspondence réglée dont j’entretenois Madame la Princesse, ce fut la difficulté que souvent je rencontrois aux adresses de mes lettres, quand les dangers des passages se mettoyent entre la Hollande et nous: pour à quoy remédier, force que me fut d’inventer tous les jours nouveaux expédiens, et entre autres m’exercer la veue sure une sorte de petite escriture, qui en fort peu d’espaces contenoit quantité d’histoire, et bien souvent pliée n’excédoit pasa le bout d’une plume, ou le grosseur d’un poix, pour ainsi estre cachée en quelqu’endroit [sic], par des femmes ou petits garçons, qu’il y falloit disposer.

Constantijn vervolgt zijn relaas met de mededeling dat Amalia de gekunstelde kleine briefjes als uitsloverij opvatte en hem had verzocht daar onmiddellijk mee op te houden en haar normale brieven te schrijven. Dat vatte hij op als stank voor dank, het was immers geen ijdelheid maar noodzakelijkheid: Amalia had er op gestaan dat Constantijn haar zoveel mogelijk over alles op de hoogte zou houden, ook als verzending lastig was. Daarom had hij zijn best gedaan ze zo klein mogelijk te schrijven en ze zo op te vouwen dat ze niet groter waren dan een erwt. De datums en de plaatsen van verzending op de briefjes tonen aan dat ze verstuurd zijn op momenten dat het leger in lastige omstandigheden verkeerde, zo liet hij zijn zoons weten. Toen Constantijn zijn Mémoires schreef, was zijn hele correspondentie met Amalia via een van haar hofdames weer in zijn bezit gekomen, zodat zijn kinderen die met eigen ogen konden zien. Wrang detail: via een 19e-eeuwse veiling zijn alle brieven van Constantijn Huygens aan Amalia van Solms weer naar haar eigen archief teruggekeerd. 

En nu zijn deze kleine smokkelbriefjes dus ook in gedigitaliseerde vorm raadpleegbaar. In totaal zijn er 27 bewaard en onlangs zijn er in het Landeshauptarchiv Dessau ook nog twee opgedoken naast 48 ‘normale’ brieven van Huygens aan Amalia. 

Ineke Huysman, 27 augustus 2020.